Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:486

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.278.742/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2020:14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Notaris stelt beroep in tegen de beslissing van de kamer met betrekking tot de bekrachtiging van een ordemaatregel. De notaris stelt dat de kamer in de beslissing tot schorsing had moeten bepalen dat de notaris nog wel bevoegd zou zijn geweest tot het verrichten van werkzaamheden als ware hij een notarieel medewerker. Hof wijst beroepsgrond af en wijst naar zijn beslissing van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137). Het hof onderschrijft het oordeel van de kamer dat het door de voorzitter vastgestelde honorarium een gebruikelijk tarief betreft. Het betoog van de notaris over de wijze waarop de waarnemer invulling geeft aan de waarneming van het notarisambt, gaat – wat daar ook van zij- de reikwijdte van deze procedure, die een hoger beroep is tegen de beslissing waarbij de door de voorzitter getroffen ordemaatregel is bevestigd, te buiten. Hof bevestigt de beslissing van de kamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.278.742/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/368681/KL RK 20-44

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 maart 2021

inzake

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

appellant.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 22 mei 2020 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 24 april 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:14). De notaris heeft op 20 augustus 2020 zijn beroepschrift aangevuld.

1.2.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 januari 2021. De notaris is verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Bij beslissing van 2 april 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:13) heeft de voorzitter van de kamer (hierna: de voorzitter):

- de notaris op grond van artikel 106 lid 1 Wna met ingang van 10 april 2020 geschorst in zijn ambt van notaris voor de duur van de nog volgende rechtsgang tegen de beslissing van de kamer van 19 februari 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:7);

- [kandidaat-notaris] , kandidaat-notaris in [plaats] (hierna: de kandidaat-notaris) met ingang van 10 april 2020 benoemd tot waarnemer van het notarisambt van de notaris voor de duur van diens schorsing;

- het honorarium van de kandidaat-notaris voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris vastgesteld op een bedrag van € 150,- exclusief omzetbelasting;

- aan de kandidaat-notaris de bevoegdheid verleend voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris een notarieel jurist en/of een administratief medewerker in te schakelen;

- het honorarium voor de notarieel jurist vastgesteld op € 100,- per uur, exclusief omzetbelasting en het honorarium voor de administratief medewerker op € 50,- per uur, exclusief omzetbelasting;

- de kandidaat-notaris ontheven van de verplichtingen zoals vermeld in artikel 2 tot en met 4 van de Verordening overdracht protocol.

2.2.

Bij beslissing van 8 april 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:13) heeft de voorzitter bepaald dat in de beslissing van 2 april 2020 met betrekking tot het honorarium van de kandidaat-notaris voor zijn werkzaamheden als waarnemer van het notarisambt van de notaris voor ‘€ 150,- exclusief omzetbelasting’ moet worden gelezen ‘€ 150,- per uur exclusief omzetbelasting’.

2.3.

De notaris is in de gelegenheid geweest om zijn zienswijze op de opgelegde ordemaatregel kenbaar te maken van welke gelegenheid de notaris bij brief van 16 april 2020 aan de voorzitter gebruik heeft gemaakt.

2.4.

De kamer heeft bij de onder 1.1. genoemde beslissing de beslissingen van de voorzitter van 2 en 8 april 2020 bekrachtigd.

3 Standpunt van de notaris/beroepsgronden

Beroepsgrond 1

3.1.

De voorzitter heeft in zijn beslissingen de bijzondere omstandigheden op het kantoor van de notaris onvoldoende in zijn beslissing laten meewegen. In de beslissing tot schorsing had een bepaling moeten worden opgenomen dat de notaris nog wel bevoegd zou zijn geweest tot het verrichten van werkzaamheden als ware hij een notarieel medewerker.

Beroepsgrond 2

3.2.

De notaris heeft bezwaren over de wijze waarop de waarnemer invulling geeft aan zijn werkzaamheden en de hoogte van het door de voorzitter vastgestelde honorarium.

Beroepsgrond 3

3.3.

De voorzitter heeft onvoldoende aangegeven wat er van de waarnemer wordt verlangd. Zo is het niet duidelijk welke handelingen de waarnemer mag verrichten en welke handelingen niet.

4 Beoordeling

Beroepsgrond 1

4.1.

De notaris heeft naar voren gebracht dat, kort samengevat, als gevolg van ziekte en het overlijden van zijn naaste medewerker alsmede door zijn betrokkenheid bij een aantal juridische procedures het kantoorresultaat negatief is beïnvloed. De notaris stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheden hebben te gelden als bijzondere omstandigheden op grond waarvan de voorzitter in zijn beslissingen, in weerwil van hetgeen het hof in zijn beslissing van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:137) dienaangaande heeft overwogen, had moeten opnemen dat de notaris nog wel bevoegd zou zijn geweest om werkzaamheden te verrichten als ware hij een notarieel medewerker.

4.2.

Het hof is van oordeel dat deze beroepsgrond geen doel treft. De door de notaris aangevoerde omstandigheden, hoe ingrijpend voor de notaris ook, rechtvaardigen geen uitzondering op de onverkorte toepassing van de gedragsregels zoals neergelegd in de onder 4.1. genoemde beslissing van dit hof en de gevolgen die deze toepassing met zich brengt

Beroepsgrond 2

4.3.

De notaris heeft bezwaar tegen de wijze waarop de kandidaat-notaris invulling geeft aan de waarneming van zijn ambt. Zo is hij van oordeel, kort samengevat, dat de waarnemer tijdens kantoortijden onvoldoende op zijn kantoor aanwezig is en heeft hij bezwaar tegen het feit dat zijn waarnemer, aldus de notaris, zijn correspondentie niet voert op het briefpapier van de notaris. De notaris heeft daarnaast bezwaar tegen de vastgestelde honoraria.

4.4.

Het hof onderschrijft het oordeel van de kamer dat het door de voorzitter vastgestelde honorarium een gebruikelijk tarief betreft. Het betoog van de notaris over de wijze waarop de waarnemer invulling geeft aan de waarneming van het notarisambt, gaat – wat daar ook van zij- de reikwijdte van deze procedure, die een hoger beroep is tegen de beslissing waarbij de door de voorzitter getroffen ordemaatregel is bevestigd, te buiten. De kamer heeft terecht overwogen dat de notaris zich daarvoor tot de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: KNB) of het Bureau Financieel Toezicht moet wenden. Dit zijn de aangewezen instanties om klachten over vermeende onregelmatigheden door de waarnemer te onderzoeken.

Ook ten aanzien van de vastgestelde honoraria is het hof, met de kamer, van oordeel dat er geen reden is om van de door de voorzitter vastgestelde gangbare tarieven af te wijken. Beroepsgrond 2 is daarom ongegrond.

Beroepsgrond 3

4.5.

De notaris is van mening dat de voorzitter heeft nagelaten om duidelijk aan te geven wat er van de waarnemer mag worden verwacht en tot welke handelingen hij bevoegd is.

4.6.

Ook deze beroepsgrond faalt. Het systeem van de wet en het karakter van de waarneming brengt met zich mee dat het de taak van de waarnemer is om het ambt van de notaris waar te nemen en alle daartoe noodzakelijke werkzaamheden – waartoe hij dus ook bevoegd is - te vervullen.

5 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, C.H.M. van Altena en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021 door de rolraadsheer.