Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:86

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
05-09-2021
Zaaknummer
23-000444-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

11a opiumwet. Bevestiging met andere bewijsoverweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000444-19

datum uitspraak: 20 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-231588-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei 2020 en 6 januari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van het vonnis zal vervangen door de hierna weergegeven overweging.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij, kort samengevat, aangevoerd dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onvoldoende blijkt wat zij precies zagen. Het ging om dozen, maar wist de verdachte wel wat er in die dozen zat? In het proces-verbaal staat dat in het voertuig enkele nota’s zijn aangetroffen, maar niet waar deze nota’s lagen. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de goederen van de verdachte waren of dat hij, als het niet zijn goederen waren, wist waarvoor die bedoeld waren. Er was dus geen sprake van een criminele intentie gericht op hennepteelt en evenmin van handelingen waaruit die intentie voortvloeit, aldus de raadsvrouw.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is weergegeven wat zij zagen en hebben aangetroffen. In dat proces-verbaal is vermeld dat de verbalisanten zagen dat twee mannen (in een van wie een van de verbalisanten de verdachte herkende) een doos in de bus laadden en voorts dat zij de nota’s voorin in het voertuig aantroffen.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over wat er in de auto lag toen hij deze leende en over het al dan niet inladen van spullen. De eigenaar van de auto heeft verklaard dat deze leeg was toen de verdachte hem leende. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de aangetroffen spullen voor een kennis heeft vervoerd en niet wist welke spullen zich in de auto bevonden. De verdachte heeft niet de naam van deze kennis willen noemen, noch verdere details. Nog daargelaten dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, heeft hij geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van de goederen noch over de intentie hiervan. Het hof is daarom van oordeel dat de aangetroffen spullen waren bedoeld ter voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, nu aanwijzingen voor een andere bedoeling hiervan ontbreken, en dat de verdachte dat wist.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. N.A. Schimmel en mr. P.C. Kortenhorst, in tegenwoordigheid van mr. B. van Vliet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 januari 2021.

=========================================================================

[…]