Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:695

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
200.273.865/01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap; toepasselijk recht; Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978; eerste huwelijksdomicilie; geen afwijking van hoofdregel artikel 1:94 BW; geen afwijking van verdeling bij helfte artikel 1:100 BW; uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.273.865/01

zaaknummer rechtbank: C/13/657756 / FA RK 18-7512

C/13/665698 / FA RK 19-2615

beschikking van de meervoudige kamer van 9 maart 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.W.M. Franssen te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [plaats B] , Verenigde Staten van Amerika,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 november 2019 uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 11 februari 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 november 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 12 mei 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 16 juli 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 24 februari 2020 met bijlage (proces-verbaal eerste aanleg), ingekomen op 25 februari 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 april 2020 met bijlage (inschrijving echtscheiding, ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de man van 13 november 2020 met bijlagen (bijlage 5 t/m 7), ingekomen op diezelfde datum;

- een brief van de zijde van de vrouw van 13 november 2020 met bijlagen (productie 2 t/m 7), ingekomen op 18 november 2020.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 26 november 2020 plaatsgevonden. De jongste raadsheer heeft vanwege de op dat moment aan de orde zijnde corona-maatregelen via videoverbinding aan de zitting deelgenomen. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen de tolk in de Engelse taal mevrouw S. Huiberts, die voor de vrouw heeft vertaald. De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Amerikaanse nationaliteit.

3.2.

Partijen hebben elkaar in 2014 leren kennen. Op 12 mei 2016 heeft de vrouw zich in Nederland ingeschreven.

3.3.

Partijen zijn [in] 2017 te New York in de Verenigde Staten van Amerika gehuwd.

Vervolgens zijn partijen in Nederland gaan samenwonen. Zij hebben van 16 februari 2017 tot 18 januari 2018 samengewoond in de, in 2014 door de man gekochte, woning aan de [adres] te [plaats A] .

3.4.

De vrouw is in februari 2018 teruggegaan naar de Verenigde Staten.

3.5.

Op 15 november 2018 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk is op 21 april 2020 ontbonden door inschrijving van de (in zoverre niet bestreden) echtscheidingsbeschikking van 20 november 2019 in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de (in zoverre niet) bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voor wat betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft de rechtbank geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is en dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen (naar oud recht) bestaat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de in artikel 1:100 lid 1 BW neergelegde regel van verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap geldt en dat de door de man gestelde omstandigheden noch op zichzelf, noch in onderlinge samenhang zo uitzonderlijk zijn dat een afwijking van deze regel is gerechtvaardigd. De rechtbank heeft vervolgens (de wijze van) de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. In dat kader is - voor zover thans nog van belang - ten aanzien van de voormalig echtelijke woning onder meer bepaald dat partijen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van de bestreden beschikking gezamenlijk een makelaar opdracht geven tot verkoop van de voormalig echtelijke woning tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs en dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de restschuld zullen dragen en betalen. Tot slot heeft de rechtbank de beschikking gemotiveerd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2.

De man verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en opnieuw rechtdoende:

- te verklaren dat het recht van de staat Louisiana, althans (zo begrijpt het hof) het recht van de staat New York, van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en de verdeling op grond van dit recht vast te stellen;

- subsidiair indien het hof Nederlands recht van toepassing acht op het huwelijksvermogensregime van partijen, te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht dat de woning deel uitmaakt van de algehele gemeenschap van goederen en te bepalen dat in dit bijzondere geval in afwijking van artikel 1:94 lid 1 BW de woning aan de [adres] te [plaats A] (hierna: de woning) geen deel uitmaakt van de gemeenschap van goederen en buiten de verdeling valt;

- meer subsidiair de woning aan de man toe te delen zonder verrekening van de overwaarde met de vrouw.

4.3.

De vrouw verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en alle verzoeken van de man in principaal hoger beroep af te wijzen. Tevens verzoekt de vrouw voor recht te verklaren dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, en om te bepalen dat sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap waartoe ook de woning behoort die bij helfte moet worden verdeeld, alsmede dat de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning overeenkomstig de bestreden beschikking. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.4.

De man verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vrouw in incidenteel appel af te wijzen, subsidiair te bepalen dat, voor de duur van de procedure in hoger beroep tot drie maanden na de te wijzen beschikking in hoger beroep, de werking van de bestreden beschikking dient te worden geschorst, voor zover daarin is bepaald dat ten aanzien van de echtelijke woning partijen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beschikking een makelaar opdracht geven tot verkoop van de woning, en de overige beslissingen ten aanzien van de echtelijke woning te schorsen.

5 De motivering van de beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

Toepasselijk recht

5.1.

Met zijn eerste grief komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Volgens de man woonde hij in Nederland op het moment dat partijen huwden en woonde de vrouw in de Verenigde Staten. De intentie van partijen was dat zij zich in [plaats B] zouden vestigen. De man kon echter niet meteen naar de Verenigde Staten verhuizen omdat hij niet aan de immigratievoorwaarden voldeed. Partijen woonden in 2017 in afwachting van de immigratieprocedure samen in [plaats A] . Deze tijdelijke samenwoning had volgens de man geen duurzaam karakter, wat ook blijkt uit het feit dat de vrouw al op 15 januari 2018 met een echtscheidingsadvocaat heeft gesproken. Partijen hadden niet voor ogen dat het Nederlands huwelijksvermogensrecht op het in New York voltrokken huwelijk van toepassing zou zijn. De rechtbank had op grond van artikel 4 lid 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag moeten onderzoeken met welk land de echtgenoten de nauwste band hadden en had het recht van de staat van Louisiana van toepassing moeten verklaren, omdat de vrouw daar woonde en nog steeds woont en de bedoeling was dat partijen zich na het huwelijk in de staat Louisiana zouden vestigen. Subsidiair is de man van mening dat het recht van de staat New York van toepassing is, omdat partijen daar zijn getrouwd en daar zijn voorgelicht over de juridische gevolgen van hun huwelijk.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

5.2

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, omdat partijen op 6 januari 2017 zijn gehuwd, de vraag naar het toepasselijke huwelijksgoederenrecht moet worden beantwoord aan de hand van het voor Nederland op 1 september 1992 van kracht geworden Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (Trb. 1988, nr. 130; hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat blijkens artikel 2 een universeel formeel toepassingsgebied heeft, is van toepassing op huwelijken die zijn gesloten op of na 1 september 1992.

5.3.

Partijen hebben, zo is niet in geschil, geen rechtskeuze gemaakt, zodat het toepasselijke recht moet worden bepaald aan de hand van de in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 neergelegde objectieve verwijzigingsregeling. Ingevolge dit artikel geldt, nu partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben, als toepasselijk recht het interne recht van het land waar de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Dit ‘eerste huwelijksdomicilie’ is de plaats waar de echtgenoten als echtgenoten gezamenlijk permanent, althans voor langere tijd feitelijk wonen, waarbij een rol speelt hoe duurzaam dat verblijf is en hoe lang zij daar beogen te wonen.

Nadat partijen op 6 januari 2017 in de Verenigde Staten zijn gehuwd, zijn zij korte tijd later naar Nederland gegaan en daar op 16 februari 2017 gaan samenwonen in de woning van de man. De vrouw heeft een verblijfsvergunning voor langdurig verblijf aangevraagd en verkregen en is in Nederland gaan werken. Ook de man werkte in Nederland en de sociale omgeving van partijen bevond zich in [plaats A] . Gelet op deze omstandigheden is de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland. Dat partijen, zoals de man heeft gesteld en de vrouw in het licht van de overgelegde stukken (waaronder e-mailcorrespondentie van en tussen partijen en het ingevulde ‘petition for Alien Relative’ I-130 formulier) onvoldoende heeft weersproken, de bedoeling hadden om uiteindelijk samen in de Verenigde Staten te gaan wonen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en de overgelegde stukken komt naar voren dat partijen over een gezamenlijk verblijf in [plaats B] , Verenigde Staten, hebben gesproken en dat zij dit gedurende hun verblijf in Nederland vorm zijn gaan geven. Zo zijn zij samen gaan sparen voor de verhuizing en zijn zij de immigratieprocedure (die langere tijd in beslag zou nemen) gestart voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor de man. Onderwijl hebben zij, tot het uiteengaan van partijen en het daaropvolgend vertrek van de vrouw naar de Verenigde Staten, hun leven geleid in Nederland. Partijen hadden naar het oordeel van het hof dan ook de intentie om in elk geval gedurende de immigratieprocedure, en derhalve voor enige duur, in Nederland te verblijven, hetgeen aldus het geval is geweest Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing is.

5.4.

Nu het Nederlands recht van toepassing is, is krachtens het op het huwelijk toepasselijke, tot 1 januari 2018 geldende Nederlandse huwelijksgoederenrecht tussen partijen sprake van een gemeenschap van goederen (artikel 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Ter zitting in hoger beroep heeft de man zich beroepen op het Zimbabwe arrest (HR 19 maart 1993, NJ 1994/187). Het hof begrijpt dat de man in dit verband betoogt dat partijen zich onderling steeds hebben gedragen naar het uitgangspunt dat tussen hen geen gemeenschap van goederen bestond, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat de scheiding en deling dient plaats te vinden op basis van het uitgangspunt dat partijen in algehele gemeenschap zijn gehuwd. Dit betoog kan de man reeds niet baten omdat hij geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die zijn stelling ondersteunen dat partijen ervan uitgingen dat zij niet in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Dat de vrouw, zoals de man stelt, niet bijdroeg in de lasten van de woning is voor een dergelijk oordeel onvoldoende, te minder nu de man blijkens zijn (als productie 8 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg overgelegde) aangifte tegen de vrouw van 17 december 2017 - derhalve gedurende het huwelijk - ervan uitging dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Bovendien blijkt uit de hierna nader te bespreken e-mailcorrespondentie (productie 10 bij verweerschrift eerste aanleg) dat de man zich voorafgaande aan het huwelijk bewust was van de mogelijke rechtsgevolgen van het huwelijk maar dat partijen vervolgens niet de nodige maatregelen hebben getroffen, als het aangaan van huwelijkse voorwaarden. Er zijn daarom geen gronden aanwezig om, met toepassing van een uitzondering als voorzien in het Zimbabwe arrest, het Nederlands recht niet van toepassing te verklaren op het huwelijksgoederenregime van partijen.

5.5.

De eerste grief van de man faalt.

Gemeenschap van goederen

5.6.

Met zijn tweede grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de woning van de man tot de gemeenschap van goederen behoort en dat de door de man aangevoerde omstandigheden niet zo uitzonderlijk zijn dat een afwijking van het uitgangspunt dat de gemeenschap van goederen bij helfte dient te worden verdeeld, is gerechtvaardigd. Daartoe heeft de man in de eerste plaats aangevoerd dat toepassing van het Nederlandse recht inhoudende het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen inclusief voorhuwelijks vermogen, tot een voor hem onaanvaardbaar resultaat leidt en in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid. Onverkorte toepassing van artikel 1:94 lid 1 BW dient daarom achterwege te worden gelaten. Partijen hebben volgens de man voorafgaand aan het huwelijk afgesproken dat (onder meer) de woning buiten de gemeenschap zou vallen en in het geval van scheiding en deling niet zou worden verdeeld. Bovendien verkeerde de man in de veronderstelling dat de Nederlandse wetgeving per 1 januari 2017 zou wijzigen, in die zin dat het voorhuwelijks vermogen niet meer in de gemeenschap zou vallen. De man stelt zich daarom subsidiair op het standpunt dat hij heeft gedwaald ten aanzien van de gevolgen van het huwelijk. De wijziging van het Nederlands huwelijksvermogensrecht is mede ingegeven doordat het oude recht internationaal niet meer gangbaar is. De rechtbank had hier, mede gezien het internationale karakter van de zaak, rekening mee moeten houden en het nieuwe recht moeten toepassen. Verder betoogt de man dat partijen uitdrukkelijk niet de bedoeling hadden om het voorhuwelijkse vermogen in de gemeenschap in te brengen, dat partijen dit ook hadden afgesproken en dat de vrouw voor het aangaan van het huwelijk meermalen heeft bevestigd dat de woning buiten de gemeenschap zou vallen en bij een eventuele echtscheiding niet zou worden verdeeld. Het huwelijk van partijen heeft nog geen twee jaar standgehouden, de vrouw heeft slechts tien maanden in de woning gewoond en de vrouw heeft niet aan de woonlasten meebetaald. De man is meermalen door de vrouw mishandeld en door het gedrag van de vrouw is de man ernstig getraumatiseerd. De man verdenkt de vrouw ervan zijn honden te hebben vergiftigd. Het huwelijksvermogen bestaat goeddeels uit voorhuwelijks vermogen (namelijk de woning). Als de woning moet worden verdeeld, moet de man de woning verkopen en zal hij niet in staat zijn een nieuwe woning in zijn huidige woonomgeving te kopen. Vanwege al deze redenen dient de woning volgens de man op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten de gemeenschap te blijven, dan wel op grond van bijzondere omstandigheden niet bij helfte te worden verdeeld.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

5.7.

Het hof oordeelt als volgt.

5.8.

Vanwege het ten deze toepasselijk (oud) Nederlands recht, bestaat vanaf het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk tussen de echtgenoten van rechtswege de wettelijke gemeenschap van goederen. Deze wettelijke gemeenschap omvat in beginsel alle goederen van de echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien verkregen zolang de gemeenschap niet is ontbonden, alsmede alle schulden van ieder der echtgenoten. Ook de woning, die op naam staat van de man en de man voor het huwelijk reeds in eigendom had, behoort tot de gemeenschap. Het rechtskarakter van de gemeenschap van goederen is goederenrechtelijk. De goederen en schulden van de echtgenoten vallen van rechtswege in de huwelijksgemeenschap op grond van boedelmenging. Dit heeft tot gevolg dat ieder der echtgenoten rechthebbende is met betrekking tot het gehele vermogen en ten aanzien van alle goederen gelijke rechten heeft. Gesteld noch gebleken is dat aan de verkrijging van de woning door de man een uitsluitingsclausule is verbonden of dat de woning op enigerlei bijzondere wijze aan de man is verknocht, zodat er geen sprake is van één van de wettelijke uitzonderingen op de regel dat de woning in de gemeenschap valt.

5.9.

De voormelde door de man aangevoerde omstandigheden leiden, zowel op zichzelf als in onderling verband en samenhang bezien, niet tot het oordeel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden geoordeeld dat de gemeenschap, in afwijking van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 1 BW, niet tevens de woning omvat. In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, kan niet worden aangenomen dat partijen bij het sluiten van het huwelijk ervan uitgingen dat de woning niet tot de gemeenschap behoorde. Niet alleen zijn geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat zowel de man als de vrouw meenden dat het recht van de staat Louisiana of de staat New York van toepassing zou zijn, ook is van concrete afspraken dienaangaande tussen partijen niet gebleken. Weliswaar hebben zowel de man als de vrouw voor het huwelijk in (als productie 10 bij het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde) e-mailberichten besproken dat ‘prenuptial agreements’ moeten worden gemaakt teneinde de woning buiten de gemeenschap te houden, maar vast staat dat partijen (uiteindelijk) geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Dat partijen op andere wijze hebben afgesproken dat de woning buiten de gemeenschap valt, is evenmin gebleken. Voor het oordeel dat partijen zich tijdens het huwelijk hebben gedragen alsof de woning buiten de gemeenschap viel, is onvoldoende gesteld. Ook in dit verband is daarvoor de omstandigheid dat de vrouw, zoals de man stelt, niet aan de lasten voor de woning meebetaalde, onvoldoende. De door de man aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de duur van het huwelijk en het samenwonen, de gestelde uitlatingen en het gedrag van de vrouw en de gevolgen voor de man als de woning in de gemeenschap valt, zijn alle voorts niet van dien aard dat moet worden geoordeeld dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de woning in de gemeenschap valt.

5.10.

De stelling van de man dat hij ten aanzien van de toepasselijkheid van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht heeft gedwaald, kan niet slagen. Blijkens het door hem (als productie 10 bij verweerschrift eerste aanleg) overgelegde e-mailbericht van de man aan een Nederlandse advocaat, heeft de man naar de stand van zaken van de bij hem bekende (op dat moment) op handen zijnde wijziging van dit recht geïnformeerd. Dat hij niet een reactie heeft afgewacht of anderszins antwoorden heeft gezocht, komt voor zijn rekening en risico. Tevens is van belang dat partijen, zoals de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, voornemens waren op 31 december 2016 te trouwen, maar dat dit een paar dagen later is geworden omdat de papieren niet in orde waren. Het huwelijk van partijen had derhalve oorspronkelijk plaats zullen vinden vóór het tijdstip waarop de man meende dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht zou wijzigen (naar een beperkte, in plaats van algehele gemeenschap van goederen), te weten per 1 januari 2017. Ook de stelling van de man dat de rechtbank bij de beoordeling van het onderhavige geschil op de toepasselijkheid van het nieuwe recht had moeten anticiperen, kan hem niet baten. Indien en voor zover de man het huwelijk vooruitlopend op de totstandkoming van de nieuwe wetgeving zonder making van huwelijkse voorwaarden is aangegaan, heeft hij dit op eigen risico gedaan. Van bijkomende omstandigheden die dat anders zouden kunnen maken, is niet gebleken.

5.11.

Gelet op het voorgaande bestaat voor het oordeel dat de woning in afwijking van het bepaalde in artikel 1:94 lid 1 BW niet in de gemeenschap van goederen valt, geen grond.

Afwijking van verdeling bij helfte

5.12.

Het Hof begrijpt het standpunt van de man verder aldus dat hij zich erop beroept dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de woning in afwijking van het bepaalde in artikel 1:100 lid 1 BW niet bij helfte wordt verdeeld en zonder nadere verrekening aan de man wordt toegedeeld.

5.13.

Ingevolge artikel 1:100, lid 1 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Nu niet is gebleken van enige andersluidende afspraak bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant, hebben partijen op grond van dit artikel een gelijk aandeel in de tot de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap behorende woning, en zijn zij bij helfte gerechtigd tot de waarde of opbrengst daarvan. Een afwijking van deze regel is weliswaar niet uitgesloten, maar kan niet dan in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, zodanig dat onverkorte toepassing van de regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (HR 7 december 1990, NJ 1991/593, m.nt. EAAL; HR 27 juni 2003, NJ 2003, 524).

5.14.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de door de man gestelde, door de vrouw gemotiveerd bestreden, omstandigheden, ook als deze zouden komen vast te staan, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, niet zo uitzonderlijk zijn dat toepassing van de regel dat verdeling bij helfte dient plaats te vinden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat van een betrekkelijk kort huwelijk sprake is geweest en partijen slechts kort hebben samengewoond, is voor een dergelijk oordeel onvoldoende. Te meer nu partijen gedurende een aantal jaren een relatie hebben gehad en het samenwonen ongeveer elf maanden heeft geduurd. In de omstandigheden dat de man de woning ruim voor het huwelijk had gekocht, de hypothecaire geldlening had afgesloten en de vrouw niet aan de woonlasten heeft bijgedragen, kan evenmin een rechtvaardiging voor afwijking worden gevonden. De man voldeed uit zijn inkomen de kosten voor de woning en daarmee ook de woonkosten van de vrouw. Door het bestaan van de gemeenschap van goederen werden al deze schulden en kosten, door wie ook betaald, per saldo uiteindelijk door partijen samen gedragen. Ook de omstandigheid voorts dat het huwelijks vermogen grotendeels wordt gevormd door het door de man ten huwelijk aangebrachte vermogen of het feit dat tussen partijen is besproken of overeenstemming zou bestaan over het alsnog na de huwelijkssluiting opstellen van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden, is daarvoor onvoldoende (HR 27 juni 2003, NJ 2003, 524). De man en de vrouw hebben afgezien van het maken van huwelijkse voorwaarden en daarmee het ontstaan van een gemeenschap van goederen aanvaard met alle daaraan verbonden gevolgen, inclusief de verplichting tot een verdeling bij helfte bij een echtscheiding. De man moet geacht worden bekend te zijn met de mogelijke consequenties van zijn huwelijk in gemeenschap van goederen. Hij heeft immers, zoals hiervoor al is aangehaald, voorafgaand aan het huwelijk inlichtingen bij een advocaat ingewonnen over het aangaan van huwelijkse voorwaarden en het bestaan van een gemeenschap van goederen. Eveneens onvoldoende is de omstandigheid dat de man de toedeling van de woning niet kan financieren, zodat de woning moet worden verkocht. Daaraan doet niet af dat de man niet in staat zal zijn een met de woning vergelijkbare woning in [plaats A] te kopen. Het is bij een echtscheiding niet ongebruikelijk dat geen van partijen financieel in staat is de echtelijke woning over te nemen, zodat verkoop noodzakelijk is. Dat betekent nog niet dat de man niet meer in staat zal zijn voor hem geschikte woonruimte te vinden. Tot slot heeft de man nog gesteld dat een verdeling bij helfte niet redelijk is vanwege het gedrag van de vrouw jegens hem. Volgens de man heeft de vrouw hem meermalen mishandeld, naar aanleiding waarvan een huisverbod aan de vrouw is opgelegd, heeft de vrouw over zijn kleren geplast en verdenkt de man de vrouw ervan één van zijn honden te hebben vergiftigd. De vrouw heeft deze stellingen van de man weersproken. Maar ook als van de juistheid van de stellingen van de man moet worden uitgegaan, hebben de gestelde omstandigheden, hoe verdrietig ook, niet als zeer uitzonderlijk te gelden, zodanig dat van de verdeling bij helfte moet worden afgeweken.

5.15.

Gelet op het voorgaande faalt ook de tweede grief van de man. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Zijn verzoeken in hoger beroep zullen worden afgewezen. Ook de door de vrouw in het principaal hoger beroep verzochte verklaring voor recht zal worden afgewezen, nu zij daarbij, gelet op het voorgaande, geen belang heeft.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

5.16.

De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep betoogd dat de rechtbank de bestreden beslissing ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Volgens de vrouw heeft zij er groot belang bij dat de overwaarde zo spoedig mogelijk bij helfte wordt verdeeld, mede omdat zij veel kosten heeft moeten maken vanwege de verschillende verhuizingen.

De man heeft verweer gevoerd.

5.17.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de belangen van de man in de onderhavige zaak zwaarder wegen. Een eventuele executie van de beschikking heeft voor de man ingrijpende gevolgen (het moeten verkopen van de woning en het verliezen van zijn woonruimte) die niet (eenvoudig) ongedaan kunnen worden gemaakt. Hiertegenover staat het financiële belang van de vrouw, dat zij ook in het kader van haar verzoek in hoger beroep niet nader en concreet heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de vrouw vanwege de verhuizingen naar Nederland en terug naar de Verenigde Staten veel kosten heeft moeten maken, is onvoldoende zwaarwegend. Ook op dit onderdeel zal de bestreden beschikking daarom worden bekrachtigd en het verzoek van de vrouw de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal worden afgewezen.

6 De beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af de verzoeken van partijen in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. H.A. van den Berg en mr. T.A.M. Tijhuis in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021.