Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
23-003581-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003581-19

datum uitspraak: 16 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 17 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-087112-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel (in verband met hetgeen is overwogen in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914). In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Voorts zal het hof de strafmotivering verbeteren en naar aanleiding van het verhandelde in hoger beroep onderstaande overweging aan de strafmotivering van de rechtbank toevoegen.

Oplegging van straf

In het voormelde vonnis heeft de rechtbank in het kader van de strafmotivering acht geslagen op een onherroepelijke veroordeling ter zake van een feit dat is gepleegd ná de pleegdatum van het onderhavige strafbare feit, te weten: een snelheidsovertreding gepleegd op 9 februari 2018. Uit haar motivering blijkt niet in welke zin de rechtbank die omstandigheid heeft meegewogen. Het hof zal deze veroordeling louter in het kader van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht laten meewegen in de straftoemeting.

In aanvulling op de strafmotivering overweegt het hof voorts het volgende.

De reclassering heeft in het adviesrapport van 28 mei 2019 het volgende overwogen ten aanzien van de mogelijkheid tot toepassing van het adolescentenstrafrecht:

“De reclassering maakt gebruik van een wegingslijst om te komen tot een professioneel oordeel en advies. In casu wordt geadviseerd het volwassenstrafrecht toe te passen. In eerste instantie lijken er indicaties te zijn voor het jeugdstrafrecht, daar betrokkene risico’s van zijn eigen gedrag slecht kan inschatten, hij impulsief handelt en beïnvloedbaar is. Echter is er sprake van een zwakbegaafdheid, schizofrenie en ADHD waar dit gedrag vermoedelijk uit voort blijkt te komen. Ondanks dat betrokkene nog woonachtig is bij zijn moeder, zijn de pedagogische mogelijkheden beperkt daar zijn moeder weinig overwicht heeft. De mate waarin zijn moeder invloed kan uitoefenen op zijn gedrag is verminderd. Ook heeft betrokkene sterk de behoefte aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

Vanwege de pedagogische onmogelijkheden in combinatie met zijn behoefte aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid is het jeugdstrafrecht niet van toepassing. Hierdoor komen wij dan ook uit op berechting via het volwassenstrafrecht en begeleiding door de volwassenenreclassering.”

De door de raadsvrouw in hoger beroep aangevoerde informatie over de persoon van de verdachte, geeft geen wezenlijk ander beeld van de verdachte ten opzichte van de behandeling van de zaak bij de rechtbank. De verdachte zelf is in hoger beroep niet verschenen. Er zijn geen argumenten bijgekomen die aanleiding geven om – anders dan de rechtbank – toch toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding om van het gemotiveerde advies van de reclassering af te wijken.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de verdachte de schade vergoedt die hij rechtstreeks aan [slachtoffer] heeft toegebracht, zal het hof ten behoeve van [slachtoffer] de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Het hof zal de duur van de gijzeling, ex artikel 6:4:20 Sv, bepalen op ten hoogste 10 dagen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 augustus 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. J.W.P. van Heusden en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 maart 2021.