Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:91

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
05-09-2021
Zaaknummer
23-003545-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal scooter. Bevestiging behalve ten aanzien van de opgelegde straf en met toevoeging van artikel 43a en 63 WvSr aan de toepasselijke wetsartikelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003545-19

datum uitspraak: 20 januari 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 24 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-221470-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1985,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof artikel 43a en artikel 63 Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toepasselijke wetsartikelen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op 15 september 2019 schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter en daarmee geen blijk gegeven het eigendom van anderen te respecteren. Diefstal is een ergerlijk feit dat naast materiële schade vaak veel overlast veroorzaakt voor de gedupeerde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2020 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.

In het bijzonder komt daaruit naar voren dat de verdachte op 17 juli 2019 door de politierechter in Amsterdam wegens diefstallen onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week. Die straf is ten uitvoer gelegd van 23 tot 30 augustus 2019. De verdachte heeft zich op 15 september 2019, twee weken nadat hij die eerdere straf had uitgezeten, opnieuw schuldig gemaakt aan diefstal. Tegen deze achtergrond bezien vindt het hof een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur niet passend. Juist integendeel, bij recidive binnen zo korte tijd komt, ook gelet op artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht, slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur als sanctie in aanmerking. Daarbij speelt een rol dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en er geen aanwijzingen zijn dat hij in Nederland verblijft. In die situatie heeft de Nederlandse Justitie niet of nauwelijks zicht op hetgeen de verdachte tijdens de proeftijd in strafrechtelijk relevante zin mogelijk doet. Dat maakt een voorwaardelijk deel van de straf tot een luchtkasteel.

Tot slot, houdt het hof bij de strafoplegging rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 43a, 63, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en doet, in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. N.A. Schimmel en mr. P.C. Kortenhorst, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2021.

=========================================================================

[…]