Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2022:1262

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2022
Datum publicatie
02-05-2022
Zaaknummer
200.292.680/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontbinding arbeidsovereenkomst vanwege verwijtbaar handelen van de werknemer. Ernstig verwijtbaar handelen. Het in het geheel niet toekennen van een transitievergoeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Geen recht op billijke vergoeding.

Wetsartikelen: art. 7:669 lid 3, sub e, 7:673 lid 7, sub c, 7:673 lid 8, 7:671b lid 8 sub b en c BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2022-0496
JAR 2022/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.292.680/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 8812763 \ AO VERZ 20-167

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 april 2022

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellante,

advocaat: mr. R.H.G. Evers te Leusden,

tegen

ABN AMRO BANK B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.J.M.T. Keulaerds te Den Haag.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en ABN AMRO genoemd.

[appellante] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 12 april 2021, onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (hierna: de kantonrechter), onder bovengenoemd zaaknummer, - naar het hof begrijpt - op 12 januari 2021 heeft gegeven, hersteld bij beschikking van 4 mei 2021. Het beroepschrift strekt, zakelijk weergegeven, ertoe dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en primair op grond van artikel 7:683 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het dienstverband tussen partijen zal herstellen dan wel ABN AMRO zal veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen per 15 januari 2021 onder toekenning van een voorziening als bedoeld in artikel 7:683 lid 4 BW in combinatie met artikel 7:682 lid 6 BW. Voor zover de arbeidsovereenkomst niet per 15 januari 2021 maar met ingang van een latere datum wordt hersteld, verzoekt [appellante] toekenning van een transitievergoeding van € 25.207,47. Subsidiair verzoekt [appellante] ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [appellante] van een billijke vergoeding van € 89.729,55 bruto op grond van artikel 7:683 lid 3 BW en/of op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW vanwege ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO, van een transitievergoeding van € 37.811,21 dan wel van € 25.207,47 alsmede van € 16.274,24 bruto aan loon over de opzegtermijn, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen en onder afgifte van een bruto-/netto specificatie. Voor zover de kantonrechter de arbeidsovereenkomst terecht heeft ontbonden, verzoekt [appellante] het hof meer subsidiair ABN AMRO te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 37.811,21 dan wel van € 25.207,47 dan wel een gedeelte van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 8 BW, van een billijke vergoeding van € 89.729,55 bruto op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW vanwege ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO, alsmede van € 16.274,24 bruto aan loon over de opzegtermijn, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen en onder afgifte van een bruto-/netto specificatie. Zowel primair als (meer) subsidiair verzoekt [appellante] het hof ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

Op 21 oktober 2021 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van ABN AMRO ingekomen, ertoe strekkende de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten – naar het hof begrijpt - in hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2021. Bij die gelegenheid hebben de advocaten voornoemd namens [appellante] en ABN AMRO het woord gevoerd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde aantekeningen. Tevens heeft [appellante] bij deze gelegenheid nog een productie (nr. 30) in het geding gebracht. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 2.1. tot en met 2.18. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. [appellante] heeft met de grieven I en II onder meer betoogd dat deze feiten onjuist en/of onvolledig zijn. Voor zover van belang zal het hof met deze grieven hierna rekening houden. De feiten behelzen, waar nodig aangevuld met feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.2.

Op 1 november 2002 is [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1976, in dienst getreden van ABN AMRO, laatstelijk in de functie van Medewerker Kas/Balie op de afdeling Schiphol Wissellocatie tegen een bruto salaris van € 3.153,79 per maand, inclusief vakantiegeld en overige emolumenten. De kerntaak van een baliemedewerker op Schiphol is het uitvoeren van valutawissels en cashtransacties.

2.3.

In 2017 heeft ABN AMRO met [appellante] besproken dat zij het aantal en het volume van de kasverschillen moet verkleinen. Op 25 juni 2017 is in dit kader een verbeterplan opgesteld.

2.4.

Op 1 mei 2018 heeft [appellante] in strijd met hoofdstuk 5 van het Zakboek Safety & Security haar Schipholpas uitgeleend aan haar zus.

2.5.

Voor werknemers die werkzaam zijn bij het Wisselbedrijf op Schiphol zijn twee WhatsApp-groepen ingesteld: een centrale groep voor alle werknemers van het Wisselbedrijf en een groep per afzonderlijk team. Op 15 oktober 2018 heeft [appellante] zonder toelichting en vooraankondiging de tweede WhatsApp-groep verlaten. In een e-mail van 22 oktober 2018 heeft [manager] , werkzaam als Manager Wissellocaties en Support & Control (hierna: [manager] ), [appellante] daar op aangesproken en meegedeeld dat hij haar weer aan de groep zou toevoegen. Op 2 mei 2019 heeft [appellante] de WhatsApp-groep van haar team opnieuw zonder vooraankondiging verlaten.

2.6.

Aan het eind van iedere dienst maakt een Baliemedewerker Schiphol de kas op. Indien er een kasverschil is dat de baliemedewerker niet kan verklaren, moet de baliemedewerker dit aan de Supervisor melden. Op 18 januari 2019 en 22 april 2019 heeft [appellante] haar kasverschillen niet gemeld. Bij e-mails van 18 januari en 24 april 2019 is zij hierop aangesproken.

2.7.

Op 12 juli 2019 heeft ABN AMRO [appellante] een schriftelijke waarschuwing gegeven voor (het niet melden van) de kasverschillen op 18 januari 2019 en 22 april 2019 en het zonder vooraankondiging en zonder toestemming verlaten van de WhatsApp-groep van haar team. Ook is zij in de brief opnieuw gewezen op het verkleinen van het aantal en het volume van haar kasverschillen. Op 26 augustus 2019 is in dit kader een nieuw verbeterplan opgesteld.

2.8.

Op 11 januari 2020 heeft [appellante] haar werkdienst met een kasverschil afgesloten. Zij is hierop op diezelfde dag per mail aangesproken.

2.9.

Per april 2020 is het beleid omtrent wisseltransacties (cash-for-cash) binnen ABN AMRO aangepast in die zin dat ABN AMRO vanaf deze datum in het geheel geen wisseltransacties meer uitvoerde. Aanleiding voor dit nieuwe beleid was een aanscherping door De Nederlandse Bank (DNB) van de regelgeving voor wisseltransacties. De nieuwe regels houden in dat bij iedere wisseltransactie moet worden vastgelegd wie de klant is, waarom de klant geld wil wisselen en wat de herkomst van het geld is.

2.10.

In een e-mail van 11 maart 2020 heeft ABN AMRO de medewerkers van het Wisselbedrijf op dit aangescherpte beleid gewezen en een toelichting daarop gegeven. In een weekmail van 16 maart 2020 is nogmaals op de nieuwe regelgeving gewezen. Vervolgens heeft het personeel een presentatie gevolgd waarbij de nieuwe regels en het belang alsmede de achtergrond daarvan aan de orde zijn gekomen. In die PowerPoint-presentatie is onder meer het volgende vermeld:
Op basis van de vereiste acties en operationele impact is er besloten om per direct te stoppen met het wisselen bankbiljetten (groot naar klein).
-> Dit betekent dat er geen euro’s of vreemde valuta biljetten van groot naar klein (of andersom) worden gewisseld. Ook niet als het geld afkomstig is uit onze eigen geldautomaat!
De DNB heeft vastgesteld dat dit een hoog-risico handeling betreft, aangezien grote biljetten vaak gebruikt worden in situaties waar witwassen en criminaliteit aan de orde is.”

2.11.

In een e-mail van 8 april 2020 heeft [appellante] bevestigd dat zij zich heeft ingelezen in de nieuwe regels over cash-for-cash en dat zij de training heeft gevolgd.

2.12.

Op 6 juli 2020 heeft [appellante] een valutatransactie uitgevoerd waarbij een klant USD 1,- bij [appellante] heeft gekocht en daarvoor heeft betaald met een biljet van € 200,-.

2.13.

Op 7 juli 2020 heeft een klant [appellante] verzocht om een biljet van € 500,- te wisselen voor kleinere biljetten. [appellante] heeft deze klant in eerste instantie laten weten dat dit niet is toegestaan. Nadat de klant voor de tweede keer bij [appellante] was teruggekomen, heeft [appellante] meegedeeld dat de wissel wel mogelijk is als de klant er een transactie aan zou verbinden. Vervolgens heeft de klant USD 1,- gekocht en hiervoor met een biljet van € 500,- betaald.

2.14.

Op 16 juli 2020 heeft een gesprek met [appellante] plaatsgevonden naar aanleiding van het incident op 7 juli 2020. [appellante] heeft verklaard dat het incident van 7 juli 2020 eenmalig is geweest. [appellante] is na dit gesprek op non-actief gesteld.

2.15.

In een e-mail van 16 juli 2020 heeft ABN AMRO het aangescherpte beleid van DNB nogmaals benadrukt. Ook is meegedeeld dat er geen extreem lage vreemde valuta bedragen mogen worden verkocht waar dan met grote euro biljetten wordt betaald.

3 Beoordeling

3.1.

ABN AMRO heeft in eerste aanleg primair verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellante] op zo kort mogelijke termijn te ontbinden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, disfunctioneren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub d BW of een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. In het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege verwijtbaar handelen of nalaten, heeft ABN AMRO verzocht om: (i) een verklaring voor recht dat zij op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding is verschuldigd en (ii) om bij de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening te houden met de opzegtermijn op de voet van artikel 7:671b lid 9 sub b BW. Subsidiair heeft ABN AMRO ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege een combinatie van deze gronden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub i BW. Dit alles met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.2.

[appellante] heeft verweer gevoerd en primair geconcludeerd tot afwijzing van het ontbindingsverzoek. In het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, heeft [appellante] subsidiair verzocht om bij de ontbindingsdatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden, om toekenning van een transitievergoeding van € 24.246,00 bruto en, indien op de i-grond wordt ontbonden, om daarenboven de helft van de transitievergoeding (€ 12.123,00 bruto) toe te wijzen. Ook heeft [appellante] verzocht om ABN AMRO te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 48.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot heeft [appellante] verzocht ABN AMRO op straffe van een dwangsom te veroordelen binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst aan [appellante] een schriftelijke en deugdelijke bruto-/netto specificatie te verstrekken betreffende de betaling van de transitievergoeding en billijke vergoeding. Zowel primair als subsidiair heeft [appellante] verzocht ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 15 januari 2021 vanwege verwijtbaar handelen van [appellante] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [appellante] verwijtbaar heeft gehandeld (a) door op 1 mei 2018 haar Schipholpas uit te lenen aan haar zus; (b) door op 18 januari 2019, 22 april 2019 en 11 januari 2020 werkafspraken met betrekking tot de handelswijze bij een kasverschil niet na te leven; en (c) door op 6 en 7 juli 2020 doelbewust en in strijd met alle regels het wisselbeleid van ABN AMRO te omzeilen. De kantonrechter heeft het verzoek van [appellante] tot toekenning van een transitievergoeding afgewezen en voor recht verklaard dat ABN AMRO op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding aan [appellante] verschuldigd is, omdat naar haar oordeel de valutatransacties van [appellante] op 6 en 7 juli 2020 ernstig verwijtbaar handelen opleveren. Om diezelfde reden is de ontbinding op grond van artikel 7:671b lid 9 sub b BW uitgesproken zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. De tegenverzoeken van [appellante] zijn afgewezen. Ten slotte heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met de overige zes grieven op. ABN AMRO bestrijdt de grieven.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen van [appellante]

3.5.

Met grief IV bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat de wisseltransacties op 6 en 7 juli 2020 verwijtbaar handelen opleveren. Zij betwist dat zij met deze valutatransacties doelbewust en in strijd met de regels het aangescherpte wisselbeleid van ABN AMRO heeft omzeild. Vóór 16 juli 2020 heeft ABN AMRO niet laten weten dat er geen (extreem) kleine valutabedragen mochten worden verkocht waarvoor met grote euro biljetten wordt betaald. Niet is duidelijk gemaakt wat wel en niet is toegestaan. Pas in de e-mail van 16 juli 2020 is deze instructie gekomen. [appellante] heeft niet ingezien dat de verkoop van USD 1,- niet langer was toegestaan. Ook voor haar meerderen was niet direct duidelijk of deze transacties waren toegestaan; haar Supervisors hebben dit niet direct aangegeven. Bovendien was [appellante] niet de enige medewerker die die dergelijke transacties toestond. [appellante] heeft enkel de klanten van ABN AMRO willen bedienen en had geen persoonlijk gewin bij haar handelen.

3.6.

Het hof is van oordeel dat [appellante] verwijtbaar heeft gehandeld door op 6 en 7 juli 2020 in strijd met de regels het wisselbeleid van ABN AMRO te omzeilen door een bankbiljet van € 200,- respectievelijk € 500,- te accepteren van een klant voor de verkoop van USD 1,-. Voorop gesteld wordt dat aan bankmedewerkers in het algemeen hoge integriteitseisen worden gesteld. Dit geldt te meer voor baliemedewerkers op de Wissellocatie Schiphol, zoals [appellante] , die dagelijks met grote bedragen contant geld werken en wel 50 transacties per dienst uitvoeren. Per april 2020 heeft ABN AMRO de regels van haar wisselbeleid aangescherpt in die zin dat wisseltransacties niet langer zijn toegestaan vanwege het risico op witwassen. ABN AMRO heeft haar medewerkers hier op verschillende manieren over geïnformeerd. Op 11 maart 2020 heeft ABN AMRO per e-mail de regels nader toegelicht, op 16 maart 2020 heeft zij in een (meer algemene) weekmail nogmaals op de nieuwe regels gewezen en vervolgens heeft zij een presentatie gegeven over het belang en de achtergrond van het nieuwe beleid. In de daarbij behorende PowerPoint presentatie is in dit verband specifiek vermeld dat het wisselen van bankbiljetten van groot naar klein, of andersom, niet is toegestaan vanwege het risico op witwassen en criminaliteit. [appellante] heeft op 8 april 2020 bevestigd dat zij zich heeft ingelezen in deze nieuwe regels en de training daarover heeft gevolgd. Dit betekent dat het voor [appellante] duidelijk was, althans had moeten zijn, dat wisseltransacties niet langer waren toegestaan en wat de reden daarvan was. Desondanks heeft [appellante] op 6 en 7 juli 2020 een bedrag van USD 1,- verkocht aan een klant en daarvoor een bankbiljet van € 200,- respectievelijk € 500,- geaccepteerd. Gezien de uitgebreide informatievoorziening vanuit ABN AMRO en de jarenlange ervaring van [appellante] als bankmedewerker, had zij moeten begrijpen dat de aankoop van USD 1,- met een biljet van € 200,- of € 500,- feitelijk op hetzelfde neerkomt als het enkel wisselen van dat grote euro biljet en derhalve niet strookt met (de strekking van) het nieuwe beleid. Van belang hierbij is dat de desbetreffende klant [appellante] op 7 juli 2020 eerst heeft verzocht om het bankbiljet van € 500,- te mogen wisselen, waarop [appellante] heeft laten weten dat dat niet was toegestaan en vervolgens zelf heeft voorgesteld om in plaats daarvan een klein bedrag van USD 1,- te kopen met dat bankbiljet. Hieruit blijkt niet alleen dat [appellante] op de hoogte was van het verbod op wisselen maar ook dat zij bewust een manier heeft bedacht om die regel te omzeilen. Zij wist immers dat wisselen de werkelijke intentie van de klant was en niet het kopen van USD 1,-. Dat ABN AMRO haar medewerkers (pas) in een e-mail van 16 juli 2020 meer specifiek heeft gewezen op de regel dat ook de aankoop van lage vreemde valuta bedragen met grote euro biljetten niet is toegestaan, maakt het voorgaande niet anders.

3.7.

Tegen de achtergrond van het voorgaande is het handelen van [appellante] zodanig verwijtbaar dat in redelijkheid niet van ABN AMRO kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Grief IV faalt derhalve. Nu de wisseltransacties op 6 en 7 juli 2020 reeds verwijtbaar handelen in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub e BW opleveren, heeft [appellante] geen belang meer bij een behandeling van grief III (die ziet op het uitlenen van haar Schipholpas en het niet naleven van werkafspraken bij kasverschillen). Herplaatsing lag niet in de rede nu sprake is van verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW. Gelet op het voorgaande faalt ook grief VI. Uit het voren overwogene volgt dat het verzoek van ABN AMRO tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet ten onrechte is toegewezen, zodat geen grond bestaat voor herstel van de arbeidsovereenkomst of een billijke vergoeding gebaseerd op artikel 7:683 lid 3 BW.

Transitievergoeding

3.8.

Met grief VIII heeft [appellante] verzocht om toekenning van de wettelijke transitievergoeding van € 25.207,47 bruto. Met grief V betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij daar geen recht op heeft, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

3.9.

Op grond van artikel 7:673 lid 7 aanhef en sub c BW kan [appellante] geen aanspraak maken op een transitievergoeding, indien het eindigen of het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellante] . Voor de vraag of sprake is van ernstige verwijtbaarheid ligt de lat hoog (vgl. ook HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203). Een werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval – waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer – slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer dat tot het ontslag heeft geleid. De overige omstandigheden van het geval (dus omstandigheden die geen verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid en geen verband houden met de verwijtbaarheid van die gedragingen) zijn in dit verband niet van betekenis. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer kan zich bijvoorbeeld voordoen als een werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of andere misdrijven (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40). Het hof is van oordeel dat het handelen van [appellante] moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar in de zin van dit artikel. Het hof heeft hiervoor onder 3.6. overwogen dat [appellante] op 6 en 7 juli 2020 doelbewust en in strijd met de regels het wisselbeleid van ABN AMRO heeft omzeild door grote eurobiljetten te accepteren voor de aankoop van slechts USD 1,-. Zij heeft deze handelwijze zelf aan de klant voorgesteld om de nieuwe regels met het wisselverbod te omzeilen, terwijl zij wist of had moeten weten dat ook deze handeling in strijd is met (de strekking van) het nieuwe beleid. Hierdoor heeft zij het in haar gestelde en noodzakelijke vertrouwen van ABN AMRO in haar integriteit wezenlijk geschaad. Het hof acht het handelen van [appellante] , dat heeft geleid tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, ernstig verwijtbaar als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 aanhef en sub c BW. Dat betekent dat ABN AMRO op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW in beginsel geen transitievergoeding verschuldigd is.

3.10.

[appellante] heeft een beroep gedaan op artikel 7:673 lid 8 BW, dat inhoudt dat desondanks een transitievergoeding (geheel of gedeeltelijk) kan worden toegekend indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit beroep slaagt. Gelet op de lange duur van het dienstverband (ruim 19 jaar), de omstandigheid dat [appellante] zelf financieel niet beter is geworden van haar handelen maar dat het uitsluitend haar bedoeling was om met deze valutatransactie de klant te helpen alsmede de ernstige gevolgen van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, acht het hof het onaanvaardbaar dat in het geheel geen vergoeding wordt betaald. Het hof acht in dit geval een vergoeding van € 12.500,- bruto redelijk en zal ABN AMRO tot betaling daarvan veroordelen. De grieven V en VIII slagen voor zover zij strekken ten betoge dat aan [appellante] een bedrag aan transitievergoeding toekomt.

Billijke vergoeding

3.11.

Met grief VIII heeft [appellante] tevens verzocht om een billijke vergoeding van € 89,729,55 bruto als bedoeld in artikel 7:671b lid 8 sub c BW aan haar toe te kennen. [appellante] meent dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van ABN AMRO. ABN AMRO was er van meet af aan op gebrand om het dienstverband tussen partijen te ontbinden en was niet daadwerkelijk geïnteresseerd in het verbeteren van de ontwikkelpunten van [appellante] en hun onderlinge band. Naar het oordeel van het hof kunnen deze stellingen van [appellante] , daargelaten of deze juist zijn, niet leiden tot de conclusie dat aan [appellante] een billijke vergoeding toekomt. Op grond van artikel 7:671b lid 8 sub c BW kan slechts aan de werknemer een billijke vergoeding worden toegekend indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. In dit geval is de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg van - al dan niet ernstig verwijtbaar - handelen van ABN AMRO maar van handelen van [appellante] . Dit deel van grief VIII faalt.

Ontbindingsdatum

3.12.

Grief VIII richt zich mede tegen het oordeel van de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst per 15 januari 2021 te ontbinden. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 januari 2021 ontbonden en daarbij geen rekening gehouden met de opzegtermijn van vier maanden. Op grond van artikel 7:671b lid 8 sub b BW kan de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op een eerder tijdstip dan waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellante] ernstig verwijtbaar gehandeld zodat de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst heeft kunnen bepalen op 15 januari 2020 zonder rekening te houden met de opzegtermijn. Grief VIII faalt in zoverre.

Proceskosten

3.13.

Gelet op het voorgaande is [appellante] in eerste aanleg terecht in de kosten veroordeeld. Daarmee faalt ook grief VII.

Slotsom

3.14.

De slotsom is dat de grieven gedeeltelijk slagen en dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek om toekenning van een transitievergoeding aan [appellante] is afgewezen. De beschikking zal voor het overige worden bekrachtigd. In hoger beroep zullen de proceskosten worden gecompenseerd nu partijen over en weer op verschillende punten in het ongelijk zijn gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek van [appellante] om toekenning van een transitievergoeding is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt ABN AMRO tot betaling aan [appellante] van een transitievergoeding van € 12.500,- bruto;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat partijen ieder de eigen kosten daarvan dragen;

verklaart bovenstaande betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen (in hoger beroep) meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, T.S. Pieters en K.G.F. van der Kraats en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 april 2022.