Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:809

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
23-001995-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugd. Veroordeling diefstal scooter. TUL omzetting in werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001995-20

datum uitspraak: 4 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 13-171060-20 en 23-001855-19 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2020 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, een scooter (gekentekend [kenteken 1]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie hanteert dan de kinderrechter.

Bewijsoverwegingen en bespreking verweren

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs. Voorts heeft zij aangevoerd dat de aangever tegenstrijdig en leugenachtig heeft verklaard, zodat zijn verklaringen onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebezigd. Bovendien worden de verklaringen van de aangever niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel waaruit kan worden geconcludeerd dat de verdachte de scooter van de aangever heeft weggenomen. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] onbetrouwbaar is en om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Het hof overweegt als volgt.

De aangever heeft tegenover de politie verklaard dat zijn scooter, met het kenteken [kenteken 1], op 28 juni 2020 door de verdachte is weggenomen. De aangever stond bij een garagebox te Amstelveen, alwaar hij werd aangesproken door een jongen die hij kende als [naam 1]. Vervolgens kwam de verdachte aanrijden op een scooter, een Kymco People, met als bijrijder een jongen die de aangever kende als [naam 2]. De aangever is weggelopen van de verdachte, [naam 1] en [naam 2], waarna hij de verdachte heeft zien wegrijden op zijn scooter.

Enkele minuten later kregen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], met surveillancedienst belast en al rijdend in Amstelveen, de melding dat een scooter met het kenteken [kenteken 1] zojuist was weggenomen. Zij zagen vervolgens dat twee scooters hen tegemoet kwamen rijden. Een van de scooters was een Kymco People. De bestuurder van deze Kymco People herkenden zij als [naam 2] (hierna: [naam 2]) en de bijrijder bleek later bij aanhouding te zijn [naam 1] (hierna: [naam 1]). De andere scooter was de weggenomen scooter met het kenteken [kenteken 1]. Verbalisant [verbalisant 1] herkende de bestuurder van deze scooter als de verdachte. De verbalisanten trokken vervolgens de Kymco People na in de politiesystemen en toen bleek de Kymco op naam van de verdachte te staan. De Kymco People is in beslag genomen en in het voorvakje van de scooter werden het rijbewijs en het bankpasje van de verdachte aangetroffen.

[naam 2] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat ‘zijn vriend’ in Amstelveen de scooter van aangever heeft weggenomen.

Het hof is van oordeel dat op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de scooter.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de verklaringen van de aangever, voor zover deze betrekking hebben op – kort gezegd – het wegnemen van zijn scooter door de verdachte, betrouwbaar. De verklaringen van de aangever zijn in dat opzicht consistent, concreet en vinden op wezenlijke onderdelen verankering in de overige bewijsmiddelen. Allereerst wijst het hof op de verklaring van [naam 2], waarin de verklaring van de aangever wordt bevestigd dat de brommer is weggenomen. Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte daarbij wijst het hof op de omstandigheid dat de aangever heeft verklaard dat de verdachte is wegreden op zijn scooter, en dat [naam 1] en [naam 2] zijn weg gereden op de scooter van de verdachte. Vervolgens hebben de verbalisanten [naam 2] en [naam 1] aangehouden, terwijl deze op de scooter van de verdachte reden, en werd de verdachte herkend terwijl hij op de scooter van aangever reed.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat hij de bestuurder van de scooter met het kenteken [kenteken 1] voor 100 procent herkent als de verdachte. Daarbij heeft hij verklaard dat hij de verdachte ambtshalve kende. De verdachte viel namelijk onder de Top400 aanpak in het gebied waar [verbalisant 1] werkzaam is, is vaker aangehouden voor onder andere vermogensdelicten en heeft regelmatig met zijn foto op een briefing gestaan. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte twee maanden vóór het tenlastegelegde feit nog gecontroleerd in Amstelveen.

Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] op 18 januari 2021 als getuige tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij de verdachte goed in zijn gezicht heeft kunnen bekijken en dat hij hem heeft herkend aan zijn baardgroei en zijn neus. De verdachte is een goede bekende van [verbalisant 1] en hij heeft hem meerdere malen in persoon ontmoet.

Het hof acht op grond hiervan de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] voldoende betrouwbaar en bezigt deze dan ook voor het bewijs.

De verklaring van de verdachte dat hij zijn scooter zou hebben uitgeleend aan een jongen genaamd [naam 3], acht het hof ongeloofwaardig. Daartoe verwijst het hof allereerst naar de aangifte en de bovenstaande herkenning door verbalisant [verbalisant 1]. Dat de verdachte deze verklaring pas ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd en, anders dan een voornaam, geen enkele andere gegevens wist te geven van deze [naam 3], zoals bijvoorbeeld een achternaam of een adres, doet naar het oordeel van het hof nog verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2020134598-1 van 28 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], [doorgenummerde pagina’s 1-4].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 28 juni 2020 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van aangever [aangever]:

Ik doe aangifte van diefstal van mijn scooter. De diefstal vond plaats op 28 juni 2020 te Amstelveen. Degene die vandaag mijn scooter heeft gestolen is [verdachte]. Mijn scooter is een Vespa Piaggio voorzien van het kenteken [kenteken 1]. Ik liep rond 17.00 uur naar de box om mijn scooter te pakken. Toen ik de box in liep om mijn scooter te pakken zag ik een jongen staan die ik ken als [naam 1]. Ongeveer 30 seconden nadat [naam 1] mij aansprak kwam [verdachte] aanrijden op zijn eigen

scooter, een Kymco People. Ik zag dat er een jongen achter op zat. Deze jongen ken ik als [naam 2]. Ik ben weggelopen van [verdachte], [naam 2] en [naam 1]. Terwijl ik weg liep van de groep hoorde ik het geluid van mijn scooter. Toen ik mij omdraaide zag ik dat [verdachte] op mijn scooter de box uit kwam rijden. [naam 1] en [naam 2] zaten op de scooter van [verdachte] en reden achter [verdachte] aan.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer P1300-2020134598-6 van 28 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina 9-11].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of een van hen):

Op zondag 28 juni 2020 uur waren wij, verbalisanten, in uniform gekleed en met surveillance dienst belast, op de Punter te Amstelveen. Om 17.01 uur kregen wij de melding dat een scooter

met het kenteken [kenteken 1] was weggenomen. Op de Voorplecht te Amstelveen zagen wij ons twee scooters tegemoet rijden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat de snorfiets die ons tegemoet reed een Kymco People S betrof met als bestuurder [naam 2]. Ik zag dat een jongeman met een helm op achter op de snorfiets zat, deze jongen bleek later te zijn genaamd [naam 1].

Ik, verbalisant [verbalisant 1], herkende de bestuurder van de Piaggio Vespa 100 procent als zijnde [verdachte], geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats]. [verdachte] is een bekend Top400 subject in ons gebied. Hij is vaak aangehouden voor onder andere vermogensdelicten en heeft regelmatig met foto op de briefing van het basisteam gestaan. Ik heb [verdachte] op 11 april 2020 te Amstelveen gecontroleerd. Wij, verbalisanten, zagen dat de zwarte Piaggio Vespa aan de achterzijde voorzien was van een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 1].

Ik, verbalisant [verbalisant 2], heb vervolgens in de voor mij beschikbare politiesystemen het kenteken van de Kymco People S nagetrokken. Het kenteken betrof [kenteken 2] stond op naam van [verdachte]. Op zondag 28 juni 2020 te 17.06 uur hebben wij deze snorfiets in beslag genomen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb in het voorvakje van de snorfiets een pasjeshouder met inhoud aangetroffen. Wij, verbalisanten, zagen dat onder andere het rijbewijs en bankpasje van de eerder genoemde [verdachte] in de pasjeshouder lag.

3. Een proces-verbaal van 18 januari 2021, in de strafzaak tegen [verdachte], opgemaakt door mr. [verbalisant 4], raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam [ongenummerde pagina’s].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 januari 2021 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [verbalisant 1]:

Ik kon de bestuurder van de Piaggio goed in zijn gezicht kijken en ik herkende hem direct als [verdachte]. Hij is een goede bekende en ik herkende hem direct, bijvoorbeeld door zijn baardgroei en zijn neus. Ik heb hem meermalen in persoon ontmoet.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer P1300-2020134598-15 van 29 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 47-51].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 29 juni 2020 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [naam 2]:

A: Die vriend van mij heeft toen de brommer van die jongen gepakt. Ik zat nog op de brommer van die vriend. We zijn toen weggereden en toen werd ik aangehouden.

V: Die jongen van wie je vriend de scooter heeft meegenomen, wie is dat? Hoe heet hij?

A: [aangever].(het hof begrijpt: [aangever], aangever)

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 juni 2020 te Amstelveen, een scooter (gekentekend [kenteken 1]), die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 38 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 14 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 38 dagen.

De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafoplegging verzocht rekening te houden met

de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft als gevolg van een steekpartij lichamelijk klachten en wordt in maart 2021 geopereerd. Door zijn stoma kan de verdachte niet lang staan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op 28 juni 2020 schuldig gemaakt aan diefstal van een scooter en daarmee geen blijk gegeven het eigendom van anderen te respecteren. Diefstal is een ergerlijk feit dat naast materiële schade vaak veel overlast veroorzaakt voor de gedupeerde.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het goed met hem gaat. Hij hoopt na zijn operatie zo snel mogelijk weer aan het werk te kunnen en te starten met een opleiding. De verdachte vindt dat hij aan zichzelf moet werken, maar hij staat niet open voor hulpverlening.

Door [naam 4], zittingsvertegenwoordiger bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er zorgen zijn omtrent de verdachte. Hij staat niet open voor behandeling. In een verplicht kader houdt de verdachte zich aan de afspraken, maar aan de diepliggende problematiek wordt door hem onvoldoende gewerkt. Voorts blijft de verdachte recidiveren. De Raad adviseert om aan de verdachte in geval van strafoplegging een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, zonder bijzondere voorwaarden.

Ook [naam 5], gezinsmanager Jeugdbescherming Regio Amsterdam, heeft terechtzitting in hoger zijn zorgen geuit omtrent de verdachte. De verdachte heeft zich bij aanvang van de hulpverlening positief ontwikkeld. Hij is in het kader van bijzondere voorwaarden in een andere strafzaak begonnen aan een behandeling door de Waag, maar er is sprake geweest van een negatieve terugmelding, waardoor de behandeling niet is voortgezet. De verdachte is na de negatieve terugmelding twee keer aangehouden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 1 februari 2021 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld ter zake strafbare feiten.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de recidive, slechts kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Gelet op het advies van de Raad en de afwijzende houding van de verdachte ten aanzien van het opleggen van bijzondere voorwaarden, zal het hof de verdachte geen bijzondere voorwaarden opleggen.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63, 77a, 77g, 77h, 77i en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de tenuitvoerlegging gevorderd.

De raadsvrouw heeft het hof primair verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Subsidiair heeft zij het hof verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de proeftijd te verlengen.

Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Het hof zal in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf in de vorm van een werkstraf van hierna te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2019 met parketnummer 23-001855-19, te weten een jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand, een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30

(dertig) dagen jeugddetentie.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. A.M. Kengen en mr. L.I.M. van Bergen, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 maart 2021.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]