Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:773

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
200.280.694/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 1:277 BW. Moeder wordt niet in het gezag hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.280.694/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/682014 / FA RK 20-1818

Beschikking van de meervoudige kamer van 16 maart 2021 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbende is aangemerkt na te noemen minderjarige:

- [dochter] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: rechtbank) van 1 juli 2020 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 13 juli 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 1 juli 2020.

2.2

De GI heeft op 21 september 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 4 februari 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de moeder;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw J. Ibrahim.

In verband met de indamming van het coronavirus / COVID-19 heeft de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager, de mondelinge behandeling via een videobeeldverbinding bijgewoond en heeft de moeder de mondelinge behandeling via een telefonische geluidsverbinding bijgewoond.

3 De feiten

3.1

De moeder heeft een dochter, te weten [minderjarige 1] , geboren [in] 2012. De heer [X] is de biologische vader van [minderjarige 1] . De heer [Y] (hierna te noemen: [Y] ) is sinds 1 mei 2017 de juridische vader van [minderjarige 1] . [Y] is op 2 januari 2020 overleden.

3.2

De moeder en [Y] hebben samen nog een dochter, te weten [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 (verder te noemen: [minderjarige 2] ).

3.3

Bij beschikking van 7 januari 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling de Stichting Jeugdbescherming Noord, regio Drenthe.

3.4

[minderjarige 1] verblijft sinds oktober 2014 niet meer bij de moeder, in eerste instantie op vrijwillige basis en met ingang van 11 maart 2015 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Sinds januari 2017 woont zij bij de huidige gezinshuisouders. Dit is een perspectief biedende plaatsing.

3.5

Bij beschikking van 25 oktober 2017 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, bekrachtigd door het hof Arnhem-Leeuwarden bij beschikking van 28 juni 2018, is het ouderlijke gezag van de moeder over [minderjarige 1] beëindigd.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank van 23 oktober 2019 is, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 6 april 2016, in het kader van een voorlopige omgangsregeling bepaald dat de moeder [minderjarige 1] twee uur per maand bij zich heeft bij of vanuit het gezinshuis, waarbij de moeder en de GI de verdere uitbreiding hiervan in onderling overleg zullen bespreken.

3.8

De moeder heeft momenteel eens per twee weken contact met [minderjarige 1] gedurende twee uur in het gezinshuis. Vanwege het coronavirus vinden de contacten sinds november 2020 plaats via beeldbellen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder de voogdijmaatregel over [minderjarige 1] op te heffen en de moeder te herstellen in het ouderlijk gezag over haar, afgewezen.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidende verzoek alsnog toe te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen, indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen.

5.2

De moeder betoogt dat het belang van [minderjarige 1] met zich meebrengt dat zij wordt belast met het ouderlijk gezag over haar. Het uitgangspunt van de wet is dat minderjarigen opgroeien onder het gezag van hun ouders. Bovendien is het herstel van het gezag in het belang van de ontwikkeling en identiteitsvorming van [minderjarige 1] . Van belang is dat kan worden toegewerkt naar gezinshereniging met haar halfzusje [minderjarige 2] .

Ook stelt de moeder zich op het standpunt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, die maken dat zij thans in staat is duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen. De moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. De zorgen die aan de gezagsbeëindigende maatregel ten grondslag lagen, zijn thans niet meer aan de orde. De onveilige thuissituatie voor [minderjarige 1] hing in belangrijke mate samen met de dreiging en het gevaar dat van de heer [Y] voor zowel moeder als [minderjarige 1] uitging. De heer [Y] is onlangs overleden.

De moeder verwijst voorts naar een evaluatieverslag van de moeder-kindopname met haar thuiswonende dochter [minderjarige 2] bij GGZ-Drenthe, waaruit blijkt dat zij een zeer positieve ontwikkeling op diverse fronten heeft doorgemaakt. Geconstateerd is dat de moeder (ruim) voldoende in staat is om voor [minderjarige 2] te zorgen. [minderjarige 2] woont thuis bij de moeder en er is geen hulpverlening meer bij haar en [minderjarige 2] betrokken. De moeder is van mening dat zij in staat is voor beide kinderen zorg te dragen, ongeacht hun opvoed- en zorgbehoeften.

Hoewel het haar wens is dat [minderjarige 1] weer bij haar thuis komt wonen, realiseert de moeder zich dat wanneer het hof haar verzoek tot herstel van het gezag zal toewijzen, de GI een machtiging tot uithuisplaatsing zal verzoeken. De moeder is ook van mening dat [minderjarige 1] op dit moment goed op haar plek zit in het gezinshuis en zal zich niet verzetten tegen een eventuele machtiging uithuisplaatsing. Zij wil graag meer betrokken zijn in het leven van [minderjarige 1] en wil dat de huidige omgangsregeling met [minderjarige 1] wordt uitgebreid.

5.3

De GI betoogt dat [minderjarige 1] haar moeder door haar belaste verleden nooit als veilig en voorspelbaar heeft kunnen ervaren. Het ontbreken van basisveiligheid kan slechts in zeer beperkte mate hersteld worden en [minderjarige 1] zal dit niet meer kunnen leren zonder dat dit van grote invloed is op haar algehele ontwikkeling. [minderjarige 1] ontwikkelt zich naar haar mogelijkheden bij het gezinshuis waar zij nu woont en zij heeft het daar naar haar zin. De gezinshuisouders bieden [minderjarige 1] de stabiliteit en voorspelbaarheid en veiligheid die voor haar belangrijk zijn. Het is daarom in het belang van [minderjarige 1] dat deze opvoedsituatie kan worden gewaarborgd.

De GI stelt dat het voor [minderjarige 1] van essentieel belang is dat zij naar haar mogelijkheden contact heeft met haar moeder en [minderjarige 2] om een eigen beeld te vormen van haar moeder. De moeder heeft nu eens in de twee weken bezoek met [minderjarige 1] en [minderjarige 1] vindt deze bezoeken leuk.

De samenwerking tussen de GI en de moeder blijft echter moeizaam verlopen. De moeder weigert al lange tijd om met de GI in gesprek te gaan.

5.4

De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen. Reeds in 2017 is geoordeeld dat het opvoedperspectief niet bij de moeder ligt. [minderjarige 1] is gebaat bij rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Wanneer het verzoek van de moeder zal worden toegewezen, zal de machtiging uithuisplaatsing periodiek verlengd moeten worden, hetgeen geen rust en duidelijkheid voor [minderjarige 1] oplevert, aldus de raad.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is (onder andere) het volgende naar voren gekomen. [minderjarige 1] is een beschadigd meisje met een belaste voorgeschiedenis, waarin sprake is geweest van onverklaarbaar veel botbreuken en blauwe plekken in de periode dat ze bij de moeder woonde. Daarnaast zijn er in deze periode ook meerdere meldingen bij instanties geweest over onveilige situaties ten gevolge van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partners (waaronder [Y] ) en meldingen over overlast en drugsgebruik door moeders partners. Het is de moeder niet gelukt om [minderjarige 1] te beschermen tegen het oplopen van fysiek letsel.

De moeder erkent dat er in het verleden veel is gebeurd met [minderjarige 1] , maar zij wil graag een kans krijgen om weer voor [minderjarige 1] te zorgen. Het hof kan begrijpen dat de moeder het verdrietig en pijnlijk vindt dat haar gezag over [minderjarige 1] in 2017 is beëindigd en dat het haar wens is om in dit gezag te worden hersteld en dat [minderjarige 1] in de toekomst weer bij haar komt wonen. Echter, het belang van [minderjarige 1] is leidend en dit belang verzet zich ertegen dat de moeder in haar gezag over [minderjarige 1] wordt hersteld. Daartoe is van belang dat [minderjarige 1] , die thans acht jaar oud is, al ruim vier jaar in het gezinshuis woont en daar naar haar mogelijkheden is gehecht. De pleegouders bieden haar een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving en het gaat ondanks alle traumatische ervaringen waaraan zij is blootgesteld goed met haar. Het doorbreken van deze stabiele en veilige opvoedsituatie bij de gezinshuisouders zal de algehele ontwikkeling van [minderjarige 1] opnieuw ernstig in gevaar brengen, net nu zij een veilige woonplek heeft waar zij lange tijd kan blijven wonen. Zij heeft in haar jonge leven al zeven verschillende woonplekken gehad. Dit heeft mede te maken met de bijzondere zorgbehoefte van [minderjarige 1] , namelijk de juiste balans tussen afstand en nabijheid. [minderjarige 1] heeft nu een stabiele woonplek waar zij zich veilig voelt en welke in haar belang gecontinueerd dient te worden.

Het feit dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en thans de volledige zorg draagt voor [minderjarige 2] , betekent naar het oordeel van het hof niet dat de moeder duurzaam in staat is daarnaast eveneens de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 1] vanwege haar specifieke opvoed- en zorgbehoefte een ander kind is dan [minderjarige 2] waardoor haar situatie niet vergelijkbaar is met die van [minderjarige 2] . Anders dan bij [minderjarige 1] heeft de moeder immers bij [minderjarige 2] wel afstand willen nemen van [Y] en daarmee van de structurele voortdurende onveiligheid (huiselijk geweld, agressie, mishandeling en middelengebruik) waaraan [minderjarige 1] wel is blootgesteld. Daardoor heeft [minderjarige 1] geen basisgevoel van veiligheid kunnen ontwikkelen en kunnen koppelen aan de moeder.

Het hof overweegt dat de moeder ook zelf aangeeft dat zij een plaatsing in het gezinshuis accepteert en nodig vindt voor [minderjarige 1] . De moeder wil vooral meer betrokken worden bij de gezagsbeslissingen. Dat de moeder zich neerlegt bij de plaatsing van [minderjarige 1] in het gezinshuis, is op zichzelf geen grond voor herstel in het gezag. Daaruit volgt immers niet dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:277 lid 1 BW. Voornoemd artikel ziet bovendien niet op de situatie, waarbij na het herstel van het gezag [minderjarige 1] middels een machtiging uithuisplaatsing bij het gezinshuis kan blijven wonen. Het perspectief voor [minderjarige 1] is in het verleden bij het gezinshuis bepaald en ligt daar nog steeds. Het hof zal het verzoek van de moeder tot herstel in het gezag over [minderjarige 1] dan ook afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Ten overvloede overweegt het hof dat het van belang blijft dat de moeder, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] regelmatig contact met elkaar hebben. Daarvoor is een goede samenwerking met de GI van belang, waarbij het wenselijk zou zijn als de moeder niet enkel via e-mail contact wil hebben met de gezinsmanager.

5.6

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 16 maart 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.