Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:639

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
11-03-2021
Zaaknummer
23-002769-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hells Angels Haarlem in hoger beroep: veroordeling rechtspersoon deelname aan criminele organisatie; clubhuis verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002769-18

datum uitspraak: 10 maart 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-860025-17 tegen

[verdachte] ,

[adres] , [vestigingsplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april en 10 mei 2019, 2, 3, 5, 6, 9, 10, 12, 13, 17 en 19 november 2020, 2 december 2020, 18, 19, 21, 22, 26 en 28 januari 2021 en 1 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Door het openbaar ministerie en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

[ZD C-27: Deelneming aan een criminele organisatie met geweldsoogmerk]

zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 te Haarlem en/of elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie (al dan niet in wisselende samenstellingen) bestond uit (onder meer)

- verdachte, en/of

- Hells Angels, charter Haarlem (gevormd door: [L.R.] en/of [R.H.] en/of [F.L.] en/of [M.B.] en/of [S.V.] en/of [P.B.] en/of en/of [T.C.] en/of [T.P.] en/of [J.B.] ) en/of

- [S.P.] ,

welke organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, te weten één of meer misdrijven omschreven in:

- artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen) en/of

- artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van geweld tegen personen of goederen) en/of

- artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk brand stichten of een ontploffing te weeg brengen) en/of

- artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht (een gebouw of een voor het publiek toegankelijke plaats opzettelijk vernielen of beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen is te duchten) en/of

- artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of bedreiging met enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen een derde wederrechtelijk dwingen iets te doen of niet te doen of te dulden) en/of

- artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling of brandstichting) en/of

- artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag) en/of

- artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (moord) en/of

- artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) en/of

- artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en/of

- artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en/of

- artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en/of - artikel 304 aanhef en onder sub 2 van het wetboek van strafrecht (mishandeling, mishandeling met voorbedachte raad en/of zware mishandeling van een of meer ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn / hun bediening)

- artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (diefstal met geweld) en/of

- artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (afpersing) en/of

- artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie (voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie van de categorie(ën) II en III van de Wet wapens en munitie).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om doelmatigheidsredenen worden vernietigd. Het hof hanteert een andere bewijsconstructie en komt tot andere beslissingen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft bepleit het openbaar ministerie op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het volgende. De schriftuur van het openbaar ministerie is te summier om te gelden als appelmemorie in de zin van artikel 410 Sv en is niet op een later moment aangevuld, zoals staat opgenomen in de appelmemorie. Hierdoor is het voor de verdediging onduidelijk waartegen zij zich in hoger beroep moet verdedigen. De raadsvrouw merkt daarbij op dat de verdediging in eerste aanleg heeft verzocht om toepassing van artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht, waartegen door het openbaar ministerie toen geen verweer is gevoerd. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat het belang van het geschonden voorschrift prevaleert boven het belang van strafvordering c.q. voortduring van het appel van het openbaar ministerie. Nu het hoger beroep zal blijven voortduren omdat ook de verdediging hoger beroep heeft ingesteld kan de complexiteit van de materie of het principiële karakter van de zaak niet aan een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de weg staan.

De advocaat-generaal heeft – onder verwijzing naar een arrest van het hof Amsterdam van 18 december 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:3552) – aangevoerd dat de grieven in de appelschriftuur voldoende zijn omschreven in de zin van artikel 410 lid 1 Sv, namelijk dat het hoger beroep zich richt tegen de strafmaat. Dat het openbaar ministerie in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen de door de verdediging verzochte toepassing van artikel 33c van het Wetboek van Strafrecht maakt dit niet anders, nu dit niet impliceert dat het openbaar ministerie er dan mee in zou stemmen, aldus de advocaat-generaal. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de zin dat de appelschriftuur nog wordt aangevuld een standaardzin betreft, die ten onrechte in de appelschriftuur is opgenomen. Ten slotte heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de reden van het hoger beroep geen verrassing kan zijn gelet op het verschil tussen de uitspraak van de rechtbank en de eis van de officieren van justitie. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het openbaar ministerie ontvankelijk te achten in het ingestelde hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt.

Het openbaar ministerie heeft middels een akte rechtsmiddel op 1 augustus 2018 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 18 juli 2018 in de zaak tegen Stichting [naam] . De zich tevens bij de stukken bevindende “schriftuur hoger beroep OM ex art. 410 Sv” van diezelfde datum houdt onder meer het volgende in:

“Parketnummer: 15/860025-17

Naam verdachte: Stichting [naam]

Vonnis Meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland d.d. 18 juli 2018

(…)

Ondergetekende, officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis om de volgende reden(en):

Ondergetekende kan zich niet verenigen met de beslissing van de rechtbank

(x) Mbt de strafmaat

De motivering van het instellen van hoger beroep zal worden opgenomen in een nader in te dienen appelmemorie.

(…)”

Hoewel in de appelschriftuur aangekondigd is een nadere appelschriftuur uitgebleven.

De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 410, eerste lid, Sv:

De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Artikel 410, tweede lid, Sv:

De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.

Artikel 416, eerste lid, Sv:

Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.

Artikel 416, derde lid, Sv:

Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt:

(p. 11-12) "Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).

(...)

(p. 12) Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.

(…)

(p. 51) ''Het derde lid (van artikel 416 Sv) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.''

De vraag die zich thans voordoet is of de door de officier van justitie tijdig ingediende schriftuur kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410 lid 1 Sv. Het hof is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. De appelschriftuur doet, gelet op de redactie ervan, vermoeden dat sprake is van een voorlopige appelschriftuur waarna nog een nadere appelschriftuur zal volgen. Vaststaat dat de aangekondigde nadere appelschriftuur is uitgebleven. In de wel ingediende schriftuur is als reden van het hoger beroep de strafmaat opgegeven. Dit, in het licht bezien van de eis van de officieren van justitie (verbeurdverklaring van het clubhuis), die afwijkt van wat door de rechtbank is opgelegd (verbeurdverklaring van het clubhuis met toepassing van artikel 33c Sr), maakt dat daarmee voldoende duidelijk is dat de bezwaren tegen het vonnis gericht zijn tegen de toepassing van artikel 33c Sr en dat dit de inzet van het hoger beroep is. Het feit dat de officieren van justitie in eerste aanleg geen verweer hebben gevoerd tegen het verzoek van de verdediging artikel 33c Sr toe te passen doet hier niet aan af. Dit heeft immers niet geresulteerd in een dienovereenkomstige wijziging van de eis van de officieren van justitie zodat van een aanpassing van hun standpunt op dat punt niet is gebleken.

Hetgeen in de tijdig ingediende appelschriftuur is opgenomen kan dan ook worden aangemerkt als een grief in de zin van artikel 410 lid 1 Sv zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.

Deelname aan een criminele organisatie (zaaksdossier C-27)

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie bewezen dient te worden verklaard, met dien verstande dat het niet bewezen kan worden dat de organisatie - tevens - het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikel 141a, 170, 287, 289 en 312 Sr. Er is voldaan aan de vereisten die worden gesteld aan de strafbaarheid van een rechtspersoon.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

Primair heeft de raadsvrouw daartoe naar voren gebracht dat enig oogmerk ontbreekt. Er was sprake van twee organisaties met twee verschillende oogmerken: binnen de Hells Angels Haarlem was er een organisatie bestaande uit [L.R.] , [R.H.] , [F.L.] en [S.P.] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, én een organisatie bestaande uit alle leden van de Hells Angels Haarlem, maar zonder [S.P.] , die geen crimineel oogmerk had. Deze laatste organisatie was gericht op het voortbestaan van de Hells Angels Haarlem en de verdachte behoorde daartoe. Nergens blijkt uit dat de verdachte – in zijn algemeenheid – op de hoogte was van het plegen van strafbare feiten door [L.R.] , [R.H.] en [F.L.] en dat deze feiten namens het charter werden gepleegd. De verdachte heeft nimmer bijgedragen aan dan wel enige rol gehad bij een bedreigende en gewelddadige reputatie van het charter of bij strafbare feiten. De verdediging heeft – bij wijze van alternatief scenario – naar voren gebracht dat de hoofdverdachten (het hof begrijpt: [L.R.] , [R.H.] en [F.L.]) naar de buitenwereld hebben opgetreden namens het hele charter, terwijl zij tegenover de overige leden van de Hells Angels deden alsof het ging om persoonlijke gedragingen. Ten aanzien van het belonen van het geweld, dat in verband wordt gebracht met het criminele oogmerk, geldt dat de betekenissen van bepaalde uiterlijke kenmerken en termen daar geen onderbouwing voor bieden, nu de betekenissen daarvan niet objectief kunnen worden vastgesteld. De verklaring die de verdachte over de patch ‘dequiallo’ heeft gegeven wordt niet weersproken door de inhoud van zijn strafblad. De term ‘omerta’ kan evenmin bijdragen aan de stelling dat geweld wordt beloond binnen het charter en dat daaruit het criminele oogmerk kan worden afgeleid. Als al sprake zou zijn van wetenschap van betekenissen, dan brengt dit niet mee dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten van een oogmerk tot het plegen van misdrijven.

Voor zover geoordeeld zou worden dat sprake is van een organisatie waartoe de verdachte behoort én dat deze organisatie tevens het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte bewust heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, laat staan dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband op dit punt. De verdachte heeft geen wetenschap (achteraf) gehad van de gepleegde strafbare feiten gelieerd aan het charter en hij heeft ook geen wezenlijk aandeel gehad bij het laten voortbestaan van die criminele organisatie. De verdediging heeft onder verwijzing naar verschillende zaaksdossiers betwist dat de oude garde, waartoe de verdachte behoorde, vooraf wetenschap had van de door [L.R.] , [F.L.] of [R.H.] gepleegde strafbare feiten en dat deze strafbare feiten zijn gepleegd in het kader van de club. Indien er al sprake was van wetenschap, is deze achteraf gekomen, waarna door de verdachte en de andere leden van het charter onverwijld is gehandeld door [L.R.] , [R.H.] en [F.L.] uit de club te gooien. Daaruit blijkt eveneens dat de verdachte en de andere leden van de Hells Angels Haarlem eerder niet op de hoogte waren van het plegen van strafbare feiten door voornoemden. Het zelfregulerende vermogen van de club blijkt eveneens uit de maatregelen die zijn getroffen tegen getuigen [M.V.] en [W.B.] . Naar het oordeel van de verdediging kan niet worden gesteld dat de verdachte een wezenlijk aandeel had in het laten voortbestaan van die criminele organisatie.

Indien het hof zou oordelen dat de verdachte enige wetenschap achteraf heeft gehad van strafbare feiten die in het kader van het charter zijn gepleegd, dan is het eveneens noodzakelijk dat de verdachte ook daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in de criminele organisatie. Niet kan worden geoordeeld dat de verdachte een dergelijk aandeel heeft gehad door het ter beschikking stellen van het clubhuis en het sporadisch ter beschikking stellen van de bankrekening aan leden van het charter. Het clubhuis is niet gebruikt bij gepleegde strafbare feiten en het ter beschikking stellen van een pand aan personen, die buiten wetenschap van de verdachte om strafbare feiten plegen, maakt niet dat de eigenaar van dat pand strafrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. De OVC-gesprekken in het clubhuis nopen evenmin tot dat oordeel. Ook het sporadisch overmaken van geld naar (gedetineerde) leden maakt niet dat daarmee een criminele organisatie wordt gefinancierd.

Ook in het geval het hof zou oordelen dat een van de bestuurders van de verdachte, namelijk [J.B.] , wetenschap heeft gehad van of een aandeel heeft gehad bij een strafbare gedraging in het kader van het charter Hells Angels Haarlem, dient vrijspraak te volgen. Niet kan worden vastgesteld dat het andere bestuurslid hiervan op de hoogte is geweest of daar een aandeel in heeft gehad. Het handelen/nalaten van [J.B.] kan niet aan de verdachte worden toegerekend, waarbij de raadsvrouw heeft gewezen op de zogenaamde “IJzerdraadcriteria”. Voor toerekening is enige mate van gezamenlijkheid vereist van alle leidinggevenden van een rechtspersoon.

Beoordeling door het hof

Voor beantwoording van de vraag of de verdachte zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zal het hof hierna de bestanddelen “organisatie”, “oogmerk van de organisatie” en “deelneming aan de organisatie” bespreken.

Het hof verwijst in een deel van de tekst van deze beoordeling met noten naar de betreffende bewijsmiddelen. Voor zover in de tekst geen noten zijn opgenomen, blijken de betreffende bewijsmiddelen uit de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage. De bewijsmiddelen uit de noten staan in beginsel niet in de bewijsmiddelenbijlage vermeld, maar in een aantal gevallen is sprake van een dubbele vermelding.

Organisatie

Beoordelingskader

Volgens vaste jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378).

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. De Stichting [naam] (hierna ook: de Stichting ) staat ingeschreven op het [adres] te [vestigingsplaats] en is eigenaar van het aldaar gelegen pand. [J.B.] is voorzitter van de Stichting . Hells Angels, charter Haarlem (hierna ook: Hells Angels Haarlem), maakt gebruik van het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] als clubhuis. De Stichting beschikt over een bankrekening, die wordt gevoed door contante stortingen en vanaf welke rekening de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald. De ‘treasurer’ (hof: penningmeester) van de Hells Angels Haarlem heeft de beschikking over de bankrekening van de Stichting . In de ten laste gelegde periode zijn [J.B.] , [P.B.] , [M.B.] , [T.C.] , [L.R.] , [F.L.] , [T.P.] , [R.H.] en [S.V.] allen lid van dit charter. Binnen het charter is sprake van een strakke structuur met diverse functies. [L.R.] is president, [M.B.] is vice-president, [S.V.] is ‘road captain’, [F.L.] is ‘treasurer’, [P.B.] is ‘secretary’ en [R.H.] is de ‘sergeant at arms’. [T.C.] , [T.P.] en [J.B.] zijn ‘full colour member’. De leden dragen een hesje, de zogenaamde ‘colours’, waardoor zichtbaar is dat zij lid zijn van Hells Angels, charter Haarlem. Zij betalen contributie voor het lidmaatschap, met welke contributie de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald, met uitzondering van [T.P.] , die daar de laatste jaren van is vrijgesteld gelet op zijn leeftijd en zijn financiële situatie. Leden van de Hells Angels Haarlem overleggen structureel in periodieke overleggen en op basis van ad-hoc belegde bijeenkomsten.

Hells Angels Haarlem heeft eigen clubregels. De verdachte was bekend met deze regels. Beslissingen binnen het charter worden op democratische wijze genomen, waarbij alle leden een stem hebben in te nemen beslissingen.

[S.P.] is geen lid van Hells Angels, charter Haarlem. Ten tijde van de detentie van haar partner [L.R.] was zij wel de cruciale schakel tussen [L.R.] en andere leden van de Hells Angels Haarlem. Met name met [F.L.] en [R.H.] onderhield zij telefonisch contact en zij had ontmoetingen met hen, onder meer over club gerelateerde zaken.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de leden van de Hells Angels Haarlem, zijnde [J.B.] , [P.B.] , [M.B.] , [T.C.] , [L.R.] , [F.L.] , [T.P.] , [R.H.] en [S.V.] , samen vormend Hells Angels, charter Haarlem, en de [verdachte] en [S.P.] gedurende de ten laste gelegde periode.

Oogmerk van de organisatie

Beoordelingskader

Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel "oogmerk" zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559).

De organisatie bestond, zoals hiervoor is vastgesteld uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, [S.P.] en de [verdachte] . Het charter Hells Angels Haarlem vormde daarbij het middelpunt van de organisatie.

Bij het beantwoorden van de vraag of de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven komt naar het oordeel van het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden.

A. Bedreigende en gewelddadige reputatie

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het charter Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie heeft. Uit diverse verklaringen en tapgesprekken blijkt dat slachtoffers van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels Haarlem geen aangifte durven te doen uit angst voor represailles en dat getuigen niet of nauwelijks durven te verklaren. Zo heeft getuige [B.D.] in het contact met de politie verklaard dat de Hells Angels nergens voor terugdeinzen en tot alles in staat zijn. Ook blijkt uit zijn gesprek met de politie dat hij zeer angstig is dat de club erachter komt dat hij contact heeft met de politie. Hij durft van meerdere voorvallen geen aangifte te doen. Ook getuige [H.B.] wilde geen verklaring afleggen of aangifte doen, omdat hij geen lopende schietschijf wil zijn in Haarlem. Uit de gesprekken met de politie en de tapgesprekken blijkt dat de getuige [W.P.] , voormalig ‘hangaround’ van de Hells Angels Haarlem, angstig is, niet wil dat de leden van de club erachter komen wat hij de politie heeft verteld en hij hen tot alles in staat acht. Wanneer de politie bij de getuigen [M.N.] en [C.R.] langs komt, naar aanleiding van de mishandeling van [M.N.] , geeft [C.R.] aan geen aangifte te willen doen, omdat de Hells Angels dan ongetwijfeld langs komen en de ramen inschieten met mitrailleurs. Getuige [S.W.] heeft verklaard dat hij in het verleden betalingen heeft moeten doen aan de Hells Angels Haarlem en dat hij in die tijd doodsbang was. Tenslotte verklaart ook getuige [C.H.] , afgeperst en mishandeld door leden van de Hells Angels Haarlem, nauwelijks uit angst voor wat er kan gebeuren.

Voornoemde getuigen zijn, met uitzondering van [H.B.] , eveneens ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Gelet op de in hoger beroep afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de eerder door hen afgelegde verklaringen, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat een aantal van de getuigen nog steeds niet het achterste van hun tong heeft durven laten zien uit angst voor mogelijke represailles. Zo geeft getuige [B.D.] enerzijds aan niet te weten van waaruit de opdracht om hem te dwingen zijn tattooshop te sluiten is gegeven, maar verklaart hij anderzijds: “Ik weet niet precies vanuit welke groep dit is gekomen, maar als er al twee aan je deur staan..” Dit, nadat hij even ervoor had gezegd dat [L.] en [R.] aan de deur stonden, daarbij doelend op [L.R.] en [R.H.] , van wie hij wist dat ze lid waren van de Hells Angels Haarlem. Op de vraag of hij bang was antwoordt hij: “Weet u, ik had niet te maken met de plaatselijke roeivereniging en ik wist niet wie ik tegenover mij had.” Getuige [C.R.] geeft aan zich delen van het gesprek met de politie niet meer te kunnen herinneren en evenmin dat zij contact heeft gezocht met [F.L.] . Getuige [S.W.] heeft verklaard dat hij het geld dat hij heeft betaald niet zag als een boete en dat hij zich nooit afgeperst heeft gevoeld. Tegelijkertijd verklaart hij: “Ik heb twee ouders en meerdere zaken en als je auto in de brand wordt gestoken (…)” [C.H.] heeft verklaard dat het niet klopt dat hij bang was en dat de politie zoveel kan opschrijven. Voorts verklaart hij: “Als je een boete moet betalen, moet je het betalen. Ik wil er niets meer over verklaren. Ik ben er klaar mee. Ik heb ook tegen de agent gezegd dat ik geen represailles wilde.” Getuige [W.P.] heeft voorafgaand aan het verhoor ter terechtzitting laten weten angstig te zijn te verklaren in het bijzijn van de verdachten. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij niet door tuig opgewacht wil worden vanwege het afleggen van een getuigenverklaring. Ook verklaarde hij op de vraag van medeverdachte [S.V.] of hij bang voor hem is: “Ik ben voor geen één van jullie individueel bang. Ik weet dat de club ver reikend kan zijn en een club waarmee ik niet op goede voet sta – en dat sta ik op dit moment niet – heeft de mogelijkheden om mij door anderen het leven zuur te laten maken.” Ten slotte is in hoger beroep ook oud-lid van de Hells Angels Haarlem [M.V.] als getuige gehoord. Hij verklaarde eerder bij de politie bang te zijn dat de Hells Angels er via de advocaten achter komen dat hij wat heeft verteld. Daarmee geconfronteerd ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde hij dat hij het niet zo tegen de politie heeft gezegd. Nadat wordt voorgehouden dat hij tot twee keer tegen de politie heeft gezegd dat hij angst had voor represailles, antwoordt hij dat dat misschien voor zichzelf was maar niet voor zijn vrouw en kinderen en dat hij het merkwaardig vindt dat de politie het zo heeft opgeschreven.

Dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich ook bewust zijn van deze reputatie, blijkt onder meer uit een uitlating die [R.H.] doet tijdens de clubvergadering op 16 september 2016, in aanwezigheid van de verdachte en de overige leden van de Hells Angels Haarlem, namelijk dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard. Ook zegt [L.R.] in een telefoongesprek met [S.P.] : “Wij zijn het beestachtige chapter (…) op een clubavond waar vier of vijf man van ons zijn, we steken de boel in de brand, gooien de krukken door de deur heen, ehhh ... wat doen we niet, er wordt gewoon geschoten binnen in het clubhuis.

De reputatie van de Hells Angels Haarlem komt tevens naar voren in een tweetal krantenberichten in het dossier van 30 april 2015 en 19 juni 2015. In het eerste bericht staat vermeld dat [L.R.] de baas is van en nieuwkomer is binnen het beruchte chapter in Haarlem en hij in verband wordt gebracht met het plegen van strafbare feiten. In het tweede bericht staat vermeld dat Hells Angels Haarlem voorman [L.R.] uit is op oorlog en een harde lijn hanteert.

B. Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen

Voorts leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond.

In het clubhuis hangt een oorkonde met de tekst ‘Deathhead Purple Heart’. Op de oorkonde staat in het Engels dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof leidt uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door toegepast geweld door clubleden van Hells Angels richting overheidspersoneel. Deze term is in het clubhuis op de muur geschilderd. Vier leden van de Hells Angels Haarlem dragen deze patch: [L.R.] , [R.H.] , [T.C.] en [S.V.] . Dat de patch een andere betekenis zou hebben, zoals door de medeverdachten ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht, acht het hof gelet op het navolgende niet aannemelijk, acht het hof gelet op het navolgende niet aannemelijk. In een afgeluisterd gesprek noemt [L.R.] [F.L.] een slappeling omdat hij nog geen ‘dequiallo’ heeft en zegt dat hij [naam] (hof: de wijkagent) in elkaar moet stompen. In de arrestantenbus op 26 januari 2017 zegt [F.L.] dat ze voor zijn neus stonden en dat hij dacht aan ‘dequiallo’. Ook in een ander gesprek zegt [F.L.] : “Als ik aangehouden word, ga ik voor dequiallo.” Ten slotte heeft [R.H.] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verzet bij arrestatie een betekenis van ‘dequiallo’ is.

Tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 wordt het belang van het dragen van de patches door [P.B.] onderstreept: “Het is een sowieso een straf als jij je patch niet aan mag, of je nou een T-shirt mag dragen of niet het gaat om je patch.

Ook gebruikt de Hells Angels Haarlem de ‘ball been hammer’ (bolhamer) als symbool. Dit symbool is bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt. Op de motor van [P.B.] is een ‘ball peen hammer’ aangetroffen.

Dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd – en daarmee indirect wordt aangemoedigd – blijkt ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, de zogenaamde Big House Crew. Op 23 juli 2016 vindt een inzameling plaats voor [L.R.] die op dat moment gedetineerd zit. In dat verband wijst het hof ook op de uitlatingen van [L.R.] tijdens de clubvergadering op 16 september 2016: “we moeten wel aan de toekomst denken en (…) laten we hopen van niet maar ik ken vast komen, hij ken vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren dan ken je ook vast komen”, “We kennen allemaal vastkomen” en “dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen maar als er twee of drie man vast zitten dan heb je een fucking probleem.” Op diezelfde clubvergadering zegt [L.R.] : “Hee als justitie zijn shit beter had geregeld en van der Valk betere camera’s had gehad ja? Dan had hij vast gezeten, had hij vast gezeten, had hij vast gezeten en had ik vast gezeten ja?

De acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels blijkt naar het oordeel van het hof eveneens uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling is dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praten. Dit volgt allereerst uit regel 12 van de clubregels van de Hells Angels Haarlem: “Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht.” Op een muur in het clubhuis staat ook groot de tekst ‘omerta (hof: de geheimhoudingsplicht/zwijgplicht)’ geschilderd. Na de aanhouding van leden van de Hells Angels Haarlem op 26 januari 2017 fluistert [J.B.] in de arrestantenbus: “zwijgen ... met alles

Tevens wordt op de clubvergadering van 16 september 2016 gesproken over het ‘sweepen van het clubhuis’, waarna [L.R.] zegt: “je moet hier gewoon niet domme dingen lullen” en “we zitten allemaal van hier niet praten en daar niet praten als er echt wat te bespreken, wat we echt niet willen gaan we weg. Gaan we ergens anders heen simpel zat. Die dagelijkse dingen en die club dingen daar kennen we gewoon over praten.” Tijdens een andere clubvergadering wordt [T.C.] aangesproken dat hij zijn telefoon moet weggooien en een nieuw nummer moet nemen, omdat ‘ze alles terug kunnen halen’. Ten slotte blijkt ook uit een afgeluisterd gesprek van [T.P.] dat hij, wanneer een vrouw contact met hem zoekt die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen te hebben gestolen vanuit het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem, niet wil dat dit soort dingen over de telefoon wordt besproken.

C. Misdrijven

Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat leden van de Hells Angels Haarlem zich in de tenlastegelegde periode schuldig hebben gemaakt aan het plegen van misdrijven, die naar het oordeel van het hof rechtstreeks verband houden met het charter. Het hof maakt daarbij een onderscheid tussen delicten waarbij sprake is van (fysieke en/of verbale) intimidatie en feiten die verband houden met wapenbezit.

Afpersing, dwang, bedreiging en mishandeling

Het hof leidt uit het dossier af dat een aantal strafbare feiten zijn gepleegd jegens personen omdat zij lid zijn van een andere motorclub dan wel omdat concurrentie van andere motorclubs niet wordt geduld. De verhouding tussen de Hells Angels Haarlem en andere motorclubs komt onder meer een aantal keer ter sprake tijdens de clubvergadering van 16 september 2016. Zo zegt [R.H.] : “wij kwamen er een paar weken geleden een tegen he? Ik dacht eerst No Surrender, ik rij de benzine pomp op, ik had bijna me stuur verbogen want er zaten een paar andere gasten, zat daar een Satu..” Ook [L.R.] zegt: “Onze club is het belangrijkste wij moeten met elkaar door een deur kennen en waarom moet je handjes schudden met Satudarah” en “ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kanker honden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding die we hebben en wij kennen gewoon zeggen van luister als er geflikkerd word met die Satudarah’s, Bandidos, No Surender, Mongols, Outlaws die hele kanker zooi als Holland daar voor is dan krijgen we net als vorige keer gewoon weer tweestrijd”.

In zaaksdossier C-02 Alt is getuige [H.B.] in zijn café door zes leden van de Hells Angels in full colours gedwongen om zijn No Surrender-vest af te geven. De Hells Angels hebben [H.B.] duidelijk gemaakt dat ze geen No Surrender in Haarlem willen. Toen [H.B.] zijn lidmaatschap bij No Surrender niet had beëindigd, zoals hem door [L.R.] en [R.H.] was opgedragen, is hij in hun bijzijn geslagen.

In dossier C-13 Vuurduin is getuige [A.A.] , lid van de motorclub Satudarah, mishandeld door [F.L.] . Volgens een getuige werd er ook ‘tering Satudarah’ geroepen. Na dit voorval is er contact tussen [R.H.] , als ‘sergeant at arms’ van de Hells Angels Haarlem, en de ‘national sergeant’ van Satudarah.

Getuige [R.K.] , lid van No Surrender, wordt in zaaksdossier C-15 Martini (met voorbedachte raad) mishandeld door [R.H.] . Deze mishandeling vindt plaats vlak nadat [R.H.] door [getuige J.M.] op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een lid van No Surrender ziet rijden.

Ten slotte blijkt uit de zaaksdossiers C-04 Begles, C-05 Bornrif, C-07 Stereo en C-08 Kasteel dat [L.R.] tweemaal opdracht gegeven heeft tot brandstichting bij sporthal [naam] in Hoogwoud. Bij een van die brandstichtingen heeft hij de opdracht daartoe via [S.P.] aan [F.L.] gegeven, die voor de verdere uitvoering moest zorgdragen. [L.R.] heeft ook op verschillende momenten dreigberichten naar [J.K.] , de eigenaar van sporthal [naam] , verstuurd. Door middel van deze dreigberichten en brandstichtingen heeft [L.R.] [J.K.] geprobeerd te dwingen om de jaarlijks georganiseerde choppershow van de motorclub Rogues MC geen doorgang te laten vinden.

Tevens hebben een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen personen die (voorheen) gelieerd waren aan de Hells Angels Haarlem.

Toen de getuige [W.P.] als hangaround bij de Hells Angels Haarlem wilde stoppen, is geprobeerd hem met geweld en bedreiging met geweld te dwingen zijn motor af te geven, waarbij [F.L.] [W.P.] een klap in het gezicht heeft gegeven (zaaksdossier C-14 Uitkijk).

Ook [C.H.] is door [L.R.] en [R.H.] afgeperst (zaaksdossier C-18 Wester). [C.H.] was lid van Alcatraz Wanted, een supportclub van Hells Angels Haarlem, en had – in de ogen van [L.R.] en [R.H.] – nagelaten een envelop met ingezameld geld te bezorgen bij de vrouw van een gedetineerd lid van Alcatraz Wanted. [L.R.] en [R.H.] hebben daarin aanleiding gezien om aan [C.H.] als lid van een supportclub een boete op te leggen. [C.H.] moest om die reden een aantal keren naar het clubhuis komen, waar hij tevens klappen heeft gehad van [L.R.] en [R.H.] .

Tenslotte hebben ook een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen willekeurige personen.

Uit het dossier blijkt dat [F.L.] [M.N.] heeft mishandeld, nadat hij eerder heeft geprobeerd hem te dwingen tot afgifte van een geldbedrag (zaaksdossier C-16 Westpoint). In de afgeluisterde telefoongesprekken verwijst [F.L.] naar de Hells Angels en dat de club ermee gemoeid is. Tevens blijkt daaruit dat [F.L.] zich na de mishandeling van [M.N.] moet melden in Haarlem. Ten overvloede merkt het hof op dat uit het dossier nog blijkt dat wanneer [F.L.] erachter komt dat de getuige bij een andere motorclub zit, hij het helemaal een legitieme reden vindt en dat er dan helemaal op hem gejaagd gaat worden.

Voorts blijkt uit het zaaksdossier C-17 Millennium dat [R.H.] en [L.R.] [S.W.] hebben afgeperst door hem met bedreiging met geweld te dwingen tot de afgifte van

€ 10.000,-. Uit gesprekken in het dossier blijkt dat deze beslissing er lag en dat [R.H.] en [L.R.] hieraan uitvoering hebben gegeven.

Ten slotte is de getuige [B.D.] door [R.H.] en [L.R.] gedwongen om zijn tattooshop in Haarlem te sluiten. Alhoewel [R.H.] en [L.R.] voor dit zaaksdossier (C-01 Budel) zijn vrijgesproken, nu het sluiten van de tattooshop door [B.D.] niet in de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden, blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat de getuige zich door de mededelingen van [L.R.] en [R.H.] , namelijk dat ze niet blij waren met de terugkomst van [B.D.] in Haarlem en dat hij maar beter kon stoppen met zijn pas geopende tattooshop, genoodzaakt heeft gevoeld zijn tattooshop te sluiten.

Wapens en munitie

[L.R.] en [F.L.] hebben in het clubhuis van de Hells Angels Haarlem een vuurwapen en een geluiddemper voorhanden gehad (zaaksdossier C-19 Boor). Uit het dossier blijkt dat met dit wapen is geschoten, gelet op de kogel die in de openhaard van het clubhuis is aangetroffen.

Conclusie met betrekking tot het oogmerk

Het hof constateert dat de Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie hebben en dat het plegen van strafbare feiten wordt aangemoedigd en beloond. Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen in het dossier is tevens gebleken dat door de leden van de Hells Angels Haarlem

strafbare feiten worden gepleegd uit naam van het charter en niet, zoals door de verdediging betoogd, op persoonlijke titel.

Om die reden komt het hof tot de conclusie dat de organisatie een oogmerk heeft gericht op het plegen van misdrijven, namelijk openlijke geweldpleging, brandstichting, dwang, bedreiging, (zware) mishandeling (met voorbedachte raad en van ambtenaren), afpersing en overtreding van de Wet wapens en munitie. Het hof acht onvoldoende bewijs aanwezig met betrekking tot het oogmerk ten aanzien van de overige tenlastegelegde misdrijven.

Deelneming

Beoordelingskader

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én als de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr bedoelde oogmerk.

Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 lid 1 Sr ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten.

De Stichting

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 13 juni 2016 betreffende de Stichting blijkt dat de statutaire naam is: Stichting [naam] . Het bezoekadres is [adres] te [vestigingsplaats] . De datum van oprichting is 19 november 1979. Activiteiten zijn: auto- en motorsport, motorsportverenigingen. [J.B.] is voorzitter en gezamenlijk bevoegd met [A.S.] , secretaris. Het adres van [A.S.] is in [woonplaats] . De Stichting is eigenaar van het pand [adres] te [vestigingsplaats] .

Handelingen

Uit de feitelijke gang van zaken leidt het hof af, dat de Stichting het pand [adres] te [vestigingsplaats] beschikbaar stelt aan de leden van het charter Hells Angels Haarlem, teneinde dit als clubhuis te gebruiken. Niet gebleken is dat het charter een vergoeding betaalt voor het gebruik van het pand.

De Stichting beschikt over diverse bankrekeningen, waaronder een ‘bestuurrekening’. De tenaamstelling van deze rekening is: ‘ Stichting [naam] t.a.v. de heer [J.B.] ’. De rekening wordt gevoed door contante stortingen. Van deze rekening worden de betalingen voor vaste lasten van het pand [adres] te [vestigingsplaats] gedaan, zoals UPC (communicatie), gemeentebelasting en NUON (GWL). Door [J.B.] is ter terechtzitting van het hof verklaard dat de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald uit de contributie van de leden van het charter Hells Angels Haarlem. Ook worden vanaf deze rekening bedragen overgemaakt voor verschillende personen in verschillende PI’s, waaronder [T.C.] en [L.R.] . Gebleken is dat binnen het charter Haarlem geld wordt ingezameld voor gedetineerde leden. Bij een overschrijving van 10 augustus 2015 naar PI Zwaag, bedoeld voor [L.R.] , staat vermeld: “broer ik mis je!!! Hou vol!!!”.

Wie heeft de handelingen namens de Stichting verricht?

Het hof overweegt als volgt. [J.B.] is full colour member van het charter Hells Angels Haarlem. [A.S.] is dit in het verleden geweest maar is, zoals hij ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 maart 2018 heeft verklaard, sinds 6 of 7 jaar weg uit Haarlem en daarna lid geworden van [motorclub] in Limburg. Het hof overweegt dat [A.S.] weliswaar heeft verklaard dat hij nog contact met [J.B.] heeft en met hem spreekt over de financiële zaken en het onderhoud van het clubhuis, maar dat niet is gebleken van een directe bemoeienis van [A.S.] bij de dagelijkse gang van zaken binnen de Stichting . [F.L.] heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat hij als ‘treasurer’ (penningmeester) van het charter Hells Angels Haarlem de gas- water- en lichtrekeningen betaalt. Evenwel vermeldt de tenaamstelling van de rekening waarmee deze betalingen worden gedaan de naam van [J.B.] en is [J.B.] als bestuurder bevoegd. Het hof merkt [J.B.] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook aan als (mede)pleger van de hiervoor omschreven namens de Stichting verrichtte handelingen.

Kan dit handelen de Stichting worden toegerekend?

Beoordelingskader

Het hof stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede is begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.

Het opzet van een rechtspersoon kan afgeleid worden uit het opzet van de namens de rechtspersoon optredende natuurlijke persoon, maar ook uit bijvoorbeeld het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Beoordeling door het hof

Het hof heeft hiervoor al overwogen dat [J.B.] voorzitter van de Stichting is. Naar het oordeel van het hof passen de gedragingen van [J.B.] ook in de sfeer van de Stichting . Daartoe overweegt het hof dat van geen andere wezenlijke activiteit van de Stichting is gebleken dan het in eigendom houden en ter beschikking stellen van het clubhuis en het betalen van de vaste lasten daarvoor, alsmede het betalen aan gedetineerde leden van het charter Haarlem. De gedragingen van [J.B.] namens de Stichting zijn de Stichting ook dienstig, terwijl de Stichting er voorts over mocht beschikken of de gedragingen al dan niet zouden plaatsvinden.

Het hof is dan ook van oordeel dat de gedragingen redelijkerwijs aan de Stichting kunnen worden toegerekend.

Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen?

Naar het oordeel van het hof heeft de Stichting met de hiervoor beschreven handelingen bijgedragen aan/ondersteund het criminele oogmerk van de Hells Angels Haarlem. Het pand dat zij ter beschikking stelt als clubhuis vormt immers het hart van het charter Hells Angels Haarlem. Dit clubhuis is een bolwerk van symbolen die in relatie staan tot het criminele oogmerk van de organisatie. Hier wordt door de leden vergaderd over (te plegen) strafbare feiten, is/zijn (een) wapen(s) aanwezig en wordt geld ingezameld voor gedetineerde leden. De Stichting betaalt de voorzieningen en andere vaste lasten voor dit clubhuis en ondersteunt gedetineerde leden van het charter financieel.

Conclusie met betrekking tot wetenschap

In feite komt het erop neer, dat er een grote verwevenheid is tussen de Stichting [naam] en het charter Hells Angels Haarlem. Gelet op al de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de Stichting weet heeft van het criminele oogmerk van de organisatie. De stelling van de verdediging dat vastgesteld dient te worden dat (ook) het andere bestuurslid [A.S.] weet heeft van dit criminele oogmerk, vindt geen steun in het recht.

Eindconclusie

Het tenlastegelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[ZD C-27: Deelneming aan een criminele organisatie met geweldsoogmerk]

zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 te Haarlem en elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie,

welke organisatie bestond uit

- verdachte, en

- Hells Angels, charter Haarlem (gevormd door: [L.R.] en [R.H.] en [F.L.] en [M.B.] en [S.V.] en [P.B.] en [T.C.] en [T.P.] en [J.B.] ) en

- [S.P.] ,

welke organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, te weten één of meer misdrijven omschreven in:

- artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen) en

- artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk brand stichten of een ontploffing te weeg brengen) en

- artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht (een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of bedreiging met enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen een derde wederrechtelijk dwingen iets te doen of niet te doen of te dulden) en

- artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling of brandstichting) en

- artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) en

- artikel 301 van het Wetboek van Strafrecht (mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en

- artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en

- artikel 303 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en

- artikel 304 aanhef en onder sub 2 van het wetboek van strafrecht (mishandeling, mishandeling met voorbedachte raad en/of zware mishandeling van een of meer ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn / hun bediening) en

- artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (afpersing) en

- artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie (voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie van de categorie(ën) II en III van de Wet wapens en munitie).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De strafoplegging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte geen hoofdstraf in de vorm van een geldboete dient te worden opgelegd, maar dat het gehele clubhuis dient te worden verbeurdverklaard. De advocaat-generaal heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het clubhuis is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het clubhuis toebehoort aan de Stichting en kan worden gezien als een voorwerp met betrekking tot en/of met behulp waarmee het feit is begaan of voorbereid. Daarnaast is het verbeurdverklaren een passende sanctie en niet onredelijk. Daartoe heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat in artikel 23, lid 7, Sr is bepaald dat aan een rechtspersoon een boete in de naast hogere categorie kan worden opgelegd, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat. Die naast hogere categorie is voor overtreding van het bepaalde in artikel 140 Sr de 6e categorie, die ten tijde van het begaan van het misdrijf een bedrag van € 670.000,00 als maximum had.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit aan de verdachte – ingeval van een bewezenverklaring – een hoofdstraf, zijnde een geldboete van maximaal € 27.000,00, waarvan

€ 6.750,00 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, op te leggen, nu daarmee rekening wordt gehouden met de omstandigheden en belangen van de verdachte. Toepassing van artikel 23, zevende lid, Sr, inhoudende dat geen passende bestraffing mogelijk is, is niet aan de orde.

De verdachte zou bij een verbeurdverklaring buitenproportioneel en onevenredig zwaar gestraft worden. Subsidiair heeft zij verzocht bij een verbeurdverklaring de compensatiebevoegdheid van artikel 33c Sr toe te passen. Ten aanzien van de overige in het clubhuis inbeslaggenomen goederen heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt.

Beoordeling door het hof

In het kader van de strafoplegging heeft het hof gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde.

Het hof zal geen hoofdstraf opleggen omdat het zal komen tot oplegging van de bijkomende straf van verbeurdverklaring van het clubhuis. Hiermee wordt naar het oordeel van het hof recht gedaan aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit. Met betrekking tot deze verbeurdverklaring overweegt het hof het volgende.

Bijkomende straf: verbeurdverklaring pand Baljuwslaan 23 te Haarlem

Vatbaar voor verbeurdverklaring

Onder de Stichting [naam] is het pand waar zij eigenaar van is, de [adres] te [vestigingsplaats] , in beslag genomen.

De Stichting was als rechtspersoon onderdeel van de criminele organisatie, die verder bestond uit de members van het charter van de Hells Angels Haarlem en [S.P.] . De Stichting stelde als rechtspersoon het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] ter beschikking aan de leden van het charter Haarlem. Het clubhuis was al jaren hypotheekvrij en de leden van het charter betaalden de vaste lasten via de rekening van de Stichting , ze hoefden voor het gebruik van het clubhuis verder geen huur of een andere vergoeding te betalen. De Stichting had door het ter beschikking stellen van een pand waarin de clubactiviteiten plaatsvonden een belangrijke rol als onderdeel van de criminele organisatie.

Het hof heeft hiervoor geconcludeerd dat de Stichting en het charter Hells Angels Haarlem zodanig met elkaar zijn verweven dat de Stichting – via haar bestuurder [J.B.] – weet heeft van het criminele oogmerk van de organisatie. Daarmee heeft de Stichting het plegen van misdrijven door de (individuele leden van de) Hells Angels Haarlem gefaciliteerd. In het clubhuis werd over gepleegde misdrijven gesproken en zijn misdrijven gepleegd, zoals het voorhanden hebben van een vuurwapen waar tevens mee is geschoten in het clubhuis (zaaksdossier C-19 Boor) en de afpersing van [C.H.] (zaaksdossier C-18 Wester).

Het clubhuis – overigens volledig geschilderd in de kleuren (rood-wit) van de Hells Angels en met vermelding van ’81’ (de achtste letter ‘H’ en de eerste letter ‘A’ in het alfabet) in het patroon van de dakpannen op het clubhuis – was daarnaast de ontmoetingsplaats van de Hells Angels Haarlem en had een centrale plaats in de (criminele) organisatie. Het laatste kwam onder andere tot uitdrukking in het bewaken – door middel van wachtlopen – van het clubhuis en het gegeven dat de vergaderingen van de ‘full members’ plaatsvonden op het clubhuis.

Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde feit met behulp van het clubhuis is begaan. Het clubhuis is in eigendom bij de Stichting [naam] en is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Stichting onevenredig getroffen?

Bij verbeurdverklaring dient op grond van artikel 33 Sr in verbinding met artikel 24 Sr rekening te worden gehouden met de draagkracht van de verdachte in de mate waarin dat nodig is met het oog op een passende bestraffing van de verdachte zonder dat deze in zijn inkomen en vermogen onevenredig wordt getroffen.

Het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] is recent getaxeerd op een bedrag van € 485.000,- en is vrij van hypotheek. Het taxatierapport van 13 januari 2021 bevindt zich bij de stukken.

De verdediging heeft gesteld dat indien het clubhuis verbeurd wordt verklaard, dit met zich brengt dat de Stichting door de verbeurdverklaring onevenredig zwaar wordt getroffen en dat de Stichting daarom een geldelijke compensatie toekomt gelet op het bepaalde in artikel 33c Sr.

Op grond van artikel 33c Sr kent de rechter een geldelijke tegemoetkoming toe indien dat nodig is om te voorkomen dat degene aan wie de verbeurdverklaarde voorwerpen toebehoren, door die verbeurdverklaring onevenredig zou worden getroffen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de vraag of de eigenaar van het voorwerp door – in dat geval – de onttrekking aan het verkeer

van zijn eigendom onevenredig wordt getroffen wanneer hem geen geldelijke tegemoetkoming wordt toegekend, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede eventueel voordeel dat de Staat na de verbeurdverklaring met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt (HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156 en 19 februari 2019, NJ 2019/329).

Het hof stelt bij de beoordeling of de Stichting onevenredig zwaar wordt getroffen bij verbeurdverklaring zonder geldelijke tegemoetkoming, het volgende voorop. Indien een hoofdstraf zou worden opgelegd dan zou oplegging van een hoge geldboete, gelet op de rol van de Stichting in de criminele organisatie en de deelname daaraan in een periode van twee jaar en acht maanden, zonder meer gerechtvaardigd zijn. De geldboete die maximaal is voorzien in artikel 140 Sr is een geldboete van de 5e categorie (ten tijde van het feit € 82.000,-). Het hof volgt de advocaat-generaal niet in haar standpunt dat deze maximale geldboete bij de Stichting geen passende bestraffing zou kunnen vormen.

Het hof is vervolgens met de verdediging van oordeel dat, gezien de discrepantie tussen de getaxeerde waarde van het clubhuis en de maximaal mogelijke geldboete, de Stichting onevenredig zou worden getroffen door verbeurdverklaring en om die reden toepassing moet worden gegeven aan artikel 33c, eerste lid, Sr. Het hof acht in dit geval een bedrag van € 80.000,- een maximaal aanvaardbaar redelijk bedrag waarmee de Stichting in haar vermogen wordt getroffen.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het clubhuis aan de [adres] te [vestigingsplaats] verbeurd dient te worden verklaard. Het hof zal daarbij bevelen dat in het geval het verbeurdverklaarde clubhuis meer opbrengt dan € 80.000,- het verschil moet worden vergoed aan de Stichting [naam] .

Verbeurdverklaring overige voorwerpen

Ten aanzien van de overige in de zaak van de verdachte in beslaggenomen voorwerpen oordeelt het hof overeenkomstig het oordeel van de rechtbank. Het hof heeft niet kunnen vaststellen aan wie deze voorwerpen toebehoren. Het betreft hier voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan, dan wel die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd.

Vermogensmaatregel

Onttrekking aan het verkeer

Het hof is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten,

- Verborgen mes (IBN code BAL23.01.03.001);

- Machette in groen hes (IBN code BAL23.01.06.001);

- Bal Peen Hamer op standaard (IBN code BAL23.01.06.002);

- Klap bajonet (IBN code BAL23.04.01.002);

- Manchette met foedraal (IBN code BAL23.04.07.001);

- Bajonet (IBN code BAL23.04.07.002);

- Vlindermes (IBN code BAL23.04.08.002);

- Groot mes (IBN code BAL23.04.10.001);

- Herbertz- battle sword (IBN code BAL23.04.10.002);

- 1 goudkleurige kogel met treksporen (IBN code BAL23.01.01.01),

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Die voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door haar begane feit. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan en tevens is het ongecontroleerde bezit ervan in strijd met de wet of het algemeen belang.

De ‘gele tas met versnijdingsmiddelen VeDoMi (IBN code BAL23.01.01.001)’ wordt onttrokken aan het verkeer op grond van artikel 13a Opiumwet, nu in deze tas items zijn aangetroffen met sporen van cocaïne.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 33c, 36b, 36c en 140 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a Opiumwet.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Clubhuis Hells Angels ( [adres] te [vestigingsplaats] ), eigendom van de Stichting [naam] , beslag betekend d.d. 30-01-2017;

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.03.02.002);

- Mes uit leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.03.02.00);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.03.02.004);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.03.02.006);

- Grote hamer met een pin aan de achterkant (IBN code BAL23.03.03.001);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.02.001);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.02.002);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.02.003);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.03.001);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.03.002);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.03.003);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.04.03.004);

- Kogelwerend vest (IBN code BAL23.04.03.005);

- Leren vest van Hells Angels (lBN code BAL23.04.03.006);

- Bal peen Hammer (IBN code BAL23.04.08.001);

- Leren vest van Hells Angels (IBN code BAL23.07.01.002).

Beveelt dat de netto-opbrengst van het verbeurd verklaarde clubhuis aan de [adres] te [vestigingsplaats] na aftrek van een bedrag van € 80.000,- aan de Stichting wordt uitbetaald.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- Verborgen mes (IBN code BAL23.01.03.001);

- Machette in groen hes (IBN code BAL23.01.06.001);

- Bal Peen Hamer op standaard (IBN code BAL23.01.06.002);

- Klap bajonet (IBN code BAL23.04.01.002);

- Manchette met foedraal (IBN code BAL23.04.07.001);

- Bajonet (IBN code BAL23.04.07.002);

- Vlindermes (IBN code BAL23.04.08.002);

- Groot mes (IBN code BAL23.04.10.001);

- Herbertz- battle sword (IBN code BAL23.04.10.002);

- 1 goudkleurige kogel met treksporen (IBN code BAL23.01.01.01);

- Gele tas met versnijdingsmiddelen VeDoMi (IBN code BAL23.01.01.001).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Plaisier en mr. C. Fetter, in tegenwoordigheid van

mr. D. Boessenkool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

10 maart 2021.