Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:725

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
K20/230203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beschikking 12 Sv, afwijzen, Meineed (207 Sr), onvoldoende (steun)bewijs voor valsheid en opzet op afleggen valse verklaring, geen aanknopingspunten relevant nader onderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K20/230203 van

[klaagster] ,

klaagster,

woonplaats kiezende op het kantooradres van haar gemachtigde: mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1 Het beklag

Het hof heeft op 13 mei 2020 het klaagschrift ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen [beklaagden] (hierna: beklaagden) ter zake van meineed.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 20 januari 2021 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift met bijlagen;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- het dossier van de politie;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam van 11 december 2020.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klaagster in de gelegenheid gesteld op 10 maart 2021 het beklag toe te lichten. Klaagster is, bijgestaan door de gemachtigde, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft deze geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

De ex-man van klaagster is door de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 14 oktober 2019 veroordeeld ter zake van – kort en zakelijk weergegeven – de ontvoering van de twee dochters van klaagster en hem naar Egypte. In deze strafzaak zijn op 7 februari 2019 zijn drie zussen, beklaagden, onder ede bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, gehoord. Klaagster stelt dat zij toen een valse verklaring hebben afgelegd en alles hebben gezegd wat hun broer hun heeft voorgezegd. Zij heeft op 11 oktober 2019 aangifte gedaan van meineed, gepleegd door beklaagden.

Voor de weergave van de overige feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling verwijst het hof naar de inhoud van het ambtsbericht.

De overwegingen van het hof

Het hof heeft allereerst te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Als die vraag bevestigend is beantwoord, moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Bij de toetsing is het volgende van belang. Voor een bewezenverklaring is in het strafrecht alleen een aangifte niet voldoende. Er is ten minste een minimale hoeveelheid steunbewijs nodig. Dit moet de in de aangifte opgenomen verklaring over de strafbare gedraging voldoende bevestigen. Bovendien moet het steunbewijs afkomstig zijn uit een andere bron dan de persoon die de aangifte heeft gedaan.

Meineed is strafbaar gesteld in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voor een bewezenverklaring van meineed is vereist dat de beklaagde opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt. Dat betekent dat;

1. de verklaring in strijd met de waarheid moet zijn, en

2. het opzet van de beklaagde hierop gericht moet zijn.

Het onder ede afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid is dus op zichzelf onvoldoende voor het met succes instellen van strafvervolging ter zake van meineed.

De aangiften van klaagster zijn gericht tegen een groot aantal uitingen, die beklaagden in hun onder ede afgelegde verklaringen hebben gedaan.

Met betrekking tot een gedeelte hiervan is er geen bewijs dat zij in strijd met de waarheid zijn afgelegd. Een voorbeeld hiervan is de verklaring over de overeenkomst over een omgangsregeling. Klaagster en haar ex-man hebben die schriftelijke overeenkomst op de ambassade getekend. Klaagster betwist de geldigheid van deze overeenkomst, omdat zij deze onder dwang zou zijn aangegaan, maar betwist niet dat zij deze heeft ondertekend.

Ook zijn er uitingen die berusten op een waardering van de feiten door beklaagden, die anders kan zijn dan de waardering die klaagster aan dezelfde feiten geeft, bijvoorbeeld of zij “vaak” naar Egypte is geweest. Wat voor een beklaagde vaak is, kan voor klaagster incidenteel zijn.

Ten slotte zijn er uitingen waarvan uit nader onderzoek wellicht zou kunnen blijken dat zij onjuist zijn, maar waarvan niet kan worden vastgesteld dat beklaagden ten tijde van het afleggen van de verklaringen wisten dat zij onjuist zijn. In dat geval heeft bij beklaagden het vereiste opzet op het afleggen van een valse verklaring ontbroken. Als voorbeeld daarvan kan gelden de verklaring dat klaagsters ex-man in Egypte het gezag over de dochters heeft gekregen. Volgens klaagster is dit wettelijk in Egypte niet mogelijk geweest, maar dat beklaagden hiervan op de hoogte waren, staat niet vast.

Hoewel klaagster bij haar klacht een uitgebreide toelichting heeft gegeven op de gestelde valsheid van de verklaringen, bevatten deze toelichting en het dossier onvoldoende (steun)bewijs voor enerzijds de valsheid en anderzijds het opzet op het afleggen van een valse verklaring. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ontbreken aanknopingspunten voor relevant nader onderzoek waaruit alsnog voldoende (steun)bewijs zou kunnen voortkomen. Daarbij geldt dat in het algemeen bewijs van de intentie van mensen niet altijd eenvoudig is te verkrijgen.

Bij deze stand van zaken is onvoldoende aannemelijk dat de strafrechter tot een veroordeling zou kunnen komen wegens meineed door beklaagden. Van de zijde van klaagster is bij de behandeling in raadkamer nog toegevoegd dat ook de ex–man zou moeten worden vervolgd ter zake van het uitlokken van meineed. Daarvoor geldt dan gelet op de vorenstaande constateringen hetzelfde.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

Het hof zal als volgt beslissen.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

15 maart 2021 door mrs. J.L. Bruinsma, voorzitter, P.C. Römer en N.J.M. de Munnik, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. P. de Haas, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.