Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:72

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
200.251.394/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pauliana (art. 3:45 BW). Vader doet ten titel van schenking afstand van vruchtgebruik op certificaten ten gunste van zoon. Tegelijkertijd worden pandrechten gevestigd op de certificaten ten gunste van vader en het familiebedrijf. Zoon komt te overlijden. Na uitwinning van het pandrecht resteert geen actief voor andere schuldeisers. Is er sprake van een onverplichte rechtshandeling? Samenstel van rechtshandelingen. Onrechtmatige daad en/of strijd met de goede zeden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0092
NJF 2021/175
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.251.394/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/257125/HA ZA 17-247

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 januari 2021

inzake

1 [X] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. BID NOW SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Heemstede,

3. [appellante sub 2],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

4. CHIROPRACTIE [B] B.V., voorheen handelend onder de naam Chiropractie [B] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. [appellante sub 5],

wondende te [woonplaats] ,

6. [appellante sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [appellante sub 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [appellante sub 8],

wonende te Bergen,

9. [appellant sub 9],

wonende te [woonplaats] ,

10. [appellanten sub 10],

beiden in hun hoedanigheid van erfgenaam en tevens vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van [A] ,

wonende te [woonplaats] respectievelijk [woonplaats] ,

11. [A] PENSIOENEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

12. [A] ESTHETICA B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

13. EGI HOLDING B.V.,

gevestigd te Utrecht,

14. [appellant sub 14],

wonende te [woonplaats] ,

15. ÛNBEDIMBERE B.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

appellanten,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam,

tegen

1 [Y] ,

wonende te [woonplaats] (België),

2. ENERGY INVESTMENTS LUX S.A.,

gevestigd te Luxemburg,

advocaat: mr. P.R. Dekker te Rosmalen,

en

3 [vereffenaar] ,

in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [C] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

geïntimeerden.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [X] c.s. genoemd. Geïntimeerden onder 1 en 2 worden gezamenlijk aangeduid als [Y] c.s. en afzonderlijk als [Y] sr. en Energy. Geïntimeerde onder 3 wordt [vereffenaar] genoemd.

[X] c.s. zijn in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [X] c.s. als eisers en [Y] c.s. en [vereffenaar] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, houdende een wijziging van eis;

- memorie van antwoord, tevens akte uitlating wijziging van eis, met een productie, van de kant van [Y] c.s.;

- memorie van antwoord, tevens houdende akte uitlating wijziging van eis, van de kant van [vereffenaar] .

Partijen hebben afgezien van pleidooi. In plaats daarvan hebben zij verzocht om schriftelijk te mogen pleiten, hetgeen is toegestaan. [Y] c.s. hebben een pleitnota ingediend. [X] c.s. hebben een pleitnota ingediend, waarin tevens is gereageerd op de pleitnota van [Y] c.s. (repliek). [vereffenaar] heeft een pleitnota ingediend. [Y] c.s. hebben een schriftelijke reactie gegeven op de pleitnota van [X] c.s. (dupliek).

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] c.s. hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en

- uitvoerbaar bij voorraad - alsnog hun in hoger beroep gewijzigde vorderingen (weergegeven in r.o. 4.1 hierna) toe zal wijzen, met veroordeling van [Y] c.s. en [vereffenaar] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

[Y] c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het hoger beroep.

[vereffenaar] heeft eveneens geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en rente.

2 Korte samenvatting van de zaak

Zowel [X] c.s. als [Y] c.s. hebben vorderingen op de nalatenschap van [C] (hierna: [C] ), een zoon van [Y] sr. In 2012 heeft [C] na het overlijden van zijn moeder certificaten van aandelen in Wilisaank S.A. (hierna: Wilisaank) te Luxemburg, een onderneming waarin het kapitaal van de familie [Y] wordt beheerd, geërfd. Deze certificaten waren belast met een recht van vruchtgebruik ten behoeve van [Y] sr. Op 5 december 2013 heeft [Y] sr. aan [C] het recht van vruchtgebruik op de certificaten geschonken. In de notariële akte van schenking is voorts bepaald dat uitkeringen op de certificaten zullen worden gebruikt om de schulden van [C] aan [Y] c.s. af te lossen. Op dezelfde datum zijn voorts pandrechten op de certificaten gevestigd: een eerste recht van pand ten gunste van [Y] sr. en een tweede recht van pand ten gunste van Energy. Op 12 maart 2015 is [C] overleden. [vereffenaar] is als vereffenaar aangesteld. Energy heeft, nadat [Y] sr. afstand van zijn rechten als eerste pandhouder had gedaan, haar rechten als tweede pandhouder uitgeoefend. De certificaten zijn verkocht aan (ingekocht door) Wilisaank. De opbrengst was lager dan de (gestelde) vordering van Energy. Aan het hof is de vraag voorgelegd of sprake is van paulianeuze rechtshandelingen, althans rechtshandelingen die in strijd zijn met de goede zeden. Voorts is aan de orde of onrechtmatig is gehandeld door [Y] c.s., althans [Y] c.s. ongerechtvaardigd zijn verrijkt omdat volgens [X] c.s. bij de executie van de pandrechten door Energy een te lage prijs voor te certificaten is gerealiseerd.

3 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 komt op tegen de feiten, zonder te specificeren welke feiten onjuist of onvolledig zijn weergegeven, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. De feiten zijn in hoger beroep voor het overige niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

Bij overeenkomst van 17 maart 2001 heeft Ankercoal Group S.a.r.l. te Luxemburg (thans, na wijziging van naam en rechtsvorm: Energy), een bedrijf van de familie [Y] , aan [C] een geldlening verstrekt van fl. 6,- miljoen. Volgens de inhoud van deze bij akte vastgelegde overeenkomst was de lening bedoeld om [C] in staat te stellen om een belang te nemen in Davilex B.V. (hierna: Davilex) te Houten. Als zekerheid gaf [C] zijn nog te verwerven aandelen in Davilex in pand. Daarnaast verleende hij een pandrecht op een nog af te sluiten levensverzekering en verbond hij zich op eerste verzoek additionele zekerheden te verstrekken. De desbetreffende bepaling in de leningsovereenkomst luidt als volgt:

“Artikel 13. Zekerheden

13.1

[Y] zal tot zekerheid voor de voldoening van zijn verplichtingen onder deze Overeenkomst jegens Anker de zekerheden geven die zijn opgesomd in Bijlage 13.1.

(…)

13.3

[Y] zal op eerste verzoek van Anker zulke additionele zekerheden verstrekken als Anker redelijkerwijs verlangt.”

3.2.

Na het overlijden van zijn moeder heeft [C] bij notariële akte van 4 juli 2012 eerst 764 certificaten van aandelen in Wilisaank geleverd gekregen en nadien nog eens 76 bonuscertificaten van aandelen. Deze in totaal 840 certificaten zijn later omgezet in 840.000 certificaten van aandelen in Wilisaank. Uit de leveringsakte volgt dat de certificaten waren belast met het recht van vruchtgebruik van [Y] sr. en dat de certificaten tijdens de duur van het vruchtgebruik onder testamentair bewind waren gesteld.

3.3.

Op 1 januari 2013 beliep de schuld van [C] aan Energy € 5.033.219,12.

3.4.

In december 2013 heeft [Y] sr. een schenking aan [C] gedaan, waarbij [Y] sr. afstand heeft gedaan van het recht van vruchtgebruik op de 840.000 certificaten die [C] eerder van zijn moeder had geërfd. In de daarvan opgemaakte notariële akte van schenking van 5 december 2013 is onder meer bepaald:

“Op vijf december tweeduizend dertien is voor mij (…) verschenen:

1. [Y] , hierna ook te noemen: Schenker, (…)

2. [C] , hierna te noemen: Begiftigde.

(…)

Schenking

De Schenker doet bij deze ten titel van schenking afstand van het recht van vruchtgebruik van de certificaten, genummerd 840.001 tot en met 1.680.000, hierna te noemen: de Onbezwaarde Certificaten (…)

De Begiftigde aanvaardt de schenkingen en daarmee de afstand van voormeld recht van vruchtgebruik (…)

(…)

Aflossing schulden van de Begiftigde

Schenker in privé alsmede Energy (…) (…) hebben vorderingen wegens geldlening op de Begiftigde in privé en op vennootschappen waarin de Begiftigde de zeggenschap heeft (…).

(…).

Schenker wenst dat alle thans bestaande verplichtingen tot betaling van een geldsom van de Begiftigde jegens de Schenker respectievelijk Energy (…), alsmede al hetgeen de Begiftigde nu of te eniger tijd uit welken anderen hoofde dan ook aan de Schenker respectievelijk Energy (…), verschuldigd mocht zijn, deze schulden hierna gezamenlijk te noemen: Schulden, worden afgelost met de uitkeringen die op de Onbezwaarde Certificaten (…) aan de Begiftigde beschikbaar worden gesteld, deze uitkeringen hierna ook te noemen: Uitkeringen.

In verband hiermee komen de Schenker in privé, de Stichting alsmede de Begiftigde overeen als volgt:

1. De Stichting zal de Uitkeringen overmaken aan de Schenker ter aflossing van de Schulden aan hem. Als de Schulden aan de Schenker geheel zijn afgelost, zal de Stichting de Uitkeringen overmaken aan Energy (…), ter aflossing van de Schulden aan haar. (…)

Verpanding

Tot zekerheid voor de voldoening van de hiervoor bedoelde schulden en de naleving van de bepalingen hiervoor gemeld onder Uitkeringen, verplicht de Begiftigde zich hierbij:

1. de heer drs. [Y] , voornoemd, zekerheid te verschaffen in de vorm van een eerste recht van pand op de Onbezwaarde Certificaten; en

2. Energy Investments Lux S.A. zekerheid te verschaffen in de vorm van een tweede recht van pand op de Onbezwaarde Certificaten.

De Begiftigde verplicht zich er hierbij toe (…) heden voor mij, notaris:

a. een akte van vestiging van een recht van eerste pand op (onder meer) de Onbezwaarde Certificaten ten behoeve van de Schenker; én

b. een akte van vestiging van een recht van tweede pand ten behoeve van Energy (…),

te doen verlijden.”

3.5.

Eveneens op 5 december 2013 zijn de in de akte van schenking bedoelde akten van verpanding aan [Y] sr. en Energy verleden.

In de notariële akte van vestiging van tweede recht van pand (ten gunste van Energy) van 5 december 2013 is onder meer vermeld:

“(…)

( d) in de Akte van Schenking heeft de heer [C] zich onder meer verplicht:

(…)

(ii) de Pandhouder (Energy, hof) zekerheid te verschaffen in de vorm van een tweede recht van pand op de Certificaten;

(…)

( f) ter nakoming van vorenbedoelde verplichting jegens de Pandhouder wensen de Pandgevers en de Pandhouder hierbij over te gaan tot vestiging van een tweede recht van pand op de Certificaten, (…).

1. Definities

In deze akte wordt – in aanvulling op de hiervoor in deze akte reeds opgenomen definities – verstaan onder:

( a) Overeenkomst: de leningsovereenkomst de dato zeventien maart tweeduizend één, (…), gesloten tussen de Pandhouder als leninggever en de heer [C] als leningnemer;

( b) Verzekerde Verplichtingen: alle verplichtingen tot betaling van een geldsom van de heer [C] jegens de Pandhouder uit hoofde van of in verband met de Overeenkomst (…);

(…).

2. Vestiging van het Pandrecht

2.1

Ter uitvoering van het bepaalde in de Akte van Schenking wordt hierbij tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de Verzekerde Verplichtingen:

( a) door de Pandgever (…) een tweede recht van pand op de Certificaten (…); en

( b) door de Pandgever (…) een tweede recht van pand op de Certificaten (…);

hierna samen te noemen: Pandrecht, gevestigd ten behoeve van de Pandhouder, welk Pandrecht de Pandhouder hierbij aanvaardt.”

3.6.

[X] c.s. hebben met [C] meerdere participatieovereenkomsten gesloten. Ook hebben zij overeenkomsten van geldlening gesloten met [C] . De door [X] c.s. aan [C] ter beschikking gestelde gelden varieerden van € 40.000,- tot € 1.135.000,-.

3.7.

[C] is op 12 maart 2015 aan acuut leverfalen overleden.

3.8.

De wettelijke erfgenamen (de kinderen) van [C] hebben via hun wettelijk vertegenwoordiger aan de rechtbank verzocht [vereffenaar] als vereffenaar aan te stellen. Bij beschikking van 20 augustus 2015 is dat verzoek toegewezen.

3.9.

Bij notariële akte van 30 december 2015 heeft Energy als pandhouder de 840.000 certificaten van aandelen in Wilisaank verkocht (voor een koopprijs van € 7.061.880,-) en geleverd aan Wilisaank. [Y] sr. had daarvoor afstand gedaan van zijn eerste recht van pand op deze certificaten.

3.10.

Volgens een door [vereffenaar] opgesteld voorlopig vermogensoverzicht beliep de schuld van [C] aan eisers ten tijde van zijn overlijden een bedrag van in totaal

€ 4.987.750,-. Daarnaast zou [C] volgens een verklaring van appellant onder 1. nog een bedrag van € 1.022.985,- aan hem verschuldigd zijn.

Volgens de jaarlijks opgemaakte opgave bedroeg de schuld van [C] aan Energy op 31 december 2015 € 9.171.063,-. Energy heeft haar restantvordering (na verkoop van de certificaten van aandelen) van € 2.109.182,- ingediend bij [vereffenaar] als vereffenaar, die deze vordering heeft erkend.

4 Beoordeling

4.1

[X] c.s. hebben na eiswijziging samengevat - uitvoerbaar bij voorraad - gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat [X] c.s. recht hebben op betaling van de bedragen die zijn vermeld in het als productie 1 aan de inleidende dagvaarding gehechte overzicht, vermeerderd met rente;

2. voor recht te verklaren dat:

a. de rechtshandelingen waarbij [C] ten behoeve van [Y] sr. en Energy pandrechten heeft gevestigd, de verplichting tot het vestigen van pandrechten in het leven is geroepen en de verpande certificaten zijn geëxecuteerd, verkocht en geleverd; en

b. de rechtshandelingen waarbij is overeengekomen dat de uitkeringen op de certificaten van [C] zullen worden overgemaakt naar [Y] c.s. ter aflossing van schulden aan [Y] c.s.

zijn vernietigd, dan wel die rechtshandelingen te vernietigen;

3. [Y] c.s. te veroordelen de gevolgen van de rechtshandelingen ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom, dan wel [Y] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan de door [X] c.s. geleden schade;

4. voor recht te verklaren dat [Y] c.s. en [C] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [X] c.s. en [Y] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [X] c.s. geleden schade;

5. voor recht te verklaren dat [Y] c.s. ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van [X] c.s. en hen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [X] c.s. geleden schade;

6. de schade te begroten en als dat niet mogelijk is op te maken bij staat;

7. [Y] c.s. te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

8. [Y] c.s. te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [X] c.s. ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [Y] c.s. hebben voldaan, vermeerderd met rente;

9. [Y] c.s. te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, met nakosten en rente.

4.2

De rechtbank heeft samengevat en voor zover in hoger beroep relevant geoordeeld dat de vordering tegen [vereffenaar] moet worden afgewezen, nu niet is onderbouwd op welke grond zij jegens [X] c.s. aansprakelijk zou zijn. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het tweede pandrecht van Energy op de certificaten reeds niet paulianeus is omdat het geen onverplichte rechtshandeling betrof: [C] was uit hoofde van de geldlening van 17 maart 2001 immers verplicht om aanvullende zekerheden te stellen. Ook overigens zijn [X] c.s. door de verpanding niet benadeeld. [X] c.s. hadden zich – de schenking weggedacht – niet op de certificaten, die waren belast met vruchtgebruik en onder testamentair bewind waren gesteld, kunnen verhalen. De schenking en de verpanding gelden als één rechtshandeling en moeten gezamenlijk worden bezien. Niet is gebleken dat bij de executoriale verkoop van de certificaten door Energy een te lage prijs is gerealiseerd. Van een onrechtmatige daad of ongerechtvaardigde verrijking van [Y] c.s. is geen sprake.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [X] c.s. met negen grieven op.

Aan de vordering weergegeven onder 4.1. onder 2. hebben [X] c.s. in hoger beroep nog toegevoegd: voor recht te verklaren dat deze rechtshandelingen nietig zijn (op grond van art. 3:40 lid 1 BW).

4.3

Grief 3 richt zich (met meerdere subgrieven) tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van paulianeuze rechtshandelingen. Het hof overweegt als volgt.

Tweede recht van pand ten behoeve van Energy op de certificaten paulianeus?

4.4

De overeenkomst van geldlening van 17 maart 2001 bevat (in artikel 13.3) een verplichting voor [C] om aanvullende zekerheden aan Energy te verstrekken. Het in de pandakte van 5 december 2013 aan Energy verstrekte tweede recht van pand strekt tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst van geldlening. Gezien deze omstandigheden is het hof, gelijk de rechtbank, van oordeel dat de verpanding van de certificaten door [C] aan Energy geen onverplichte rechtshandeling was en dat reeds om die reden het beroep op het bepaalde in art. 3:45 lid 1 BW niet opgaat. Dat niet is gebleken van aan de akte van verpanding van 5 december 2013 voorafgaand verzoek van Energy aan [C] om op grond van artikel 13.3 van de overeenkomst van geldlening aanvullende zekerheden te verschaffen, maakt dit niet anders. Energy heeft meegewerkt aan de verpanding (heeft de verpanding aanvaard). In de akte van verpanding is voorts (in artikel 2.1) vermeld dat de verpanding (mede) is geschied tot zekerheid van de voldoening van de verplichtingen van [C] uit hoofde van de overeenkomst geldlening van 17 maart 2001. Dit is voldoende om te kunnen aannemen dat Energy aanvullende zekerheden verlangde (op grond van artikel 13.3 van de overeenkomst van geldlening). [Y] c.s. hebben verder voldoende toegelicht (en [X] c.s. hebben onvoldoende weersproken) dat Energy in verband met de omstandigheid dat de aandelen Davilex hun waarde nagenoeg hadden verloren redelijkerwijs additionele zekerheden kon verlangen.

Eerste recht van pand ten behoeve van [Y] sr. op de certificaten paulianeus?

4.5

Voor zover [X] c.s. beogen op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat het eerste recht van pand ten behoeve van [Y] sr. reeds niet paulianeus is omdat [Y] sr. dit pandrecht niet heeft uitgeoefend en [X] c.s. dientengevolge dus niet zijn benadeeld, moet dit worden verworpen. Niet in geschil is dat [Y] sr. afstand heeft gedaan van zijn recht van pand op de certificaten. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank zoals neergelegd in r.o. 4.6 van het bestreden vonnis.

Betaling van uitkeringen op de onbezwaarde certificaten van [C] aan [Y] c.s. paulianeus?

4.6

[X] c.s. betogen voorts dat de rechtshandelingen (in de akte van schenking) waarbij is overeengekomen dat de uitkeringen die op de onbezwaarde certificaten aan [C] beschikbaar worden gesteld, zullen worden overgemaakt aan [Y] c.s. ter aflossing van de schulden van [C] aan hen paulianeus zijn.

Ook dit betoog gaat niet op.

De afspraak dat toekomstige uitkeringen op de onbezwaarde certificaten van [C] (eerst) zullen worden aangewend om de schulden van [C] aan [Y] c.s. af te lossen, moet in samenhang met de afstand ten titel van schenking van het recht van vruchtgebruik door [Y] sr. aan [C] worden gezien. Zonder deze schenking had [C] immers wegens het vruchtgebruik van [Y] sr. geen recht op deze uitkeringen. Gezien de bewoordingen van de akte van schenking (waarin wordt overwogen dat [C] schulden heeft aan [Y] c.s.) en de door [Y] c.s. geschetste (en door [X] c.s. onvoldoende betwiste) bedoeling van partijen, inhoudende dat [C] door de schenking in staat zou worden gesteld om zijn schulden (aan [Y] c.s.) af te lossen, moeten de afstand van het vruchtgebruik van de certificaten en de afspraak dat met uitkeringen op de certificaten de schulden aan [Y] c.s. zouden worden afgelost, worden beschouwd als een samenstel van rechtshandelingen. Dit brengt met zich dat niet alleen van laatstgenoemde afspraak, met instandlating van de schenking, de vernietiging kan worden gevorderd.

4.7

De overige subgrieven leiden niet tot een ander oordeel en behoeven geen bespreking. Grief 3 is tevergeefs voorgesteld.

Is er sprake van strijd met de goede zeden (ex art. 3:40 lid 1 BW)?

4.8

Grief 4 bevat een nieuwe grondslag in hoger beroep. Volgens [X] c.s. waren de rechtshandelingen van [C] en [Y] c.s. erop gericht om het vermogen van [C] binnen de familie en buiten bereik van schuldeisers, als [X] c.s., te houden.

Op zichzelf genomen is juist dat [C] vóór de gewraakte rechtshandelingen de beschikking had over certificaten, die na het vervallen van het vruchtgebruik en testamentair bewind (bij overlijden van [Y] sr.) onbezwaard aan hem zouden toekomen (en waarvan de opbrengst onder zijn schuldeisers zou kunnen worden verdeeld). Gezien de omstandigheid dat [C] schulden had aan [Y] c.s., de overeenkomst van geldlening van 17 maart 2001 verplichtte tot het verstrekken van aanvullende zekerheden aan Energy als zij daarom verzocht en het onverwachte overlijden van [C] , heeft het hof evenwel niet kunnen vaststellen en is door [X] c.s. onvoldoende toegelicht dat de rechtshandelingen wat betreft inhoud of strekking in strijd zijn met de goede zeden. Dat [Y] c.s. wisten dat [C] meerdere andere schuldeisers had en/of in de financiële problemen zat, is niet voldoende. Grief 4 faalt eveneens.

Is er sprake van een onrechtmatige daad en/of ongerechtvaardigde verrijking?

4.9

Grief 5 betoogt samengevat dat de rechtbank ten onrechte de subsidiaire grondslagen (onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking) niet heeft beoordeeld en gegrond bevonden.

[Y] c.s. hebben toegelicht dat de bedoeling van de gewraakte rechtshandelingen was dat [C] na de aflossing van zijn schulden aan [Y] c.s. over de dan onbezwaarde certificaten en de uitkeringen daarop zou kunnen beschikken. Gesteld noch gebleken is dat het overlijden van [C] ten tijde van de gewraakte rechtshandelingen was voorzien of dat [Y] c.s. met dit overlijden (ernstig) rekening hadden moeten houden. Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, hebben [X] c.s. onvoldoende toegelicht dat [C] en [Y] c.s. op onrechtmatige wijze hebben samengespannen om [Y] c.s. boven andere schuldeisers te begunstigen. Dat [Y] c.s. wisten dat [C] schulden had en/of het financieel niet goed met hem ging, is in de geschetste omstandigheden niet voldoende. Het op dit punt door [X] c.s. gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat geen stellingen te bewijzen zijn aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.

4.10

Het betoog van [X] c.s. dat [Y] c.s. door het recht van tweede pand van Energy (of de uitwinning daarvan, waarover hierna meer) ongerechtvaardigd zijn verrijkt gaat evenmin op, aangezien dat pandrecht is gegrond op art. 13.3 van de leningsovereenkomst, zoals hiervoor overwogen. Van paulianeus of onrechtmatig handelen van [Y] c.s. is niet gebleken. Ook grief 5 faalt.

4.11

Grief 6 komt samengevat op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de certificaten voor een te lage prijs zijn verkocht. Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat het hier gaat om een verkoop door de pandhouder Energy met toestemming van [vereffenaar] in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [C] , derhalve een verkoop ex artikel 3:251 lid 2 BW.

[vereffenaar] heeft toegelicht dat zij zich bereid heeft verklaard mee te werken aan deze vorm van executoriale verkoop onder de voorwaarde dat de waarde van de certificaten door een externe deskundige zou worden vastgesteld. Daarop is Van Cauter-Snauwaart & Co Sàrl (hierna: Van Cauter) ingeschakeld, die in haar rapport van 23 december 2015 de waarde per certificaat heeft vastgesteld op € 8,407, na correctie in verband met een latente bronheffing op € 7,8003 en na toepassing van een décôte in verband met waardedrukkende omstandigheden op € 6,2402 (bij een décôte van 20%) en op € 5,8502 (bij een décôte van 25%). [vereffenaar] heeft niet ingestemd met de toepassing van enige correctie. De certificaten zijn daarop voor een bedrag van € 8,407 per certificaat aan Wilisaank verkocht (door Wilisaank ingekocht).

Dat bij de onderhandse (executoriale) verkoop een dusdanig lage prijs is gerealiseerd dat [Y] c.s. onrechtmatig handelen jegens [X] c.s. als schuldeisers van (de nalatenschap van) [C] kan worden verweten, hebben [X] c.s. gezien het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende feitelijk onderbouwd. De verwijzing naar het door hen overgelegde rapport van Dutch Corporatie Finance van 12 maart 2018, waarin kritiek wordt geuit op de door Van Cauter gehanteerde waardering(sgrondslag) is daartoe onvoldoende. Het rapport van Van Cauter is voldoende inzichtelijk en de gehanteerde waarderingsmethode is voldoende toegelicht. In het rapport is uiteengezet dat het vermogen van Wilisaank (eind 2015) hoofdzakelijk bestond uit cash, gelden belegd in beleggingsfondsen, uitstaande leningen en onroerende zaken. Voorts is in het rapport toegelicht welke beperkingen (in overdraagbaarheid en zeggenschap) een drukkend effect hebben op de waarde van de certificaten. De laatste jaarrekening van Wilisaank is in de waardering betrokken en blijkens het rapport heeft Van Cauter gesprekken gevoerd met het management om een beeld te krijgen van de te waarderen vennootschap. Het hof ziet in het licht van het vorenstaande geen aanleiding om een deskundige te benoemen en/of om [Y] c.s. te bevelen om bepaalde stukken in het geding te brengen. [X] c.s. hebben onvoldoende concrete stellingen ingenomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Grief 6 faalt eveneens.

Slotsom

4.12

[X] c.s. hebben geen stellingen ingenomen die indien bewezen tot een andere uitkomst van het geding kunnen leiden, hun bewijsaanbod wordt derhalve gepasseerd.

Geen van de door [X] c.s. daartoe aangevoerde gronden kan hun vordering(en) dragen en deze zijn derhalve niet toewijsbaar.

Grief 7 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking. Ook grief 2 behoeft bij deze uitkomst geen afzonderlijke bespreking. [X] c.s. zijn in eerste aanleg op juiste gronden in de proceskosten veroordeeld. Grief 8 komt daartegen tevergeefs op. Grief 9 is een veeggrief en behoeft evenmin bespreking.

Voor zover [X] c.s. betogen dat de vordering van Energy veel lager is dan onder 3.10 is vermeld omdat de additionele rente van 0,825% per maand excessief is en een beroep van [Y] c.s. op art. 4.4 van de overeenkomst van geldlening van 17 maart 2001 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt dit betoog verworpen omdat het (zoals [Y] c.s. terecht hebben gesteld) in strijd komt met de twee-conclusieregel, aangezien het voor het eerst na memoriewisseling is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [X] c.s. zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Y] c.s. begroot op € 5.270,- aan verschotten en € 11.002,- voor salaris;

veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [vereffenaar] begroot op € 1.649,- aan verschotten en € 11.002,- voor salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.A.H. Melissen, J.W.M. Tromp en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.

.