Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:954

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
23-001759-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel in vereniging waarbij de verdachte zelf onder invloed van de medeverdachte stond. Geen sprake van psychische overmacht. In de ondergeschikte positie van de verdachte ten opzichte van de medeverdachte ziet het hof aanleiding tot strafmatiging. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001759-19

datum uitspraak: 6 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-733002-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op 28 juni 1983,

adres: [adres] , [woonplaats] ( [land van herkomst] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 januari 2011 te Amsterdam en/of Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander te weten [aangeefster]

door dwang en/of geweld en/of een of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met een of meer andere feitelijkheden en/of door afpersing en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster] (sub 1)

en/of

voornoemde [aangeefster] (meermalen) heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [aangeefster] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

en/of

die [aangeefster] (telkens) met een van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

dan wel onder de voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, en/of een of meer van haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) (sub 4)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster] (sub 6)

en/of

die [aangeefster] met een of meer van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen haar, verdachte, en/of een of meer van haar mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [aangeefster] met of voor een derde, (sub 9)

immers heeft zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

ten aanzien van die [aangeefster] (terwijl zij wist dat die [aangeefster] in Nederland geen familie had en/of in Nederland niemand had om op terug te vallen en/of die [aangeefster] de Nederlandse taal niet sprak)

- die [aangeefster] in Nederland gehuisvest en/of in een woning ondergebracht waarin zij, verdachte, en/of haar mededader(s), ook woonde(n) en/of (later) is/zijn gaan wonen en/of

- een werkplek voor die [aangeefster] in Alkmaar geregeld en/of

- die [aangeefster] instructies gegeven hoe te werken als prostituee en/of

- die [aangeefster] gezegd dat zij zonder gebruik van een condoom meer geld zou verdienen en/of

- die [aangeefster] gezegd dat zij 50% van haar verdiensten moest afstaan aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s) en/of

- die [aangeefster] gezegd dat zij een schuld aan haar, verdachte, en/of haar mededader(s), had in verband met haar reis naar Nederland en/of haar verblijf in Nederland en/of dat zij die schuld moest afbetalen door in de prostitutie te gaan werken en/of

- het in de prostitutie verdiende geld van die [aangeefster] (telkens) afgepakt en/of afgenomen en/of die [aangeefster] gedwongen en/of bewogen haar verdiensten (geheel of gedeeltelijk) aan haar, verdachte, en/of aan haar mededader(s) af te staan en/of het geld bij haar, verdachte, en/of bij haar mededader(s) in bewaring te geven en/of

- die [aangeefster] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en/of te laten controleren en/of

- tegen die [aangeefster] geschreeuwd en/of die [aangeefster] uitgescholden telkens als zij niet genoeg geld had verdiend en/of

- die [aangeefster] gedwongen en/of bewogen een geldbedrag van EUR 10.000,-, althans EUR 5.000,-, althans enig geldbedrag, te betalen om niet meer voor verdachte en/of anderen te hoeven werken in de prostitutie.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte

De raadsman heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is enerzijds aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. Anderzijds is aangevoerd dat de onderhavige zaak is gestart naar aanleiding van een aangifte van mensenhandel van de verdachte en dat de verdachte uitsluitend door de verklaring van de aangeefster [aangeefster] een dubbelrol van slachtoffer en verdachte heeft gekregen. De beslissing om de verdachte te vervolgen is in de loop van 2016 genomen, toen de verdachte al naar [land van herkomst] was teruggekeerd om een bestaan buiten de prostitutie op te bouwen. In de tussentijd had zij een kind gekregen. De ten laste gelegde feiten betreffen een periode waarin de verdachte samenwoonde met de medeverdachte [medeverdachte 1] en de aangeefster [aangeefster] in 2010 en 2011. Het tijdsverloop van ongeveer vijf jaar is een wegingsfactor om te bepalen of het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot vervolging heeft kunnen overgaan. Bij de beslissing om de verdachte te vervolgen is dan ook sprake geweest van willekeur. Daarbij komt dat [medeverdachte 2] niet is vervolgd, terwijl [medeverdachte 2] betrokken is geweest bij het inreizen van de aangeefster [aangeefster] in verband met haar prostitutiewerkzaamheden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat overschrijding van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen (zie ook ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Regel is dat die overschrijding, zo daarvan sprake is, wordt gecompenseerd door strafvermindering.

Op grond van het in het artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) neergelegde opportuniteitsbeginsel is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging dient plaats te vinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte, op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Een zodanig uitzonderlijk geval doet zich voor, wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

Het enkele feit dat de verdachte in de onderhavige zaak door het Openbaar Ministerie óók als slachtoffer is aangemerkt, is op zichzelf onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval en dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie, bij afweging van de betrokken belangen, tot vervolging van de verdachte heeft kunnen overgaan. Dat [medeverdachte 2] niet is vervolgd, maakt dat niet anders. Blijkens mededeling van de officier van justitie was er voor het Openbaar Ministerie in zijn geval te weinig bewijs om tot vervolging over te gaan. Daarnaast is tegen hem, anders dan tegen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , geen aangifte gedaan.

Het Openbaar Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 januari 2011 te Amsterdam en Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een ander, te weten [aangeefster] ,

door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster] (sub 1)

en

voornoemde [aangeefster] heeft aangeworven en medegenomen met het oogmerk die [aangeefster] in een ander land, te weten in Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (sub 3)

en

onder de voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, en/ haar mededaders wisten dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) (sub 4)

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster] (sub 6)

en

die [aangeefster] met een of meer van de voornoemde middelen heeft bewogen haar, verdachte, en haar mededader te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [aangeefster] met of voor een derde, (sub 9)

immers heeft zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

ten aanzien van die [aangeefster] (terwijl zij wist dat die [aangeefster] in Nederland geen familie had en in Nederland niemand had om op terug te vallen en die [aangeefster] de Nederlandse taal niet sprak)

- die [aangeefster] in Nederland gehuisvest en in een woning ondergebracht waarin zij, verdachte, en haar mededader, ook woonden en

- een werkplek voor die [aangeefster] in Alkmaar geregeld en

- die [aangeefster] instructies gegeven hoe te werken als prostituee en

- die [aangeefster] gezegd dat zij zonder gebruik van een condoom meer geld zou verdienen en

- die [aangeefster] gezegd dat zij 50% van haar verdiensten moest afstaan aan haar, verdachte, en/of haar mededader en

- die [aangeefster] gezegd dat zij een schuld aan haar, verdachte, en haar mededader had in verband met haar reis naar Nederland en haar verblijf in Nederland en dat zij die schuld moest afbetalen door in de prostitutie te gaan werken en

- die [aangeefster] telkens bewogen haar verdiensten (geheel of gedeeltelijk) aan haar, verdachte, en aan haar mededader af te staan en

- die [aangeefster] tijdens haar werkzaamheden gecontroleerd en

- tegen die [aangeefster] geschreeuwd telkens als zij niet genoeg geld had verdiend en

- die [aangeefster] bewogen een geldbedrag van EUR 5.000,- te betalen om niet meer voor verdachte en een ander te hoeven werken in de prostitutie.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna te noemen bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

1. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7.

2. De ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

De aangeefster [aangeefster] gaf mij geld voor huur, vaste lasten, boodschappen en dergelijke.

Zij is bij mij langsgegaan toen ik achter de ramen stond om het geld te brengen waarmee zij weg kon gaan. Zij heeft mij in totaal € 5.000,- gegeven.

Toen zij naar Nederland was gekomen, vertelde de aangeefster [aangeefster] mij dat haar vader ziek was en dat haar thuissituatie niet goed was; anders was zij niet naar Nederland vertrokken. Ze had tegen mij gezegd dat zij niet terug kon naar [land van herkomst] , omdat zij daar niets meer had.

Bewijsmotivering

Verklaringen aangeefster [aangeefster]

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] betrouwbaar zijn, nu haar verklaringen in de kern consistent en gedetailleerd zijn en op relevante onderdelen worden ondersteund door de verklaringen van de verdachte. Het hof ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van haar verklaringen en bezigt deze voor het bewijs.

Medeplegen

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – verkort weergegeven – dat er onvoldoende bewijs is voor het medeplegen van de mensenhandel van de aangeefster [aangeefster] . Volgens de raadsman kan enkel worden vastgesteld dat er in sommige gevallen tijdelijk geld is beheerd ten behoeve van de hoofdverdachte [medeverdachte 1] . Er heeft geen controle plaatsgevonden en evenmin is gebleken van andere middelen die de verdachte zou hebben toegepast. Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en inwisselbare rollen, vormen de handelingen van de verdachte onvoldoende basis om haar als medepleger te kunnen aanmerken.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat medeplegen kan worden bewezen.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt het volgende.

De kwalificatie medeplegen vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Te denken valt onder meer aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat [aangeefster] in [land van herkomst] in contact is gekomen met een kennis van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat die kennis haar had gevraagd of zij in de prostitutie wilde werken. Na daarover een jaar te hebben nagedacht, is [aangeefster] samen met [medeverdachte 2] , een vriend van de medeverdachte [medeverdachte 1] , naar Nederland vertrokken. Het ticket voor die reis was betaald door de verdachte. Op de dag van aankomst heeft zij de verdachte ontmoet. De verdachte heeft haar geholpen met het in orde maken van de papieren om in Nederland te kunnen werken en heeft haar wegwijs gemaakt in het prostitutiewerk. Afgesproken werd dat [aangeefster] 50% van haar verdiensten moest afstaan aan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Van het geld dat zij mocht houden, moest [aangeefster] meebetalen aan boodschappen en de huur van de woning, waar zij samen met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] verbleef. Gedurende haar werk in de prostitutie heeft [aangeefster] , tot zo’n anderhalve week voordat ze wegging uit de [straatnaam A] , steeds – afgezien van de eerste drie weken, waarin zij 100% van haar verdiensten afstond – 50% van haar verdiensten afgestaan aan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . [aangeefster] gaf het geld aan de verdachte die het vervolgens met de medeverdachte [medeverdachte 1] deelde. Toen [aangeefster] wilde stoppen met het werk voor de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , heeft zij zichzelf vrij moeten kopen. De verdachte ontving daarvoor € 5.000,- van [aangeefster] .

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte gedurende de gehele pleegperiode samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij de uitbuiting van [aangeefster] . Hoewel uit het dossier blijkt dat de verdachte een ondergeschikte positie had ten opzichte van haar medeverdachte [medeverdachte 1] , blijkt eveneens uit het dossier dat sprake was van een duidelijke taakverdeling tussen hen beiden. Daarbij vervulde de verdachte een zelfstandige rol bij de uitbuiting van [aangeefster] , door onder meer haar verdiensten af te nemen en tegen haar te schreeuwen als zij niet genoeg had verdiend.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de inhoud van de bewijsmiddelen dan ook van een nauwe en bewuste samenwerking bij de mensenhandel van [aangeefster] , zoals ten laste gelegd. Deze heeft in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering, waarmee het hof telkens het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden toegepast. De door verdachte geschetste omstandigheden zijn ruim voldoende om aan te nemen dat zij ook slachtoffer was van uitbuiting door haar toenmalige medeverdachte en haar wil niet vrijelijk kon bepalen, zodat zij niet anders kon dan de situatie ondergaan. Subsidiair dient bij de strafmaat in matigende zin rekening te worden gehouden met het tijdsverloop en de ontwikkeling van persoonlijke omstandigheden van de verdachte sinds 2012. Zij is immers inmiddels moeder geworden en leeft met haar gezin in [land van herkomst] in armoede.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting in vereniging van het slachtoffer [aangeefster] . Door te handelen als bewezen verklaard heeft de verdachte – gebruikmakend van het overwicht dat zij had op het slachtoffer dat uit het buitenland afkomstig was, geen sociaal vangnet in Nederland had en de Nederlandse taal niet machtig was – misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie. Zij heeft daarbij op indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en voorts op de vrijheid die zij zou moeten hebben om haar eigen leven vorm te geven. De verdachte heeft de belangen van het slachtoffer bij het behoud van haar waardigheid en recht op zelfbeschikking volledig ondergeschikt gemaakt aan haar zucht naar financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte er op geen enkele wijze blijk van gegeven zich bewust te zijn van de ernst van haar gedragingen en de gevolgen daarvan. Uit de toelichting bij het verzoek tot schadevergoeding van het slachtoffer [aangeefster] blijkt dat zij heeft geleden onder de uitbuiting door de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat dit zich onder meer heeft geuit in paniek- en angstklachten.

Bij de strafoplegging neemt het hof in aanmerking dat de verdachte opereerde in samenwerking met anderen.

Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een haar betreffend uittreksel justitiële documentatie van 8 maart 2021, in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof ziet, met de rechtbank, in het dossier aanwijzingen dat de verdachte zelf ook onder invloed van de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gestaan. Net als de rechtbank komt het hof echter niet tot de vaststelling dat sprake is geweest van psychische overmacht. In de ondergeschikte positie die de verdachte ten opzichte van de medeverdachte [medeverdachte 1] innam, ziet het hof wel reden tot matiging van de op te leggen straf. Ook zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat de verdachte in [land van herkomst] een leven buiten de prostitutie heeft opgebouwd en inmiddels een gezin heeft. De door de verdediging bepleite toepassing van artikel 9a Sr doet naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezen verklaarde feit.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van dit feit, niet worden volstaan, met een lichtere straf dan een gevangenisstraf. Rekening houdend met de hiervoor vermelde omstandigheden en met het gegeven dat het om een oud feit gaat, zal het hof evenwel een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op leggen.

Anders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het hof oordeelt daartoe als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar, nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of haar raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Als aanvangsdatum van de redelijke termijn geldt het moment dat vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar ter zake van een strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zou worden ingesteld. Het eerste aanknopingspunt voor dat moment is naar het oordeel van het hof de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, te weten 7 maart 2019. De rechtbank heeft op 26 april 2019 vonnis gewezen, van schending van de redelijke termijn is dus geen sprake. Ook de behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden binnen 2 jaar na het instellen van het hoger beroep op 7 mei 2019, nu heden – 6 april 2021 – arrest wordt gewezen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 184.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 62.200,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente, waarbij de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de oorspronkelijk gevorderde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 62.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de duur van de gijzeling wordt vastgesteld op 1 jaar, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 62.200,00 (tweeënzestigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 57.200,00 (zevenenvijftigduizend tweehonderd euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 62.200,00 (tweeënzestigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 57.200,00 (zevenenvijftigduizend tweehonderd euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 325 (driehonderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 januari 2011.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C. Fetter, mr. M.J.A. Plaisier en mr. M. Iedema, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Achterberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 april 2021.