Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:46

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
200.274.620/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2021:1249
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

gezag en omgang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.274.620/01

Zaaknummer rechtbank: C/13/671825 / FA RK 19-5465 (JE/JS)

Beschikking van de meervoudige kamer van 12 januari 2021 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.N. Voogd te Amsterdam.

Als informant is aangemerkt:

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (verder ook te noemen: de GI).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie: Amsterdam

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 27 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 25 februari 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van

27 november 2019.

2.2

De vrouw heeft op 14 april 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts op 2 november 2020 van de zijde van de vrouw ingekomen het journaalbericht van dezelfde datum met als bijlage een brief met producties.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 4 november 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van Jeugdbescherming Regio Amsterdam;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V.D. Aelbers.

3 De feiten

3.1

Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de man en de vrouw (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) is geboren:

- [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), [in] 2015 te [geboorteplaats] .

De man heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 oktober 2017 is het verzoek van de man om samen met de vrouw te worden belast met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] , afgewezen.

Op 14 juni 2018 is op verzoek van de ouders in het gezagsregister aangetekend dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] zijn belast.

3.3

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar tot 28 februari 2021.

3.4

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van 2 juni 2020 is de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling op verzoek van de GI gewijzigd, met dien verstande dat de omgang tussen de man en [de minderjarige] zal worden hervat onder begeleiding van het Omgangshuis Noord-Holland, gevestigd te Zaandam, dan wel een vergelijkbare instelling. Voorts is bepaald dat, indien het belang van [de minderjarige] het toelaat, de omgang zal worden uitgebreid, ook naar onbegeleide momenten, waarbij als richtsnoer geldt dat wordt toegewerkt naar de omgangsregeling die is vastgesteld in de bestreden beschikking. De GI zal hierin de regie hebben.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd en is de vrouw belast met de uitoefening van het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . Voorts is een omgangsregeling bepaald tussen de man en [de minderjarige] , inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft:

- iedere veertien dagen van vrijdagmiddag van school tot maandagochtend naar school, waarbij de man [de minderjarige] van school haalt en op maandagochtend naar school brengt;

- in de schoolvakanties met uitzondering van de zomervakantie de helft van deze vakanties, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt en terugbrengt naar de vrouw;

- in de zomervakantie in de even jaren de eerste twee weken van de vakantie, waarbij de man [de minderjarige] op de laatste schooldag van school haalt en twee weken later om 17.00 uur bij de vrouw terugbrengt;

- in de zomervakantie in de oneven jaren de laatste twee weken van de vakantie, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdagmiddag om 17.00 uur bij de vrouw ophaalt en twee weken later op vrijdagmiddag 17.00 uur bij de vrouw terugbrengt.

4.2

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het gezamenlijk gezag in stand te laten en de omgangsregeling zodanig vast te stellen dat sprake zal zijn van co-ouderschap, overigens onder het treffen van zodanige voorzieningen als het hof juist acht.

4.3

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er gronden aanwezig zijn om het gezamenlijk gezag van partijen te beëindigen en de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten. Daartoe voert hij – samengevat – aan dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe noopt dat het eenhoofdig gezag aan de vrouw dient te worden toegekend. De communicatie tussen partijen verloopt weliswaar moeizaam, maar dit kan niet alleen aan de man worden toegerekend. Beëindiging van het gezamenlijk gezag ondermijnt de verplichting tot beter communiceren terwijl het voor een gezonde ontwikkeling van [de minderjarige] een vereiste is dat de communicatie blijft bestaan en wordt geïntensiveerd. Voorts is het onjuist dat de man heeft geweigerd zijn toestemming te geven voor inschrijving van [de minderjarige] op een school. De man wilde slechts inspraak hebben in de schoolkeuze voor [de minderjarige] . Daarnaast heeft de man eenmalig niet ingestemd met een vakantie van [de minderjarige] met de vrouw naar Egypte vanwege de veiligheidsrisico’s die toen golden voor dat land.

Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de man dat een co-ouderschap dient te worden bepaald. De man heeft [de minderjarige] sinds januari 2020 niet meer gezien, omdat de man zich niet kan vinden in de voorwaarden die het Omgangshuis en de GI stellen aan de omgang tussen hem en [de minderjarige] . De man realiseert zich dat er een opbouw van de omgang plaats zal moeten vinden en kan daarmee akkoord gaan, zolang het maar leidt tot een co-ouderschap. Uit het raadsrapport (hof: bedoeld is het verzoek van Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot onderzoek naar een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aan de raad voor de kinderbescherming van 15 juli 2019) volgt dat [de minderjarige] zich bij beide ouders fysiek veilig voelt. De spanningen betreffen uitsluitend de relatie tussen de ouders. De GI betrekt de man onvoldoende bij de begeleiding en lijkt de noodzaak van omgang tussen [de minderjarige] en de man niet in te zien. De man heeft zijn vertrouwen in de GI opgezegd.

5.2

De vrouw betwist de stellingen van de man ten aanzien van het gezag en de omgang gemotiveerd. Zij voert aan dat sprake is van een zodanige verandering van omstandigheden sinds het ontstaan van gezamenlijk gezag dat het niet langer in het belang van [de minderjarige] is om het gezamenlijk gezag te handhaven. Partijen communiceren enkel via de hulpverlening met elkaar. De man heeft diverse gezagsbeslissingen gefrustreerd in de periode na het vaststellen van gezamenlijk gezag, zoals het meermalen weigeren van het geven van toestemming voor een vakantie naar Egypte en het frustreren van aanmeldingen van [de minderjarige] bij voorschool en basisschool. De man is veroordeeld door de politierechter wegens belediging en bedreiging van de vrouw. De agressieve, intimiderende en vaak beledigende houding van de man naar de vrouw, welke houding de communicatie volledig heeft verstoord, wordt ook gezien door justitie en hulpverleningsinstanties.

Ten aanzien van de omgang stelt de vrouw zich op het standpunt dat er nooit sprake is geweest van een bestendig co-ouderschap tussen partijen. De vrouw vindt het belangrijk dat [de minderjarige] contact heeft met de man, maar wijst op de conclusie van de raad in het raadsrapport van 13 januari 2020 waarin geadviseerd wordt de omgang vooralsnog begeleid te laten zijn en de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2020 waarbij een begeleide omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de man is bepaald.

5.3

De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat partijen aanvankelijk zijn aangemeld voor Family Supporters, maar dat die instantie de hulpverlening heeft afgesloten omdat de man zich aan de telefoon agressief heeft uitgelaten tegenover hen. Vervolgens zijn partijen aangemeld voor het Omgangshuis, maar dat is niet van start gegaan omdat de man niet wenst mee te werken. De GI vindt het belangrijk dat er omgang is tussen [de minderjarige] en de man, maar alleen als dit onder begeleiding plaatsvindt. Op dit moment heeft de GI geen zicht op de emotionele gesteldheid van de man en de emotionele beschikbaarheid van de man voor [de minderjarige] . De GI wenst dat beide ouders een persoonlijkheidsonderzoek laten verrichten. De vrouw heeft dit aangevraagd maar de man nog niet, aldus de GI. De GI heeft bij de kinderrechter een verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling ingediend, omdat deze in de huidige situatie niet langer noodzakelijk wordt acht.

5.4

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de beslissing omtrent het gezag. Daartoe brengt de raad het volgende naar voren. Kijkend naar het verleden en naar de hulpverlening die niet van de grond is gekomen, is de raad van mening dat het de ouders niet lukt om gezamenlijk het gezag uit te oefenen over [de minderjarige] zonder dat hij daarbij een onaanvaardbaar risico loopt om klem of verloren te raken tussen zijn ouders. De raad ziet twee ouders die strijden voor [de minderjarige] , maar daarbij het belang van [de minderjarige] uit het oog verliezen.

Ten aanzien van de omgang acht de raad het van groot belang dat die wordt hervat, maar wel op een veilige en onbelaste manier. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en zijn ontwikkelingstaken acht de raad een co-ouderschap op dit moment niet aan de orde. Dat betekent niet dat er geen gelijkwaardig ouderschap kan zijn. De raad acht het van groot belang dat de omgang wordt begeleid door het Omgangshuis. Beide ouders dienen mee te werken met hulpverleningsinstanties die er juist zijn om de belangen van [de minderjarige] te waarborgen.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het geding alsmede het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Partijen zijn – ook al voordat zij het gezamenlijk gezag kregen – aangemeld voor meerdere hulpverleningstrajecten teneinde de communicatie te verbeteren (waaronder Ouderschap blijft, De Blauwe Beer en Family Supporters), maar deze trajecten zijn niet of niet voldoende van de grond gekomen. De verhouding tussen de ouders is slechter geworden nadat zij in juni 2018 gezamenlijk met het gezag zijn belast over [de minderjarige] . De communicatie tussen hen is ernstig verstoord. Uit het rapport van de raad naar aanleiding van het verzoek van Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot onderzoek over [de minderjarige] komt naar voren dat de GI, maar ook MOC het Kabouterhuis, zich zorgen maken over de hoogoplopende en al langer durende conflicten tussen de ouders. In de beschikking van 28 februari 2020, waarin de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht van de GI heeft gesteld, wordt overwogen dat [de minderjarige] wordt belast met de complexe scheidingsproblematiek van zijn ouders en dat sprake is van een strijd tussen de ouders.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de man en de vrouw niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij niet in staat zijn beslissingen van enig belang over [de minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen, althans vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond [de minderjarige] kunnen voordoen, zodanig dat [de minderjarige] niet klem of verloren raakt tussen de ouders. In de gegeven omstandigheden acht het hof voorts niet aannemelijk dat verbetering van de communicatie tussen partijen binnen afzienbare termijn te verwachten is. Hiervoor is mede van belang dat de raad in zijn rapport heeft geconstateerd dat de man dwingend, rigide, dreigend en agressief kan zijn, overigens niet alleen tegenover de vrouw maar ook tegenover de hulpverlening, waarbij het zorgelijk wordt geacht dat de man niet (h)erkent dat zijn houding dreigend en agressief overkomt. Gezamenlijk gezag zou betekenen dat de man en de vrouw gedwongen zijn om met elkaar te overleggen omtrent belangrijke beslissingen over [de minderjarige] , terwijl gezamenlijk overleg telkens het risico met zich brengt dat er nieuwe escalaties ontstaan die schadelijk voor de ontwikkeling van [de minderjarige] kan zijn. Het hof is dan ook van oordeel dat de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel moet worden bekrachtigd.

5.6

Wat betreft de omgang overweegt het hof dat de vrouw bij faxbericht van 2 november 2020 een beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2020 in het geding heeft gebracht, die erop neerkomt dat de bij bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling is opgeschort met dien verstande dat deze zal worden hervat onder begeleiding van het Omgangshuis Noord-Holland, gevestigd te Zaandam, dan wel een vergelijkbare instelling en kan worden uitgebreid wanneer dat in het belang van [de minderjarige] wordt geacht.

Gelet op hetgeen in voornoemde beschikking is bepaald met betrekking tot de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] , welke beschikking van latere datum is dan de bestreden beschikking en inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, zal het hof partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of en zo ja welk belang zij nog hebben bij een beslissing in de onderhavige zaak daar waar het betreft de omgangsregeling. Het hof zal de zaak daartoe pro forma aanhouden tot zondag 31 januari 2021.

Iedere verdere beslissing, ook die omtrent het gezag, wordt aangehouden.

6 Beslissing

Het hof:

alvorens verder te beslissen,

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking uit te laten over de vraag of en zo ja welk belang zij hebben bij een beslissing in de onderhavige zaak daar waar het betreft de omgangsregeling;

houdt de zaak daartoe pro forma aan tot zondag 31 januari 2021;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M van Baardewijk, mr. M.C. Schenkeveld en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier, en is op

12 januari 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.