Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:618

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-03-2021
Datum publicatie
22-03-2021
Zaaknummer
200.280.918/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

bijstandsverhaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 2 maart 2021

Zaaknummer: 200.280.918/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/680199/FA RK 20-920

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.J. van Rooij te Haarlem,

tegen

Gemeente Amsterdam,

zetelende te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gemeente.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

De man is op 20 juli 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 mei 2020 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

1.2

De gemeente heeft op 9 oktober 2020 een verweerschrift ingediend.

1.3

De zaak is op 15 januari 2021 ter terechtzitting behandeld. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de gemeente, vertegenwoordigd door B. Heidbuurt en mr. E.W. van Hooijdonk.

2.De feiten

2.1.

De man is [in] 2019 gehuwd met [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw). De vrouw heeft op 27 september 2019 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt.

2.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren [in] 2015;

- [kind 2] , geboren [in] 2017;

- [kind 3] , geboren [in] 2017;

hierna tezamen te noemen: de kinderen of de minderjarigen.

2.3

De gemeente verleent met ingang van 3 augustus 2019 een uitkering ingevolge de Participatiewet aan de vrouw, mede ten behoeve van de minderjarigen, naar de norm van alleenstaande ouders.

2.4

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft de gemeente de man – als onderhoudsplichtige jegens de vrouw en de kinderen – verzocht informatie te verstrekken over zijn inkomsten en uitgaven teneinde de gemeente in de gelegenheid te stellen te bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, de man een verhaalsbijdrage moet betalen.

2.5

Bij verhaalsbesluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente van 3 december 2019 is het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag met ingang van 1 december 2019 vastgesteld op € 712,- per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1

Bij de bestreden beschikking is, op het daartoe strekkende verzoek van de gemeente, bepaald dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de vrouw en de minderjarigen met ingang van 1 december 2019 € 712,- per maand aan de gemeente dient te betalen.

3.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de verhaalsbijdrage met ingang van 1 december 2019 tot 1 mei 2020 te bepalen op € 265,- per maand en vanaf 1 mei

2020 op nihil te bepalen.

3.3

De gemeente verzoekt het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans de verhaalsbijdrage over de periode van 1 december 2019 tot en met 30 april 2020 niet lager te bepalen dan op een bedrag van € 2.640,- en vanaf 1 mei 2020 op nihil, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.Beoordeling van het hoger beroep

Ingangsdatum en periode

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de verhaalsbijdrage met ingang van 1 mei 2020 op nihil dient te worden bepaald, zodat het hof aldus zal beslissen.

4.2

Evenmin is tussen partijen in geschil dat de man over de periode van 1 december 2019 tot 1 mei 2020 een verhaalsbijdrage dient te voldoen. Zij verschillen echter van mening over de hoogte van de te betalen verhaalsbijdrage. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij een verhaalsbijdrage van € 712,- per maand dient te voldoen, in welk verband hij aanvoert dat de gemeente is uitgegaan van geen dan wel onjuiste financiële gegevens. Volgens de man blijkt uit de in de onderhavige procedure overgelegde berekening dat hij in staat is om gedurende bedoelde periode een kinderalimentatie van € 265,- per maand te voldoen en dat hij daarnaast geen draagkracht heeft om een partneralimentatie te voldoen. De gemeente kan zich niet vinden in het door de man gestelde netto besteedbaar inkomen en de door de man gestelde behoefte van de kinderen, de zorgkorting en de draagkracht van de man wat betreft de kinder- en partneralimentatie. Op deze geschilpunten wordt in het navolgende ingegaan.

4.3

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

Kinderalimentatie

Behoefte kinderen

4.4

Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt, en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vast. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep zijn partijen het erover eens dat het in de jaaropgave 2019 van [X] B.V. vermelde inkomen voor de berekening van de behoefte van de kinderen als uitgangspunt moet worden genomen. Het hof berekent het netto besteedbaar inkomen van de man op basis van het in die jaaropgave vermelde fiscaal loon van € 30.044,- op € 2.023,- per maand, daarbij rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Niet in geschil is dat de vrouw tijdens het huwelijk geen inkomsten heeft genoten. Uitgaande van voormeld NBI, bedroeg het kindgebonden budget tijdens het huwelijk € 153,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen wordt op € 2.176,- per maand vastgesteld. Uitgaande van genoemde NIBUD tabellen (op basis van drie kinderen en 12 punten) berekent het hof het eigen aandeel van de ouders (de behoefte) op basis van de tabel 2019 op € 476,- per maand (€ 159,- per kind per maand).

Draagkracht man en vrouw

4.5

Nu de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, heeft zij geen draagkracht om bij te dragen in de behoefte van de kinderen en dient de man volledig te voorzien in hun behoefte voor zover zijn draagkracht dat toelaat.

4.6

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof zijn NBI tot uitgangspunt nemen. Zoals hiervoor vermeld bedraagt het NBI van de man op basis van het inkomen volgens de jaaropgave 2019 € 2.023,- per maand. De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de in 2019 geldende formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 950,-)] bij een netto besteedbaar inkomen hoger dan € 1.625,- per maand. Deze benadering houdt in dat het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 950,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Op grond van deze formule bedraagt de draagkracht van de man voor de betaling van kinderalimentatie € 326,- per maand.

Zorgkorting

4.7

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Partijen zijn het er blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep over eens dat een zorgkorting van 25% in aanmerking moet worden genomen. Omdat de behoefte van de kinderen € 476,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 119,- per maand. De ouders kunnen gezamenlijk niet in de behoefte van de kinderen voorzien, zodat het draagkrachttekort gelijkelijk zal worden verdeeld. Het tekort is € 150,- per maand (€ 476,- -/- € 326,-). De helft daarvan (€ 75,- per maand) wordt toegerekend aan de man. Dit betekent dat het hof zal uitgaan van een door de man te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 282,- per maand (€ 326,- -/- (€ 119,- -/- € 75,-).

4.8

Het hof heeft een berekening van het NBI van de man gemaakt. Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Partneralimentatie

4.9

Bij de beoordeling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende, aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- het in de jaaropgave 2019 vermelde fiscaal loon van € 30.044,-;

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van 60;

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- de premie zorgverzekering van € 125,- per maand, waarbij rekening wordt gehouden met het in de bijstandsnorm verdisconteerde bedrag;

- het verplicht eigen risico van € 32,- per maand;

- de kinderalimentatie van € 282,- per maand;

- de zorgkosten van € 119,- per maand.

4.10

Met de door de man opgevoerde verwervingskosten van € 105,- per maand houdt het hof geen rekening, nu gesteld noch gebleken is dat de door de man gemaakte kosten voor woon-werkverkeer de van zijn werkgever ontvangen vergoeding overstijgen.

4.11

De man voert daarnaast een woonlast van € 500,- per maand op. Nadat de man ter zitting in hoger beroep bewijs van recente huurbetalingen door hem aan zijn huidige partner had getoond en mondeling een toelichting had gegeven, heeft de gemeente - na aanvankelijk verweer te hebben gevoerd - ermee ingestemd dat met de opgevoerde woonlast rekening wordt gehouden. Het hof zal deze last daarom meenemen bij de berekening van de draagkracht van de man.

4.12

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof de man niet in staat om naast de door hem te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 282,- per maand een verhaalsbijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

4.13

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

4.14

Volgens de gemeente heeft de man, hoewel hij bij verhaalsbesluit van 3 december 2019 in kennis is gesteld van de door hem met ingang van 1 december 2019 te betalen verhaalsbijdrage, zonder overleg met de gemeente rechtstreeks gelden aan de vrouw betaald tot een totaalbedrag van € 515,-. De gemeente kan zich erin vinden dat dit bedrag in mindering wordt gebracht op de door de man te betalen verhaalsbijdrage. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemeente hieraan toegevoegd dat de man daarnaast uit hoofde van een beslaglegging op 25 september 2020 een bedrag van totaal € 812,- (€ 712,- + € 100,-) heeft voldaan, welk bedrag eveneens op de door hem te betalen verhaalsbijdrage in mindering kan worden gebracht.

Conclusie

4.15

Het voorgaande leidt ertoe dat de man over de periode van 1 december 2019 tot 1 mei 2020 thans nog een totaalbedrag van € 83,- aan de gemeente is verschuldigd ((5 x € 282,-) – € 515,- -/- € 812,-).

4.16

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens de vrouw en de minderjarigen aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage:

- over de periode van 1 december 2019 tot 1 mei 2020 op in totaal € 83,-;

- vanaf 1 mei 2020 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. C.M.J. Peters en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. L. Meulman als griffier en is op 2 maart 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.