Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:548

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
01-03-2021
Zaaknummer
23-003239-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal, bij strafoplegging rekening gehouden met ISD-traject verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003239-18

datum uitspraak: 19 januari 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 september 2018 in de strafzaak onder de parketnummers 13-160578-18, 13-702770-16 en 13-174857-15 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 januari 2021.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 12 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meerdere panty's en/of haarkleuringsmiddel en/of een zakje snoep en/of gezichtscreme, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [winkel 1] (filiaal [adres]) en/of de [winkel 2] (filiaal [adres]), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 augustus 2018 te Amsterdam panty’s, haarkleuringsmiddel, een zakje snoep en gezichtscrème die toebehoorden aan de [winkel 1] (filiaal [adres]) heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met een proeftijd van 3 jaren onder een aantal bijzondere voorwaarden.

De raadsvrouw van de verdachte bepleit dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Zij heeft zich hierbij niets gelegen laten liggen aan het eigendomsrecht van de winkelier. Winkeldiefstal zorgt niet alleen voor extra kosten bij de winkelier, maar ook voor veel overlast. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 december 2020 is de verdachte voorafgaand aan het onderhavige feit vele malen onherroepelijk veroordeeld voor diefstal, hetgeen sterk in haar nadeel weegt. Gelet hierop kan niet met een andere straf dan een vrijheidsbenemende worden volstaan. Op zich is de gevangenisstraf die de politierechter heeft opgelegd – voor de duur van twee weken – een passende.

Van belang is echter dat aan de verdachte bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2020 de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van 2 jaren is opgelegd. Uit het verhandelde ter terechtzitting en de informatie uit het verblijfsplan van de PI in Zwolle waar de verdachte verblijft, blijkt dat de verdachte in het ISD-traject in relatief korte tijd veel stappen heeft gezet om haar persoonlijke problematiek aan te pakken. Gelet op deze groei en in aanmerking genomen dat het ISD-traject nog geruime tijd zal duren en dat in dit kader zal worden getracht verder toe te werken naar een bestaan zonder recidive, is het hof de noodzaak niet gebleken om nog ná dit traject een reclasseringstoezicht aan de verdachte op te leggen zoals door de advocaat-generaal is gevorderd.

Gelet op het voorgaande zal het hof volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging (13-702770-16 en 13-174857-15)

Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van (i) de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2018 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken en (ii) de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof acht het, met de advocaat-generaal en de verdediging, niet wenselijk dat de verdachte na ommekomst van het ISD-traject geconfronteerd zal worden met verdere vrijheidsbeneming. Het hof wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging daarom af.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 29 augustus 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 februari 2018, parketnummer 13-702770-16, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 2 jaren.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Amsterdam van 29 augustus 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 december 2016, parketnummer 13-174857-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. H.A. van Eijk en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van L. Muyselaar, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 19 januari 2021.

De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat te ondertekenen.