Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:671

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
200.256.269/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Europese verordening vergoeding bij vertraging vluchten (Verordening 261/2004). Verdrag van Montreal. Appelgrens. Aansluitende vluchten.

Zie ook 200.256.265

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.256.269/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 6432055 / CV EXPL 17-9766

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 maart 2021

inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht

EMIRATES,

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Lustenhouwer te Rotterdam,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

3. [geïntimeerde sub 3],

allen wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

tevens incidenteel appellanten,

advocaat: mr. E.P.C. Duinkerke te Arnhem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Emirates en [geïntimeerden] genoemd. [geïntimeerden] zullen afzonderlijk worden aangeduid als [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] .

Emirates is bij dagvaarding van 15 februari 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, (hierna: de kantonrechter) van 28 november 2018, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en Emirates als gedaagde. De hoger beroep-dagvaarding bevat tevens de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte houdende overlegging producties, met producties, van Emirates;

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

- akte uitlating partijen tevens houdende eiswijziging, met producties, van [geïntimeerden] ;

- akte uitlating producties van Emirates.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 november 2020 (gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 200.256.265/01) doen bepleiten, Emirates door mr. M. Lustenhouwer, voornoemd, en [geïntimeerden] door mr. Duinkerke, voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

Emirates heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, alsnog de vorderingen van [geïntimeerden] zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad ‒ [geïntimeerden] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Emirates uit hoofde van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] hebben voldaan, met rente, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.

[geïntimeerden] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en in incidenteel hoger beroep na wijziging van eis dat het hof alsnog het meer gevorderde zal toewijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad ‒ veroordeling van Emirates in de kosten van het hoger beroep met rente.

Emirates heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof de vordering van [geïntimeerden] zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad ‒ veroordeling van [geïntimeerden] in de (na)kosten.

2 De kern van de zaak

[geïntimeerden] zouden op 3 en 4 augustus 2016 met de luchtvaartmaatschappij Emirates van Amsterdam naar Dubai en van Dubai naar Jakarta (Indonesië) vliegen. Op 3 augustus 2016 heeft op een landingsbaan op de luchthaven van Dubai een ernstig ongeval plaatsgevonden. Het luchtruim boven Dubai is tijdelijk gesloten geweest en daarna was aanvankelijk slechts beperkt vliegverkeer mogelijk. [geïntimeerden] zijn met vertraging in Dubai aangekomen, waardoor zij hun vlucht naar Jakarta hebben gemist. [geïntimeerden] zijn op 11 augustus 2016 van Dubai naar Bali gevlogen. Gedurende hun verblijf in Dubai beschikten [geïntimeerden] niet over hun koffers. Aan het hof is de vraag voorgelegd welke compensatie en/of schade Emirates aan [geïntimeerden] dient te betalen/vergoeden.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

3.1.

[geïntimeerden] hebben met Emirates een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Emirates [geïntimeerden] op 3 augustus 2016 per vliegtuig diende te vervoeren van Amsterdam naar Dubai (vluchtnummer [nummer] ) en op 4 augustus 2016 van Dubai naar Jakarta (vluchtnummer [nummer] ).

3.2.

Volgens de oorspronkelijke planning zou vlucht [nummer] op 3 augustus 2016 om 19:50 uur UTC (gecoördineerde universele tijd) vanaf Schiphol vertrekken en op 4 augustus 2016 om 02:30 uur UTC in Dubai aankomen. Vlucht [nummer] zou op 4 augustus 2016 om 07:15 UTC vanaf Dubai vertrekken en om 15:30 UTC in Jakarta aankomen.

3.3.

Op 3 augustus 2016 heeft zich een ernstig ongeval voorgedaan op een landingsbaan op de luchthaven van Dubai. Als gevolg daarvan is het luchtruim boven Dubai tijdelijk gesloten geweest (tot 3 augustus 2016 14:30 UTC) en vervolgens was er tot 4 augustus 2016 13:46 UTC één start/landingsbaan (in plaats van twee) van de luchthaven van Dubai beschikbaar.

3.4

Vlucht [nummer] is op 4 augustus 2016 om 08:48 UTC vanaf Schiphol vertrokken en om 14:56 UTC in Dubai aangekomen. [geïntimeerden] hebben daarop de aansluitende vlucht [nummer] naar Jakarta gemist. [geïntimeerden] zijn ondergebracht in een hotel in Dubai. Gedurende hun verblijf in Dubai beschikten [geïntimeerden] niet over hun koffers. [geïntimeerden] zijn door Emirates vervolgens ingepland op een vlucht naar Jakarta op 10 augustus 2016. [geïntimeerden] hebben deze vlucht geweigerd in verband met hun reisschema. [geïntimeerden] zijn vervolgens op 11 augustus 2016 van Dubai naar Bali gevlogen.

[geïntimeerden] reisden samen met de familie [X] , bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen (zaak met zaaknummer: 200.256.265/01).

4 Beoordeling

4.1

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gevorderd om Emirates – uitvoerbaar bij voorraad ‒ te veroordelen tot betaling van:

- € 1.800,- (€ 600,- per passagier) wegens vertraging van meer dan drie uur op grond van art. 7 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening); en

- € 357,49 ( telefoonkosten en geannuleerde binnenlandse vluchten in Indonesië) op grond van art. 9 van de Verordening en € 1.262,28 (schade door vertraagde koffers) op grond van art. 19 van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (hierna: het Verdrag van Montreal); en

- € 466,90 aan buitengerechtelijke incassokosten;

vermeerderd met de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten.

4.2

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter samengevat het volgende geoordeeld. De vliegtuigcrash op de luchthaven van Dubai en de daarop volgende sluiting van het luchtruim vormen een buitengewone omstandigheid in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening. De grootste vertraging van [geïntimeerden] is evenwel het gevolg van operationele problemen die zich na de buitengewone omstandigheid hebben voorgedaan. Niet is komen vast te staan dat Emirates alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De kantonrechter heeft de compensatie van in totaal € 1.800,- toegewezen. De kantonrechter heeft voorts de schade als gevolg van de vertraagde koffers en de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De gestelde schade van € 357,49 (telefoonkosten en geannuleerde binnenlandse vluchten in Indonesië) hebben [geïntimeerden] volgens de kantonrechter onvoldoende aangetoond. Vergoeding van die schade heeft de kantonrechter om die reden afgewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Emirates in principaal hoger beroep met acht grieven op en [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep met één grief.

In hoger beroep hebben [geïntimeerden] hun eis gewijzigd in die zin dat zij aan schadevergoeding thans vorderen:

€ 357,54 (aan telefoonkosten en geannuleerde binnenlandse vluchten in Indonesië);

€ 1.253,54 (schade door vertraagde koffers).

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.3

Ingevolge het bepaalde in art. 332 Rv. kunnen partijen van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij (voor zover hier relevant) de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. In geval meerdere eisers bij één dagvaarding elk afzonderlijk een vordering hebben ingesteld, mogen deze vorderingen voor de vraag of het vonnis waarbij deze vorderingen zijn afgedaan vatbaar is voor hoger beroep niet bij elkaar worden opgeteld. Heeft een eiser meerdere vorderingen dan is de totale waarde van die vorderingen beslissend.

De rechter in eerste aanleg had in deze zaak te beslissen over een vordering tot betaling van compensatie van € 600,- voor ieder van [geïntimeerden] en schadevergoeding van € 1.619,77

(€ 357,49 + € 1.262,28) vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen aan [geïntimeerden] Aldus beloopt voor ieder van [geïntimeerden] de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen een bedrag van meer dan € 1.750,- (te weten: € 600,- + € 1.619,77, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten). Een verdeling van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding en buitengerechtelijke incassokosten over ieder van [geïntimeerden] (zoals door [geïntimeerden] in hoger beroep is uiteengezet) hebben [geïntimeerden] in hun vordering in eerste aanleg niet gemaakt. Het antwoord op de vraag of hoger beroep open staat van een vonnis moet, gelet op de strekking van art. 332 Rv., eenvoudig en voorspelbaar zijn. Daarom moet beslissend zijn hoe eisers hun vordering in eerste aanleg hebben ingericht, zonder dat getreden behoeft te worden in de vraag of de grondslagen van de vordering tot een dergelijke inrichting leiden. Emirates is dus ontvankelijk in haar hoger beroep.

Hebben [geïntimeerden] recht op compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening?

4.4

De grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep komen samengevat op tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat Emirates alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.5

Het hof stelt voorop dat het hier gaat om twee op elkaar aansluitende vluchten in een door [geïntimeerden] geboekt traject van Amsterdam (via Dubai) naar Jakarta (vgl. HvJ EU 11 juli 2019, C-502/18, C.S. c.s.). Zowel de uitvoering van vlucht [nummer] als die van vlucht [nummer] zijn dus in geschil.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de vliegtuigcrash en de daarop volgende sluiting van het luchtruim en de tijdelijke sluiting van één van de twee start-/landingsbanen als een buitengewone omstandigheid in de zin van art. 5 lid 3 van de Verordening kan worden aangemerkt. Ook als de vertraging ten gevolge van voornoemde omstandigheden op de totale door [geïntimeerden] opgelopen vertraging in mindering wordt gebracht, resteert een vertraging van meer dan 3 uur op de eindbestemming (vgl. HvJ EU 4 mei 2017, C-315/15, Peskova). Emirates heeft gesteld dat zij alles op alles heeft gezet om na heropening van het luchtruim en, enige tijd later, heropening van start-/landingsbaan 12L/30R haar vluchten uit te voeren en de in Dubai gestrande passagiers naar hun bestemmingen te vervoeren. Deze algemene stelling hebben zij evenwel onvoldoende geconcretiseerd. Emirates heeft daarom onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door [geïntimeerden] in Dubai na heropening van het luchtruim en heropening van start-/landingsbaan 12L/30R opgelopen vertraging ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen en zelfs met inzet van alle beschikbare materiële, financiële en personeelsmiddelen – behoudens indien zij onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht - niet voorkomen had kunnen worden.

4.6

Het betoog van Emirates dat vier plaatsen beschikbaar waren op een vlucht naar Jakarta van 5 augustus 2016 en dat [geïntimeerden] er zelf voor hebben gekozen om van dat aanbod geen gebruik te maken, wordt gepasseerd, nog daargelaten of dat aanbod wel aan [geïntimeerden] is gedaan. Het forfaitaire bedrag aan compensatie waarin de Verordening voorziet is, nu de uitzondering van art. 5 lid 3 van de Verordening zich niet voordoet, verschuldigd op de enkele grond dat de passagiers zijn aangekomen op de eindbestemming met een vertraging van meer dan 3 uur. Het accepteren van die vlucht op 5 augustus 2016 had er nooit toe kunnen leiden dat er geen vertraging van 3 uur op de eindbestemming meer was. Dat betekent, dat dit betoog voor de toewijsbaarheid van het gevorderde bedrag aan compensatie niet relevant kan zijn.

4.7

De rechtbank heeft de door [geïntimeerden] gevorderde bedragen aan compensatie op grond van art. 7 van de Verordening op juiste gronden toewijsbaar geoordeeld. Grief 1 tot en met 4 in het principaal hoger beroep zijn tevergeefs voorgesteld.

Schade als gevolg van de vertraagde koffers

4.8

Grief 5 in principaal hoger beroep komt op tegen de toewijzing van een bedrag van

€ 1.262,28 aan schadevergoeding in verband met vertraagd afgeleverde koffers.

4.9

[geïntimeerden] waren genoodzaakt om zes dagen in Dubai door te brengen. Het hof merkt op dat uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep vast staat dat [geïntimeerden] niet de vlucht van 10 augustus 2016 naar Jakarta hebben genomen, maar die van 11 augustus 2016 naar Bali. Zij hebben de bagage op 9 en 10 augustus 2016 terugontvangen. Dat maakt voor de beoordeling voor het overige geen verschil. Zij hadden gedurende hun verblijf in Dubai geen beschikking over hun bagage. De door [geïntimeerden] gevorderde kosten in verband met vervangende kleding, eten, drinken en vervoerskosten dienen als noodzakelijk, redelijk en passend te worden aangemerkt; dat zij zijn gemaakt is voldoende aangetoond. Het betoog van Emirates dat kleding en toiletartikelen niet zijn aan te merken als schade omdat deze op enig moment toch moeten worden aangeschaft, wordt verworpen. Zonder vertraging hadden [geïntimeerden] de beschikking gehad over hun koffers en deze kosten niet hoeven te maken. Emirates heeft aangevoerd dat op een deel van de overgelegde bonnen de namen van de familie [X] zijn geschreven en dat [X] . van deze bedragen eveneens de vergoeding hebben gevorderd.

[geïntimeerden] hebben bij akte houdende wijziging van eis hun vordering aan de hand van overgelegde bewijsstukken nader toegelicht en verduidelijkt dat geen vergoeding is gevorderd van bedragen die ook [X] hebben gevorderd. [geïntimeerden] hebben aldus voldoende aangetoond dat zij de gevorderde kosten daadwerkelijk ten behoeve van zichzelf hebben gemaakt. Aan [geïntimeerden] komt op grond van art. 19 van het Verdrag van Montreal een bedrag toe van € 1.253,54 (zoals in hoger beroep gewijzigd).

Emirates heeft betoogd dat de toewijsbaar geoordeelde bedragen aan schadevergoeding in mindering dienen te strekken op de forfaitaire compensatie uit hoofde van de Verordening.

Dit betoog gaat niet op.

Uit het bepaalde in art. 12 van de Verordening volgt dat de forfaitaire compensatie van de Verordening op verdere compensatie in mindering kan worden gebracht. Het hof ziet gelet op de duur van de in Dubai opgelopen vertraging, waardoor [geïntimeerden] zes dagen van hun geplande reis hebben moeten missen, geen aanleiding voor een dergelijke verrekening. Uit de uitspraak van het HvJEU d.d. 29 juli 2019 in de zaak Rusu (ECLI:C:EU:2019:637) volgt dat art. 12 de bevoegde nationale rechter toestaat, maar niet ertoe verplicht, om de uit hoofde van de verordening toegekende compensatie in mindering te brengen op de verdere compensatie, waarbij deze verordening de bevoegde nationale rechter geen voorwaarden stelt waaronder hij een dergelijke vermindering zou kunnen toepassen. [geïntimeerden] kunnen in redelijkheid aanspraak maken op de forfaitaire compensatie én vergoeding van als gevolg van de vertraging geleden schade (gemaakte kosten). Niet aannemelijk is dat zij daarmee ongerechtvaardigd verrijkt worden.

Schade als gevolg van de vertraagde vlucht

4.10

De grief in het incidenteel hoger beroep komt op tegen de afwijzing van het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 357,49 aan schade als gevolg van de vertraagde vlucht.

4.11

[geïntimeerden] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de in Dubai opgelopen vertraging diverse internationale telefoontjes hebben moeten voeren. Zij hebben deze telefoonkosten voor een bedrag van € 136,44 voldoende met bewijsstukken aangetoond. [geïntimeerden] hebben voorts door de vertraagde aankomst in Indonesië geen gebruik kunnen maken van de reeds geboekte vlucht van Bandung naar Bali. [geïntimeerden] hebben de kosten van de annulering van € 131,05 voldoende onderbouwd.

[geïntimeerden] vorderen verder een bedrag van € 71,04 in verband met, naar het hof begrijpt uit productie 7 bij memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, de annulering van de vlucht van Denpasar (Bali) naar Makassar van 15 augustus 2016. Dit bedrag is ook in hoger beroep niet toewijsbaar.

[geïntimeerden] waren tijdig genoeg op Bali om de vlucht van Denpasar naar Makassar van 15 augustus 2016 te kunnen halen. Het annuleren van deze vlucht betreft een keuze van [geïntimeerden] die niet als een gevolg van de vertraging in Dubai aan Emirates kan worden toegerekend.

De hiervoor vermelde bedragen van € 136,44 en € 131,05 (in totaal derhalve € 267,49) zijn op grond van art. 19 van het Verdrag van Montreal toewijsbaar.

De grief in het incidenteel hoger beroep slaagt deels.

4.12

Voor zover het betoog van Emirates dat vier plaatsen beschikbaar waren op een vlucht naar Jakarta op 5 augustus 2016 en dat [geïntimeerden] er zelf voor hebben gekozen om van dat aanbod geen gebruik te maken, moet worden begrepen als een beroep op eigen schuld omdat [geïntimeerden] hun schade niet hebben beperkt, wordt het verworpen. Emirates heeft onvoldoende weersproken dat dit aanbod, naar ter zitting in detail is toegelicht, is gedaan aan [A] , de kinderen van [X] . en [geïntimeerde sub 3] (toen nog minderjarig). [geïntimeerden] hebben dit aanbod redelijkerwijs kunnen weigeren omdat zij als gezin gezamenlijk wilden reizen.

4.13

Grief 6, 7 en 8 in het principaal hoger beroep komen op tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente en de veroordeling van Emirates in de proceskosten.

De gevorderde hoofdsom is grotendeels toewijsbaar. De wettelijke rente over het bedrag van

€ 3.321,03 (€ 1.800,- + € 1.253,54 + € 267,49) is toewijsbaar vanaf 7 augustus 2016 (de dag dat aanspraak op de compensatie kon worden gemaakt en de overige kosten zijn gemaakt). Grief 7 slaagt dus wat betreft de door de kantonrechter gehanteerde ingangsdatum van de wettelijke rente van 3 augustus 2016. De kantonrechter heeft de buitengerechtelijke incassokosten op juiste gronden toegewezen. Emirates is voorts als (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij terecht in de kosten van de procedure in eerste aanleg veroordeeld.

Grief 6 en 8 falen.

Nadere akte

4.14

Bij gelegenheid van het pleidooi hebben [geïntimeerden] verzocht om nog te mogen reageren op de laatste akte van Emirates (van 10 december 2019). Die akte is aanvankelijk per abuis geweigerd en zij hebben eerst kort voor het pleidooi begrepen dat deze was toegelaten.

Wat er zij van de vraag of [geïntimeerden] bij pleidooi voldoende gelegenheid hebben gehad om te reageren, gelet op wat hiervoor is overwogen hebben zij geen belang bij het alsnog nemen van een akte, nu zij in het principaal hoger beroep in het gelijk gesteld worden en de akte geen betrekking heeft op het incidenteel beroep.

Slotsom

4.15

De grieven in het principaal hoger beroep falen. De grief in het incidenteel hoger beroep slaagt deels. Partijen hebben geen voldoende concrete stellingen ingenomen die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan nadere bewijslevering komt het hof niet toe. Het vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn toewijsbaar tot een bedrag van € 3.787,93 (€ 1.800,- + € 1.253,54 + € 267,49 + € 466,90) vermeerderd met de wettelijke rente als hierna is vermeld. Emirates zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

5 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover onder 6.1 gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Emirates tot betaling aan [geïntimeerden] van een bedrag van € 3.787,93, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.321,03 vanaf 7 augustus 2016 en over € 466,90 vanaf 16 oktober 2017 tot aan de dag van de gehele voldoening;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt Emirates in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 324,- aan verschotten en € 2.656,50 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, W.A.H. Melissen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2021.