Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:40

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
05-09-2021
Zaaknummer
23-001980-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 7 mei 2020 te Alkmaar: 1) winkeldiefstal 2) belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en op 2 mei 2020 te Schiphol: 1) winkeldiefstal. Bevestiging van het vonnis: oplegging ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001980-20

datum uitspraak: 13 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 4 september 2020 in de strafzaak onder de parketnummers 15-124825-20, 13-266583-19 (TUL) en 23-004500-17 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,

thans gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel, Ter Apelervenen 10, 9561 MC te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie van feit 2 en de opgelegde maatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Kwalificatie t.a.v. feit 2

Nu de belediging tegen één ambtenaar is gericht dient de kwalificatie te luiden als volgt:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Oplegging van maatregel

Ten aanzien van de feiten 1 en 3

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in plaats van een ISD-maatregel. Voor het geval dat het hof de verdachte toch een ISD-maatregel zou opleggen, heeft de raadsman subsidiair verzocht deze maatregel op te leggen voor de duur van één jaar, met aftrek van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen die niet alleen materiële schade hebben veroorzaakt, maar de ondernemingen en hun personeelsleden ook de nodige hinder en overlast hebben opgeleverd.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 december 2020 is hij eerder veelvuldig onherroepelijk veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Het hof heeft evenals de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 4 augustus 2020 van [naam], reclasseringsmedewerker, werkzaam bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de reclassering). Hierin wordt geadviseerd om aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Dit advies is als volgt onderbouwd.

De verdachte verblijft zonder geldige verblijfstitel in Nederland en voorziet in zijn levensonderhoud en behoeften, waaronder middelengebruik, door het plegen van delicten. Zolang hij in Nederland verblijft, zal het recidiverisico naar de inschatting van de reclassering onveranderd blijven. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Bijzondere voorwaarden ter beperking van recidive (en het eventuele reclasseringstoezicht daarop) zijn vanwege de verblijfsstatus van de verdachte niet uitvoerbaar. Bovendien betwijfelt de reclassering in hoeverre de verdachte daaraan zal meewerken, gelet op zijn ambivalente houding ten opzichte van de reclassering. De reclassering ziet zich daarom genoodzaakt om in het geval van een veroordeling, de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren. Binnen deze maatregel is het vanuit de afdeling VRIS (Vreemdelingen In de Strafrechtketen) mogelijk in te zetten op repatriëring naar het land van herkomst.

Het hof kan zich vinden in de conclusie en het advies van de reclassering om de verdachte een ISD-maatregel op te leggen. Met name gelet op het hoge recidiverisico ziet het hof zich daartoe genoodzaakt.

Het hof is van oordeel dat wordt voldaan aan de voorwaarden die artikel 38m Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel stelt, immers:

- de onder 1 en 3 bewezen verklaarde, door de verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor de voorlopige hechtenis is toegelaten;

- de verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten 1 en 3 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen;

- de onderhavige feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen;

- gelet op het reclasseringsadvies van de reclassering en het strafblad van de verdachte moet er ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan;

- de veiligheid van goederen en personen eist het opleggen van de maatregel.

Anders dan de rechtbank zal het hof de ISD-maatregel echter opleggen voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest. De verdachte heeft al geruime tijd in detentie doorgebracht en het lijkt inmiddels relatief goed met hem te gaan. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij, in tegenstelling tot wat is vermeld in het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank, niet van plan om naar [geboorteland] terug te keren. Toch kan er naar het oordeel van het hof tijdens de duur van de ISD-maatregel worden bezien of er vanuit de afdeling VRIS mogelijkheden zijn om de verdachte aan te zetten tot terugkeer en hem te helpen met zijn repatriëring naar [geboorteland].

Het hof acht, alles afwegende, de oplegging van een ISD-maatregel passend en geboden.

Ten aanzien van feit 2

De verdachte heeft tijdens zijn aanhouding een buitengewoon opsporingsambtenaar beledigd door haar, ten overstaan van het publiek, meermalen een zeer kwetsend scheldwoord toe te roepen. De verdachte heeft hierdoor haar eer en goede naam aangetast.

Ter zake van dit feit, de belediging van een ambtenaar in functie, is geen voorlopige hechtenis toegelaten, waardoor de ISD-maatregel niet voor dit feit kan worden opgelegd. Het hof acht het raadzaam te bepalen dat, nu de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde een ISD-maatregel wordt opgelegd, de ISD-maatregel niet kan worden opgelegd voor het onder 2 bewezenverklaarde en de oplegging van de ISD-maatregel voldoende recht doet aan de ernst van alle drie de feiten, de verdachte daarvoor geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde en de opgelegde maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde:

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 1 (één) jaar.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. D. Radder en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2021.

Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]