Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:485

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
200.275.653/01 NOT
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORARL:2020:7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Notaris stelt beroep in tegen de beslissing van de kamer waarbij de notaris ontzet is uit het ambt. Het BFT verwijt de notaris: a) zorgwekkende financiële situatie zowel privé als binnen kantoor, b) negatieve bewaringspositie, c) achterstand afwikkeling boedeldossiers, d) achterstand royementen. Klachten gegrond. Notaris dient in financiële zin voldoende weerbaar te zijn. Maatregel van ontzetting uit het ambt is passend en geboden. Hof bevestigt de beslissing van de kamer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.275.653/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/361179/KL RK 19-137

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 23 maart 2021

inzake

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

appellant,

tegen

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde, gemachtigde: [gemachtigde]

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: de notaris) heeft op 16 maart 2020 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 19 februari 2020 (ECLI:NL:TNORARL:2020:7).

1.2.

Appellant heeft op 22 mei 2020 en op 20 en 24 augustus 2020 een aanvullend beroepschrift ingediend.

1.3.

Het hof heeft op 9 juni 2020 een verweerschrift van het BFT (hierna ook: klager) ontvangen. Dit verweerschrift is op 24 juli 2020 door het BFT aangevuld.

1.4.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 7 januari 2021.

De notaris is verschenen. Namens het BFT is verschenen [gemachtigde] , vergezeld van [X] . Allen hebben het woord gevoerd; de notaris aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2 Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

Het BFT heeft ingevolge artikel 110 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) in de periode 27 mei 2019 tot en met 18 juni 2019 een onderzoek ingesteld bij de notaris.

2.2.

Lopende het onderzoek heeft de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) op 4 juli 2019 bij wijze van ordemaatregel ingevolge artikel 25b Wna een stille bewindvoerder naast de notaris benoemd (ECLI:NL:TNORARL:2019:50). Deze ordemaatregel is op 22 juli 2019 door de kamer bekrachtigd (ECLI:NL:TNORARL:2019:49). De notaris heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld.

2.3.

Het hof heeft op 19 mei 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1244) de beslissing van 22 juli 2019 van de kamer bevestigd.

2.4.

Het BFT heeft de bevindingen van zijn onderzoek neergelegd in een definitieve rapportage van 12 juli 2019. De uitkomst van dit onderzoek is voor het BFT aanleiding geweest om de voorliggende klacht in te dienen. De notaris is inmiddels gedefungeerd.

3 Standpunt van klager

Het BFT verwijt de notaris het volgende.

1. De notaris handelt in strijd met artikel 23 lid 1 Wna respectievelijk artikel 2 van de Administratieverordening. De financiële situatie van het kantoor van de notaris is zorgwekkend. De crediteurenadministratie is onvoldoende en door een negatieve kasliquiditeit zijn er betalingsachterstanden ontstaan.

2. De notaris handelt in strijd met artikel 23 lid 1 Wna omdat zijn privé financiële situatie eveneens zorgwekkend is, in het bijzonder de liquiditeitspositie.

3. De notaris handelt in strijd met artikel 23 lid 1 Wna in samenhang met artikel 13 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (hierna: Vbg) doordat er negatieve bewaringsposities zijn ontstaan.

4. De notaris handelt in strijd met artikel 17 Wna. Er zijn bij het onderzoek onzorgvuldigheden en achterstanden in de afwikkeling van nalatenschappen vastgesteld.

5. De notaris handelt in strijd met artikel 17 Wna en artikel 2 van het Reglement royementen. Er zijn achterstanden in het royeren van hypothecaire inschrijvingen vastgesteld.

4 Beoordeling

4.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van het BFT tegen de notaris op alle onderdelen gegrond verklaard en de notaris de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. Voorts heeft de kamer de notaris veroordeeld tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht door de kamer ad € 3.500,00, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Klachtonderdelen 1 en 2: de zorgwekkende financiële situatie op kantoor en privé .

4.2.

Gelet op hun onderlinge samenhang ziet het hof aanleiding om de klachtonderdelen 1 en 2 gezamenlijk te beoordelen.

4.3.

De kamer heeft in de bestreden beslissing, kort samengevat, het volgende overwogen. Met de door het BFT geconstateerde financiële positie van het kantoor handelt de notaris in strijd met artikel 23 lid 1 Wna en artikel 2 Administratieverordening. Door het gebrek aan kasliquiditeit heeft het notariskantoor per 31 maart 2019 en nadien betalingsachterstanden opgelopen bij meerdere schuldeisers. Door het ontbreken van een zogenaamde intra-comptabele crediteurenadministratie bestaat er bovendien geen volledig beeld van de nog te betalen crediteuren. Voor zijn uitgaven in privé is de notaris volledig afhankelijk van een positief resultaat van het kantoor. Dat laatste is al langdurig niet meer het geval waardoor ook privé sprake is van een zeer zorgelijke liquiditeitspositie. Ook hierdoor handelt de notaris in strijd met artikel 23 lid 1 Wna. De notaris heeft de zorgwekkende financiële situatie erkend. Hij wijt die mede aan de ziekte en het overlijden van zijn naaste medewerker en de kosten van een aantal procedures. De kamer heeft onderkend dat dit een grote impact op de notaris moet hebben gehad maar is van oordeel dat dit aan de eigen verantwoordelijkheid van de notaris voor een gezonde financiële situatie – zowel bedrijfsmatig als privé - niet af doet. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn daarom gegrond verklaard.

4.4.

De notaris heeft in zijn beroepschrift en tijdens het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van deze klachtonderdelen geen (relevante) beroepsgronden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof verenigt zich met het oordeel en de overwegingen van de kamer.

Klachtonderdeel 3 negatieve bewaringspositie

4.5.

Het BFT heeft ter onderbouwing van zijn klacht aangevoerd dat de notaris op 24 mei 2018 melding heeft gedaan bij het BFT van een negatieve bewaringspositie. Deze negatieve bewaringspositie was ontstaan als gevolg van een op 3 mei 2018 gemaakte fout in een nota van afrekening. Op 28 mei 2018 heeft de notaris melding gedaan bij het BFT dat de fout was hersteld en dat de bewaringspositie weer positief was. Het BFT heeft geconstateerd dat in februari en maart 2019 de bewaringspositie weer negatief was; in april en mei 2019 was er sprake van een licht positieve bewaringspositie. Gedurende de periode van bewind is er volgens de verklaring van de bewindvoerder geen sprake geweest van een negatieve bewaringspositie.

4.6.

De notaris heeft in eerste aanleg als verweer naar voren gebracht dat hij declaraties had kunnen indienen voor onderhanden boedels waardoor er in 2019 feitelijk geen sprake was van een negatieve bewaringspositie. In hoger beroep voert hij aan dat aanvankelijk ten onrechte is geconstateerd dat er in de maanden april en mei 2019 eveneens sprake is geweest van een negatieve bewaringspositie. Door zijn accountant is vastgesteld dat de bewaring over deze maanden positief is geweest.

4.7.

Het hof is met de kamer van oordeel dat niet-gefactureerd onderhanden werk geen deel uitmaakt van de bewaringspositie. Dat betekent dat er in de maanden februari en maart 2019 sprake is geweest van een negatieve bewaringspositie waardoor de notaris gehandeld heeft in strijd met de artikelen 23 lid 1 en 25 lid 3 Wna alsmede de artikelen 2 en 13 Vbg 2011. Het door de notaris in hoger beroep aangevoerde verweer treft geen doel nu dit niet ziet op de maanden februari en maart 2019 maar op de maanden april en mei 2019, waarin ook volgens het BFT sprake was van een licht positieve bewaringspositie. Klachtonderdeel 3 is terecht gegrond bevonden.

Klachtonderdeel 4 afwikkeling boedeldossiers

4.8.

Het BFT heeft een aantal nalatenschapsdossiers onderzocht. Uit dit onderzoek is, kort samengevat, gebleken dat in de betreffende dossiers geen deugdelijke urenadministratie is bijgehouden. Hierdoor handelt de notaris in strijd met artikel 55 Wna en artikel 5 van de Administratieverordening. Volgens het BFT blijkt uit de aangetroffen correspondentie dat de notarisonvoldoende (tijdig) reageert op vragen van cliënten en dat de afwikkeling van een aantal dossiers onevenredig veel tijd in beslag neemt. De bewindvoerder heeft daarover verklaard dat de notaris de regie in de betreffende dossiers kwijt is. Ook hierdoor voldoet de handelswijze van de notaris niet aan de eisen die in het rechtsverkeer worden gesteld.

4.9.

De notaris heeft naar voren gebracht dat het door het BFT geschetste beeld geen juiste voorstelling van zaken geeft. Op het verzoek van het BFT heeft hij opgave gedaan van dossiers waar om bijzondere redenen iets mee aan de hand was; de meer gangbare dossiers die wel zonder problemen zijn afgewikkeld zijn daardoor buiten beeld gebleven. Ten aanzien van het verwijt aangaande de ondeugdelijke urenadministratie heeft de notaris verklaard dat er op zijn kantoor geen traditie van tijdschrijven bestaat. Na hierop gewezen te zijn heeft hij op dit punt een verandering van beleid ingezet.

4.10.

De kamer heeft in de bestreden beslissing ten aanzien van dit klachtonderdeel, samenvattend, overwogen dat de notaris de verwijten van klager onvoldoende heeft weerlegd. Klachtonderdeel 4 is daarom door de kamer gegrond verklaard. Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop dit oordeel berust. In hoger beroep heeft de notaris geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Klachtonderdeel 5 achterstanden royementen

4.11.

De notaris wordt verweten dat de afwikkelingstermijn in de royementen in 257 gevallen ruimschoots is overschreden. Dit maakt dat er onzekerheid ontstaat in de kadastrale administratie. De notaris heeft niet voldaan aan zijn verplichting om zorg te dragen voor een vrije en onbezwaarde levering van de verkochte registergoederen.

4.12.

De notaris heeft toegelicht dat hij als gevolg van de onder 4.3. genoemde problemen rondom zijn personele bezetting genoodzaakt is geweest om zijn aandacht met name op de lopende dossiers te richten.

4.13.

De kamer heeft ook dit klachtonderdeel gegrond verklaard. Door de ontstane achterstand heeft de notaris gehandeld in strijd met artikel 2 van het Reglement royementen en de in artikel 17 Wna neergelegde zorgvuldigheidseisen. In hoger beroep heeft de notaris geen argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer.

Maatregel

4.14.

De kamer heeft onder meer het volgende overwogen. Vast is komen te staan dat de notaris niet heeft voldaan aan de normen die ingevolge de Wna worden gesteld aan de liquiditeitspositie van zijn kantoor en van hem in privé. Op korte termijn zal de notaris evenmin aan deze normen kunnen voldoen. Nu de kamer niet is gebleken dat de notaris zelf concrete stappen heeft ondernomen om op korte termijn zelf terug te treden als notaris is, mede gelet op de gegrondverklaring van alle overige klachtonderdelen, de maatregel van ontzetting uit het ambt onontkoombaar geworden. Hoewel aan de notaris inmiddels op eigen verzoek ontslag is verleend heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat hij tot zijn zeventigste jaar had willen doorgaan en dat hij nog werkzaamheden als notaris zou willen verrichten. Het hof acht dit niet wenselijk en zal daarom de door de kamer opgelegde maatregel van ontzetting, die ook het hof passend acht, bevestigen. Een notaris bekleedt in de maatschappij een plaats die mede is gegrond op vertrouwen in zijn ambt. Dit betekent dat een notaris in financiële zin voldoende weerbaar moet zijn. Gegeven de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1 en 2 is hiervan geen sprake. Daarnaast heeft de notaris gedurende langere periode een negatieve bewaringspositie laten ontstaan. Het is vaste rechtspraak dat een inbreuk op de in artikel 25 Wna neergelegde bewaringsplicht (klachtonderdeel 3) in beginsel leidt tot ontzetting uit het ambt. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De door de notaris aangevoerde bijzondere omstandigheden, onder meer betrekking hebbende op de ziekte en het overlijden van zijn naaste medewerker, kunnen niet gelden als bijzondere omstandigheden die in dit geval een uitzondering rechtvaardigen. Bij de keuze voor oplegging van de zwaarste maatregel is ook rekening gehouden met het feit dat aan de notaris in de periode 2018 tot 2020 al een tweetal zware tuchtrechtelijke maatregelen is opgelegd. De maatregel van ontzetting uit het ambt verhindert ook een toekomstig optreden van de notaris als kandidaat-notaris. Het hof acht die consequentie passend en geboden.

Conclusie

4.15.

Conclusie is dat de beroepsgronden falen en dat de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden is.

4.16.

De bevestiging van de ontzetting van de notaris uit het ambt brengt mee dat de beslissing van de kamer onherroepelijk wordt. Ingevolge artikel 105 Wna is het aan de kamer om te bepalen op welke datum de aan de notaris opgelegde maatregel van ontzetting uit het ambt van kracht wordt en om dit bij aangetekende brief aan de notaris mee te delen.

Kostenveroordeling

4.17.

In verband met de wijziging van de Wna per 1 januari 2018 heeft dit hof per die datum de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is verlengd voor zaken die bij het hof binnenkomen tot 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782).

4.18.

Nu het hof de klacht gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1, gelezen in samenhang met lid 2 van die bepaling, en de richtlijn veroordelen in de kosten van het hoger beroep:

- € 3.000,00 kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

4.19.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikel 103b lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5 Beslissing

Het hof:

- bevestigt de bestreden beslissing;

- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris zal worden meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.T. van der Meer, C.H.M. van Altena en T.K. Lekkerkerker en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2021 door de rolraadsheer.