Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:872

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
23-001216-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer en verlengde invoer van ruim een kilo cocaïne. 43 maanden gevangenisstraf. Bij de strafoplegging houdt het hof rekening met de beoogde invoer van de in beslag genomen 1.808 kilo cocaïne. Verdachte is met een ander met een bestelbus met een hoeveelheid lege dozen naar Medemblik gereden. Zij hebben de auto met openstaande laaddeuren vlakbij de pallets geparkeerd, gereed voor het inladen van cocaïne. Zij moesten daarna een deel van de lading naar Rotterdam brengen. Verdachte heeft de pompwagen bediend om de pallets uit de vrachtwagens te halen, hij had een PGP-telefoon voorhanden en heeft naar cocaïne gezocht door opgegeven codes te zoeken en dozen te openen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001216-18

datum uitspraak: 26 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-997125-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1, 3 en 12 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij in of omstreeks de periode van 18 november 2016 tot en met 8 december 2016 te Medemblik en/of Antwerpen en/of Turbo (Colombia), in elk geval in Nederland en/of België en/of Colombia,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1800 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,

en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad;

subsidiair:

één of meerdere perso(o)n(en) (medeverdachte [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [medeverdachte 2] en/of medeverdachte [medeverdachte 3] en/of medeverdachte [medeverdachte 4] en/of medeverdachte [medeverdachte 5] en/of medeverdachte [medeverdachte 6] en/of medeverdachte [medeverdachte 7] en/of medeverdachte [medeverdachte 8]), in of omstreeks de periode van 18 november 2016 tot en met 8 december 2016 te Medemblik en/of Antwerpen en/of Turbo (Colombia), in elk geval in Nederland en/of België en/of Colombia,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1800 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans aanwezig heeft gehad,

bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte op 8 december 2016 behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door opzettelijk:

- samen met medeverdachte [medeverdachte 1] in een geleende bestelbus met in de laadbak een groot aantal lege verhuisdozen naar de loods aan de [adres 2] te Medemblik te rijden en/of

- in de loods met een pompwagen pallets in de vrachtwagens te verplaatsen en/of

- een PGP-telefoon voorhanden te hebben waarmee is gecommuniceerd (met de opdrachtgever) en/of

- in de loods te helpen bij het zoeken naar (de nummers op) de dozen op de pallets.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere overwegingen komt.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplichtigheid aan het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1,082 kilo cocaïne, zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet (Ow) en het opzettelijk aanwezig hebben van die cocaïne.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair en subsidiair ten laste is gelegd. De verdachte heeft enkel op 8 december 2016 in een loods in Medemblik geholpen bij het lossen van dozen bananen en het zoeken naar specifieke nummers op dozen. Bij de verdachte was geen sprake van (voorwaardelijk) opzet op de invoer en het aanwezig hebben van cocaïne en hij had ook geen wetenschap van de aanwezigheid van cocaïne in de lading bananen. Dat het transport op verzoek van een tamelijk onbekende heeft plaatsgevonden en aan de verdachte een PGP-telefoon is verstrekt, wijst hoogstens op een vermoeden van ‘contrabande’ en niet zonder meer op cocaïne.

Oordeel van het hof

Opmerking vooraf

Omwille van de leesbaarheid zal de verdachte in de bewijsoverweging, net als de medeverdachten, met ‘verdachte’ of met zijn achternaam ([verdachte]) worden aangeduid.

Relevante feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in onderling verband en samenhang bezien, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 18 november 2016 is het schip de [naam schip] vanuit de haven van Turbo (Colombia) vertrokken naar de haven van Antwerpen (België). Aan boord bevond zich een lading, bestaande uit 96 pallets met 4.608 dozen Premium Baccota bananen (hierna: de lading). Volgens het in Colombia afgegeven Certificado de Circulation was de lading bestemd voor [bedrijf] in Rotterdam. Uit bijkomende gegevens bleek dat als contact van [bedrijf] was opgegeven [alias medeverdachte 8] met (onder meer) het telefoonnummer [telefoonnummer 1].

Het schip is op 5 december 2016 om 09:30 uur via de Westerschelde de Nederlandse territoriale wateren binnen gevaren, heeft deze omstreeks 12:03 uur weer verlaten, om later die dag aan te meren in de haven van Antwerpen.

De douane in Antwerpen heeft de lading de volgende dag aan een controle onderworpen. Daarbij zijn in 4 van de 96 pallets bananen telkens 24 kartons met cocaïne aangetroffen, in totaal 96 positieve kartons. In die 96 kartons bevonden zich in totaal 1.525 pakketten cocaïne met een totaalgewicht van 1.808 kilo.

De Belgische autoriteiten hebben na overleg met de Nederlandse autoriteiten de cocaïne in beslag genomen en besloten tot gecontroleerde doorlating naar Nederlands grondgebied, door de cocaïne uit de lading te halen en slechts een kleine hoeveelheid van diezelfde partij cocaïne, in totaal 47,3 gram, in 3 buisjes met rode dop (hierna: de proefbuisjes) tussen de bananen in dozen van 3 van de genoemde 4 pallets terug te plaatsen.

Uit opgenomen telefoongesprekken met eerder genoemd nummer [telefoonnummer 1] is naar voren gekomen dat ‘[alias medeverdachte 8]’ (naar later bleek: de verdachte [medeverdachte 8]) en ‘[alias medeverdachte 2]’ (naar later bleek: de verdachte [medeverdachte 2]) zich beiden inspanden om vier vrachtwagens met chauffeurs te regelen om de lading vanuit Antwerpen naar een loods in Medemblik te vervoeren. Dat de lading bananen niet gekoeld kon worden vervoerd, vond [medeverdachte 8] niet van belang. Ook onderhielden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 8] contact met de beoogde legale afnemer van de bananen, [afnemer] (hierna: [afnemer]). Deze afnemer werd aan het lijntje gehouden en hem werd voorgespiegeld dat hij de bananen pas op 9 december 2016 in Medemblik kon afhalen, terwijl [afnemer] kenbaar had gemaakt dat hij al op 8 december 2016 transportmogelijkheden gereed had. Zo beantwoordde [medeverdachte 2] op 7 december 2016 de telefoon van [medeverdachte 8] en zei tegen [afnemer] dat hij alles in één keer naar Nederland ging halen en dat binnen nu en vrijdag alles er zou zijn. Op 8 december 2016 meldde [medeverdachte 8] aan [afnemer] dat de bananen in een loods in de regio Alkmaar werden neergezet, waarop [afnemer] reageerde dat dat helemaal niet goed was, omdat het veel te ver uit de route was. Later die dag meldde [afnemer] aan [medeverdachte 8] dat hij transport had gevonden en het liefst alles, maar in ieder geval een deel van de bananen die dag wilde ophalen, waarop [medeverdachte 8] uiteindelijk kenbaar maakte dat de bananen pas de dag daarna opgehaald konden worden.

Op 8 december 2016 is de lading, die de Belgische douane had vrij gegeven, vanaf 06:45 uur in België en Nederland door de politie geobserveerd.

Omstreeks 09:45 uur is de eerste van de vier vrachtwagens uit Antwerpen met bestemming Medemblik vertrokken. Deze vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] werd om 09:48 uur gevolgd door een tweede, met kenteken [kenteken 2]. In deze tweede vrachtwagen waren de pallets met de dozen met daarin de proefbuisjes cocaïne geladen. Het observatieteam zag dat deze vrachtwagen om 13:05 uur het terrein van een loods aan de [adres 2] (adres achteringang: [adres 3]) in Medemblik op reed.

Vrijwel meteen daarna, omstreeks 13:08 uur, zag het observatieteam een BMW met kenteken [kenteken 6] (hierna: de BMW) met drie inzittenden stapvoets langs het terrein van de loods rijden. Ook later die dag, tussen 13:15 uur en 14:00 uur, om 16:12 uur en tussen 16:40 en 16:45 uur is de BMW in de omgeving van de loods gezien. Zoals achteraf is vastgesteld, zijn de verdachten [medeverdachte 5], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] inzittenden van de BMW geweest; [medeverdachte 5] als bestuurder, [medeverdachte 4] als bijrijder en [medeverdachte 3] achterin.

Vier dagen eerder, op 4 december 2016, is er een ontmoeting geweest tussen [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] in de St James Gate Irish Pub in Amsterdam.

De vrachtwagens zijn gelost met behulp van een door [verdachte] bestuurde pompwagen en twee heftrucks waarvan er één door [medeverdachte 2] werd bestuurd en die door ‘[alias medeverdachte 2]’ ([medeverdachte 2] dus) op naam van [bedrijf] zijn gehuurd. [medeverdachte 2] had ook contact met de chauffeurs van beide vrachtwagens en heeft van hen de vrachtbrieven in ontvangst genomen.

Om 15:58 uur sloot [medeverdachte 2] met [betrokkene] het hek van het terrein van de loods af met drie zware kettingen en bijbehorende hangsloten.

Om 16:08 uur stapten [medeverdachte 5], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] in de BMW waarna [medeverdachte 3] om 16:12 uur bij de loods uitstapte en om 16:13 uur de loods betrad. De BMW reed weg in de richting van de [straatnaam].

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] gingen enige tijd later naar snackbar [snackbar] aan de [straatnaam] in Medemblik en gaven [medeverdachte 2], die daar al was, een hand. Ruim een half uur later verlieten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] de snackbar, waarna zij om 16:47 uur de loods betraden. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] liepen hierna een tweede keer snackbar [snackbar] binnen. In de snackbar gingen zij bij [medeverdachte 2] aan tafel zitten en spraken met hem, waarna zij gedrieën de snackbar verlieten en om 17:42 uur, nadat van binnenuit voor hen de deur was opengedaan, de loods betraden.

Uit de OVC-opnamen van de gesprekken die in de loods zijn gevoerd, kan worden afgeleid dat vanaf 13:48 uur [medeverdachte 2] (met een onderbreking van ongeveer 15:58 uur tot 17:42 uur), [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 1] en [verdachte] en vanaf 16:13 uur ook [medeverdachte 3] zochten naar nummers of codes, dat dozen werden geopend en dat de verdachten naar iets op zoek waren dat zij niet konden vinden.

Onder meer is op die opnamen het volgende te horen:

- [medeverdachte 6] zegt op het moment dat hij zich met [medeverdachte 7], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte] in de loods bevindt: ‘Twee van ons tillen ze eraf, twee van ons kijken en de andere twee maken ze netjes, want morgen worden ze verkocht’.

Zoals hiervoor is vermeld, zouden de bananen de volgende dag naar afnemer [afnemer] gaan.

- Er wordt gezocht naar nummers. [medeverdachte 6] zoekt onder meer naar nummer 46. [medeverdachte 3] praat over diverse nummers ‘na de PM, ja’. [medeverdachte 6] vraagt of de 5014603 op de lijst staat.

Het hof stelt vast dat deze nummers overeenkomen met na te noemen nummers op de dozen.

- [medeverdachte 6] zegt dat [medeverdachte 3] de ‘baas’ is, bepaalt welke dozen worden geopend en dat het ‘zijn klus’ is.

[medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] bespreken dat ‘het’ er niet in zit, maar dat het eruit ziet alsof er iets in heeft gezeten. [medeverdachte 6] zegt tegen [medeverdachte 3] ‘Kijk, luister, als jouw mensen thuis zeggen, dat is de code, dit is de code, we kijken, er zit niets in..’.

Dit duidt naar het oordeel van het hof op de betrokkenheid van diverse partijen bij het transport, evenals een aantal van de volgende opmerkingen.

- [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] bespreken dat de pallets door elkaar zijn teruggeplaatst. [medeverdachte 3] vraagt dan ‘mijn mensen, nee….’ waarop [medeverdachte 7] antwoordt ‘nee, nee, de andere mensen’ en [medeverdachte 6] zegt ‘begrijp je, dat ze zijn gekomen en hebben genomen en daarna weer ingepakt’.

- Op verschillende momenten bespreken [medeverdachte 3], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 1] ook dat het mogelijk gestolen is.

- [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] bespreken ook problemen die ze met hun bazen verwachten als ze niet elke doos openmaken. [medeverdachte 6] zegt hierover onder meer ‘Is het mijn baas ‘krchtt’, je weet wel…’ waarop [medeverdachte 1] zegt ‘Ja, de mijne, ik ook’ en [medeverdachte 6] weer zegt ‘hetzelfde geldt voor jou, hetzelfde geldt voor jou’.

- [medeverdachte 1] en [verdachte] spreken onderling in het Turks, waarbij [verdachte] zich afvraagt of ze zijn ‘genaaid/geript ofzo’.

- [medeverdachte 6], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] spreken verder over een reageerbuisje ‘with Charlie in it’, dat in de auto is gelegd. Ook met [medeverdachte 2] wordt dit besproken. [medeverdachte 7] spreekt over “flake”.

Met Charlie en flake wordt in het drugscircuit cocaïne bedoeld.

- [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 6] of hij de vier specifieke pallets heeft gevonden.

- [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] bespreken de mogelijkheid dat de douane ‘het’ eruit heeft gehaald en dat er mogelijk een onderzoek loopt. Te horen is dat [medeverdachte 7] hierover zegt ‘Als de douane het had gestolen, zouden ze nu hier binnen zijn en wij zouden vast zitten’. [medeverdachte 6] zegt ‘Als de douane het uit de haven heeft gehaald, ja? Hebben ze het er om één reden uitgehaald. Ze zullen naar ons kijken en denken, hij, hij, hij, zijn slechts kleine visjes, kleine visjes en ze kijken en zullen proberen grotere vissen op te pakken, begrijp je?’. [medeverdachte 3] zegt ‘Het is de Belgische douane, ze kunnen hier naartoe komen om ons dit te laten doen, weet je, misschien is het onderzoek begonnen’. Ook [medeverdachte 1] spreekt over de Belgische douane. Hij oppert dat de Belgische douane contact kan opnemen met Holland.

Om 17:50 uur viel de politie de loods binnen en trof daar de volgende situatie aan.

[medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [medeverdachte 1] en [verdachte] werden aangetroffen rondom de pallets met bananen waar even daarvoor de OVC-gesprekken werden gevoerd. [medeverdachte 5] probeerde te vluchten door achterin de loods een raam te verbreken om zo naar buiten te klimmen. [medeverdachte 6] vluchtte naar de bovenverdieping achterin de loods. [medeverdachte 2] probeerde zich tussen de pallets te verstoppen. De acht verdachten werden om 18:10 uur aangehouden.

In de loods stonden pallets met daarop dozen met bananen. De pallets waren zo neergezet dat rondom elke pallet een ruimte was van ongeveer één meter. Tussen de pallets met bananendozen lagen (half) lege bananendozen, trossen bananen en zakken met trossen bananen los op de grond. De bananendozen op de pallets en op de grond rondom de pallets waren voorzien van een sticker met een code. Vrijwel alle dozen die op de grond lagen of op een bijna lege pallet stonden, waren voorzien van een sticker met een serienummer dat begon met PM-501-46. Dit zijn getallen die in de OVC-opnamen zijn genoemd.

In de loods bevonden zich in de nabijheid van de pallets een Ford Transit (kenteken [kenteken 3]) en een door [medeverdachte 1] op 7 december 2016 geleende Fiat Ducato (kenteken [kenteken 4]). Van beide voertuigen stonden de achterdeuren, die toegang gaven tot de laadruimte, wijd open. De Ford was geladen met een stapel houten platen. Uit het midden van de stapel was een deel gezaagd waardoor een grote bergplaats (206x87x58,5 cm) was ontstaan. De verzaagde platen waren onderling en aan het voertuig vast geschroefd. Naast de Ford stonden vier onverzaagde houten platen. Als deze vier intacte losse platen bovenop de vast geschroefde platen werden gelegd, was het gezaagde gat niet zichtbaar. In de Ford is in de voorcabine aan de bijrijderszijde een Nokia telefoon voorzien van een geactiveerde simkaart met telefoonnummer [telefoonnummer 2] aangetroffen. In de fouillering van [medeverdachte 4] is een simkaarthouder aangetroffen die hoort bij deze simkaart. De laadruimte van de Fiat was gevuld met nieuwe, lege, voor gebruik gereed zijnde gevouwen verhuisdozen.

Bij de loods bevond zich een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken 5]), in gebruik bij [medeverdachte 2]. In het dashboardkastje is een BlackBerry Curve PGP-telefoon aangetroffen. In een sporttas op de achterbank is een handgeschreven notitie aangetroffen (hierna: het briefje) waarop onder meer het volgende is te lezen: ‘welke boot? [rederij 1], [rederij 2], [rederij 3]’ en ‘BV. 96 pallets p. week t/m dec’. [rederij 1] en [rederij 2] zijn namen van rederijen met schepen die varen op Turbo (Colombia). De hoeveelheid vermelde pallets is hetzelfde als die van het onderhavige transport.

Onder een pallet met bananendozen in de loods zijn twee geladen vuurwapens aangetroffen: een Ruger en een CZ/P-07. Op de loop van de Ruger is een spoor aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 6].

Op de vloer van de loods zijn twee BlackBerry telefoons aangetroffen waarvan er één door midden was gebroken. [medeverdachte 2] had in zijn kleding ook een BlackBerry Bold PGP-telefoon. In die telefoon zijn berichten aangetroffen van en aan ‘[bijnaam]’ waarin [medeverdachte 2] ‘[bijnaam]’ op de hoogte hield. Zo berichtte [medeverdachte 2] [bijnaam] op 8 december 2016 onder meer:

- om 14:47 uur: ‘2 gelost, 2 staan er al. Alle pallets lijken origineel, je hartslag kan omlaag’,

- om 15:30 uur: ‘Ik ga niet weg zonder mijn deel bro. Heb hard gewerkt en aan het front gestaan!’ en

- om 17:25 uur: ‘Het ziet er slecht uit, ze kunnen niks vinden

[bijnaam] droeg [medeverdachte 2] vervolgens op buiten te blijven en de vrachtbrieven te bewaren.

[verdachte] had eveneens een BlackBerry PGP-telefoon bij zich. [medeverdachte 3] had een BlackBerry Z3 PGP-telefoon in zijn achterzak. Deze bleek ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte 3] te zijn terug gezet naar de fabrieksinstellingen.

In de BMW is in de opbergruimte van het voorportier aan de bestuurderskant een geladen vuurwapen: een Glock aangetroffen. In het dashboardkastje van de BMW is een buisje met rode dop met daarin cocaïne aangetroffen, een van de proefbuisjes die de douane in de lading had geplaatst. In de kofferbak lag het paspoort van [medeverdachte 5].

Na de aanhoudingen van de verdachten is een deel van de partij bananen aan de voedselbank in Huizen geschonken. In een van die dozen is een verpakking met 1,035 kilo cocaïne aangetroffen, die kennelijk door de Belgische douane niet uit de lading was gehaald. In de loods was dus op 8 december 2016 in totaal een gewicht van 1,082 kilo cocaïne aanwezig.

[verdachte] heeft bij de politie onder meer verklaard dat hij een PGP-telefoon heeft gekregen voor deze klus die hij in de loods moest gebruiken, dat hij op 8 december 2016 met [medeverdachte 1] is meegereden naar de loods en dat hij daar met een pompwagen pallets heeft verplaatst en naar nummers heeft gezocht.

Juridisch kader

Met de rechtbank onderscheidt het hof drie invoermomenten:

- invoer 1: het moment waarop het schip met daarin de 1.808 kilo cocaïne, afkomstig uit Colombia, de Westerschelde (en Nederlands grondgebied) is opgevaren;

- invoer 2: het moment waarop de vrachtwagens met de dozen bananen met daarin de teruggeplaatste proefbuisjes met cocaïne en de niet in beslag genomen kilo cocaïne via België Nederland inreden;

- invoer 3: de verlengde invoer in de loods in Medemblik, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet.

Van (verlengde) invoer kan in beginsel alleen sprake zijn indien en voor zover binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne nog niet strafvorderlijk in beslag is genomen. Handelingen die worden verricht nadat de cocaïne in beslag is genomen, kunnen immers per definitie niet meer strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van die binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne. Nu op 6 december 2016 in Antwerpen reeds cocaïne uit de lading in beslag is genomen, kunnen invoer 2 en de daarop volgende verlengde invoer (invoer 3) enkel betrekking hebben op de hoeveelheid cocaïne die het Nederlandse grondgebied nadien is binnengekomen. Dat betreft de teruggeplaatste cocaïne (proefbuisjes) en de later bij de voedselbank teruggevonden hoeveelheid cocaïne, in totaal ongeveer 1,082 kilo cocaïne.

Conclusie

Het hof is met de rechtbank en overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van invoer 1 en 2.

Het hof leidt uit de te bezigen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat het aan de verdachte ten laste gelegde medeplegen van de verlengde invoer van ongeveer 1,082 kilo cocaïne in Medemblik (invoer 3) en het aanwezig hebben daarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen.

In dit verband wordt nog het volgende overwogen.

Wetenschap cocaïne en medeplegen verlengde invoer

In de loods zijn om 18:10 uur de acht verdachten aangehouden in een situatie die hiervoor bij de relevante feiten en omstandigheden is beschreven. De verdachten hielden zich op dat moment gezamenlijk bezig met het veiligstellen van de cocaïne die in de bananendozen was verborgen, met het oog op, en de aanwezige benodigde vervoermiddelen voor, verder vervoer van de uit Antwerpen afkomstige cocaïne in Nederland.

Alle verdachten waren aldus in de loods aanwezig op een moment dat essentieel was voor de feitelijke voltooiing van het verder vervoer van de verdovende middelen.

Op grond van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien volgt eveneens dat alle verdachten al sinds ongeveer 13:00 uur die middag in of rondom de loods aanwezig waren. Zij hebben dus geruime tijd handelingen verricht, gericht op het verdere vervoer.

Het hof acht de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat hij naar cocaïne zocht, niet geloofwaardig. Het is buitengewoon onwaarschijnlijk dat de verzendende partij van de cocaïne onwetende personen zou betrekken bij het verdere vervoer ervan. Gelet op de hiervoor beschreven situatie in en rondom de loods en de OVC-gesprekken staat daarom vast dat de verdachte, net als zijn medeverdachten, wist van de cocaïne en dat zijn opzet was gericht op het verdere vervoer daarvan.

Samen met [medeverdachte 1] is hij naar de loods gereden met een bestelbus met lege verhuisdozen, kennelijk bedoeld om cocaïne in te vervoeren. Hij was urenlang aanwezig in de loods en heeft gedurende die tijd pallets verplaatst met een pompwagen en heeft, net als verschillende medeverdachten, in de loods aan de hand van nummers gezocht naar bepaalde dozen met bananen, in de verwachting dat zich daarin de cocaïne zou bevinden.

De verdachte heeft op de hiervoor beschreven wijze nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten, welke samenwerking in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij de materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Anders dan de raadsman en de advocaat-generaal acht het hof het primair ten laste gelegde medeplegen van de verlengde invoer van ongeveer 1,082 kilo cocaïne in Medemblik en het aanwezig hebben van die cocaïne daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij in de periode van 18 november 2016 tot en met 8 december 2016 te Medemblik, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en

op 8 december 2016 opzettelijk een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne aanwezig heeft gehad.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A en het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Oordeel van de rechtbank en standpunten van partijen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde medeplegen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, voor de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden.

De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de beperkt

uitvoerende rol van de verdachte, het gegeven dat hij geen relevant strafblad heeft - de veroordeling op

het gebied van soft drugs dateert van meer dan vijf jaar geleden - en de omstandigheid dat hij beschikt over een baan. Voorts is sprake is van schending van de redelijke termijn.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich als medepleger samen met anderen schuldig gemaakt aan de verlengde invoer en het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne, die verborgen was in een lading bananen afkomstig uit Colombia.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, waren de handelingen van de verdachten gezamenlijk op 8 december 2016 in en rondom de loods in Medemblik erop gericht de pakketten met cocaïne uit de lading bananen veilig te stellen en verder te vervoeren in Nederland. Het bewezenverklaarde medeplegen van de verlengde invoer betreft dus 1,082 kilo cocaïne.

Bij de strafoplegging zal het hof evenwel rekening houden met de beoogde invoer van de grotere hoeveelheid cocaïne, die aanwezig was voorafgaand aan het ingrijpen door de douane.

Dat de verdachten niet als doel hadden een geringe hoeveelheid cocaïne veilig te stellen maar wel degelijk rekening hielden met een grote hoeveelheid van dit verboden middel, leidt het hof af uit een aantal omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien.

- de logistieke operatie rondom het transport was omvangrijk, er is veel materieel ingezet, er waren vuurwapens voorhanden en er werd gecommuniceerd via versleutelde PGP-toestellen.

- maar liefst acht verdachten waren in de loods aanwezig tijdens de inval van de politie. Een aantal van hen heeft zich beziggehouden met het onderzoeken van de dozen waarin de cocaïne was verborgen ([medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 6], [medeverdachte 7] en uiteindelijk ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]).

- het aanmerkelijke tijdsbestek van de aanwezigheid van de aangehouden verdachten in de loods en in de directe omgeving van de loods (men was daar die dag minimaal gedurende vijf uur aanwezig).

- het internationale karakter van het gezelschap: een Nederlander, vier Britten, twee Turks sprekende mannen een Colombiaan. Deze Colombiaan, [medeverdachte 3], heeft zich in de loods bezig gehouden met PGP-communicatie met (kennelijk) de verzender van de partij cocaïne.

- uit de OVC-gesprekken kan worden afgeleid dat men zeer bevreesd was voor het lot dat hen was beschoren omdat men geen cocaïne tussen de bananen aantrof.

- in de loods stonden in de buurt van de pallets twee bestelbusjes gereed met openstaande laaddeuren, beide waren geschikt voor het vervoer van een flink aantal pakketten met cocaïne.

De bij de controle door de douane aangetroffen hoeveelheid cocaïne van ruim 1.800 kilo is dusdanig groot dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en grootschalige handel.

De verdachte heeft zich door zijn handelingen met de medeverdachten welbewust begeven op het terrein van grootschalige internationale handel in verdovende middelen en daarmee bijgedragen aan de instandhouding van het illegale circuit van de handel in harddrugs en alle daarmee samenhangende andere ernstige vormen van criminaliteit, variërend van witwassen tot en met (zeer) ernstige vormen van geweldscriminaliteit.

Vanwege dit aspect gaat het hof uit van generale preventie als één van de doelen van de op te leggen straf.

De verdachte heeft zich kennelijk niet om de (abstracte) gevolgen van cocaïnehandel bekommerd, noch om de verwoestende gevolgen voor de levens van harddrugsgebruikers. Hij was dus zonder mededogen kennelijk slechts uit op eigen financieel gewin. Dit rekent het hof hem zwaar aan. Daarom beoogt het hof ook speciale preventie met de op te leggen straf. Het hof wil hiermee voorkomen dat de verdachte zich in de toekomst nogmaals zal bezighouden met dergelijke ernstige strafbare feiten.

Rolverdeling en strafmaat

Het hof concludeert op grond van de bewijsmiddelen dat er een zekere rolverdeling is geweest tussen de acht verdachten die in de loods zijn aangehouden. Op grond van deze rolverdeling zal een differentiatie worden aangebracht in de aan de verdachten op te leggen straffen.

Het hof merkt (de reeds onherroepelijk veroordeelde) [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] aan als de Nederlandse hoofdverdachten en beschouwt [medeverdachte 3] als de Colombiaanse afgezant van de verzender van de partij cocaïne uit zijn moederland. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hielden toezicht op de gang van zaken rondom het transport op 8 december 2016, communiceerden met de logistiek coördinator [medeverdachte 2] toen het mis leek te lopen en spraken tenslotte in de loods de daar aanwezige uitpakkers en beoogd cocaïne vervoerders.

Zij werden aangeduid als bazen.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben enkele dagen voor 8 december 2016 een bijeenkomst gehad met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], die in de loods urenlang naarstig op zoek zijn geweest naar de verborgen cocaïne. [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] moesten het zoekwerk verrichten.

Al met al kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen en de onderlinge communicatie worden afgeleid dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hiërarchisch in hogere rang stonden dan [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7]. Het hof duidt hun rol te dezen als van even groot belang als die van [medeverdachte 3].

[medeverdachte 1] en [verdachte] zijn met een bestelbus met een hoeveelheid lege dozen naar Medemblik gereden. Zij hebben de auto met openstaande laaddeuren vlakbij de pallets geparkeerd, gereed voor het inladen van cocaïne. Zij moesten daarna een deel van de lading naar Rotterdam brengen. Hun activiteiten op 8 december 2016 waren niet identiek, maar sloten wel bij elkaar aan. [verdachte] heeft de pompwagen bediend om de pallets uit de vrachtwagens te halen, hij had een PGP-telefoon voorhanden en heeft samen met [medeverdachte 1] naar cocaïne gezocht door opgegeven codes te zoeken op de bananendozen en dozen te openen. [medeverdachte 1] heeft zich eveneens intensief bezig gehouden met het gezamenlijk traceren van de cocaïne en hij was met [verdachte] beoogd vervoerder van een deel van de cocaïne in hun auto.

Bij het bepalen van de op te leggen straf beschouwt het hof het aandeel bij dit strafbare feit van [medeverdachte 6], [medeverdachte 7], [verdachte] en [medeverdachte 1] als gelijkwaardig en acht voor hen in beginsel een gevangenisstraf van gelijke duur passend en geboden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 februari 2021 is hij eerder ter zake van overtredingen van de Opiumwet onherroepelijk veroordeeld, wat hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen, hetgeen in zijn nadeel meeweegt.

Het hof is van oordeel dat, rekening houdend met de relevante LOVS-oriëntatiepunten en alles afwegende, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is geschonden. Nu de voorlopige hechtenis in eerste aanleg met ingang van 27 juli 2017 is geschorst gaat het hof uit van een redelijke termijn van 24 maanden in hoger beroep. Die termijn is aangevangen op 5 april 2018, toen namens de verdachte hoger beroep is ingesteld. Dit arrest wordt gewezen op 26 maart 2021. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met bijna 12 maanden overschreden. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde straf verminderen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. W.M.C. Tilleman en mr. A.E. Kleene-Krom, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2021.