Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:476

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
19-02-2021
Zaaknummer
001138-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beslissing op HB tegen beslissing RC als bedoeld in art 6:6:20, eerste lid Sv tot afwijzing van de vordering van het OM tot tenuitvoerlegging vervangende hechtenis ivm het zich niet houden aan een bij vonnis opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Parketnummer eerste aanleg : 15-063509-19
Zaaknummer hof : 001138-20

RC-nummer : 19-002528

Datum uitspraak : 14 januari 2021

Beslissing op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Noord-Holland zittingsplaats Haarlem van 20 november 2020, als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafvordering, tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis in verband met het zich niet houden aan een bij het vonnis van die rechtbank van 1 oktober 2019 opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel door de veroordeelde, alsmede tegen het bijbehorende bevel tot invrijheidstelling:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] .

1 Procedure

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 1 oktober 2019 is onder meer ter zake van belaging aan veroordeelde een tweetal vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Een van deze maatregelen behelst “dat veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer] , thans gelegen te [adres 2] ”.

De rechtbank heeft bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan (één van) de opgelegde maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis is bepaald op één week voor iedere keer dat niet aan (één van) de maatregelen wordt voldaan.

Deze maatregelen zijn bij vonnis dadelijk uitvoerbaar verklaard. Het vonnis zelf is op 16 oktober 2019 onherroepelijk geworden.

Op 19 november 2020 is de veroordeelde op last van de officier van justitie aangehouden wegens het niet naleven van eerder genoemde maatregel op 2 en 31 oktober en 3 en 6 november 2020.

Op 20 november 2020 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris een vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis ingediend, voor de duur van vier keer een week. De officier van justitie heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de veroordeelde zich niet aan de genoemde maatregel heeft gehouden nu hij zich op genoemde data heeft bevonden in de directe omgeving van de huidige woning van [slachtoffer] aan de [adres 2] .

De rechter-commissaris heeft deze vordering op diezelfde dag behandeld, en de veroordeelde, in het bijzijn van zijn raadsvrouw, gehoord. Bij beslissing van 20 november 2020 heeft de rechter-commissaris de vordering afgewezen en de invrijheidstelling van de veroordeelde bevolen omdat er volgens hem geen ernstige redenen bestonden voor het vermoeden dat de veroordeelde de maatregel bewust niet heeft nageleefd, nu het locatieverbod volgens de rechter-commissaris geen betrekking heeft op de [adres 2].

Op 1 december 2020 heeft de officier van justitie op grond van artikel 6:6:22, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafvordering tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft dit beroep behandeld ter openbare terechtzitting van 14 januari 2021. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.G.H. Langeweg.

2 Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft het hof ter terechtzitting verzocht het beroep gegrond te verklaren: de uitleg die de rechter-commissaris aan de maatregel geeft, is te beperkt. De maatregel behelst dat de veroordeelde zich niet ophoudt in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer] . Zij was op de bewuste data woonachtig in haar ouderlijk huis aan de [adres 2] . Gelet op het woordje “thans” in de opgelegde maatregel heeft deze ook betrekking op laatstgenoemd adres. Door zich tot vier maal toe in de directe omgeving van de [adres 2] te begeven heeft de veroordeelde de maatregel vier maal geschonden.

3 Standpunt van veroordeelde

De veroordeelde heeft zich ter terechtzitting allereerst op het standpunt gesteld dat het hem niet bekend was dat [slachtoffer] op de betreffende data woonachtig was op de [adres 2] . Verder heeft de veroordeelde zich op het standpunt gesteld niet op alle vier de genoemde data in de directe omgeving van [adres 2] te zijn geweest en voor zover hij daar wel was, zich er niet van bewust te zijn geweest dat hij daarmee de maatregel overtrad.

De raadsvrouw heeft het hof ter terechtzitting verzocht het hoger beroep ongegrond te verklaren omdat de veroordeelde de maatregel niet heeft overtreden. De maatregel is onduidelijk geformuleerd, hetgeen niet in het nadeel van de veroordeelde mag uitvallen.

4 Beoordeling

Het beroep is tijdig ingesteld, namelijk binnen 14 dagen na de beslissing van de rechter-commissaris. Het openbaar ministerie kan daarom in het beroep worden ontvangen.

Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt allereerst voorop dat, in lijn met HR 8 december 2020 ECLI:NL:HR:2020:1957, ook een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een locatieverbod gezien de impact hiervan op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene zo gedetailleerd mogelijk dient te worden omschreven. In het vonnis is bepaald dat de veroordeelde zich niet zal ophouden in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer] , thans gelegen te [adres 2] .

Ten aanzien van het betreffende adres is een dergelijk locatieverbod voldoende specifiek geformuleerd. Behoudens bijzondere omstandigheden biedt het woord “thans” zoals hier opgenomen in de verwoording van de maatregel evenwel niet een grond om het locatieverbod toepasselijk te achten op elk/een opvolgend woonadres van de betrokken persoon.. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken, zodat reeds hierom het hoger beroep niet gegrond is. Bovendien voorziet artikel 6.6.23d van het Wetboek van Strafvordering in wijziging van de maatregel indien het betreffende adres verandert, van welke mogelijkheid het openbaar ministerie -tot op heden- geen gebruik heeft gemaakt.

Ook overigens kan naar het oordeel van het hof op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden vastgesteld dat de veroordeelde in onderhavige zaak zich bewust was, of had moeten zijn, van het overtreden van het betreffende locatieverbod. Dat hij wist dat de woning van haar ouders haar nieuwe woonadres was, is onvoldoende komen vast te staan. Het hof merkt in dat verband op dat [slachtoffer] weliswaar heeft verklaard dat zij in maart 2020 is verhuisd naar het adres van haar ouders op de [adres 2], maar dat niet gebleken is dat de veroordeelde van deze verhuizing op de hoogte is gesteld, terwijl [slachtoffer] tevens heeft verklaard dat zij feitelijk veel bij haar vriend verblijft en twee keer per week bij haar ouders is. Daarbij laat het hof nog in het midden of voor alle vier de data waarop de maatregel zou zijn overtreden kan worden vastgesteld dat de veroordeelde zich in de directe omgeving van de woning heeft opgehouden.

Het hof acht het hoger beroep ongegrond.

5 Beslissing

Het hof bevestigt de beslissing van de rechter-commissaris.

Deze beslissing is genomen door mrs. M.J.A. Duker, D. Radder en A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 januari 2021.