Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:744

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.203.360/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Tussenarrest. Is verjaring restitutievordering rechtsgeldig gestuit? Met het oog op beantwoording van die vraag wordt afnemer in gelegenheid gesteld bepaalde ontbrekende stukken in het geding te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.203.360/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 4660523 DX EXPL 15-88

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 maart 2021

inzake

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna Dexia genoemd. Geïntimeerden worden respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd en gezamenlijk [geïntimeerden]

Dexia is bij dagvaarding van 1 november 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 4 augustus 2016, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eiseressen en Dexia als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met één productie;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte van Dexia, met één productie;

- antwoordakte van [geïntimeerden] , met één productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Dexia heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Dexia in de kosten van het hoger beroep, met nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.7) de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief III heeft Dexia aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte in rov. 2.5 heeft vastgesteld dat ter zake van de leaseovereenkomst in totaal een bedrag van € 12.12.548,43 aan termijnen is betaald, terwijl Dexia in werkelijkheid onder de leaseovereenkomst in totaal een bedrag van € 6.231,32 heeft ontvangen. [geïntimeerden] hebben dit onderschreven. Daarom zal het hof hierna van het bedrag van € 6.231,32 uitgaan. De overige feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

Door [geïntimeerde sub 2] , als ouder/wettelijke vertegenwoordiger van [geïntimeerde sub 1] , is de leaseovereenkomst Korting Cadeau met nummer [nummer] van 22 december 2000 (hierna: de leaseovereenkomst) ondertekend, waarop zowel de toen minderjarige [geïntimeerde sub 1] (geboren [geboortedatum] 1993) als [geïntimeerde sub 2] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Dexia.

2.2

De leaseovereenkomst is geëindigd op 17 mei 2006 met een restschuld van € 7.832,30, die tot op heden niet is betaald.

2.3

[geïntimeerde sub 2] als ouder/wettelijk vertegenwoordiger van [geïntimeerde sub 1] heeft voorafgaand aan de totstandkoming van de leaseovereenkomst geen toestemming ex art. 1:345 BW aan de kantonrechter gevraagd of van hem verkregen.

2.4

Ter zake van de leaseovereenkomst is in totaal aan Dexia € 6.231,32 in termijnen aan Dexia betaald en is een bedrag van € 975,38 aan dividend uitgekeerd.

2.5

Bij brief van 5 december 2005 van [X] , de andere ouder/wettelijke vertegenwoordiger van [geïntimeerde sub 1] , is ter zake van de leaseovereenkomst namens [geïntimeerde sub 1] de nietigheid van de leaseovereenkomst ingeroepen als bedoeld in art. 1:347 BW, en op grond van art. 1:89 BW de leaseovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd.

2.6

Bij brief van 30 maart 2012 heeft [geïntimeerde sub 1] de nietigheid van de leaseovereenkomst ingeroepen als bedoeld in art. 1:347 BW.

3 Beoordeling

3.1

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd primair voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd alsmede Dexia te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen krachtens de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald, met rente en, (meer) subsidiair, voor recht te verklaren dat Dexia [geïntimeerde sub 1] althans [geïntimeerde sub 1] - [geïntimeerde sub 2] op onrechtmatige wijze heeft laten benaderen en heeft bewogen de leaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en dientengevolge aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan geleden schade.

3.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis beslist dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd en Dexia veroordeeld om al hetgeen zij krachtens de leaseovereenkomst heeft ontvangen aan [geïntimeerde sub 1] terug te betalen, verminderd met hetgeen [geïntimeerde sub 1] krachtens de leaseovereenkomst van Dexia heeft ontvangen. Dexia is voorts veroordeeld in de proceskosten.

3.3

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Dexia in hoger beroep met vier grieven op.

3.4

Grief I strekt ten betoge dat de vordering uit onverschuldigde betaling die als gevolg van de vernietiging van de leaseovereenkomst zou zijn ontstaan, is verjaard. De verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:309 BW is gaan lopen op het moment van ontvangst van de brief van 5 december 2005 waarin de vernietiging van de leaseovereenkomst ex art. 1:347 BW is ingeroepen. Pas bij inleidende dagvaarding van 2 december 2015 hebben [geïntimeerden] Dexia in rechte betrokken en eerst bij die gelegenheid hebben zij onderhavige vordering tot terugbetaling ingesteld. Van een geldige stuiting is niet gebleken, aldus Dexia.

3.5

Het hof stelt voorop dat de vordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na het moment waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden (art. 3:309 BW). Op dat moment is de benadeelde daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. [X] werd bekend met de restitutievordering toen hij namens [geïntimeerde sub 1] bij aan Dexia gerichte brief van 5 december 2005 de vernietiging van de leaseovereenkomst heeft ingeroepen. Hij wist toen ook dat Dexia de schuldenaar van de restitutievordering was. Op dat moment was [X] daadwerkelijk in staat deze vordering in te stellen. Voor zover [geïntimeerden] betogen dat [geïntimeerde sub 1] deze mogelijkheid zelf pas kreeg als gevolg van het bereiken van meerderjarigheid kan dat aan het voorgaande niet afdoen. Haar wettelijk vertegenwoordiger [X] had de vordering immers namens haar kunnen instellen. [geïntimeerden] betogen voorts dat de restitutievordering pas is ontstaan op het moment dat in onderhavige procedure is komen vast te staan dat de leaseovereenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is vernietigd, maar dat betoog vindt geen steun in het recht. De door [geïntimeerden] kennelijk getrokken parallel met het geval aan de orde in het arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1052) gaat niet op, reeds omdat het onderhavige geval niet een toekomstige, maar een reeds bestaande aanspraak tot terugbetaling betreft. [geïntimeerden] stellen ten slotte dat de beschermingsgedachte van art. 1:345/347 BW zich ertegen verzet dat de restitutievordering eerder verjaart dan de vernietigingsvordering. Deze stelling hebben [geïntimeerden] evenwel onvoldoende toegelicht, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

3.6

Het hof dient vervolgens te beoordelen of de restitutievordering van de zijde van [geïntimeerden] tijdig en rechtsgeldig is gestuit, hetgeen Dexia betwist. [geïntimeerden] beroepen zich (onder meer) op de stuitende werking van de collectieve procedure die de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij dagvaarding van 13 maart 2003 tegen Dexia aanhangig hebben gemaakt (hierna: de collectieve procedure) alsmede van het verzoek tot verbindend verklaring van de in de collectieve procedure getroffen schikking, zoals neergelegd bij dit hof op 18 november 2005. Voorts voeren [geïntimeerden] aan dat Leaseproces bij brieven van 9 oktober 2009 en 24 januari 2012 voor al haar cliënten, waaronder [geïntimeerde sub 1] , opnieuw de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia heeft gestuit. De brief van 9 oktober 2009 luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Hierbij zenden wij u een lijst van 488 pagina’s genaamd “Lijst Dexia relaties”.

Namens de op deze lijst vermelde cliënten bevestigen wij u dat zij hun vorderingen op Dexia (…) onverkort handhaven en dat deze brief met bijlage als doel heeft om de mogelijke verjaring van hun vorderingen op Dexia (…) te stuiten.”

Dexia brengt daartegen in dat voor zover [geïntimeerden] zich beroepen op enige stuitingshandeling door Leaseproces, [geïntimeerde sub 1] niet eerder dan in augustus 2013 een volmacht daartoe heeft verstrekt, zodat dergelijke handelingen voor ongeldig moeten worden gehouden. Voorts is voor rechtsgeldige stuiting van een vordering ex art. 3:317 BW ten minste vereist dat uit de stuitingshandeling blijkt “welk recht op nakoming wordt voorbehouden en waartegen hij [de schuldenaar] zich eventueel heeft te verweren” (HR 8 oktober 2010, NJ 2010/545). Genoemde brieven bevatten daaromtrent niets. Uit deze brieven kan weliswaar worden afgeleid dat de gemachtigde beoogde om de verjaring van vorderingen op al haar cliënten te stuiten, maar die gemachtigde heeft geen enkele moeite willen doen om de desbetreffende vorderingen voldoende te identificeren, aldus Dexia.

3.7

De brief van Leaseproces van 24 januari 2012 is - anders dan [geïntimeerden] kennelijk menen - in onderhavige procedure niet overgelegd. Bij de brief van 9 oktober 2009 ontbreekt de bijlage waarnaar in deze brief wordt verwezen. Gelet hierop worden [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld alsnog bij akte de bedoelde ontbrekende stukken over te leggen. Dexia mag hierop bij antwoordakte reageren.

3.8

Met grief II betoogt Dexia dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde sub 1] alle betalingen heeft verricht die Dexia onder de leaseovereenkomst heeft ontvangen. De kantonrechter heeft ten onrechte uit de bankafschriften die zijn opgenomen in productie 8 bij inleidende dagvaarding afgeleid dat alle betalingen zijn afgeschreven van een rekening ten name van [geïntimeerde sub 1] . Die afschriften betreffen slechts twee termijnbetalingen van in totaal € 224,96. Dit klemt te meer nu het resterende saldo op die rekening duidelijk onvoldoende was om de termijnbetalingen die Dexia nadien heeft ontvangen te voldoen. Daarnaast zeggen die afschriften ook niets over de herkomst van de eerste betaling van € 3.644,28, aldus Dexia.

Het in het contract onder 4 vermelde bankrekeningnummer ten laste waarvan de betalingen uitsluitend door middel van een automatische incasso zouden geschieden, is het bankrekeningnummer van [geïntimeerde sub 1] . In het licht daarvan heeft Dexia onvoldoende gemotiveerd betwist dat alle betalingen zijn verricht door [geïntimeerde sub 1] . Het had op de weg van Dexia als professionele wederpartij gelegen gegevens uit haar administratie in het geding te brengen waaruit bleek dat zij een deel van de verschuldigde bedragen van een ander bankrekeningnummer betaald heeft gekregen. Overigens bevat het financieel overzicht dat Dexia als productie 1 bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht, geen enkele aanwijzing dat Dexia niet steeds van het in het contract vermelde bankrekeningnummer heeft geïncasseerd. Dexia heeft de dividenden steeds ten gunste van dat bankrekeningnummer geboekt. Uit het vorenstaande volgt dat de grief faalt.

3.9

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 13 april 2021 in verband met hetgeen hiervoor in ov. 3.7 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.