Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:975

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
19/00745 en 19/00746
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft, ondanks dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld, terecht beslist dat het beroep ongegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-04-2021
V-N Vandaag 2021/904
FutD 2021-1276
NTFR 2021/1448
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00745

12 januari 2021

uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: G. Veldhuisen

tegen de uitspraak van 12 april 2019 in de zaak met kenmerk AMS 17/628 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de minister,

met betrekking tot het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 15 februari 2016 in gebreke

gesteld en verzocht om een dwangsom. Bij besluit van 6 april 2016 heeft de heffingsambtenaar de ingebrekestelling en dwangsomclaim niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het

bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2016 ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 april 2019 als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 182,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van een schadevergoeding aan [X] tot een bedrag van € 818,-.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 mei 2019 en aangevuld bij brief van 21 juni 2019. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend met dagtekening 16 oktober 2020.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. De zaak is

gelijktijdig behandeld met de zaak met kenmerk 19/00746. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Het Hof neemt hetgeen de rechtbank onder 1 tot en met 7 heeft opgenomen over als feiten.

“Achtergrond van deze procedure

1. Met een besluit van 31 december 2014 heeft de heffingsambtenaar aan [X] een gecombineerde aanslag opgelegd voor het jaar 2012 (aanslagnummer [***]) van

€ 1.169,57 (de aanslag).

2. [X] heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

3. Met een besluit van 24 december 2015 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [X] tegen de aanslag ongegrond verklaard.

4. De heffingsambtenaar heeft een aan [X] terug te geven bedrag van € 21,69 verrekend met de aanslag. De heffingsambtenaar heeft dit in het verrekenschrift

aan [X] meegedeeld.

[X] heeft bezwaar gemaakt tegen het verrekenschrift.

5. Met een brief van 15 februari 2016 heeft [X] de heffingsambtenaar in gebreke gesteld.

6. Met het dwangsombesluit van 6 april 2016 heeft de heffingsambtenaar de ingebrekestelling en de dwangsomclaim niet-ontvankelijk verklaard.

[X] heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit.

7. Met de bestreden uitspraak heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van [X] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Voorts is in geschil of de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding en vergoeding van de griffierechten heeft toegekend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang - als volgt overwogen en beslist.

Proceskosten

17. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Schadevergoeding wegens overschrijden van de redelijke termijn

18. [X] heeft schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

19. De heffingsambtenaar heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat er geen grond is voor schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat er geen fiscale rechtsingang was. Volgens de heffingsambtenaar is daarom geen redelijke termijn gaan lopen.

20. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar niet. Zoals de rechtbank onder 12 heeft overwogen, diende de rechtbank in deze beroepsprocedure te beoordelen of de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verrekenschrift geen voor bezwaar vatbare beschikking is en of de heffingsambtenaar het daarmee samenhangende verzoek om een dwangsom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en het daartegen gerichte bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Ook in die gevallen moet binnen een redelijke termijn worden beslist en wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. De rechter mag een verzoek om vergoeding van die schade dan ook niet onbehandeld laten. Dat geen sprake is van een fiscale rechtsingang tegen het verrekenschrift, vindt de rechtbank geen bijzondere omstandigheid. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat de heffingsambtenaar zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd.

21. De redelijke termijn is op 19 mei 20161aangevangen en eindigt op de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, in dit geval dus op 12 april 2019. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, maximaal twee jaar duren: de bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd als de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase als zij meer dan anderhalf jaar heeft geduurd.2 In dit geval is de redelijke termijn met ruim 11 maanden overschreden. Er is geen aanleiding om deze lange behandelduur gerechtvaardigd te achten. De schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedraagt 2 x € 500,- = € 1.000,-. De bezwaarprocedure heeft 8 maanden geduurd, namelijk van 19 mei 2016 tot en met 27 januari 2017.3 Hierbij merkt de rechtbank op dat [X] de uitspraak op bezwaar pas in januari 2017 heeft ontvangen, zodat de periode tussen het nemen van de uitspraak op bezwaar en de ontvangst daarvan aan de heffingsambtenaar is toe te rekenen. Dit betekent dat 2 maanden van de overschrijding aan de heffingsambtenaar is toe te rekenen. Dat is 2/11 deel van de overschrijding. De beroepsprocedure heeft 27 maanden geduurd. Dat betekent dat 9 maanden van de overschrijding aan de rechtbank is toe te rekenen. Dat is 9/11 deel van de overschrijding.

22. De rechtbank ziet, gezien de hoogte van de schade en de per 1 oktober 2014 in werking getreden beleidsregel van de minister van Justitie en Veiligheid over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter van 8 juli 2014, aanleiding de minister voor Rechtsbescherming in dit geval niet te vragen om verweer te voeren en direct uitspraak te doen op het verzoek. De minister voor Rechtsbescherming moet voor de Staat der Nederlanden worden veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 818,- (9/11 x € 1.000,-) aan [X] in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in deze beroepsprocedure. De heffingsambtenaar moet een schadevergoeding van € 182,- (2/11 x € 1.000,-) aan [X] betalen.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende meent dat in een situatie dat een immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld in het dictum het beroep gegrond dient te worden verklaard. Anders dan belanghebbende meent heeft de rechtbank, in de situatie dat het beroep op zichzelf ongegrond is maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld, in het dictum terecht beslist dat het beroep ongegrond is.

5.2.

Ter zitting van het Hof is vast komen te staan dat het in hoger beroep voorts alleen nog draait om de vraag of de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten en de griffierechten heeft toegekend. De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016 in een overzichtsarrest (ECLI:NL:HR:2016:252) inzake immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn onder meer bepaald:

“3.14.1. Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.”

5.3.

De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep geconstateerd dat door de rechtbank ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten (en griffierechten) aan belanghebbende is toegekend. In zoverre bestaat er in hoger beroep geen verschil van inzicht (meer) tussen partijen. Partijen zijn het er ook over eens dat een wegingsfactor van 0,5 in aanmerking genomen dient te worden. Het Hof zal dan ook aldus beslissen.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep slaagt en de uitspraak van de rechtbank vernietigd zal worden met inachtneming van voorgaande overwegingen.

6 Kosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

Het Hof zal de heffingsambtenaar en de minister veroordelen in de kosten die belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft gemaakt. Het Hof bepaalt deze kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht op € 1068 (beroep: 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, hoger beroep: 1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een bedrag per punt van € 534 en een wegingsfactor van 0,5). Voorts dienen de heffingsambtenaar en de minister aan belanghebbende de voor de behandeling van het (hoger) beroep betaalde griffierechten te vergoeden.

Gelet op het bepaalde in 3.14.2. van het in 5.2. genoemde overzichtsarrest zal het Hof een verdeling aanhouding waarbij ieder (de minister en de heffingsambtenaar) de helft betaalt.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 182,-;

- veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende tot een bedrag van € 818,-;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 534;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 534;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar en de minister ieder tot het betalen aan belanghebbende van de helft van de door belanghebbende griffierechten (beroep en hoger beroep), te weten ieder € 87.

De uitspraak is gedaan door mr. M.J. Leijdekker, lid van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 12 januari 2021 in het openbaar uitgesproken en wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

1 De datum waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift van [X] heeft ontvangen.

2 Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

3 De datum waarop [X] beroep heeft ingesteld.