Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:510

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
200.256.860/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verplichte collectieve pensioenverzekering; derdenbeding in uitvoeringsovereenkomst werkgever en pensioenverzekeraar (art. 6:253 en 6:254 lid 1 BW);

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2021-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.256.860/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 6070273 / CV EXPL 17-4531

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 februari 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. C.P.R.M. Dekker te Den Haag,

tegen

SRLEV N.V. handelend onder de naam Zwitser Leven,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en Zwitserleven genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 11 december 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 12 september 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser en Zwitserleven als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 16 december 2020 hun standpunten doen toelichten, [appellant] door mr. Dekker voornoemd en Zwitserleven door mr. W. van Heest, advocaat te Haarlem, beiden aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - zijn vorderingen zoals bij dagvaarding in eerste aanleg ingesteld zal toewijzen, met veroordeling van Zwitserleven in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

Zwitserleven heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van - zo zal zijn bedoeld - het hoger beroep.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stellingen.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 23 mei 2018 onder 2, 2.1 tot en met 2.12, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

Onder 3.1 volgt een opsomming van een aantal van die feiten aangevuld met wat verder voor de beoordeling relevant is en als vaststaand kan worden aangemerkt.

3 Beoordeling

3.1.1.

[appellant] is van 1 januari 1999 tot 31 december 2005 in dienst geweest van deurwaarderskantoor [X] B.V. (hierna: [X] ). [appellant] en [X] zijn daarbij overeengekomen dat [appellant] zou gaan deelnemen aan de (na te noemen) collectieve pensioenregeling van [X] .

3.1.2.

[X] is per 1 januari 1999 een collectieve pensioenverzekering aangegaan met Zwitserleven. Daartoe is een vanaf deze datum geldend pensioenreglement (hierna: het Reglement) opgemaakt dat onder meer inhoudt:

“(…)

Artikel 2 – Arbeidsvoorwaarden; deelnemingsplicht

(1)

Dit reglement maakt deel uit van de arbeidsvoorwaarden tussen de werkgever en de deelnemer.

De werkgever zorgt dat de deelnemers in het bezit worden gesteld van een (gewaarmerkt) exemplaar van het geldende reglement.

(…)

Artikel 3 – Pensioenrechten

(…)

Het verplichte onderdeel van de pensioenregeling is:

Een ouderdomspensioen ten behoeve van de deelnemer, met een dienstverband voor onbepaalde tijd en ingaande op de pensioenrichtdatum;

(…)

De keuzerechten omvatten:

a) premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid ten behoeve van de deelnemer;

(…)

Deze pensioenrechten worden verzekerd door middel van een beleggingsverzekering bij leven (…)

(…)

Artikel 4 – Financiering van de pensioenregeling

(1)

De financiering van de ter dekking van de pensioenrechten afgesloten verzekeringen geschiedt (…) door maandelijkse onttrekking van aan de verzekering toegewezen beleggingseenheden.

(…)

(3)

De deelnemer draagt 1/3 deel van de premie bij aan de kosten van de pensioenregeling. Het resterende deel van de premie is voor rekening van de werkgever.

(…)

Artikel 18 – Uitvoering van de pensioenregeling

De werkgever zal, ingevolge wettelijk voorschrift, ter uitvoering van de pensioenregeling, een contract met de verzekeraar sluiten en bij deze in stand houden.

Voor dit contract en de daaronder vallende verzekeringen gelden de verzekeringsvoorwaarden van de verzekeraar (…)

(…)”

3.1.3.

Het ter uitvoering van de pensioenregeling door [appellant] met Zwitserleven gesloten contract (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) houdt onder meer in:

“(…)

Artikel 1 – Grondslagen van de overeenkomst

(1)

Zwitserleven verplicht zich, ten behoeve van de personen, die deelnemen of deel zullen nemen aan de (pensioen)regeling van de werkgever, zoals omschreven in het aan deze overeenkomst gehechte pensioenreglement (in werking getreden op 1 januari 1999 en gedateerd 21 maart 2001) - nader te noemen “het Reglement” -, een individuele pensioenverzekering af te geven.

(…)

Artikel 7 – Investering in beleggingseenheden / Kostenstructuur

(1)

Elke premie wordt, na inhouding van een percentage ter dekking van eerste kosten en doorlopende kosten (…) geïnvesteerd in beleggingseenheden van Swiss Life Beleggingsfondsen.

(…)

(4)

De administratiekosten bedragen f 10,- per maand per polis.

(…)

(5)

De beheerkosten van de beleggingsfondsen, met uitzondering van het Swiss Life Maatschappijfonds, bedragen per jaar 0,5% van de beleggingswaarde in de Swiss Life Beleggingsfondsen. (…)

(6)

De maandelijkse kosten voor het overlijdens- en/of arbeidsongeschiktheidsrisico worden op basis van de als bijlagen bijgevoegde premietabellen vastgesteld.

(7)

De administratiekosten, de beheerkosten en de kosten voor het overlijdens- en/of arbeidsongeschiktheidsrisico zijn telkens op de eerste van een maand voor die maand verschuldigd en worden verrekend door onttrekking van aan de verzekering toegewezen beleggingseenheden en wel naar evenredigheid van de beleggingswaarde in elk fonds.

(…)

Artikel 11 – Duur overeenkomst (…)

Deze overeenkomst treedt per 1 januari 1999 in werking (…)

3.1.4.

[appellant] heeft zich met een door hem op 25 maart 1999 ondertekend aanmeldingsformulier bij Zwitserleven aangemeld als deelnemer aan de pensioenregeling. Op dat formulier is de keuze gemaakt voor 100% beleggen in het Swiss Life Mixfonds en voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

3.1.5.

[appellant] heeft in 2014 opgaaf gevraagd en gekregen van de bedragen die Zwitserleven in de loop der jaren op de premie heeft ingehouden. Daarbij is het volgens [appellant] van 1 mei 1999 tot 1 november 2014 per saldo om een bedrag van tenminste € 11.000,00 gegaan.

3.2.

[appellant] heeft bij de inleidende dagvaarding vorderingen ingesteld die in de kern ertoe strekken dat Zwitserleven wordt veroordeeld tot (terug)betaling van de inhoudingen ten belope van € 11.000,00, vermeerderd met daarover misgelopen rendement van gemiddeld 8% per jaar, althans de wettelijke rente, op grond van dwaling, toerekenbaar tekortschieten, onrechtmatige daad en/of de vernietigbaarheid van haar algemene voorwaarden. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat de inhoudingen niet met hem zijn overeengekomen, althans dat hij bij aanvang van de overeenkomst niet op de inhoudingen is gewezen of daarover is geïnformeerd. Verder heeft [appellant] een bedrag van € 885,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten, met rente, gevorderd.

3.3.

De kantonrechter heeft bij het tussenvonnis Zwitserleven toegelaten om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de vorderingen van [appellant] zijn verjaard. In het bestreden eindvonnis is Zwitserleven geslaagd geoordeeld in dat bewijs. De vordering is afgewezen.

3.4.

[appellant] is met acht grieven tegen de waardering door de kantonrechter van het door Zwitserleven bijgebrachte bewijs opgekomen en tegen de daarop gebaseerde afwijzing van zijn vorderingen. Het hof ziet aanleiding om de gegrondheid van de vordering van [appellant] inhoudelijk, dus afgezien van het door Zwitserleven gedane beroep op verjaring, te beoordelen.

3.5.

Niet in geschil is dat het hier om een verplichte collectieve pensioenregeling gaat als onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [appellant] . Evenmin is in geschil dat de voorwaarden van die regeling - waaronder die over kosten en inhoudingen - tussen [appellant] en Zwitserleven zijn overeengekomen en dat die voorwaarden zijn neergelegd in het Reglement en de Uitvoeringsovereenkomst en de daar genoemde algemene verzekeringsvoorwaarden van Zwitserleven.

3.6.

[appellant] heeft - als vastgesteld - zich door een aanmeldingsformulier bij Zwitserleven aangemeld voor een individuele pensioenverzekering. Op de voet van artikel 6:253 BW wordt [appellant] geacht het beding in artikel 1 onder (1) Uitvoeringsovereenkomst dat Zwitserleven verplicht om een individuele pensioenverzekering “af te geven” - oftewel om een individuele pensioenverzekering met hem te sluiten - te hebben aanvaard. Ingevolge artikel 6:254 lid 1 BW geldt [appellant] daarna als partij bij de Uitvoeringsovereenkomst en de daarin genoemde verzekeringsvoorwaarden van Zwitserleven en dus ook bij hetgeen daarin is afgesproken over kosten en inhoudingen. Daarop strandt zijn betoog dat de kosten en inhoudingen niet met hem zijn afgesproken.

3.7.

Vervolgens is het de vraag of [appellant] zich met succes erop kan beroepen dat hij op voorhand niet op de kosten is gewezen en daarover is geïnformeerd. Bij de beantwoording van die vraag wordt vooropgesteld dat de omvang van de kosten geen onderwerp is van het debat; [appellant] heeft zijn pijlen alleen gericht op het gegeven dat Zwitserleven hem kosten in rekening heeft gebracht. Gelet daarop kan zijn stelling dat hij niet op voorhand is gewezen op en is geïnformeerd over de kosten hem niet baten. Niet valt namelijk in te zien dat [appellant] in een andere positie zou hebben verkeerd als hij daar wel op voorhand op was gewezen en over was geïnformeerd. [appellant] was ingevolge zijn arbeidsovereenkomst met [appellant] immers verplicht om deel te nemen aan de pensioenregeling van Zwitserleven, terwijl hij door zijn aanmelding als deelnemer - als overwogen - partij is geworden bij de Uitvoeringsovereenkomst en bijbehorende voorwaarden met daarin de afspraken tussen [appellant] en Zwitserleven over de kosten. [appellant] was bij zijn aanmelding als deelnemer niet in de positie om daar iets aan te veranderen; die afspraken waren voor hem een gegeven waaraan hij op de voet van artikel 6:254 lid 1 BW van rechtswege was gebonden.

3.8.

Op het voorgaande moet een uitzondering worden gemaakt voor de kosten van de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid waar [appellant] in het inschrijvingsformulier voor heeft geopteerd. Dat betreft immers - anders dan het ouderdomspensioen waar het hiervoor over ging - geen verplicht onderdeel van de pensioenregeling. Daarbij gaat het echter onmiskenbaar om een verzekering, namelijk tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Het is een feit van algemene bekendheid, althans algemeen ervaringsfeit, dat een verzekering geld kost. [appellant] mag dus op voorhand met dat gegeven bekend worden verondersteld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het [appellant] ook in dit verband kennelijk niet te doen is om de omvang van de kosten maar louter om het feit dat kosten in rekening zijn gebracht. Overigens geldt ook voor het verplichte onderdeel van het ouderdomspensioen dat [appellant] als algemeen ervaringsfeit ermee bekend mag worden verondersteld dat er kosten mee zouden zijn gemoeid. Zwitserleven is geen charitatieve instelling en financiële diensten en producten als waar het hier om gaat - investeren van premiegelden en beheren van beleggingsfondsen - plegen geld te kosten. [appellant] had op voorhand bij zijn werkgever of Zwitserleven navraag kunnen doen als hij er meer van had willen weten. Als hij door dat niet te doen in de onjuiste veronderstelling is komen te verkeren dat zijn deelneming aan de pensioenregeling gratis was, treft hemzelf daarvan een verwijt.

3.9.

Op het voorgaande stranden de vorderingen van [appellant] op de grondslagen van dwaling, toerekenbaar tekortschieten en onrechtmatige daad. Het beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van Zwitserleven heeft evenmin succes. Dat is reeds niet het geval omdat de bedingen omtrent de kosten waar het [appellant] kennelijk om te doen is de kern van de prestatie van Zwitserleven aangeven en daarom niet kwalificeren als algemene voorwaarden die met een beroep op onredelijk bezwarendheid vernietigbaar zijn.

3.10.

De slotsom is dat de vorderingen van [appellant] op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn. De grieven, die alle betrekking hebben op het door de kantonrechter gehonoreerde beroep van Zwitserleven op verjaring, kunnen bij gebrek aan belang onbesproken blijven. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen stellingen zijn betrokken die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere uitkomst van de zaak. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt daarom van de hand gewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Zwitserleven begroot op € 741,- aan verschotten en € 2.148,00 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, R.J.M. Smit en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021.