Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:951

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
23-004662-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens o.m. poging doodslag, meermalen gepleegd door op klaarlichte dag in IJmuiden vanuit een auto op twee personen op een scooter meerdere keren te schieten. Beroep op noodweer tav ander feit slaagt. Hof legt GVS 6 jaren op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004662-19

datum uitspraak: 2 april 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 3 december 2019 onder parketnummers 15-110290-19 en 99-00392-30 (herroeping VI) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1986,

adres: [adres 1] , thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens de schriftelijke volmacht die is gehecht aan de akte van hoger beroep, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-166746-19 (zaak B) ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:


1.
hij op of omstreeks 6 april 2019 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of buik, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2019 te Haarlem aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (dubbele) klaplong en/of een (op twee plaatsen) gescheurde middenrif/diafragmaletsel en/of een miltbloeding, heeft toegebracht door die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, in de borst en/of de buik, althans het (boven)bovenlichaam te steken;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 april 2019 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp voorwerp, in de borst en/of buik, althans het (boven)lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 28 april 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of een nog onbekend slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een (vuur)wapen meerdere kogel(s) heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat nog onbekende slachtoffer, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P38, kaliber 9 (x 19) mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad

en/of

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 16 stuks scherpe volmantel patronen, voorzien van bodemstempels “Geco, 9 mm Luger, van het kaliber 9 (x 19) mm voorhanden heeft gehad;

4.

hij op een of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of Haarlem, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en/of heroïne en/of MDMA en/of amfetamine (telkens) (een) middel (en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 april 2019 tot en met 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, en Haarlem meermalen althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 11, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot feit 1 tot een andere beslissing ten aanzien van het bewijs en de strafbaarheid van het feit komt dan de rechtbank en tevens tot een andere strafoplegging.

Feit 1: poging doodslag, subsidiair: zware mishandeling, meer subsidiair: poging zware mishandeling van [benadeelde] op 6 april 2019 (te Haarlem)

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, waarbij de advocaat-generaal uitgaat van het scenario dat de verdachte ook een eigen mes heeft getrokken, de aangever [benadeelde] op de grond heeft geduwd en hem vervolgens zeven keer heeft gestoken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ter zake de juridische kwalificatie van het handelen van de verdachte als (primair) poging tot doodslag geen verweer gevoerd, maar een beroep gedaan op noodweer(exces) en daartoe onder meer aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de aangever op de grond heeft gelegen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door de aangever [benadeelde] is beroofd en met zijn leven is bedreigd, waarbij een mes op zijn keel is gedrukt. Vervolgens hebben de verdachte en de aangever in een worsteling het mes heen en weer geduwd, totdat de verdachte, in een poging het mes op de grond te krijgen, de aangever eenmaal in zijn been heeft gestoken en weg is gerend.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof ziet zich voor de vragen gesteld (i) wat er feitelijk heeft plaatsgevonden en, indien dat kan worden vastgesteld (ii), welk strafbaar feit het handelen van de verdachte oplevert.

(i) De feitelijke toedracht

Het hof neemt als vaststaand aan dat de aangever [benadeelde] en de getuige [getuige 1] op 6 april 2019 op de [weg] te Haarlem een dealer hebben gebeld voor drugs en dat de verdachte hierop naar de betreffende flat is gegaan om hen deze drugs te verkopen. Vast staat voorts dat de aangever [benadeelde] een mes bij zich had, dat hij met de verdachte op de gang van de flat in een gevecht is gekomen en dat de aangever zeer ernstig letsel heeft bekomen door steekwonden in de borst, buik, arm en het been. Er is letsel ontstaan aan het middenrif, de milt en de longen, en de aangever [benadeelde] heeft twee maal een operatie moeten ondergaan en ondervindt nog altijd pijnklachten.

Het hof constateert dat voor het overige de feitelijke toedracht van het incident onduidelijk is gebleven. De verklaringen van de aangever, de verdachte en de getuige [getuige 1] omtrent de wijze waarop het tot een gevecht is gekomen, lopen uiteen. Ook over het verloop van de vechtpartij zelf staan de verklaringen van de aangever en de verdachte, en deels ook van de getuige [getuige 1] , haaks op elkaar. Daarnaast hebben aangever [benadeelde] en getuige [getuige 1] ook zelf op onderdelen wisselend verklaard. Voorts scheppen de verklaringen van getuigen [getuige 2] en [getuige 3] naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijkheid over wat er is gebeurd. Het hof onderkent dat de locaties van de verwondingen bij de aangever [benadeelde] steun geven aan diens verklaring, maar acht die evenmin onverenigbaar met de hierna kort weer te geven lezing van de verdachte.

Het hof is bij die stand van zaken van oordeel dat aan de verdachte het voordeel van de twijfel moet worden gegeven, in die zin dat zijn lezing – hoewel pas voor het eerst ter terechtzitting in eerste aanleg gegeven – niet voor onaannemelijk kan worden gehouden.

De verdachte heeft – ook ter terechtzitting in hoger beroep – verklaard dat de aangever [benadeelde] hem, toen hij in de gang stond, een mes op de keel heeft gezet en hem toen heeft beroofd en bedreigd. Ze zijn vervolgens in een worsteling terechtgekomen, waarbij zij beiden het mes vast hadden en zij dit mes tussen hen in heen en weer hebben geduwd. Daarbij moet de aangever [benadeelde] de verwondingen in borst, buik en arm hebben opgelopen en heeft de verdachte naar eigen zeggen snijverwondingen in de vingers en handen opgelopen. Tijdens de worsteling is volgens de verdachte de getuige [getuige 1] er tussen gesprongen om hen uit elkaar te halen, waardoor het mes – in een poging van de aangever om op de verdachte in te steken – onbedoeld in de schouder van [getuige 1] terecht moet zijn gekomen. Volgens de verdachte heeft hij uiteindelijk kans gezien het mes van zich af te duwen, waarbij hij de aangever [benadeelde] eenmaal in zijn been stak en hij daardoor heeft kunnen wegkomen.

Hoewel het hof als gezegd de verklaringen van aangever [benadeelde] en getuige [getuige 1] niet tot uitgangspunt neemt, neemt het in aanmerking dat de lezing van de verdachte weerklank vindt in hetgeen zij op momenten hebben verklaard. [benadeelde] heeft – kort gezegd – onder meer verklaard dat hij een mes bij zich had om de dealer bang te maken, en dat hij dit aan de dealer heeft getoond. Getuige [getuige 1] heeft onder meer bevestigd dat hij de aangever op de weg naar boven in het portiek een mes uit zijn mouw heeft zien pakken, en heeft voorts verklaard dat hij – boven gekomen – zag dat de twee mannen vochten om het mes, dat de verdachte moest vechten om weg te komen en dat hij niemand op de grond heeft zien liggen. Voorts heeft hij uiteindelijk verklaard dat hij niet weet door wie hij is gestoken.

Het hof zal, om redenen als voornoemd, uitgaan van de lezing van de verdachte.

(ii) Welk strafbaar feit levert het handelen van de verdachte op?

Vrijspraak feit 1, primair (poging doodslag) en subsidiair (zware mishandeling)

Naar het oordeel van het hof kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever [benadeelde] . De verdachte heeft weliswaar samen met de aangever in een worsteling – dicht op elkaars lichamen – geduwd en getrokken aan het mes, maar naar het oordeel van het hof heeft dit heen en weer trekken van het mes, uitgaande van de lezing van de verdachte, zowel door de verdachte als de aangever plaatsgevonden. Deze gedragingen van de verdachte waren er in hoofdzaak op gericht te voorkomen dat de aangever op de verdachte zou kunnen insteken, terwijl er ook naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet uit kan worden afgeleid dat de verdachte enig opzet heeft gehad op de dood van de aangever [benadeelde] . Voor wat betreft het eenmaal (bewust) steken in het bovenbeen van de aangever kan dit eveneens geen poging doodslag opleveren, reeds nu bij een dergelijke steekwond in het bovenbeen doorgaans geen aanmerkelijke kans bestaat dat iemand ten gevolge daarvan komt te overlijden. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de hem onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Evenmin kan naar het oordeel van het hof worden bewezen dat de verdachte de aangever [benadeelde] door het eenmaal steken in het been zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het letsel aan het been van de aangever [benadeelde] (een “steekwond achterzijde bovenbeen links”) kan – gelet op de daaraan op grond van vaste jurisprudentie in dit verband te stellen eisen – niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, zodat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.

Bewijsoverweging feit 1, meer subsidiair (poging zware mishandeling)

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich – door de aangever [benadeelde] eenmaal bewust met het mes te steken in zijn been – schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Door aldus te handelen heeft de verdachte ten slotte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel in zijn been zou oplopen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenbeen een slagader, pezen en spieren bevinden. Deze kunnen worden doorgesneden of beschadigd, hetgeen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben.

Feiten 2 en 3: poging doodslag van [slachtoffer] op 28 april 2019 en het voorhanden hebben van een wapen en munitie op 7 mei 2019 (beide feiten te IJmuiden)

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag. Ook het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen verklaard.

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat (i) de ‘herkenning’ door de aangever onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te bezigen, (ii) niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de in het dossier genoemde ‘ [bijnaam] ’ is, (iii) het wapen negen dagen na het schietincident is aangetroffen en gelet op dit tijdsverloop en de andere DNA profielen op het wapen niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat met dit wapen, door de verdachte, is geschoten en (iv) niet enkel en alleen op grond van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] kan worden aangenomen dat de bijrijder ten tijde van het schietincident de feitelijke eigenaar van de Mercedes, en daarmee de verdachte, was en dat bovendien daarmee sprake is van een denaturering van zijn verklaring.

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde en heeft daartoe – kort gezegd – verklaard dat hij het wapen met de munitie nooit eerder had gezien en dat zijn DNA mogelijk tijdens het schoonmaken van een kast in zijn kamer met een nat doekje, op het linnen tasje waar het wapen in lag terecht is gekomen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Schietincident

Op 28 april 2019 heeft omstreeks 16.43 uur een schietincident plaatsgevonden bij de rotonde op de Lange Nieuwstraat te IJmuiden. Vanuit een op die rotonde rijdende donkerkleurige Mercedes type A140 is tenminste zeven keer geschoten in de richting van een voorbijkomende scooter met daarop twee personen, waaronder de aangever [slachtoffer] . Daarbij is de scooter tweemaal geraakt en zijn kogels terechtgekomen op onder andere een bushokje en een gevel, vlak naast een raam.1

Vuurwapen bij verdachte

Op 7 mei 2019 is de verdachte aangehouden in een woning aan de [weg] in IJmuiden, waar hij sinds 3 mei 2019 verbleef.2 Verdachte is bekend als rapper.3 Hij werd in de woning aangetroffen in een slaapkamer op een bed met een bedrag van € 3630,- aan contante biljetten van 50, 20 en 10 euro, vergezeld van een handgeschreven briefje met daarop een korte raptekst. Onder hem werd een sleutel van de woning aangetroffen. Naast het bed stond een tafeltje met de IPhone 6 van de verdachte en een door de verdachte gebruikte Samsung telefoon4 en verder lag er een schoudertasje met daarin een paspoort op naam van de verdachte.

In een linnen rugzakje naast het bed werd een pistool aangetroffen van het merk Walther P38, kaliber 9mm. Het wapen was geladen met een patroonhouder en 9mm volmantel rondneus patronen. In het tasje lagen tevens 8 losse 9mm volmantel rondneus patronen die geschikt waren om te worden afgeschoten met dit wapen. Op de ruwe delen en de binnenkant van de kolfplaten zijn biologische sporen aangetroffen.5 Het spoor op de ruwe delen bevatte DNA van meerdere onbekend gebleven personen, maar relatief veel van de verdachte, terwijl het spoor op de kolfplaat ook DNA van meer onbekend gebleven personen bevatte alsmede een afgeleid hoofdprofiel van de verdachte.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte in de betreffende kamer verbleef, daar zijn spullen verzamelde en zich van de aanwezigheid van het vuurwapen bewust was, erover beschikte en het wapen ook in handen heeft gehad. De alternatieve lezing van de verdachte dat hij geen weet had van het wapen en dat het DNA mogelijk tijdens het schoonmaken op het wapen terecht is gekomen, schuift het hof als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde.

Vuurwapen gerelateerd aan schietincident

Uit vergelijkend wapen- en munitieonderzoek aan de hulzen en kogelmanteldelen zoals aangetroffen op de plaats delict op 28 april 2019 is ten aanzien van de hulzen gebleken dat het veel tot extreem veel waarschijnlijker is dat die zijn verschoten met het bij de verdachte aangetroffen vuurwapen, dan met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als het vuurwapen. Ten aanzien van de kogelmanteldelen is gebleken dat die kans iets waarschijnlijker tot waarschijnlijker is.6 Het hof leidt hieruit af dat het bij de verdachte aangetroffen wapen niet alleen een wapen is geweest waarover hij beschikte maar ook het wapen is geweest waarmee op 28 april 2019 vanuit de Mercedes is geschoten op de voorbijrijdende scooter. Het wapen kon niet worden gerelateerd aan andere schietincidenten.

Ondanks dat er negen dagen zitten tussen het schietincident en het aantreffen van het wapen bij de verdachte, geeft dit steun aan de vaststelling dat de verdachte de schutter is geweest. Die vaststelling vindt ook steun in overig bewijs, waaruit het hof kort samengevat afleidt dat (i) de medeverdachte [medeverdachte] de Mercedes ten tijde van het schietincident bestuurde, (ii) de verdachte ook over de gebruikte Mercedes beschikte, (iii) in de periode voor en na het schietincident veel contact heeft gehad met deze [medeverdachte] , (iv) op de dag van het schietincident in zijn nabijheid verkeerde en (v) na het schietincident met hem over de Mercedes heeft gesproken:

(i) [medeverdachte] met schutter in de Mercedes

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de Mercedes gebruikte, dat hij op 28 april 2019 de Mercedes heeft bestuurd en dat degene die naast hem zat hem had gevraagd een rondje te rijden en vervolgens op de rotonde uit het raam heeft geschoten terwijl [medeverdachte] [slachtoffer] op een scooter voorbij zag komen met een andere jongen.7 Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de Mercedes van hem en een andere jongen was8 en heeft erkend dat het erop lijkt dat [slachtoffer] problemen heeft met de persoon met wie hij de auto deelt.9 Hij heeft niet willen zeggen wie degene is die naast hem in de auto heeft gezeten.

(ii) Beschikking van de verdachte over de Mercedes

Uit de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte net als medeverdachte [medeverdachte] gebruik maakte van de auto. De betreffende Mercedes werd sinds 9 maart 2019 te koop aangeboden op [website] met gebruikmaking van het telefoonnummer van de verdachte en samen met een VW Golf die aan de verdachte toebehoorde.10 Het dossier bevat de beschrijving van een Youtube filmpje waarop de verdachte wordt herkend11, rijdend in een Mercedes met een geelkleurige geurverfrisser, die ook wordt herkend op de camerabeelden van de betreffende Mercedes vlak voor het schietincident op 28 april 201912 en die wordt aangetroffen in de Mercedes als die in beslag wordt genomen.13 Dezelfde Mercedes is op 3 mei 2019 aangetroffen nabij de woning aan de [weg] te IJmuiden, waar de verdachte naar eigen zeggen vanaf die dag verbleef.14

Voorts is berichtenverkeer aangetroffen tussen het telefoonnummer van de verdachte en het nummer van de medeverdachte [medeverdachte] , dat in de telefoon van de verdachte de naam “ [naam 1] ” draagt.15 Medeverdachte en de verdachte blijken in 2014 samen in de straat [adres 2] te hebben gewoond.16 Hieruit blijkt dat wordt gesproken over de Mercedes en de tenaamstellingscode daarvan en dat de verdachte aan de medeverdachte bericht dat hij nog spullen in de auto heeft en de auto morgen weer nodig heeft.17 Uit een en ander leidt het hof af dat de verdachte evenals [medeverdachte] gebruik maakte van de Mercedes.

(iii) Contacten tussen [medeverdachte] en de verdachte voor, omstreeks en na het schietincident

Uit telecomverkeer van de telefoons van de verdachte (de IPhone 6 met nummer * [nummer] ) en de medeverdachte [medeverdachte]18 volgt verder dat er in de periode van 13 maart tot 28 april 2019 veel contact tussen beiden is, meerdere dagen per week en soms meerdere keren op een dag. Voor zover de verdachte heeft aangevoerd dat hij niet degene is geweest die telkens de berichten met zijn telefoon heeft verzonden, maar iemand anders (zijn telefoon zou te pas en te onpas worden gebruikt door anderen, onder meer door personen die de telefoon zonder zijn toestemming uit zijn jaszak pakte om deze te gebruiken) schuift het hof die lezing – mede gelet op de inhoud van de berichten, de duur van de periode en de veelheid van de berichten die dit zou betreffen – als ongeloofwaardig terzijde.

(iv) De verdachte en [medeverdachte] verkeerden op 28 april 2019 in elkaars nabijheid

Op 28 april 2019 stralen beide telefoons kort voor het delict in Santpoort en IJmuiden uit en in de anderhalf uur volgend op het schietincident op locaties in en richting Amsterdam Zuid Oost.19 Om 22.07 uur die avond wordt de VW Golf van de verdachte waargenomen op een camera in de buurt waarvan op dat moment ook de telefoon van de medeverdachte uitstraalt.20

(v) Whatsappgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte] over de Mercedes na het schietincident

In het eerder genoemde berichtenverkeer tussen beide verdachten wordt na 28 april 2019 gesproken over verkoop van de auto en spreekt de medeverdachte op 3 mei 2019 over de verkoop van een ‘waggie’ die ‘vies’ is na ‘die ding’. De verdachte heeft verklaard dat dit berichtenverkeer niet van hem is, omdat hij zijn telefoon zeer regelmatig moet afstaan aan anderen, maar het hof schuift die verklaring als gezegd als ongeloofwaardig terzijde.

De verdachte zat naast [medeverdachte]

Uit een en ander – in onderlinge samenhang beschouwd – leidt het hof af dat het de verdachte is geweest die naast de medeverdachte heeft gezeten ten tijde van het schietincident en die problemen had met [slachtoffer] . Het hof vindt daarvoor ook steun in een getapt telefoongesprek van [naam 2] , zijnde de broer van de medeverdachte [medeverdachte] , op 3 mei 2019, waaruit wordt opgevangen dat hij – mede in verband met een incident waarbij een scooter is beschoten – spreekt over ‘een gozer’, ‘echt een losgeslagen idioot’, waar zijn broer, de medeverdachte [medeverdachte] , afstand van moet nemen: hij is 33..loopt op kleine jongens te shooten, ik heb tegen die jongens gezegd, die [bijnaam] , wat er met hem gebeurt boeit me niet, als je mijn broertje er maar buiten houdt.21 [bijnaam] is een naam die ook als bijnaam wordt gebruikt voor de verdachte22, die ten tijde van het delict 33 jaar oud was.

Conclusie

Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de verdachte de bijrijder in de Mercedes is geweest, die gericht meermalen heeft geschoten op de scooter en zich derhalve heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

De verweren worden derhalve verworpen.

Het hof spreekt vrij van het ten laste gelegde medeplegen. Niet is gebleken dat de verdachte met het oog op de pogingen doodslag nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander. Het hof spreekt eveneens vrij van de ten laste gelegde voorbedachte raad. Niet is vast komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
meer subsidiair
hij op 6 april 2019 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen eenmaal met een mes in het lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 28 april 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en een nog onbekend slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven met een vuurwapen meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en dat nog onbekende slachtoffer, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P38, kaliber 9 (x 19) mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 16 stuks scherpe volmantel patronen, voorzien van bodemstempels “Geco, 9 mm Luger, van het kaliber 9 (x 19) mm voorhanden heeft gehad;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 6 april 2019 tot en met 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, en Haarlem meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- cocaïne en

- heroïne, en

- MDMA, en

- amfetamine;

5.

hij op 7 mei 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair, 2 ,3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 (meer subsidiair)

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is door en namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer en verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. De verdachte heeft daartoe ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door de aangever [benadeelde] is beroofd en met zijn leven is bedreigd, waarbij een mes op zijn keel is gedrukt. Vervolgens hebben de verdachte en de aangever in een worsteling het mes heen en weer geduwd, totdat de verdachte, in een poging het mes op de grond te krijgen, de aangever eenmaal in zijn been heeft gestoken en weg is gerend. De verdachte heeft verklaard dat hij vreesde voor zijn leven en handelde uit zelfverdediging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen, omdat zij de verklaringen van de verdachte over de feitelijke toedracht onaannemelijk en ongeloofwaardig acht en uitgaat van het scenario dat de verdachte de aangever [benadeelde] op de grond heeft geduwd en vanaf dat moment geen sprake meer was van een noodweersituatie.

Het hof overweegt als volgt.

Voorop wordt gesteld dat indien door de verdediging een beroep op noodweer is gedaan, het hof allereerst dient vast te stellen of het de feiten en omstandigheden die aan dat beroep ten grondslag zijn gelegd aannemelijk acht. Voorts is voor een succesvol beroep op noodweer vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn (vgl. Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

Het hof heeft in de bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1, zoals hiervoor opgenomen, geconstateerd dat een groot deel van de feitelijke toedracht van het incident onduidelijk is gebleven en dat het hof bij die stand van zaken van oordeel is dat aan de verdachte het voordeel van de twijfel moet worden gegeven, in die zin dat zijn lezing niet voor onaannemelijk kan worden gehouden. Die lezing houdt – kort gezegd – in dat de verdachte door de aangever [benadeelde] met zijn leven is bedreigd met een mes en dat zij toen in een worsteling zijn geraakt waarbij zij beiden het mes vast hadden en dit heen en weer duwden, waarop de verdachte uiteindelijk de aangever eenmaal – toen hij daartoe de gelegenheid had in een poging weg te komen – (bewust) in zijn been heeft gestoken en is weggerend.

Met de raadsman en de verdachte is het hof van oordeel dat – uitgaande van de lezing van de verdachte – de gedragingen van de aangever een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding opleveren waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Voorts is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, omdat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en redelijkerwijs moeten onttrekken, terwijl het toegepaste geweld (één steek in het been) in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding (worsteling om het mes waar de verdachte mee werd bedreigd), zodat eveneens is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Het beroep op noodweer slaagt derhalve.

Het bewezen verklaarde onder 1 meer subsidiair levert derhalve geen strafbaar feit op. De verdachte dient ter zake hiervan te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder feit 1 primair, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest en heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren met aftrek van voorarrest en heeft herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gevorderd.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht een lagere straf op te leggen dan is gevorderd, in het bijzonder gelet op het eigen aandeel van het slachtoffer feit 1. Daarnaast heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de beperkte begaafdheid van de verdachte en zijn positieve gedrag tijdens detentie.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van twee personen door met een vuurwapen vanuit een rijdende auto in de richting van een voorbijkomende scooter met daarop twee personen, waaronder de aangever [slachtoffer] , minimaal zeven keer te schieten. Daarbij is de scooter tweemaal geraakt en zijn kogels terechtgekomen op onder andere een bushokje en een gevel, vlak naast een raam. Het schietincident vond plaats op klaarlichte dag, in de aanwezigheid van andere weggebruikers en omwonenden. Dergelijk levensgevaarlijk gedrag schokt de rechtsorde in aanzienlijke mate en leidt tot gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid, niet alleen bij de direct betrokkenen, maar bij de gehele samenleving. De verdachte is negen dagen later aangehouden in een woning waar hij het wapen, geladen en vergezeld van munitie, voorhanden had. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen en munitie en met name het gebruik daarvan brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. Niet alleen de personen waarop de verdachte zijn schoten heeft gelost, maar ook toevallige omstanders hadden het slachtoffer van deze schietpartij kunnen worden, hetgeen, gelukkig en geenszins aan de verdachte te danken, niet is gebeurd.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. In de kamer waarin de verdachte verbleef is een grote hoeveelheid harddrugs (cocaïne, heroïne, amfetamine en MDMA) en hennep aangetroffen, met onder meer een weegschaal en contante geldbedragen. Deze verdovende middelen zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stoffen. Harddrugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid. De handel in (hard)drugs gaat bovendien gepaard met vele andere vormen van zware criminaliteit, die eveneens gevaarlijk is voor de samenleving.

Het hof is van oordeel dat de hiervoor beschreven feiten geen andere straf rechtvaardigen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte weegt het hof strafverzwarend mee dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 maart 2021 eerder, deels in een verder verleden, en vaker ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie en de handel in harddrugs onherroepelijk is veroordeeld. De verdachte was bovendien net twee maanden voorwaardelijk in vrijheid gesteld toen hij de onderhavige feiten pleegde.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de stukken over de persoon van de verdachte die ter zitting namens de verdachte zijn overgelegd en die mede zien op het verloop van de detentie en het gedrag van de verdachte in detentie.

Het hof zal de verdachte een lagere straf opleggen dan de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof is immers van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat de verdachte ter zake het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde een beroep op noodweer toekomt. Het hof zal ondanks die vrijspraak en het gehonoreerde beroep op noodweer niet veel lager straffen dan de rechtbank gelet op de bijzondere ernst van het onder 2 bewezenverklaarde. Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de oriëntatiepunten die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrechtsectoren (LOVS) zijn opgesteld ter zake de onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof is van oordeel dat deze straf recht doet aan de ernst van het feit en in overeenstemming is met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Beslissing omtrent beslag

Het hof is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag van in totaal € 3.630,00, de weegschaal en de Samsung GSM verbeurd dienen te worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en dat deze geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de onder 4 en 5 bewezen verklaarde feiten zijn verkregen dan wel dat die feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

Het hof is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven wapen en de munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot deze voorwerpen en deze zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het hof zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, tas.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 28.759,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.757,43. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Nu aan de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde handelen geen straf of maatregel wordt opgelegd en geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a Sr, kan de benadeelde partij niet in de vordering worden ontvangen.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI-nummer 99-00392-30)

De verdachte is bij besluit van 5 februari 2019 voorwaardelijk in vrijheid gesteld van de gevangenisstraf die hem is opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 februari 2018 met parketnummer 15-110290-19. De voorwaardelijke invrijheidsstelling is bij dat besluit verleend voor een periode van 197 dagen onder de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering wordt toegewezen en dat de verdachte alsnog een vrijheidsstraf voor de duur van 197 dagen moet ondergaan.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Het hof overweegt als volgt. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is toewijsbaar, nu de veroordeelde zich voor het einde van de bij genoemd besluit bepaalde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten, en ook overigens is voldaan aan de bij de wet gestelde voorwaarden.

Gebleken is dat de verdachte binnen korte tijd nadat hij op vrije voeten was gekomen, de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd. Voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de daarbij behorende algemene (en bijzondere) voorwaarden, is essentieel dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan gevolgen worden verbonden, zeker als dat gaat om een soortgelijk en ernstig strafbaar feit. Dat dient in deze zaak ook te geschieden.


Het hof wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe voor de duur van 197 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK weegschaal (1016313)

1. STK GSM Samsung (1016315)

3630 euro (1016542, 1016543 en 1016539).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK wapen (1016218)

1. STK munitie (1019872).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK tas (1019873).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 99-000392-30 toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van Noord-Holland van 13 februari 2018 onder parketnummer 15-810191-17 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten: 197 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. A.M.P. Geelhoed en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 april 2021.

De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Overzichtsproces-verbaal 1 augustus 2019, p. 1082; proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict 25 juni 2019, p. 551 e.v.; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] 28 april 2019, p. 587 e.v; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] 4 mei 2019, p. 596 e.v.; proces-verbaal aangifte [slachtoffer] 1 mei 2019, p. 625 e.v.; proces verbaal [website] 3 mei 2019, p. 653 e.v.

2 Proces-verbaal van doorzoeking 8 mei 2019, p. 1089 e.v.; de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank op 19 november 2019.

3 Proces-verbaal van bevindingen 10 mei 2019, p. 1053.

4 Proces-verbaal van doorzoeking 8 mei 2019, p. 1090-1091; proces-verbaal van bevindingen 27 mei 2019, p. 1072 e.v.

5 NFI DNA rapport 19 juli 2019, p. 1104 e.v.

6 NFI wapen- en munitierapport 30 juli 2019, p. 849 e.v.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] 2 augustus 2019, p. 896.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] 8 mei 2019, p. 872.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] 8 mei 2019, p. 874.

10 Proces-verbaal [website] 3 mei 2019, p. 653 e.v.

11 Proces-verbaal van bevindingen 24 mei 2019, p. 801 e.v.

12 Proces-verbaal van bevindingen Camerabeelden [straat] 3 mei 2019, p. 650 e.v..

13 Proces-verbaal van bevindingen 24 mei 2019, p. 801-802.

14 Proces-verbaal van bevindingen 24 mei 2019, p. 801; de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank op 19 november 2019.

15 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen 30 juli 2019, p. 728.

16 Proces-verbaal [website] 3 mei 2019, p. 656.

17 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen 30 juli 2019, p. 677-694.

18 Proces-verbaal van bevindingen 31 juli 2019, p. 808.

19 Proces-verbaal van bevindingen 8 juni 2019, p. 806.

20 Proces-verbaal van bevindingen 8 juni 2019, p. 807.

21 Proces-verbaal belangrijke tapgesprekken 7 mei 2019, p. 824.

22 Proces-verbaal van bevindingen 30 juli 2019, p. 670.