Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3958

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2021
Datum publicatie
17-12-2021
Zaaknummer
23-000440-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:773
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een 47-jarige man uit Almere is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 6 maanden. Hij was betrokken bij een diamantroof op de luchthaven Schiphol op 25 februari 2005 en bij een eerdere poging daartoe op 10 februari 2005. Daarnaast is hij veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen, munitie en explosieven.

Het gaat om een zeer ernstige en uitzonderlijke overval en poging daartoe. De overval had een grote impact op de maatschappij en de slachtoffers. Er is planmatig gehandeld en de overval kon niet plaatsvinden zonder hulp ‘van binnenuit’.

De overvallers wisten tot twee keer toe in een periode van twee weken, in het bezit van vuurwapens, op het afgesloten en beveiligde deel van de nationale luchthaven te komen. Bij de geslaagde roof maakten zij diamanten buit ter waarde van ruim 72 miljoen Amerikaanse dollar; een deel van de buit ter waarde van ruim 43 miljoen Amerikaanse dollar is nog steeds niet gevonden.

Het onderzoek van de Koninklijke Marechaussee leidde eind 2005 en begin 2006 wel tot de aanhouding van een aantal verdachten, maar er was te weinig bewijs om hen te vervolgen. In 2013 is het onderzoek, na een nieuwe aanwijzing, opnieuw opgepakt. Naast de verdachten uit 2005 kwamen ook enkele nieuwe verdachten in beeld, onder wie de KLM-medewerker. Op deze verdachte is vervolgens een langdurig undercovertraject ingezet. Tegenover de undercoveragenten deed hij uitlatingen over zijn eigen betrokkenheid en de betrokkenheid van medeverdachten.

Uitgebreide overwegingen over de rechtmatigheid van het undercovertraject ('WOD-traject') en de betrouwbaarheid van de uitkomsten daarvan. Geen schending van artikel 6 EVRM vanwege ontbreken effectieve ondervragingsmogelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000440-19

datum uitspraak: 17 december 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-870139-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 december 2019, 17 en 30 januari 2020, 16 november 2020, 3, 5 en 8 november 2021 en 3 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 (primair en subsidiair) is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daarom mede gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Ook het Openbaar Ministerie heeft blijkens de akte instellen rechtsmiddel onbeperkt hoger beroep ingesteld. Blijkens nadere toelichting in de appelschriftuur van de officier van justitie is het ingestelde appel echter alleen gericht tegen de door de rechtbank gegeven beslissing tot vrijspraak ten aanzien van feit 3. Nu het Openbaar Ministerie geen belang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel van het door hem ingestelde hoger ten aanzien van feit 2 (primaire en subsidiair), zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting bevestigd, zal het in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.

Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak ter zake van feit 2 (primair en subsidiair) in hoger beroep niet ter beoordeling aan het hof voorligt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van de resterende feiten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte is immers al op 18 oktober 2005 in verzekering gesteld, waarna hem op 21 december 2005 als verdachte vragen zijn gesteld over betrokkenheid bij de gewapende overval op 25 februari 2005.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de redelijke termijn niet al is gaan lopen in 2005, nu de verdachte toen is aangehouden voor andere feiten dan die in deze zaak aan de orde zijn. Van een niet-ontvankelijkheid is dus reeds daarom geen sprake.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 18 oktober 2005 is aangehouden en vervolgens in voorarrest is geplaatst op verdenking van overtreding van de Opiumwet en van witwassen. De verdachte is vervolgens op 21 december 2005 ook als verdachte gehoord over mogelijke betrokkenheid bij de gewapende overval op 25 februari 2005. Aan dit enkele verhoor heeft de verdachte evenwel niet in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van dit strafbare feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn is toen dus wat dit feit betreft niet gaan lopen. De verdachte is vervolgens pas op 2 oktober 2017 aangehouden als verdachte van betrokkenheid bij de gewapende overval op 25 februari 2005.

Dit betekent dat het verweer reeds om deze reden niet slaagt. Ten overvloede merkt het hof op dat een overschrijding van de redelijke termijn als zodanig nimmer – ook niet in uitzonderlijke gevallen – leidt tot een niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid diamanten en/of sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en/of een bedrijfswagen (Citroen) en/of een aktentas en/of een hoeveelheid vrachtbrieven, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer personen ( [slachtoffer 1] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 2] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder meer) hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op een of meer van voornoemde personen en/of (dreigend) de woorden toegevoegd "Deuren dicht en op de grond liggen" en/of "Uitstappen" en/of "Hier met die portofoon" en/of "Op de grond" en/of "Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

3.
hij op of omstreeks 23 januari 2017 te Almere (ongeveer) 880 gram, althans een hoeveelheid, pentaerythritoltetranitraat (PETN), zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing (niet zijnde explosieven voor civiel gebruik waarvoor erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik), voorhanden heeft gehad;

4.
hij op of omstreeks 23 januari 2017 te Almere een of meer wapens van categorie III, te weten een revolver (Smith & Wesson, kaliber .38), en/of munitie van categorie III, te weten zeven, althans een of meer, scherpe patronen (kaliber .38) en/of achttien, althans een of meer, scherpe patronen (kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft aan de hand van haar schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn schriftelijk pleidooi vrijspraak bepleit omdat volgens hem het wettig en overtuigende bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten ontbreekt. Daartoe heeft de raadsman – samengevat – het volgende aangevoerd:

  1. De uitlatingen van [medeverdachte 3] in het OVC-gesprek van 17 juni 2013 zijn onbetrouwbaar. Het Openbaar Ministerie stelt ten onrechte dat [medeverdachte 3] zou spreken over informatie die niet in het dossier zou hebben gestaan. De raadsman verwijst voorts naar artikelen over de diamantroof in de Telegraaf. [medeverdachte 3] wist verder van het manuscript dat [medeverdachte 1] aan het schrijven was. [medeverdachte 3] geeft in het gesprek ook details die verifieerbaar onjuist zijn. De gespreksstof wisselt nogal. De conclusie van het Openbaar Ministerie dat de opmerking over ‘ [voornaam verdachte] die een plek heeft gepakt’ uitsluitend terug te leiden zou zijn tot de roof van 25 februari 2005, kan niet worden getrokken. Het is niet uit te sluiten dat [medeverdachte 3] op 25 februari 2005 als tweede man is meegegaan.

  2. Op grond van het OVC-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] kan evenmin worden geconcludeerd dat [verdachte] de diamantroof op 25 februari 2005 heeft gepleegd. Er was een financieel probleem tussen de deelnemers aan de diamantroof. [verdachte] is uiteindelijk benaderd om als bemiddelaar op te treden. Niet is vast te stellen waar de bedragen in het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] exact over gaan. Het is niet uit te sluiten dat wordt gesproken over bedragen die [verdachte] als bemiddelaar ter beschikking zijn gesteld om te verdelen.

  3. Het langdurige WOD-traject op [medeverdachte 4] was disproportioneel en voldeed evenmin aan de eisen van subsidiariteit. [medeverdachte 4] had zich middels het dossier Rock, perspublicaties en informatie van derden grondig verdiept in de diamantroof. Zonder audio- of video-opname is controle op deze zeer ingrijpende politiemethode en met name op het eindgesprek op 14 januari 2017 onmogelijk. De A-verbalisanten zijn alcohol gaan gebruiken, terwijl zij nog moesten zorgen voor een betrouwbare vastlegging van hun bevindingen in een proces-verbaal. Niet kan worden uitgesloten dat zij onvoldoende in staat zijn geweest om hun bevindingen met de vereiste zorgvuldigheid en dus naar waarheid vast te leggen. In strijd met artikel 152 Sv is niet zo spoedig mogelijk proces-verbaal opgemaakt. De A-verbalisanten hebben hun processen-verbaal van 2 december 2016 en 15 januari 2017 pas op 12 mei respectievelijk 26 april 2017 ondertekend en niet meer doorgelezen. Het is ook opvallend dat in het proces-verbaal van bevindingen van teamleider [teamleider] van 12 april 2017 (map 64, p. 65) de passage “ [neef van verdachte] , nee die was er niet bij, die ander” ontbreekt, terwijl [teamleider] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij van de begeleiders gespreksverslagen ontvangt en die informatie zoveel mogelijk integraal opneemt. [teamleider] heeft bij de rechter-commissaris ook verklaard dat de processen-verbaal van de A-verbalisanten opgesteld zouden worden rond de inleverdatum. De raadsman concludeert dat de passage “ [neef van verdachte] , nee die was er niet bij, die ander” op een bepaald moment, na het laatste proces-verbaal van [teamleider] van 12 april 2017 en dus ver na 15 januari 2017, door “het WOD” is toegevoegd. De raadsman verzoekt wegens het ontbreken van de vereiste betrouwbaarheid het proces-verbaal van (beweerdelijk) 15 januari 2017 van het bewijs uit te sluiten, althans daaraan geen belastende betekenis toe te kennen.

  4. De verklaring van [medeverdachte 4] op 14 januari 2017 is onvoldoende redengevend voor het bewijs van het aan [verdachte] tenlastegelegde feit. Verder laat zich alleszins verdedigen dat overmatig alcoholgebruik van [medeverdachte 4] in deze setting van invloed zou kunnen zijn op de betrouwbaarheid van zijn uitingen.

  5. Het heeft de verdediging aan een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] ontbroken. Er is ook geen compensatie geboden voor het ontbreken van deze mogelijkheid. Een veroordeling zou in beslissende mate steunen op de gesprekken waarbij deze personen betrokken zijn geweest. Onder deze omstandigheden is het gebruik van deze gesprekken als bewijs strijdig met artikel 6, eerste en derde lid, van het EVRM.

Oordeel van het hof

Inleiding

Op 25 februari 2005 heeft op Schiphol een gewapende overval plaatsgevonden waarbij een grote hoeveelheid (voornamelijk) diamanten is buitgemaakt. Er is onder de naam ‘Rock’ een strafrechtelijk onderzoek gestart door de Koninklijke Marechaussee (KMar), waarbij onder andere [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) in beeld zijn gekomen als verdachten. Ook ontstond de verdenking van een eerdere poging op 10 februari 2005. Ondanks aanhoudingen en doorzoekingen is destijds geen van de genoemde personen vervolgd voor betrokkenheid bij de diamantroof of de poging daartoe.

In 2013 liep onder de naam ‘Eifel’ een (geheel ander) strafrechtelijk onderzoek tegen [medeverdachte 3] . Tussen hem en een medeverdachte vond op 17 juni 2013, in de auto waarin zij reden, een OVC-gesprek plaats dat kennelijk betrekking had op de diamantroof op Schiphol en een daaraan voorafgaande poging. Deze informatie is gedeeld met de KMar en was aanleiding voor een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar de diamantroof in 2005, nu onder de naam Eaton. Gedurende dat onderzoek is op 15 januari 2014 TCI-informatie verstrekt met de mededeling dat ‘ [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ’, beiden werkzaam bij de KLM, betrokken zijn geweest bij de diamantroof op Schiphol in 2005. Zo zijn (ook) de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] in beeld gekomen.

Blijkens observaties, afgeluisterde telefoongesprekken en OVC-gesprekken is er meermaals – in wisselende samenstelling – contact geweest tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en de – tot dan onbekende – medeverdachte [medeverdachte 6] . De achtergrond van deze contacten was kennelijk een financieel conflict. Teneinde meer bewijs dan wel ontlastende informatie te verzamelen is uiteindelijk een traject stelselmatige informatie-inwinning gestart ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte 4] , uitgevoerd door opsporingsambtenaren van de Unit Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties van de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid te Driebergen (hierna: het WOD-traject). Gedurende het WOD-traject heeft [medeverdachte 4] een aantal keren gesproken over zijn eigen betrokkenheid (als medewerker van KLM), en de betrokkenheid van anderen, bij de diamantroof op Schiphol en een daaraan voorafgaande poging.

Uiteindelijk heeft het strafrechtelijk onderzoek geresulteerd in de vervolging van (onder meer) [medeverdachte 1] (die nog voor het vonnis van de rechtbank is overleden), [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Hoewel [verdachte] alleen nog betrokkenheid bij de gewapende overval op 25 februari 2005 wordt verweten, zal het hof vanwege de – bewijsrechtelijk relevante – samenhang tussen beide feiten ook uitgebreid ingaan op de poging tot de overval op 10 februari 2005.

De door het hof vastgestelde redengevende feiten en omstandigheden, en daaraan te verbinden conclusies, zijn gebaseerd op de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen. In voetnoten is verwezen naar overige feiten en omstandigheden die niet voor het bewijs zijn gebruikt, maar wel van belang zijn voor de beoordeling van gevoerde verweren of het nader duiden van de context dan wel het verloop van het opsporingsonderzoek.

WOD-traject

Het hof zal allereerst de rechtmatigheid van het WOD-traject, en daarmee de vraag of de gedurende dat traject opgemaakte processen-verbaal kunnen worden gebruikt voor het bewijs, bespreken.

Het Openbaar Ministerie is in november 2014 ten aanzien van [medeverdachte 4] overgaan tot het WOD-traject. Kort samengevat hebben de opsporingsambtenaren A-3754 en A-3755 zich voorgedaan als gewone burgers, waarbij de een zich voordeed als een zakenman/investeerder en de ander als zijn chauffeur/begeleider. Zij hebben [medeverdachte 4] – via zijn (toenmalige) Colombiaanse vriendin – benaderd en zijn deel gaan uitmaken van zijn leven. [medeverdachte 4] heeft uiteindelijk tegenover deze opsporingsambtenaren verklaringen afgelegd over zijn betrokkenheid en die van andere verdachten bij de tenlastegelegde feiten.

Toetsingskader

Ten tijde van het WOD-traject luidde art. 126j, eerste lid, Sv als volgt:

In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.

Op 17 december 2019 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen met betrekking tot de op artikel 126j, eerste lid, Sv gebaseerde, zogenaamde ‘Mr. Big-methode’ (ECLI:NL:HR:2019:1982 en 1983). Kenmerkend voor deze methode is dat door opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. Naar het oordeel van het hof is, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen over het concrete verloop van het traject, in de onderhavige zaak geen sprake van een methode die zonder meer kwalificeert als ‘Mr. Big’, maar daar wel kenmerken van vertoont. Ook bij een operatie als de onderhavige bestaat het gevaar dat de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terecht komt, waarbij de waarborgen van een formeel politieverhoor ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Het hof zal de vraag of de verklaringen van [medeverdachte 4] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, dan ook beoordelen langs de lijn van het door de Hoge Raad ontwikkelde toetsingskader.

De Hoge Raad heeft het volgende overwogen (zie ECLI:NL:HR:2019:1983):

4.2.1

De memorie van toelichting bij de wet van 27 mei 1999 (Stb. 1999, 245), waarbij art. 126j Sv werd ingevoerd, houdt inzake het stelselmatig inwinnen van informatie op grond van voormeld artikel onder meer het volgende in:

“In artikel 126j wordt voorgesteld te regelen dat de officier van justitie bevoegd is te bevelen dat een opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek stelselmatig informatie inwint over de verdachte, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat een opsporingsambtenaar onder een andere identiteit, dus undercover, stelselmatig informatie over een verdachte inwint, teneinde informatie of bewijsmateriaal te verzamelen. Een opsporingsambtenaar kan dit doen door stelselmatig in de omgeving van de verdachte te verkeren en aan activiteiten en gesprekken deel te nemen, waaraan ook de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte deelnemen.

(...)

Bij deze vorm van opsporing kan dus, evenals bij infiltratie, niet alleen de privacy van de betrokken burgers in het geding zijn, maar kan tevens sprake zijn van misleiding: de burger weet niet dat de persoon met wie hij van doen heeft, een vertegenwoordiger van de overheid is. (...) Deze bevoegdheid is alleen toegestaan ter opsporing van misdrijven.

De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie omtrent een verdachte onderscheidt zich van de politiële infiltrant doordat niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. De opsporingsambtenaar zal dan ook niet deelnemen aan het plegen of beramen van misdrijven. Aan de bevoegdheid zijn daarom minder risico's verbonden dan aan de infiltratie. Daarom is zij aan minder strenge voorwaarden gebonden. Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte.”

(Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 34-35)

In dit verband is tevens van belang hetgeen in voormelde memorie van toelichting is opgemerkt met betrekking tot de in de art. 126h en 126p Sv geregelde politiële infiltratie welke samenhang vertoont met de in art. 126j Sv gegeven bevoegdheid:

“Een bijzonder aspect bij de bevoegdheid tot infiltratie is, evenals bij de hierna te bespreken bevoegdheid tot het stelselmatig undercover inwinnen van informatie, dat het zich kan voordoen, en deels zelfs onvermijdelijk zal zijn, dat de opsporingsambtenaar in gesprek komt met een verdachte. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat een dergelijk gesprek belangrijk verschilt van een verhoor. De verdachte wordt namelijk niet ‘als verdachte’ gehoord (artikel 29 Wetboek van Strafvordering). Op hem wordt niet de druk gelegd, die kenmerkend is voor de verhoorsituatie. Die druk is, doordat de opsporingsambtenaar niet als zodanig herkenbaar is, afwezig. Het feit dat de opsporingsambtenaar undercover optreedt brengt met zich mee dat hij niet zijn bevoegdheden jegens burgers kan uitoefenen, die hem normaal gesproken toekomen. Hij mag dus ook geen verhoor afnemen. De cautie, die de verdachte erop attendeert dat hij niet aan de op hem uitgeoefende druk hoeft (hof: toe) te geven, is hier dan ook niet aan de orde.”

(Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 30)

5 Beoordeling van het eerste middel

Het middel komt onder meer op tegen de verwerping van het verweer dat art. 126j Sv niet een toereikende wettelijke grondslag vormt voor de inzet van de opsporingsmethode die in het onderhavige geval is toegepast, en dat het optreden van de opsporingsambtenaren heeft geleid tot een inbreuk op zijn verklaringsvrijheid.

Algemene uitgangspunten

In zijn arrest van 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen naar aanleiding van de vraag naar de toelaatbaarheid van het stelselmatig inwinnen van informatie door een opsporingsambtenaar ingeval een verdachte voorlopig gehecht is, terwijl die opsporingsambtenaar zich onder een andere identiteit, dus zonder dat voor de verdachte kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, bevindt in de omgeving van de verdachte op de plaats waar deze is ingesloten:

“5.4 Mede in het licht van de wetsgeschiedenis biedt art. 126j Sv een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag als bedoeld in art. 8 EVRM voor het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt.

Uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling en van de titel waarin zij is opgenomen volgt dat daaronder ook is begrepen het inwinnen van informatie door contacten met de verdachte zelf, terwijl tekst noch geschiedenis van die bepaling steun biedt aan de opvatting dat een dergelijk inwinnen van informatie op voorhand is uitgesloten ten aanzien van een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt.

Het vorenoverwogene neemt niet weg dat toepassing van art. 126j Sv ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte licht het gevaar in zich bergt dat de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Gelet daarop zal vooreerst bij de toetsing van een zodanige toepassing van art. 126j Sv aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit uitgangspunt moeten zijn dat die toepassing eerst in aanmerking komt als de bijzondere ernst van het misdrijf zulks rechtvaardigt en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn.

Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, kan de rechter voor de vraag komen te staan of informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde bepalingen is verkregen. De beantwoording van die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (vgl. EHRM 5 november 2002, Appl. nr. 48539/99, Allan v. The United Kingdom, NJB 2003, p. 80, nr. 2).

Zowel in het geval dat de rechter bevindt dat de hier bedoelde toepassing van art. 126j Sv niet strookt met de daaraan op grond van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te stellen eisen, als in het geval dat de rechter bevindt dat die toepassing wel aan die eisen voldoet, maar tot het oordeel komt dat de verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.”

Deze overwegingen zijn, in het bijzonder waar het gaat om de in art. 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in art. 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid, tevens van belang in gevallen als de onderhavige, die hierdoor worden gekenmerkt dat door een of meer opsporingsambtenaren, zonder dat kenbaar is dat zij als zodanig optreden, binnen het verband van een gefingeerde criminele organisatie het vertrouwen van een niet-gedetineerde verdachte wordt gewonnen, waarna hem in het kader van die organisatie voordelen in het vooruitzicht worden gesteld als hij een (bekennende) verklaring aflegt omtrent zijn betrokkenheid bij een bepaald strafbaar feit. Ook bij de uitvoering van zo een operatie bestaat immers het gevaar dat de verdachte feitelijk in een verhoorsituatie terechtkomt waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd.
Ook in deze gevallen moet daarom worden beoordeeld of de in het kader van zo een operatie door de verdachte afgelegde verklaring niet is verkregen in strijd met zijn verklaringsvrijheid. Voor die beoordeling of de verklaringsvrijheid van de verdachte in zo een geval is aangetast, is in bijzonder van belang het verloop van het opsporingstraject, de eventueel reeds door de verdachte ingenomen proceshouding met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, de mate van (psychische) druk die in dat traject op de verdachte is uitgeoefend, de mate en de wijze van binnen dat traject toegepaste misleiding van de verdachte en de bemoeienis die opsporingsambtenaren hebben gehad met de inhoud van (wezenlijke onderdelen van) de door de verdachte afgelegde verklaring. Bij deze beoordeling is voorts van belang de duur en intensiteit van dat traject, de strekking en frequentie van de contacten met de verdachte zelf en de in het vooruitzicht gestelde positieve of negatieve consequenties als de verdachte wel of juist geen opheldering geeft over bepaalde zaken.
Bij deze beoordeling dient de rechter, naast het feitelijke optreden van de opsporingsambtenaren jegens de verdachte, tevens acht te slaan op de wettelijke grondslag waarop het optreden van de opsporingsambtenaren heeft plaatsgevonden, en in het geval dat het optreden is gebaseerd op een bevel tot het stelselmatig inwinnen van informatie als bedoeld in art. 126j Sv, in het bijzonder op de inhoud van dat bevel waar het gaat om de wijze waarop aan dat bevel uitvoering wordt gegeven, alsmede de eventueel nader aan dat bevel verbonden voorwaarden die verband houden met het verkrijgen van een verklaring van de verdachte.
Teneinde de rechter in staat te stellen een en ander te kunnen beoordelen, is van groot belang dat hij inzicht heeft in het concrete verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode en de interactie met de verdachte die daarbij heeft plaatsgevonden. Mede met het oog daarop is een voldoende nauwkeurige verslaglegging aangewezen, door naleving van de wettelijke eisen met betrekking tot de inhoud van het bevel waarop het optreden van opsporingsambtenaren berust alsook de in art. 152 Sv bedoelde verplichting van de opsporingsambtenaar tot het opmaken van proces-verbaal en de in art. 126aa Sv en art. 149a Sv omschreven verplichtingen tot voeging van processtukken. Deze verslaglegging dient inzicht te geven in het verloop van de uitvoering van de opsporingsmethode over de gehele periode waarin deze is ingezet, en in het bijzonder een voldoende nauwkeurige weergave van de communicatie met de verdachte te omvatten. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt het in de rede dat, voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd. Voor die registratie is een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie, zoals bedoeld in art. 126l Sv, vereist.

Indien de rechter oordeelt dat binnen het onder 5.2.2 aangeduide opsporingstraject verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen.
Indien de rechter voor het bewijs wel gebruikmaakt van die verklaringen, moet hij motiveren waarom dit gebruik in het licht van het onder 5.2.2 weergegeven beoordelingskader toelaatbaar is en dient hij voorts ervan blijk te geven – op grond van de concrete omstandigheden van het geval – zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaringen te hebben onderzocht. De rechter toetst dan ook voor het overige de rechtmatigheid van de wijze van opsporing jegens de verdachte, onder meer met betrekking tot de vraag of het optreden door de opsporingsambtenaren in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Gelet op dit beoordelingskader, zal het hof allereerst aan de hand van het dossier bezien hoe de start en het verdere verloop van het WOD-traject ten aanzien van [medeverdachte 4] zijn geweest.

Bevelen als bedoeld in 126j Sv en de uitvoering van het traject

Op 3 november 2014 heeft de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland een ‘bevel stelselmatig inwinnen van informatie (art. 126j Wetboek van Strafvordering)’ afgegeven.

In dit bevel is overwogen dat de verdenking bestaat dat [medeverdachte 4] zich schuldig heeft gemaakt aan (kort weergegeven) artikel 312 Sr, dat het in het belang van het onderzoek is dat gebruik wordt gemaakt van de bijzondere opsporingsbevoegdheid tot stelselmatig inwinnen van informatie en wordt bevolen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, Sv, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over [medeverdachte 4] . In het bevel is de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven omschreven als “het contact maken met verdachte en/of een of meer personen uit diens sociale omgeving teneinde stelselmatig informatie in te winnen”. Het bevel is van kracht van 3 november 2014 tot en met 30 januari 2015, zijnde een periode van ten hoogste drie maanden. In een mondeling bevel van 5 november 2014, schriftelijk bevestigd op 6 november 2014, heeft de officier van justitie in aanvulling op het bevel van 3 november 2014 bevolen dat tevens een of meer personen in openbare dienst van een vreemde staat, die voldoen aan de eisen van het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatig informatie inwinnen over [medeverdachte 4] .

Het bevel is nadien tien maal verlengd, waarbij de laatste verlenging eindigde op 25 maart 2017. Telkens is de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven omschreven als “het contact maken met de verdachte en/of een of meer personen uit diens sociale omgeving teneinde stelselmatig informatie in te winnen”.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de begeleiders B-2238 en B-2237 van het team WOD van 12 mei 2017 blijkt onder meer het volgende:

Voorbespreking:

In de maand januari 2014 is er een bespreking geweest met Mr. E. Visser en mevr. mr. S.C.M. Wildemors, officieren van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland, de teamleider van het rechercheonderzoek “EATON” [teamleider] , van de Koninklijke Marechaussee en begeleiders van de Unit Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid te Driebergen.

Onderwerp van bespreking was de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid stelselmatig inwinnen van informatie, als omschreven in artikel 126 j van het Wetboek van Strafvordering, in het door de tactische recherche onder de naam "EATON" ingestelde opsporingsonderzoek.

Gedurende het onderzoek is er met grote regelmatig overleg geweest met de teamleider van het onderzoek [teamleider] en de officier van justitie.

Als verdachte in dit onderzoek werd genoemd:

[medeverdachte 4]

(…)

Uit de verstrekte informatie bleek dat de voornoemde verdachte zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van geweld, in ieder geval misdrijven als genoemd in artikel 312 van het wetboek van Strafrecht, 45 resp. 46 jo. 312 van het wetboek van Strafrecht.

Doelstelling:

Tijdens voornoemde bespreking werd de doelstelling van het onderzoeksteam vastgesteld en als volgt geformuleerd:

Het door middel van de inzet van één of meerdere politie-infiltranten, werkzaam als politiële informatie-inwinners, vergaren van informatie ten behoeve van de waarheidsvinding in het onderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte en I of andere verdachten bij de eerder genoemde strafbare feiten.

Ingezette ambtenaar:

Alle in dit onderzoek betrokken politiële informatie inwinners zijn opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 onder b van het Wetboek van Strafvordering, opgeleid tot politieel infiltrant en als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid. Bedoelde politiële infiltranten zijn gecodeerd en ingeschreven onder de nummers A-3754, A-3755 en A-3796 en onder dit nummer als politiële informant ingezet.

Buitenlandse opsporingsambtenaar:

Verder werd gedurende dit onderzoek A-2208 en A-2246 ingezet, zijnde een persoon in openbare dienst van een vreemde staat. A-2208 en A-2246 zijn Duitse politieambtenaar en zijn bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten, en zijn tevens opgeleid tot politieel infiltrant. Zij staan onder deze code ingeschreven bij de Afdeling Afgeschermde Operaties van de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking te Driebergen. De identiteit van deze opsporingsambtenaar is bij ons bekend.

Met A-2208 en A-2246 werd, alvorens zij werden ingezet, gesproken over;

  • -

    de voor zijn inzet relevante Nederlandse wet- en regelgeving, specifiek op het gebied van instigatie (het Taloncriterium),

  • -

    dat hij gehouden is de aanwijzingen van de begeleider op te volgen,

  • -

    zijn instructies omtrent zijn opdracht tijdens de inzet en dat hij de begeleider na zijn inzet verslag zal doen van zijn bevindingen.

De ingezette opsporingsambtenaar in openbare dienst van een vreemde staat, werd dezelfde dag, kort na zijn hun inzet door ons gevraagd naar hun bevindingen.

Begeleiding:

Gedurende de uitvoering van het eerder genoemde bevel werden de ingezette opsporingsambtenaren begeleid door één of meerdere begeleiders met de nummers B-2238 en B-2237, beiden opgeleid tot begeleider en onder deze codes ingeschreven bij genoemd Team Operationele Ondersteuning. Opdrachten ten aanzien van de uitvoering van de genoemde bevelen werden door B-2238 en/of B-2237 verstrekt.

Periodiek overleg:

Gedurende het gehele onderzoek werd regelmatig overleg gevoerd met de betrokken officieren van Justitie Mr. E. Visser en mevr. Mr. S.C.M. Wildemors en het onderzoeksteam. Tijdens dit overleg werden telkens afspraken gemaakt over de voortgang van het traject stelselmatig inwinnen van informatie.

Een aantal beslis / overleg momenten worden hieronder nader aangehaald:

Op 31 oktober 2014 is er overleg geweest met mr. E. Visser en teamleider [teamleider] .

Tijdens dit overleg is er toestemming gegeven voor een inzet in Colombia.

Op 19 november 2014 is er overleg geweest met mr. E. Visser en teamleider [teamleider] .

Tijdens dit overleg is toestemming gegeven om in Medellín Colombia een appartement te gaan huren.

4 juni 2015 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Stand van zaken is doorgenomen en ook de voortgang met betrekking tot Colombia.

2 november 2015 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Stand van zaken is doorgenomen en er is een brainstorm gedaan over de voortgang.

In december 2015 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Tijdens dit overleg is toestemming gegeven om [medeverdachte 4] te benaderen met als doel te zien wat hij voor ons op de luchthaven Schiphol kan betekenen. We zullen [medeverdachte 4] benaderen met de vraag of hij geld van ons van 'landside' naar 'airside' kan brengen en het op airside weer aan ons ter beschikking kan stellen. Aan [medeverdachte 4] zal het idee gegeven worden dat we dit geld naar Engeland willen smokkelen. In een eerdere ontmoeting is door [medeverdachte 4] aan de verbalisanten verteld dat hij desgevraagd op Schiphol veel kan betekenen.

13 januari 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors. Aangegeven dat wij met [medeverdachte 4] gaan praten over een eerste "geldrun" van € 25.000 en dat we [medeverdachte 4] als vergoeding 3% zouden betalen. Hiervoor werd toestemming gegeven.

28 januari 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Naar aanleiding van de positieve reactie van [medeverdachte 4] op ons verzoek van het smokkelen van geld is dit nogmaals besproken.

19 februari 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors.

Besproken en besloten dat [medeverdachte 4] niet vervolgd gaat worden voor de handeling van het brengen van geld van landside naar airside.

9 maart 2016 is er een update gegeven aan de stuurgroep van de Koninklijk Marechaussee, de teamleider van het onderzoek [teamleider] en officier van justitie te Haarlem, mr. S. Lukowski. Hierbij zijn onder andere ook weer scenario's besproken voor een inzet in Colombia en meerdere geldruns met [medeverdachte 4] . Hiervoor werd toestemming verleend.

26 mei 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Besproken is de stand van zaken en de planning voor de komende maanden.

2 augustus 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Besproken is de inzet in Colombia en de resultaten hiervan. Verder zijn 2 scenario's nader besproken en is besloten dat we deze gaan voorzetten in de komende maanden.

Scenario 1:

Er gaat een grote verduistering van diamanten plaatsvinden in het buitenland. Na de verduistering zullen bij de verzekering de verzekeringsgelden geclaimd worden. Deze diamanten komen met een vliegtuig naar Nederland. [medeverdachte 4] gaat behulpzaam zijn met het buiten de luchthaven van Schiphol brengen van deze diamanten en bij het op de markt brengen van de diamanten.

Scenario 2:

A-3754 heeft in zijn cover gewerkt als beveiliger voor een man die in de zwarte handel zit waarin geslepen diamanten geruild worden tegen zg. bloeddiamanten. Echter A-3754 heeft een conflict met deze man en heeft veel geld van hem tegoed. A-3754 heeft [medeverdachte 4] benaderd om samen met hem deze man te beroven. [medeverdachte 4] heeft A-3754 verteld hem verder ook te kunnen helpen bij het omslijpen van de diamanten.

10 augustus 2016 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Nogmaals de inzet in Colombia besproken aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal. Scenario's voor de komende periode blijven gehandhaafd.

4 januari 2017 is er overleg geweest met mr. S.C.M. Wildemors en teamleider [teamleider] .

Hierin is besloten op zaterdag 14 januari 2017 voor het laatst met [medeverdachte 4] te gaan eten. Tijdens dit diner zullen de artikelen besproken worden die onlangs in de Panorama zijn geschreven over de overval op Schiphol en het daarbij uitgebrachte boek.

Alle bij dit dossier behorende processen-verbaal werden ten spoedigste opgemaakt, gedagtekend en vervolgens opgeslagen in een afgeschermd en beveiligd digitaal bestand.

Uit veiligheidsoverwegingen vond de ondertekening van enkele van deze processen-verbaal pas plaats op het moment dat het einddossier ten behoeve van justitie werd samengesteld.

Tijden in de pv' s:

Alle in de proces-verbalen genoemde tijdstippen zijn lokale tijdstippen.

Chronologische weergave van inzetten:

(opmerking hof: hier volgt een opsomming van in totaal 124 inzetten in het kader van het WOD-traject op [medeverdachte 4] in de periode van 6 november 2014 tot en met 14 januari 2017)

Bijzondere inzetten:

Op 18 december 2015 is er voor de periode van een ½ jaar, met de optie tot verlengen, een appartement gehuurd in Medellín Colombia

(hof: op de overige bijzondere inzetten zal worden ingaan bij de weergave van het handelen en de bevindingen van de opsporingsambtenaren)

Rechtshulpverzoeken:

Gedurende het onderzoek hebben er inzetten plaatsgevonden in Tsjechië, Colombia en Engeland. Door het tactische team werden rechtshulpverzoeken opgemaakt en uitgezet in deze landen en werd er toestemming gegeven voor de inzetten.

WhatsApp contact:

Vanaf 11 november 2014 is er door A-3755 WhatsApp contact onderhouden met [vriendin van medeverdachte 4] , de vriendin van [medeverdachte 4] . De volledige/correcte personalia is:

[vriendin van medeverdachte 4]

.

Deze whatsapp contacten waren van sociale aard.

Opmaak dossier:

Alle bij dit dossier behorende processen-verbaal werden ten spoedigste opgemaakt, gedagtekend en vervolgens opgeslagen in een afgeschermd en beveiligd digitaal bestand.

Uit veiligheidsoverwegingen vond de ondertekening van enkele van deze processen-verbaal pas plaats op het moment dat het einddossier werd samengesteld.

Ter afscherming van het middel "Werken Onder Dekmantel" is door alle genoemde verbalisanten domicilie gekozen in Driebergen en zijn alle processen-verbaal opgemaakt, gesloten en ondertekend te Driebergen.

In dit dossier zijn de processen-verbaal op datum gerangschikt met dien verstande dat eerst de processen-verbaal van bevindingen van de begeleiders zijn bijgevoegd met daarachter de processen-verbaal van de politieel informatie-inwinners.

Handelen en de bevindingen van de opsporingsambtenaren

Vooraf

Hieronder wordt een groot aantal van de ontmoetingen die plaats hebben gevonden beschreven. De gebeurtenissen en gesprekken tijdens deze ontmoetingen geven inzicht in het begin van het traject, het tot stand komen van het contact, de toegepaste misleiding, de onderlinge communicatie, de sfeer en dynamiek tijdens de ontmoetingen, alsmede het handelen en de uitlatingen van [medeverdachte 4] en de omstandigheden waaronder deze handelingen en uitlatingen hebben plaatsgevonden. Daarbij geldt dat [medeverdachte 4] (uiteindelijk) tijdens vijf ontmoetingen heeft gesproken over de diamantroof op Schiphol, namelijk op 29 en 30 juli, 27 oktober en 1 december 2016 en op 14 januari 2017. Hetgeen over deze ontmoetingen is gerelateerd zal, gelet op het belang om kennis te nemen van de context waarin de uitlatingen door [medeverdachte 4] zijn gedaan, hieronder telkens, voor zover van belang voor de beoordeling, integraal worden weergegeven.

Begin van het traject in 2014 en de contacten met de vriendin van [medeverdachte 4] in Colombia

Op 6 november 2014 zijn A-3754 en A-3755 naar het makelaarskantoor van [vriendin van medeverdachte 4] (hierna: [vriendin van medeverdachte 4] ), de vriendin van [medeverdachte 4] , te Medellín gegaan teneinde een appartement te huren. [vriendin van medeverdachte 4] vertelt over haar Nederlandse vriend die bij de KLM werkt en over een eventuele investering in door haar te verhuren appartementen dan wel in Panama. A-3755 heeft het er, samen met A-3796 (een Turkse vrouw uit Duitsland met familie die zou investeren in het buitenland), toe geleid dat [vriendin van medeverdachte 4] op 12 maart 2015 het telefoonnummer van [medeverdachte 4] aan A-3755 geeft.

Ontmoetingen

2015

Op 30 april 2015 vindt de eerste ontmoeting tussen [medeverdachte 4] en A-3755 plaats, in Amsterdam. De beide mannen stellen zich aan elkaar voor en spreken af elkaar te tutoyeren. [medeverdachte 4] vertelt uitgebreid over zijn liefde voor Colombia, hetgeen te maken heeft met klimaat, natuur, mentaliteit, leefwijze en mooie vrouwen. Daarna geeft A-3755 uitleg over zijn wijze van investeren. [medeverdachte 4] zegt dat hij van [vriendin van medeverdachte 4] een zodanig uitleg van de investeringsplannen van A-3755 had gekregen dat hij deze als niet professioneel had beschouwd, maar dat zijn kijk erop nu volledig is bijgesteld. [medeverdachte 4] vertelt dat hij bij de KLM werkt en dat hij het er erg naar zijn zin heeft. Verder vertelt hij dagelijks berichten over aandelen te volgen en zelf ook wel eens te beleggen, maar heel bewust en in kleine mate. Hij vertelt redelijk bekend te zijn in Medellín en nodigt A-3755 uit om bij een volgend bezoek aan Colombia, als hij er zelf ook zou zijn, gezamenlijk iets te gaan doen. Desgevraagd zegt [medeverdachte 4] dat hij ongeveer een keer in de twee maanden naar Colombia reist. A-3755 spreekt met [medeverdachte 4] af dat hij hem over een week of twee zal bellen om samen iets te gaan eten, hetgeen [medeverdachte 4] een prima idee vindt.

Vervolgens vindt op 28 mei 2015 de tweede ontmoeting tussen A-3755 en [medeverdachte 4] plaats. Hierbij worden onderwerpen van sociale aard besproken.

Op 5 juni 2015 belt A-3755 naar [medeverdachte 4] met de mededeling “die Turkse mensen zijn er dit weekend” en vraagt [medeverdachte 4] of hij hen wil ontmoeten, waarop [medeverdachte 4] zegt dat hij ze natuurlijk wil ontmoeten. Hierna vindt op 7 juni 2015 een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 4] en A-3796. [medeverdachte 4] vraagt aan A-3796 wat er van hem wordt verwacht wat betreft de samenwerking met haar en haar familie. Zij vertelt hem dat ze in diverse landen investeren in grote projecten en altijd betrouwbare mensen kunnen gebruiken voor hand- en spandiensten, dat ze gebruik kunnen maken van zijn kennis van Colombia en/of Amsterdam, dat zij eventueel documenten en/of contracten aan hem kunnen meegeven aangezien hij vaak naar Colombia reist. [medeverdachte 4] vraagt ook of “ze” legaal bezig zijn. Hij zegt dat hij bij Schiphol werkt en veel benaderd wordt door vrienden en/of vrienden van deze vrienden of hij, [medeverdachte 4] , 5, 10 of bijvoorbeeld 50 kg cocaïne door kan laten gaan. Hij heeft hier geen behoefte aan, waarop A-3796 meedeelt dat ze niet in de cocaïnehandel zitten.

Bij een ontmoeting op 22 juli 2015 met A-3755 vertelt [medeverdachte 4] dat hij erg druk bezig is met de voorbereidingen voor zijn reis naar Medellín op 23 juli 2015. Tijdens deze afspraak overhandigt A-3755 aan [medeverdachte 4] 34 biljetten van 50 euro, zijnde drie maanden huur voor het van [vriendin van medeverdachte 4] gehuurde appartement in Siempre Verde (Medellín). A-3755 heeft telefonisch met [vriendin van medeverdachte 4] afgesproken dat de huurovereenkomst met 3 maanden wordt verlengd en dat hij het geld aan [medeverdachte 4] zal meegeven.

De volgende afspraak met A-3755 vindt plaats op 31 augustus 2015. [medeverdachte 4] vertelt over zijn wens om zich in Colombia te vestigen en het ontbreken van financiële middelen om deze wens te vervullen. Hij vertelt dat hij vermoedelijk op 20 september 2015 weer naar Turkije zal gaan om met zijn familie het offerfeest te vieren. Verder zegt hij dat hij nog steeds niet helemaal begrijpt waarom hij gevraagd werd om voor de familie van ‘ [A-3796] ’ (het hof begrijpt: A-3796) af en toe documenten van en naar Colombia mee te nemen of te brengen, nu dit ook via een koeriersdienst kan.

Op 3 november 2015 vindt er een ontmoeting plaats tussen A-3755 en [medeverdachte 4] , waarbij A-3755 zijn vriendin A-2223 aan [medeverdachte 4] voorstelt. Er wordt over onderwerpen van sociale aard gesproken. A-3755 overhandigt aan [medeverdachte 4] een bedrag van 1.700 euro, bestemd voor de huur van het appartement, over te dragen aan [vriendin van medeverdachte 4] .

2016

Op 13 januari 2016 vindt een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 4] en A-3755. Bij die gelegenheid vertelt A3755 hij met een probleem zit, omdat [medeverdachte 4] hem in een eerder gesprek had verteld dat bekenden/vrienden van hem, die wisten dat hij op Schiphol werkte, hem wel eens vroegen of hij hen niet behulpzaam kon zijn met hand- en spandiensten, en A-3755 hem dat wilde vragen. Hierna legt A-3755 uit dat tot voor kort een man in Praag hem behulpzaam was geweest bij het “voorbij de douane brengen van een geldbedrag”, maar dat deze man er nu mee is gestopt, hetgeen A-3755 een probleem oplevert. [medeverdachte 4] zegt direct dat hij dit wel voor A-3755 kan doen en vraagt of het om een Schengenland gaat, waarop A-3755 antwoordt dat het om Engeland gaat. [medeverdachte 4] adviseert om in dat geval de KLM als luchtvaartmaatschappij te gebruiken omdat er dan minder risico is van controle door een geldhond. Ook vraagt [medeverdachte 4] of het om een groot geldbedrag zou gaan, waarop A-3755 aangeeft de eerste keer 25.000 euro als try-out te willen doen. [medeverdachte 4] zegt dat hij het liefst coupures van 500 euro heeft, een kleiner pakketje dat makkelijk voor hem is om via de personeelsingang naar binnen te krijgen. Na de veiligheidscontrole zou [medeverdachte 4] dan weer het pakketje in een toilet overhandigen. Hij stemt in met een vergoeding van 3% van het bedrag. Verder vraagt [medeverdachte 4] aan wie hij het geld moet overhandigen, waarop A-3755 antwoordt dat dit aan hem is. Als A-3755, op de vraag van [medeverdachte 4] wanneer dit gaat gebeuren, antwoordt dat [medeverdachte 4] dit mag bepalen, antwoordt [medeverdachte 4] dat dit op een vroege dienst dient te gebeuren, maar dat hem dit de komende twee weken niet uitkomt. Er wordt overeengekomen dat ze de eerste week van februari aanhouden. A-3755 vertelt dat hij hiervoor twee “schone telefoontjes” zal aanschaffen, waarvan hij er [medeverdachte 4] een zal geven.

Tijdens een ontmoeting tussen A-3755 en [medeverdachte 4] op 4 februari 2016 wordt door A-3755 aan [medeverdachte 4] contant de huur betaald voor het van [vriendin van medeverdachte 4] gehuurde appartement, alsmede een bedrag van 50 euro voor het overmaken van dit geld via Western Union. Ook wordt aan [medeverdachte 4] een telefoon, een simkaart en 50 euro voor de aanschaf van beltegoed overhandigd. [medeverdachte 4] vraagt welk bedrag hij voor A-3755 buiten de douane om op Schiphol moet brengen, waarop A-3755 antwoordt dat het een bedrag van 25.000 euro betreft als een soort try-out. [medeverdachte 4] zegt dat grotere bedragen ook geen probleem zijn, maar dat hij dit van tevoren dient te weten. [medeverdachte 4] legt dan de te volgen werkwijze uit. Hij vraagt met welke regelmaat het overbrengen van het geld zal gaan plaatsvinden. A-3755 vertelt dat dat afhankelijk is van de try-out, maar dat het bij een positief resultaat vermoedelijk om de drie weken zal gebeuren. Desgevraagd vertelt A-3755 dat A-3754 ook op de hoogte is en met geld zal gaan vliegen als A-3755 verhinderd is. [medeverdachte 4] zegt dit geen probleem voor hem is.

Op 9 februari 2016 overhandigt A-3755 [medeverdachte 4] een bedrag van 25.000 euro om dit buiten de douane om mee te nemen, met daarbij een bedrag van 750 euro als beloning. [medeverdachte 4] benadrukt nogmaals dat het voor hem absoluut geen probleem is het geld voor A-3755 naar binnen te brengen, het is immers voor hem ook een leuke bijverdienste. De volgende keer mag de vlucht ook in zijn late dienst zijn, zelfs voor of na zijn dienst. Naar het hof begrijpt neemt A-3755 op 13 februari 2016 op Schiphol de 25.000 euro weer in ontvangst van [medeverdachte 4] .

Op 22 februari 2016 heeft A-3755 een ontmoeting met [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt hierbij hoe het is gegaan de vorige keer, waarop A-3755 antwoordt dat het goed is gegaan. A-3755 overhandigt [medeverdachte 4] een bedrag van 50.000 euro om buiten de douane om binnen te brengen, alsmede een beloning van 1.500 euro. [medeverdachte 4] zegt nogmaals dat dit absoluut geen probleem voor hem is en biedt aan in voorkomende gevallen voor A3755 met het geld naar Londen te vliegen, ook dit is voor hem geen probleem. Op 25 februari 2016 neemt A-3755 het bedrag van 50.000 euro van [medeverdachte 4] in ontvangst op de airside van Schiphol. [medeverdachte 4] vraagt aan A-3755 of “zijn” mensen tot nu toe tevreden zijn, waarop A-3755 bevestigend antwoordt.

Bij een ontmoeting op 9 maart 2016 van A-3754 en A-3755 met [medeverdachte 4] wordt onder meer over sociale onderwerpen en Praag gesproken. [medeverdachte 4] zegt dat hij nu waarschijnlijk eerst met zijn moeder naar familie in Duitsland gaat om vervolgens naar Colombia door te vliegen en dat hij beschikbaar is om geld naar de overkant te vliegen als hij terugkomt uit Colombia.

Op 30 maart 2016 overhandigt A-3755 aan [medeverdachte 4] een bedrag van 25.000 euro om buiten de douane om aan A-3754 te overhandigen, alsmede een beloning van 750 euro. Verder nodigt A-3755 [medeverdachte 4] uit om in het weekend van 23 en 24 april 2016 samen met hem en A-3754 naar Praag te gaan. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij natuurlijk meegaat, hij vindt A-3754 ook een toffe vent en vertrouwt hem ook volledig.

Naar het hof begrijpt neemt A-3754 op 1 april 2016 op de airside van Schiphol 25.000 euro van [medeverdachte 4] in ontvangst.

In de periode van 22 april tot en met 24 april 2016 verblijven A-3754 en A-3755 met [medeverdachte 4] in Praag.

Op 3 mei 2016 ontmoeten A-3755 en A-3754 [medeverdachte 4] om een geldoverdracht te bespreken. [medeverdachte 4] zegt dat hij liever zou zien dat de bedragen omhoog gingen en dat hij liever minstens 50 doet.

Op 7 mei 2016 overhandigt A-3754 aan [medeverdachte 4] een bedrag van 750 euro als beloning en een bedrag van 25.000 euro, dat A-3754 op 9 mei 2016 op de airside van Schiphol weer in ontvangst zal nemen.

Bij de overhandiging door [medeverdachte 4] van dit geld op de airside van Schiphol aan A-3754, vraagt A-3754 of [medeverdachte 4] ook persoonlijk iets voor hem kan betekenen, waarop [medeverdachte 4] antwoordt: “tuurlijk, tuurlijk”. A-3754 zegt dat Rodriquez (hof: A-3755) ook van deze vraag weet en dat hij, A-3754, na de reis van [medeverdachte 4] naar Colombia, contact met hem zal opnemen over zijn vraag.

Tijdens een ontmoeting tussen A-3755 en [medeverdachte 4] op 24 mei 2016 vertelt A-3755 aan [medeverdachte 4] dat hij zijn zakenrelaties heeft verteld dat [medeverdachte 4] ook geld met het vliegtuig naar Londen wilde brengen. [medeverdachte 4] bevestigt dat hij dit nog steeds wil doen, te meer daar dit voor hem heel makkelijk zou gaan via de KLM, waarbij hij er vanuit gaat dat er wel een extra verdienste aan verbonden zal zijn.

Op 31 mei 2016 overhandigt A-3755 aan [medeverdachte 4] een bedrag van 50.000 euro, alsmede de gebruikelijke vergoeding van 1.500 euro, met daarbovenop een extra vergoeding van 875 euro, teneinde het eerstgenoemde bedrag vrijdag (hof: 3 juni) buiten de douane om naar Heathrow te vliegen en het aldaar te overhandigen. Uit het besprokene tijdens de ontmoeting van A-3755 en A-3754 met [medeverdachte 4] op 4 juni 2016 leidt het hof af dat [medeverdachte 4] deze run heeft uitgevoerd. Bij deze gelegenheid vraagt A-3754 aan [medeverdachte 4] of deze nog steeds bereid is een klus voor hem uit te voeren, waarop [medeverdachte 4] bevestigend antwoordt en A-3754 zegt dat hij hem hier apart over zal contacten. Het hof begrijpt dat het bedrag van 50.000 euro op Heathrow in ontvangst is genomen door B-2237.

Op 18 juni 2016 heeft A-3754 een ontmoeting met [medeverdachte 4] en vraagt hem of het voor hem mogelijk is een paspoort, telefoon en geld op de airside voor hem te krijgen. [medeverdachte 4] vertelde dat dit geen probleem is en dat hij blij is dat het nu allemaal groter gaat worden. A-3754 zegt dat hij nog contact op zal nemen met [medeverdachte 4] . Vervolgens vindt er op 28 juni 2016 wederom een ontmoeting plaats tussen A-3754 en [medeverdachte 4] , waarbij A-3754 aan [medeverdachte 4] vraagt of hij nog steeds bereid is een vals paspoort, telefoon en geld aan iemand op de airside te overhandigen. [medeverdachte 4] zegt dat dit geen enkel probleem is, maar dat het wel van een aantal punten afhankelijk is of hij dit kan doen. Zo kan hij niet op het Schengengedeelte van de airside komen. A-3754 zegt dat hij met iemand zal gaan overleggen en er op terugkomt bij [medeverdachte 4] . Hij vertelt ook dat hij met iets voor zichzelf bezig is.

Op 28 juni 2016 overhandigt A-3755 aan [medeverdachte 4] een bedrag van 50.000 euro voor een geldrun, alsmede een beloning van 1.500 euro, welk bedrag op 30 juni 2016 door A-3755 op de airside van Schiphol in ontvangst wordt genomen.

Bij een ontmoeting op 6 juli 2016 vertelt A-3754 aan [medeverdachte 4] dat hij met een zaakje voor zichzelf bezig is en in verband daarmee ongeslepen diamanten van landside naar airside wil krijgen, om vervolgens naar Engeland te transporteren. [medeverdachte 4] zei dat dit geen enkel probleem is en dat hij bereid is om dit te doen. Nadat A-3754 [medeverdachte 4] wat meer heeft verteld over zijn zaakje zegt [medeverdachte 4] dat hij een goede gast kent die in de diamanten zat en ze wel kon slijpen en legaal kon maken. De waarde zou vier keer over de kop gaan. A3754 zegt dat het duidelijk is dat hij dit via [medeverdachte 4] gaat spelen en niet via Engeland en dat hij [medeverdachte 4] op de hoogte zal houden. Naar aanleiding van het eerdere gesprek vertelt A-3754 aan [medeverdachte 4] dat het van de landside naar de airside brengen van een vals paspoort, telefoon en geld, en dit overhandigen aan iemand, doorgaat en dat dit woensdag (hof: 13 juli) gaat gebeuren en dat [medeverdachte 4] hier 650 euro voor zal krijgen. [medeverdachte 4] zegt: “is goed maar ik hoop dat het met de diamanten gaat lukken”.

Tijdens een ontmoeting met [medeverdachte 4] op 8 juli 2016 vertelt A-3755 aan [medeverdachte 4] dat het plan wat gewijzigd is voor woensdag, namelijk dat hij geen groot geld bedrag Schiphol binnen hoeft te brengen en dat het alleen om een telefoon, paspoort en 150 euro gaat. [medeverdachte 4] vertelt dat hij A-3754 heeft gesproken en blij is dat hij hem behulpzaam kan zijn. Hij kent namelijk een man met wie hij al eerder wat heeft gedaan. Door tussenkomst van deze man zou de waarde vermenigvuldigen, dat was de vorige keer ook een succes geweest. A-3755 vraagt [medeverdachte 4] of hij iets voor hem naar buiten kan brengen, waarop [medeverdachte 4] antwoordt dat dit mogelijk moet zijn. A-3755 vertelt [medeverdachte 4] dat dit wel een ander verhaal is dan het geld en dat er natuurlijk ook een andere risico aanzit. [medeverdachte 4] antwoordt dat dit geen probleem is en zegt spontaan dat het dan wel iets “groots” zal zijn, hetgeen hij prettig vindt daar hij dan ook meer zou verdienen. Later in het gesprek zegt [medeverdachte 4] dat hij hoopt dat dit mogelijk maakt eerder te kunnen stoppen met werken en naar Colombia te vertrekken.

Op 13 juli 2016 overhandigt A-3754 aan [medeverdachte 4] een envelop met een prepaid telefoon, 150 euro en een ingeseald Engels paspoort en beschrijft de persoon aan wie hij dit op de airside moet overhandigen. [medeverdachte 4] zal dan een ander paspoort terugkrijgen dat hij aan A-3755 moet teruggeven. Ook betaalt A-3754 aan [medeverdachte 4] een vergoeding van 600 euro. De Duitse opsporingsambtenaar A-2246 neemt een en ander op 13 juli 2016 van [medeverdachte 4] op Schiphol in ontvangst en overhandigt hem een ander paspoort, welk paspoort later die dag door A-3755 van [medeverdachte 4] in ontvangst wordt genomen. Tijdens die ontmoeting wordt gesproken over het aanstaande vertrek van [medeverdachte 4] naar Colombia de volgende dag en dat A-3755 aan [medeverdachte 4] via de app zal laten weten wanneer hij in Colombia zal zijn.

Als [medeverdachte 4] op 19 juli 2016 in Colombia is stuurt A-3755 hem een WhatsAppbericht: “hallo [medeverdachte 4] goed aangekomen in het paradijs?”. [medeverdachte 4] reageert: “hola mister G. Ja man relax. Vanwege drukte beetje vertraagd maar alles wel nu. Nou jullie nog…”.

A-3755 en A-3754 hebben op 24 en 25 juli 2016 een ontmoeting met [medeverdachte 4] te Medellín, Colombia, waarbij onderwerpen van sociale aard worden besproken. Op 27 juli 2016 hebben zij een ontmoeting met [medeverdachte 4] , waarbij zij gezamenlijk het graf van Pablo Escobar bezoeken. Als A-3754 aan [medeverdachte 4] vraagt hoe het komt dat hij zoveel van diamanten weet, vertelt [medeverdachte 4] over zijn netwerk. Als A-3755 aan [medeverdachte 4] vraagt of de mensen die hij kent ook grotere hoeveelheden aankunnen, zegt [medeverdachte 4] dat de gasten die eventueel voor hen kunnen slijpen dit wel tussendoor moeten doen en dus tijd voor hen moeten hebben. Hierna zegt [medeverdachte 4] dat alles mogelijk is maar: “show me the stuff”.

De volgende dag, op 28 juli 2016, stuurt A-3755 aan [medeverdachte 4] het volgende bericht: “buenas dias musketier, je zal de zware taak op de moda (het hof begrijpt: een ‘mode-event’ in Medellín) alleen op je moeten nemen. Wij gaan over onze toekomst praten. Hoe laat zien we je morgen?”.

Inzet op 29 juli 2016 te Medellín: ontmoeting waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof

In het proces-verbaal van bevindingen van A-3754 en A-3755 staat onder meer het volgende:

“Wij, politiële informanten, A-3754 en A-3755 kregen op donderdag 29 juli 2016 van ons begeleidingsteam opdracht om [medeverdachte 4] te ontmoeten, hem mee te nemen naar vooraf besproken locaties en het zakelijke en sociale contact verder uit te bouwen, alsmede zoveel mogelijk strafrechtelijke informatie te verzamelen.

Op vrijdag 29 juli 2016, omstreeks 11 uur, ontmoetten wij [medeverdachte 4] voor het Porton hotel te Medellín, Colombia. Vervolgens zijn wij bij [medeverdachte 4] in zijn voertuig gestapt en zijn wij gaan rijden zoals vooraf met hem besproken naar Guatape Piedra de Penol, een toeristische attractie in de omgeving van Medellín.

Omstreeks 13 uur kwamen wij aan bij Guatape Piedra de Penol. Ongeveer 30 minuten hiervoor zei ik A3755 tegen [medeverdachte 4] , in de auto in bijzijn van A-3754, dat wij een goede ontmoeting hadden gehad met de partners in Bogota en dat we geld zouden gaan verdienen. Ik, A-3755, heb hem vervolgens uitgelegd dat we een verzekeringsfraude willen gaan plegen met diamanten. Een van de mannen wil diamanten naar Nederland laten komen via Schiphol en daar zouden ze dan moeten verdwijnen. Verder hebben wij hem verteld dat wij ook nog niet alle details kenden maar dat het wel groot zou zijn en dat men nog twijfelde tussen Schiphol en een andere luchthaven, waar men ook niemand had. Vervolgens vroeg ik, A-3755, aan [medeverdachte 4] of hij grote dingen wel aan kon. Hierop zei [medeverdachte 4] :

  • -

    Dat niets te groot voor hem is.

  • -

    Dat als hij alleen maar spullen van Schiphol af moet krijgen het nooit te groot kan zijn.

  • -

    Dat het voor hem een handeling is en dat het niet uit maakt met wat dus dat het nooit te groot kan zijn.

  • -

    Dat als ze het ook op een andere luchthaven kunnen ze dat dan maar moeten doen maar dat hij het op Schiphol kan.

  • -

    Dat hij niet begreep als ze ook op een andere luchthaven terecht kunnen waarom ze dan daarna niet de "borrelnootjes" naar hem rijden ( [medeverdachte 4] bedoelt hiermee diamanten).

Ik, A-3754, zei vervolgens dat die tweede luchthaven misschien wel helemaal niet waar was maar dat ze dat zeggen om druk te zetten maar dat ze ook willen kijken of [medeverdachte 4] misschien niet zijn keutel in zou trekken omdat het te groot is en of hij dat wel aan zou kunnen, en of zijn man dat wel aan zou kunnen. Hierop zei [medeverdachte 4] "Ik kan het, ik kan het".

Vervolgens zei [medeverdachte 4] :

  • -

    Dat ze desnoods eerst vijf steentjes moeten doen als een soort test om te kijken of het lukt.

  • -

    Dat hij eerder gefunctioneerd heeft als tussenpersoon voor die steentjes.

  • -

    Dat ze ook een soortgelijke sporttas kunnen sturen en dan brengt hij die naar buiten.

  • -

    Dat het wel heel groot moet zijn, gezien de grootte van de sporttas zoals die omschreven wordt.

  • -

    Dat dit moet gaan om miljoenen, zeker wel 20 tot 30 miljoen.

  • -

    Dat wij ons geen zorgen moeten maken of die man het wel aankan, dat die man het aankan als hij nog leeft.

  • -

    Dat hij deze man via zijn gabber in Amsterdam heeft leren kennen en dat de slijper een inmiddels gepensioneerde man is met een boot en dat deze man de diamanten naar Antwerpen laat brengen om te slijpen.

  • -

    Dat de gabber een echte Amsterdammer is, een allemansvriend en dat hij hem met de diamantenman in contact heeft gebracht.

  • -

    Dat de gabber elk jaar naar een pokertoernooi in Vegas gaat en dat hij nu misschien op vakantie is met zijn gezin.

  • -

    Dat de diamantenman voor [bedrijf] heeft gewerkt.

Vervolgens kwamen wij bij de toeristische attractie en hebben wij niet meer over diamanten gesproken. [medeverdachte 4] zei toen alleen nog vlak voordat we de auto uitstapten: ''Vertel mij wat ik moet doen om die gasten te overtuigen."

Tijdens het eten begon [medeverdachte 4] uit zichzelf weer over het eventueel laten verdwijnen van diamanten van Schiphol en dat het hem niet lekker zat als men hem niet gelooft. Hij vertelde vervolgens wederom dat we niet bang moesten zijn dat zijn mannetje, de man die de diamanten laat slijpen, het ook niet aan zou kunnen, hij zei dat als we maar geduld zouden hebben en vijf a zes stenen per keer zouden doen het allemaal goed zou komen. [medeverdachte 4] rekende ons vervolgens voor dat wij ongeveer 30 procent van de waarde overhouden aan een steen, maar dat je hem dan wel met certificaat zou krijgen. [medeverdachte 4] rekende met een symbolische waarde van 100.000 euro, waarbij je dan volgens de Rapaportwaarde maar bv 50 procent krijgt en dan gaat er ongeveer 20 procent naar zijn gabber, de slijper en de man van [bedrijf] gaat, dan blijft 30 procent over. Mocht je snel cash willen dan is het natuurlijk minder maar dan zou [medeverdachte 4] je wel uit willen kopen.

Vervolgens ben ik, A-3754, opgestaan en naar het toilet van het restaurant gegaan. Ik, A-3755, vroeg toen vervolgens of ik eerlijk mocht zijn en, na instemming, zei ik tegen hem: "Die gasten waar ik gisteren mee gesproken heb, die hebben mij verteld dat ik eens op internet moest kijken naar de diamantroof op Schiphol jaren geleden. Zij vertelden mij als jullie man hierbij is geweest dan is dat de man die we zoeken”. Vervolgens zag ik, A-3755, dat [medeverdachte 4] begon te glimlachen en daarbij instemmend knikte. Ik hoorde dat hij vervolgens zei: “Laat ik het zo zeggen, ik had 10% van de aandelen." Toen ik daarop vroeg hij met die 10% aandelen, aandelen van de beurs bedoelde, hoorde ik [medeverdachte 4] zeggen: "Nee, ik zou 10% van de opbrengst van die gestolen diamanten krijgen, maar ze hebben mij bedonderd”. Vervolgens hoorde ik [medeverdachte 4] tegen mij zeggen: " [A-3755] ik heb dit nog nooit tegen iemand gezegd, NOOIT herhaalde hij nogmaals. Maar ik vertrouw jullie. Zeg dit maar dit (het hof begrijpt: tegen) jouw mensen, dan weten ze genoeg van mij.” [medeverdachte 4] vervolgde met te zeggen dat hij verwacht had met pensioen te kunnen gaan met zijn aandeel in de diamantroof, doch was bedrogen uitgekomen. Hij herhaalde nogmaals dat zijn vertrouwen in ons, A-3754 en A-3755, heel groot was.

Toen ik, A-3754, vervolgens weer aansloot aan tafel vertelde A-3755 mij dat [medeverdachte 4] hem zojuist verteld had dat hij een van de mannen van de grote diamantroof op Schiphol was geweest, jaren geleden. Ik, A-3755, zag dat [medeverdachte 4] hierbij instemmend knikte en wij hoorden [medeverdachte 4] vervolgens zeggen, terwijl hij met zijn handen de beweging maakte van een berg, "Hebben jullie ooit wel eens zo'n berg van diamanten gezien". Toen wij vervolgens nee zeiden, zei [medeverdachte 4] : "Ik wel."

Hierop ging [medeverdachte 4] ongevraagd verder met vertellen. Wij, verbalisanten, knikten af en toe instemmend of spraken onze verbazing uit. Hierop ging [medeverdachte 4] verder en vertelde:

  • -

    Dat hij voor de contacten had gezorgd.

  • -

    Dat hij af en toe 10.000 kreeg maar dat hij nooit de volle sporttas heeft gekregen die hem is toegezegd.

  • -

    Dat hij vlak na het gebeuren 10.000 kreeg om te feesten en dat hij dat toen ook heeft gedaan.

  • -

    Dat hij alles in US dollars kreeg en dat hij daarom de koers van die tijd nog weet.

  • -

    Dat het 10 jaar geleden is en dat ze geen spoor hebben achtergelaten.

  • -

    Dat hij nog goed weet dat hij de eerste avond na het gebeuren op de bank zat en dat er om 22.00 uur werd aangebeld, aangezien dat nog nooit gebeurd was en hij toen zo enorm geschrokken was dat zijn hart in zijn keel zat.

Vervolgens zei [medeverdachte 4] nog een keer: “Jongens ik heb dit nog nooit tegen iemand verteld maar ik heb zoveel vertrouwen in jullie".

Hierna vroeg ik, A-3754, of hij niet alsnog zijn geld wilde krijgen en of hij geen wraak wilde. Hierop zei [medeverdachte 4] :

  • -

    Dat ze zeggen dat het op is en herhaalde tot tweemaal "wat moet ik".

  • -

    Dat hij ze niet meer ziet.

  • -

    Dat hij er nog wel 1 zou kunnen achterhalen maar dat hij niet weet wat hij er mee zou moeten.

  • -

    Dat er meer bedonderd zijn en dat hij niet de enige is.

  • -

    Dat hij ook niet weet wat waar is omdat iedereen wat anders zegt maar dat niemand die hij kent die erbij was in luxe baadt.

Vervolgens hebben wij de rekening betaald en zijn wij terug gaan rijden richting Medellín, dit was omstreeks 17.00 uur. Tijdens de terugreis begon [medeverdachte 4] ongevraagd weer over de roof en zei vervolgens:

  • -

    Dat het tien jaar geleden is, dat ze geen spoor hebben nagelaten. Dit herhaalde hij nog een keer.

  • -

    Dat wij nu met de man in de auto zitten die ervoor heeft gezorgd dat alle veiligheidsmaatregelen op Schiphol veranderd zijn.

  • -

    Dat hij deze jongens via via heeft leren kennen, dat het plan daar was, dat ze wat hebben geobserveerd en dat het toen is uitgevoerd.

  • -

    Dat onze klus echt anders zou zijn want hier waren vuurwapens bij betrokken. Vervolgens maakte [medeverdachte 4] een pistoolbeweging met zijn duim en wijsvinger.

  • -

    Dat dit wat anders was dan wat wij nu zeggen.

Tijdens de autorit vroeg ik, A-3755, wat [medeverdachte 4] gedaan had met het geld wat hij wel heeft gekregen, hierop zei [medeverdachte 4] :

  • -

    Dat hij samen met een vriend het appartement in de ingestorte toren had gekocht en hij hier 50.000 euro in had gestoken.

  • -

    Dat hij een neef in Turkije 50000 euro heeft gegeven zodat deze zijn schuld af kon lossen omdat die neef zoveel voor de familie betekend.

  • -

    Dat hij het appartement met [vriendin van medeverdachte 4] heeft gekocht waar hij nu woont en er ongeveer 50.000 euro in had gestoken, de rest heeft [vriendin van medeverdachte 4] als hypotheek genomen.

  • -

    Dat hij het geld in Colombia gekregen had door bij elke trip die hij maakte 1 euro beneden het bedrag te blijven dat hij mee mocht nemen naar Colombia. Ook had hij hierbij gebruikt gemaakt van vrienden die naar Colombia kwamen en zo geld voor hem meenamen.

  • -

    Dat het geld voor de "borrelnootjes" in dollars werd ontvangen en dat dan omgewisseld moest worden.

  • -

    Dat dat omwisselen in die tijd nog mogelijk was bij bepaalde geldwisselkantoren in Amsterdam.

  • -

    [medeverdachte 4] een Tsjechische jongen, [voornaam 1] genaamd, bij een geldwisselkantoor kende die hij nu opnieuw zou kunnen benaderen voor het omwisselen.

  • -

    [medeverdachte 4] een voorbeeld gaf dat als je destijds bij het omwisselen 100.000 euro terugkreeg, hij die [voornaam 1] dan 2000 euro liet houden.

  • -

    De werkwijze van het geldwisselkantoor was om het bedrag in kleinere bedragen weg te schrijven, zodat er geen meldingsplicht bestond en er gebruik werd gemaakt van gefingeerde namen.

Vervolgens vroeg [medeverdachte 4] wat zijn aandeel zou worden in onze klus, waarop ik, A-3754, vervolgens zei dat het mij eerlijk leek dat we het in drie zouden delen. Hierop zei [medeverdachte 4] dat hij hoopte dat dit echt de rebound zou worden. Dat het een keer mislukt is en dat dit het goed moest maken. Hierop zei [medeverdachte 4] dat wij de dag ervoor hebben gezegd hoe blij we waren hem te hebben ontmoet en dat hij nu precies hetzelfde wilde zeggen. Vervolgens zei [medeverdachte 4] hardop lachend: "Weet je nog [A-3754] , dat ik Google zei toen je mij in dat park vroeg hoe het kwam dat ik zoveel van diamanten wist." [medeverdachte 4] zei hierna nog uit zichzelf dat dit echt niet te groot was en zei verder:

  • -

    Dat ze met kleine, grote en hele grote vrachtauto's van de KLM rijden en dat wij eens moesten weten wat je daar allemaal in kan verstoppen tussen andere lading.

  • -

    Dat er met vrachtauto's spullen geleverd worden op Schiphol en dat die chauffeurs tegen betaling er ook wel weer spullen vanaf willen brengen.

  • -

    Dat hij als hij thuis komt zo snel mogelijk weer naar zijn gabber gaat en in contact probeert te komen.

  • -

    Dat hij de diamantman via zijn gabber heeft ontmoet maar dat je deze man niet zomaar kan ontmoeten.

  • -

    Dat hij die diamantman de 1e keer in het American, bij het Leidseplein, heeft ontmoet.

  • -

    Dat hij later ook bij hem thuis kon komen.”

Inzet op 30 juli 2016 te Medellín, ontmoeting waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof

In het proces-verbaal van bevindingen van A-3754 en A-3755 staat onder meer het volgende:

“Wij A-3754 en A-3755 kregen op zaterdag 30 juli 2016, van ons begeleidingsteam de volgende opdrachten:

- Ontmoet [medeverdachte 4] vandaag, bezoek met hem de Catedral in Envigado, bouw met hem aan een sociale en zakelijke band en verzamel zoveel mogelijke strafrechtelijke informatie.

Op zaterdag 30 juli 2016, omstreeks 10.00 uur, ontmoetten wij [medeverdachte 4] in het hotel Porton in Medellín.

Onze begroeting was zoals gebruikelijk zeer hartelijk. Vervolgens zijn wij met de auto naar de Catedral in Envigado gereden.

Tussen ons drieën vonden er diverse gesprekken plaats over onderwerpen van sociale aard, waarbij wij onder andere spraken over de Feria de Rores, vrouwen, en ons gezamenlijk bezoek aan Piedra de Penol en de "fonda" de vorige dag.

Na ons bezoek aan de Catedral hebben wij vervolgens omstreeks 12.15 uur geluncht in een restaurant in Medellín, genaamd Peru Wok.

Hetgeen wij hier besproken hebben, hebben wij zoveel als mogelijk chronologisch en in dezelfde woorden dan wel woorden van gelijke strekking weergegeven.

Nadat A-3754 had gezegd dat hij het vervelend vond voor [medeverdachte 4] dat hij bedonderd was door de overige deelnemers aan de diamantenroof op Schiphol en aan [medeverdachte 4] vroeg of hij niets tegen die gasten kon doen, hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen dat dit niet mogelijk was. Hij was immers maar een gewone jongen en geen crimineel. En die gasten waren, zo zei hij, immers geen jongens die je in de speeltuin tegenkwam. Het waren volgens [medeverdachte 4] grote gasten die meerdere dingen gedaan hadden. Het zijn zware gasten die mij bedonderd hebben, voegde [medeverdachte 4] er aan toe. Toen ik, A-3755, daarop aanmerkte dat het dan echt niet zware jongens waren, daar die echt niet met zich hadden laten sollen als zij ook benadeeld waren, hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen dat dit echt zware jongens waren, die ook zaken hadden gedaan met [persoon] . Waarschijnlijk, zo zei [medeverdachte 4] , hebben die jongens snel geld willen maken met die steentjes en hebben zij er minder voor gekregen. [medeverdachte 4] voegde er aan toe dat hij dit afleidde uit hetgeen hem door die zware gasten verteld was, hetgeen hij natuurlijk niet zeker wist.

Op de vraag van A-3754 of er meerdere gasten benadeeld waren, antwoordde [medeverdachte 4] bevestigend. [medeverdachte 4] vertelde dat hij met de andere deelnemers aan de diamantenroof om de tafel had gezeten om een helder beeld te krijgen van hetgeen er mis gegaan was. Maar iedereen had een andere verklaring, dus nu wist hij nog niet wat er misgegaan was. Tijdens deze bijeenkomsten was het er ook stevig aan toegegaan en werd er ook tegen elkaar geschreeuwd. Uiteindelijk was er een soort bemiddelaar gekomen tussen de benadeelden en de zware gasten, hetgeen uiteindelijk tot nu toe ook niets opgeleverd had. Deze bemiddelaar was een van die zware gasten.

[medeverdachte 4] vertelde ook dat enkele van de benadeelden in de financiële problemen gekomen waren. Hen was veel geld toegezegd en zij hadden vervolgens schulden gemaakt die zij niet meer konden aflossen. Dit was volgens hem extra zuur, want de bedoeling was geweest om door deze diamantroof een financieel zekere toekomst te hebben, maar had nu alleen maar meer ellende opgeleverd. Zelf was [medeverdachte 4] gewoon blijven doen, hij had wel wat extra leuke dingen gedaan met het geld maar geen opvallende dingen. Hij was ook gewoon naar zijn werk blijven gaan om zo niet op te vallen.

Een van de andere benadeelden ging af en toe helemaal uit zijn dak en benaderde [medeverdachte 4] dan. Deze man ging dan even tekeer, hetgeen (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) aanhoorde. Daarna was de man dan weer rustig. Dit had zich al meerdere malen voorgedaan. Het enige wat [medeverdachte 4] deed, was de man aanhoren, verder niets.

[medeverdachte 4] vertelde ook dat hij had gehoord dat die zware gasten huizen in het buitenland hadden, maar dat zij zich verder in Nederland gedroegen alsof zij geen geld meer hadden. Een van die zware gasten had [medeverdachte 4] naderhand verteld dat hij het vervelend vond voor [medeverdachte 4] dat hij niet al zijn geld gekregen had en had hem toegezegd dat als [medeverdachte 4] een tip voor een goede kraak kon geven, hij [medeverdachte 4] alsnog geld geven van de opbrengst van deze kraak.

Tevens vertelde [medeverdachte 4] ons dat hij ongeveer twee jaar geleden opnieuw benaderd was voor een overval op Schiphol. Deze keer zou het een overval op een geldwagen hebben moeten zijn, welke geld en/of goud dat van Amsterdam naar Londen gevlogen zou worden, zou vervoeren. Observaties en tellingen waren al onder andere door [medeverdachte 4] gedaan. Het plan was uiteindelijk niet doorgegaan omdat een van de deelnemers bang zou zijn geworden.

[medeverdachte 4] zijn aandeel bij de uitvoering zou zijn geweest het binnen brengen van de uitvoerders van de overval. Desgevraagd vertelde [medeverdachte 4] dat hij bij het naar binnen en naar buiten brengen bijna nooit helemaal gecontroleerd werd, de douane keek alleen maar naar de brandstof.

[medeverdachte 4] kende alleen maar de man die hem benaderd had voor deze klus, dit was een van de zware gasten van de diamantroof. De anderen had hij niet gekend. [medeverdachte 4] zei dat hij alleen het telefoonnummer van de uitnodigende zware gast had gehad.

Nadat A-3754 een grap had gemaakt over dat El Patron mocht kiezen welke toetje hij wilde, en [medeverdachte 4] vroeg waarom hij El Patron was, antwoordde A·3754 dat dit duidelijk was. Hij had immers al die jaren geen sporen achtergelaten en ook had hij staan te zwaaien met een pipa bij de diamantenroof.

[medeverdachte 4] antwoordde hierop dat de politie nog altijd niet wist wat er toen precies gebeurd was en alleen gissingen hadden maar die tot niets geleid hadden.

[medeverdachte 4] vertelde dat hij niet met een pipa had lopen te zwaaien, hij had wel alle gebruikte pipa's in de hand gehad. Hij had ze namelijk van land- naar airside moeten brengen. Wij merkten op dat dit naar binnenbrengen wel zijn ding was, hetgeen [medeverdachte 4] ook bevestigde.

[medeverdachte 4] vroeg aan mij, A-3755, waarom ik bij hem terechtgekomen was voor deze nieuwe klus. Daarop vertelde ik hem dat dit idee ontstaan was, nadat hij tegen A-3754 over diamanten gesproken had en gezegd had dat hij ook daarbij wat kon beteken.

Vervolgens vroeg [medeverdachte 4] aan A-3754 waarom hij dit aan hem gevraagd had. A-3754 antwoordde daarop dat [medeverdachte 4] dit uit zichzelf had aangeboden toen A-3754 met hem over een klus gesproken had. [medeverdachte 4] gaf daarop toe dat dit inderdaad zo gegaan was.

[medeverdachte 4] vroeg aan mij A-3755 of het van land- naar airside brengen van het geld nog zou doorgaan, hetgeen ik bevestigend beantwoordde. [medeverdachte 4] gaf aan dat hij op 16 augustus weer naar Nederland zou vliegen, hij had immers al een KLM-ticket en vond het zonde een nieuwe te kopen. [medeverdachte 4] zou mij, A-3755, een berichtje sturen als hij weer in Nederland zou zijn. [medeverdachte 4] vertelde dat hij ongeveer 3 weken in Nederland zou blijven om vervolgens rond 12 september in Turkije te willen zijn in verband met de offerfeesten. Aansluitend zou hij weer naar Medellín vliegen om daar op [geboortedag medeverdachte 4] zijn verjaardag te vieren. Omstreeks 6 oktober zou hij dan weer naar Nederland vliegen.

[medeverdachte 4] vertelde dat als hij eenmaal weer in Nederland was, hij zo snel als mogelijk zijn gabber zou benaderen, die dan weer contact op zou nemen met die oude man. Met die oude man bedoelde [medeverdachte 4] de man die voor [bedrijf] had gewerkt

[medeverdachte 4] hoopte dat zijn gabber nog niet op vakantie was, hij zou namelijk 3 weken op vakantie gaan.

[medeverdachte 4] herhaalde nogmaals wat hij al eerder gezegd had, namelijk dat wij gezegd hadden dat wij blij waren hem hebben te ontmoet maar dat hij ook heel blij was dat hij ons had ontmoet. Hetgeen hij tegen ons verteld had, vertelde je niet zomaar tegen iemand. Dan moest je elkaar al wel enkele jaren kennen en elkaars vertrouwen hebben gewonnen. Bij ons was dat zeker het geval, voegde hij er aan toe.

[medeverdachte 4] benadrukte nogmaals dat als de steentjes uit Europa zouden komen, de klus een appeltje/eitje zouden zijn.”

Door A-3753 wordt op 4 augustus 2016 een Whatsapp-bericht aan [medeverdachte 4] gestuurd, waarin hij hem bedankt voor de geweldige tijd die ze in Colombia hebben doorgebracht.

Op 20 augustus 2016 heeft A-3755 een ontmoeting met [medeverdachte 4] in Amsterdam en overhandigt hem 50.000 euro voor een geldrun en 1.500 euro als beloning. [medeverdachte 4] vertelt bij die gelegenheid dat hij met zijn gabber heeft gebeld en een afspraak heeft gemaakt voor aanstaande dinsdag (het hof begrijpt: 23 augustus) in hotel Americain. Hij zou aan de gabber vragen of het bedrijf nog in werking was, deze zou dan direct weten wat hij hiermee bedoelde en binnen enkele dagen contact opnemen met “de oude man” om te vragen of het nog steeds mogelijk is met de borrelnootjes. [medeverdachte 4] zegt te hopen dat er veel grote heldere ruwe diamanten bij zitten, want dan is de kans dat je er het meeste aan verdient. Hij benadrukt nogmaals dat hij alleen de diamanten op Schiphol naar buiten kon brengen als iemand hem deze in de auto zou aanreiken. Op 25 augustus 2016 neemt A-3754 op de airside van Schiphol een bedrag van 50.000 euro van [medeverdachte 4] in ontvangst.

[medeverdachte 4] vertelt op 7 september 2016 tijdens een ontmoeting met A-3755 en A-3754, waarbij over sociale onderwerpen werd gesproken, uit zichzelf dat hij een ontmoeting heeft gehad met zijn Amsterdamse gabber en dat daaruit is gebleken dat het allemaal goed zal komen met de diamanten.

Tijdens een ontmoeting van 13 oktober 2016 tussen [medeverdachte 4] en A-3754, vertelt A-3754 dat de voorbereidingen voor zijn overval spoedig verlopen en vraagt of [medeverdachte 4] in verband met de voortgang volgende week aan het eind van de week weer die paspoortactie kan doen die hij eerder voor hen heeft gedaan. [medeverdachte 4] zegt dat A-3754 moet zorgen dat het op dezelfde manier zal gaan als het de vorige keer ging en dat donderdag hem het beste uit zou komen. Ook zegt [medeverdachte 4] nagedacht te hebben over de klus van A3755 en dat hij liever voor zekerheid gaat en minder geld ging zou pakken als ze de borrelnootjes ook op een andere luchthaven in Europa binnen kunnen krijgen. Dan zouden ze dat beter kunnen doen en dan de borrelnootjes naar hem toerijden in plaats van nieuwe dingen uit te proberen. Desgevraagd zegt [medeverdachte 4] dat een nieuwe geldrun binnen een week of twee geen enkel probleem is.

Inzet op 27 oktober 2016 te Amsterdam (Harbour Club), ontmoeting waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof

In het proces-verbaal van bevindingen van A-3754 en A-3755 staat onder meer het volgende:

“Wij, politiële informanten, A-3754 en A-3755, kregen op dinsdag 25 oktober 2016 van ons begeleidingsteam opdracht om een ontmoeting met [medeverdachte 4] te organiseren en het sociale en zakelijke contact verder uit te bouwen, alsmede zoveel mogelijk strafrechtelijke informatie te verzamelen.

Op donderdag 27 oktober 2016. omstreeks 20.30 uur, ontmoetten wij [medeverdachte 4] bij restaurant Harbour Club, gevestigd Cruquiusweg 671 te Amsterdam. Teneinde deze ontmoeting mogelijk te maken had ik, A3754, de dagen hiervoor regelmatig whatsapp contact met het mobiele nummer, [telefoonnummer] , van [medeverdachte 4] . In deze chatcontacten is verder niets terzake dienende besproken.

Nadat wij elkaar in de lobby van hel restaurant hadden ontmoet hebben wij wat gedronken aan de bar en zijn wij vervolgens naar de tafel gegaan waar we gedineerd hebben. Tijdens het diner hebben wij gesproken over diverse sociale onderwerpen zoals vrouwen, Colombia, vakantie, Spanje, voetbal etc.

Tijdens het diner vroeg [medeverdachte 4] aan mij, A-3755, naar een aantal zaken rondom de geplande verzekeringsfraude. Terwijl ik, A-3755, hierop antwoord probeerde te geven vertelde [medeverdachte 4] ons uit zichzelf plotseling:

  • -

    Dat hij wel een plek wist waar we de buit konden verstoppen.

  • -

    Dat dit dezelfde plek is als waar hij 10 jaar geleden ook zijn deel van de buit verstopt had op de zolder.

  • -

    Dat dit een woning is die hij destijds met zijn vader en moeder gehuurd heeft.

  • -

    Dat hij deze woning (een sociale huurwoning) nu nog steeds huurt met zijn moeder.

  • -

    Dat hij en zijn nichtje er nog komen en dat hij er ook wel eens slaapt en dat de buren hem ook kennen.

  • -

    Dat hij dit bij dezelfde makelaar huurt als waar hij zijn andere woning ook huurt en er 300 euro per maand voor betaalt.

[medeverdachte 4] zei ook dat het misschien een goed idee was om de keer eerst met zijn allen de buit te bekijken en op foto te zetten, zodat we precies weten wat er is en weg gaat.

Tevens begon [medeverdachte 4] ons spontaan te vertellen, zonder dat wij ernaar vroegen;

  • -

    Dat hij destijds twee uur moest wachten met die jongens omdat het vliegtuig twee uur later was en dat het best moeilijk is om je dan twee uur op te houden zonder dat het opvalt.

  • -

    Dat hij de tijd ervoor met observeren enzo en kijken hoe alles zit ook best spannend vond, zoals in een film.

  • -

    Dat ze niet wisten dat je die auto's op afstand kon begrenzen waardoor ze niet harder dan 40 kilometer per uur kunnen.

  • -

    Dat ze ook niet wisten dat er een code aan die sleutel is verbonden waardoor je de achterkant niet kon openen.

  • -

    Dat ze als een gek op de voorkant hebben staan beuken om bij de spullen te kunnen omdat dat via de achterkant niet ging en dat ze daarom niet alles hebben kunnen meenemen.

  • -

    Dat het nu net zoals 10 jaar geleden om spullen zou gaan die voor een beurs bestemd waren/zijn.

  • -

    Vroeg of ik, A-3755, wist wat er nu precies bij zou zitten.

  • -

    Dat er 10 jaar geleden een ketting van de koning van Thailand had bijgezeten

  • -

    Dat het toen in februari was geweest en nu in januari.

Tevens vertelde [medeverdachte 4] ons tijdens het diner nog dat hij die dag een afspraak had gehad omdat hij weer eens was benaderd om drugs uit de vliegtuigen te krijgen. Hij vertelde dat het om 5 tot 10 kilo ging wat uit Colombia kwam. Ook vertelde hij dat dit zo vaak gebeurt maar dat er uiteindelijk nooit wat van komt. Voorts, zo vertelde [medeverdachte 4] , was dit zo’n kleine hoeveelheid waaraan hij niet voldoende kon verdienen in verhouding tot het risico dat hij zou lopen. Hij voegde er aan toe dat als zijn verdiensten op z'n minst een miljoen zouden zijn, hij dat risico wel wilde lopen.”

Op 4 november 2016 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 4] en A-3754. [medeverdachte 4] vraagt wanneer ze de truc met het paspoort weer gaan doen voor het project van A-3754 en zegt dat hij nu hij de antwoorden van A-3755 over dat project heeft gehoord een veel beter gevoel heeft en er nu niet meer zo onrustig over is. A-3754 overhandigt aan [medeverdachte 4] een bedrag van 50.000 euro voor een geldrun en een bedrag van 1.500 euro als beloning. Dit bedrag neemt A-3754 op 9 november 2016 op de airside van Schiphol van [medeverdachte 4] in ontvangst.

Op 18 november 2016 treft A-3754 [medeverdachte 4] en overhandigt hem een paspoort en een envelop met 300 euro. Hij vertelt [medeverdachte 4] dat het grote geld nog moet komen en dat verder alles zal gaan als de vorige keer als hij om 13:30 uur bij de McDonalds Lounge 3 airside Schiphol is en dat hij dan dezelfde man zal ontmoeten als de vorige keer. Vervolgens ontmoet A-3754 diezelfde dag wederom [medeverdachte 4] , om 14:50 uur, ditmaal in de vertrekhal. Daaraan voorafgaand heeft A-3754 over de chat met [medeverdachte 4] contact over het niet aantreffen van de persoon, het zoeken naar hem en wat te doen. Bij de ontmoeting spreekt A-3754 met [medeverdachte 4] over wat er gebeurd zou kunnen zijn en wat hij, A-3754, nu gaat doen.

De volgende ontmoeting tussen A-3754 en [medeverdachte 4] vindt plaats op 22 november 2016. [medeverdachte 4] begint meteen te vragen hoe het met de voorbereidingen loopt en of A-3754 al iets heeft vernomen van de man die ze afgelopen vrijdag op Schiphol hadden moeten ontmoeten. A-3754 bespreekt met [medeverdachte 4] wat er gebeurd zou kunnen zijn, wat hij allemaal heeft gedaan en waar het misgelopen zou kunnen zijn. [medeverdachte 4] vertelt A-3754 dat hij hier alleen maar van kan leren om te zorgen dat het de volgende keer niet meer misloopt en dat je hiervan groeit. Ook is [medeverdachte 4] van mening dat ze de grote klapper van [A-3755] (hof: A-3755) in januari niet in gevaar moeten brengen. [medeverdachte 4] zegt dat dit tenslotte pensioen voor hen allemaal is.

A-3754 zegt dat hij graag zou zien dat zijn project in december door zou gaan, maar dat hij nu voor een uitdaging staat en dat hij geen mensen kent die dit nu wel over kunnen nemen of zo zouden kunnen doen. [medeverdachte 4] vertelt dat hij deze mensen wel kent, dat hij nog wel eens thee me ze drinkt of een drankje met ze doet, maar dat hij ze niet vertrouwt. Hij zegt dat dit echt harde en zware jongen zijn, die A-3754 in de maling zouden nemen als ze de kans zien. [medeverdachte 4] zegt dat hij hen daarom niet wil benaderen, omdat hij de vriendschap met A-3754 niet op het spel wil zetten.

Inzet op 1 december 2016 te Amsterdam (restaurant Momo), ontmoeting waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof

In het proces-verbaal van bevindingen van A-3754 en A-3755 staat onder meer het volgende:

“Op donderdag 1 december 2016 kregen wij A-3754 en A-3755, van ons begeleidingsteam de volgende opdrachten:

Ontmoet [medeverdachte 4] vandaag, ga met hem dineren, bouw met hem aan een sociale en zakelijke band en verzamel zoveel mogelijke strafrechtelijke informatie.

Op donderdag 1 december 2016, omstreeks 20.00 uur, ontmoetten wij [medeverdachte 4] voor het restaurant Momo, gevestigd aan de Hobbemastraat 1 in Amsterdam. Onze begroeting was zoals gebruikelijk zeer hartelijk.

Nadat wij plaats hadden genomen aan een tafel in het restaurant, vond er tussen ons drieën een gesprek plaats, waarvan wij de inhoud zoveel als mogelijk chronologische en in dezelfde woorden, dan wel woorden van gelijke strekking, zullen weergeven.

[medeverdachte 4] vertelde al direct dat hij zijn vertrek naar Medellín vervroegd had, hij zou nu zaterdag 3 december al gaan. Hij was al enkele dagen druk doende geweest met het pakken van de koffers, daar hij nu ook weer enkele spullen voor daar mee wilde nemen. Zijn terugreis stond nu gepland voor rond 28 december, mede omdat hij met oud- en nieuwjaar moest werken.

Vervolgens kwam ons gesprek terecht op onze man die niet op Schiphol verschenen was en die [medeverdachte 4] zou ontmoeten. Na hem uitgelegd te hebben dat deze man enkele dagen vast gezeten had in het buitenland, hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen dat hij zoiets al verwacht had. Er kon volgens zijn zeggen namelijk altijd iets onverwachts tussen komen.

Daarna passeerden diverse onderwerpen van sociale aard de revue, waaronder ons gezamenlijke verblijf in Medellín afgelopen juli, te toekomstplannen na onze klus, de vliegtuigramp deze week en de voorbereidingen voor de klus eind januari 2017.

Nadat A-3754 even naar het toilet was gegaan, bedankte ik, A-3755, [medeverdachte 4] nog even hoe hij A-3754 opgevangen had bij het niet doorgaan van zijn klus. Ik, A-3755, vertelde [medeverdachte 4] ook dat ik blij was dat hij A-3755 (het hof begrijpt: A-3754) in bescherming had genomen, door hem niet in zee te laten gaan met die zware jongens. [medeverdachte 4] legde mij uit dat deze gasten A-3754 beslist in de maling genomen zou hebben en dat wilde hij absoluut niet. [medeverdachte 4] voegde er aan toe dat dit gasten waren, die zonder ook maar met hun ogen te knipperen, iemand bij een klus een pistool op hun hoofd zetten en ook eventueel zouden afdrukken. Ik, A-3755, zag dat [medeverdachte 4] daarbij met middels de duim en wijsvinger van zijn rechterhand een "pistool" vormde. Dit waren gasten die echt "zaken" gedaan hadden, zo vervolgde [medeverdachte 4] . Geen zaken zoals de zaak die wij nu zouden gaan doen in januari, maar echte overvallen. [medeverdachte 4] vertelde dat zij daar ook een geldwagen voor hadden nagebouwd en daarmee het nodige leeggehaald. Professionals dus. Echter, zo vertelde [medeverdachte 4] , waren zij vergeten dat er altijd een nummer op het dak van de geldauto stond en dit was hun nu opgebroken. Vanuit een helikopter was dit opgevallen en waren zij gepakt. Nadat A-3754 weer was aangesloten, herhaalde [medeverdachte 4] dit nogmaals.

Daar kwam bij, zo vertelde [medeverdachte 4] , dat het ook gasten waren die altijd een grote bek hadden en ook graag stoer deden met hun verhalen over wat zij allemaal konden.

Volgens zijn zeggen hadden deze gasten ook al vaker vastgezeten.

Ik, A-3755, vertelde [medeverdachte 4] dat ik begin januari hem wat meer kon vertellen over de klus en ik hem een berichtje zo sturen voor een afspraak. Voorts gaf ik aan dat hij ons dan de woning kon laten zien, waar hij destijds een deel van de buit had opgeslagen en welke wij nu opnieuw daarvoor wilden gebruiken. [medeverdachte 4] herhaalde wat hij eerder al gezegd had, namelijk dat behalve hijzelf ook zijn nichtje, de dochter van zijn zus, af en toe en die woning kwam. Zijn nichtje was toen ongeveer 15 jaar.

[medeverdachte 4] stond er op dat ieder van ons een handvol van de buit direct mee zou nemen, als een soort garantie/verzekering voor het geval er naderhand iets mis mocht gaan. Dit was bij de overval 10 jaar geleden ook gebeurd. [medeverdachte 4] had zijn meegenomen deel in die woning bewaard. Nadat hij door had gekregen dat hij niet het beloofde deel van de buit zou krijgen, was hij zelf op zoek gegaan om de borrelnootjes te gaan verkopen. Zo was hij ook via zijn Amsterdamse gabber, bij de "oude man" uitgekomen. Deze laatste had de borrelnootjes mee genomen naar Antwerpen en ze daar verkocht. [medeverdachte 4] had 1 steentje van de oude man teruggekregen, daar dit een bijzondere steen was geweest gelet op de kleur, Deze steen had een verkoopwaarde van 20.000 euro gehad. Aanvankelijk had [medeverdachte 4] , zo vertelde hij, deze steen bewaard, doch uiteindelijk verkocht via de oude man. Van de 20.000 euro, had [medeverdachte 4] 5000 euro aan de oude man gegeven.

Met de totale opbrengt van de overval op Schiphol, bestaande uit het geld dat hij af en toe van die zware jongens kreeg en het geld dat hij door de verkoop van zijn meegenomen deel van de buit, had hij ook enkele investeringen hier en daar gedaan. Zoals hij ons al verteld had, was het in Medellín verkeerd gegaan met zijn investering.

[medeverdachte 4] vroeg ons of wij ons een beeld konden vormen van een tafel vol met de opbrengst van de overval op Schiphol, zoals hij zelf gezien had destijds. En, zo voegde hij er aan toe, dat was niet de gehele opbrengst. Er was nog meer. Waar dit allemaal gebleven was, wist [medeverdachte 4] niet, zei hij en voegde er aan toe dat die zware gasten hadden het er volgens de verhalen wel van genomen hadden. Zo zou er een huis in of nabij Barcelona gebouwd zijn, staken zij het nodige in hun neus en verbrasten een deel in het casino.

Op de vraag van A-3754 of die zware gasten ook gebruik hadden gemaakt van de "oude man", antwoordde [medeverdachte 4] dat dit aanvankelijk niet zo was geweest. Pas later hadden zij [medeverdachte 4] gevraagd of zij ook van" de oude man" gebruik konden maken. Zij hadden eerst gebruik gemaakt van een andere man, die de buit voor hen verkocht. Nadat [medeverdachte 4] en de andere benadeelden het gevoel hadden gekregen in de maling te worden genomen door die zware gasten, waren zij op zoek gegaan naar deze man en hadden hem ook gevonden. Tezamen met de andere benadeelden, was [medeverdachte 4] op bezoek geweest bij een gebouw dicht in de buurt van het Harbour Café in Amsterdam. Het was een gebouw geweest met een groot aantal bellen bij de ingang. Ook hadden er heel veel namen bijgestaan. Daar [medeverdachte 4] en de overige benadeelden de naam van de man niet geweten hadden, hadden zij op de gok aangebeld bij bel met daarbij de naam [achternaam] . Deze man, volgens [medeverdachte 4] van Joodse afkomst, had hun ook te woord gestaan en bevestigd dat hij voor die zware jongens een deel van de buit verkocht had, doch had geen idee wat er mis gegaan zou kunnen zijn. Volgens [medeverdachte 4] was het duidelijk geweest dat deze [achternaam] bang voor die zware gasten was geweest.

[medeverdachte 4] legde ons ook uit hoe hij van plan was de tassen in januari buiten de luchthaven van Schiphol te brengen. Hij had hier ervaring mee, zo zei hij. " Ik ben immers degene die de geschiedenis van de luchthaven Schiphol persoonlijk veranderd heeft", hoorden wij [medeverdachte 4] letterlijk zeggen.

[medeverdachte 4] zou in zijn burgerkleding de dienstauto binnen het luchthaventerrein besturen en de tassen in ontvangst nemen. Daarna zou hij rustig met de dienstauto naar buiten rijden en daar de dienstauto ergens parkeren. [medeverdachte 4] zou vervolgens de tassen op een bagagewagentje, die bij Schiphol klaar staan om de koffers op te zetten, en rustig weglopen. Ongeveer 10 minuten later zou een collega van hem naar die plek komen en de dienstauto weer binnen het luchtvaartterrein rijden. Deze collega zou hij dan geld geven voor zijn verleende dienst. [medeverdachte 4] voegde er aan toe dat dit een reeds vaker gebruikte methode was en wij hierop volledig konden vertrouwen.

[medeverdachte 4] vertelde ons ook dat naarmate de klus dichterbij zou komen, het adrenaline gehalte in ons zou toenemen. De laatste dagen voor de overval op Schiphol had hij bijna niet meer geslapen, absoluut geen rust meer in zijn lijf gehad en had nog amper binnen kunnen blijven. Ook wij zouden dit gaan ervaren volgens [medeverdachte 4] .”

Op 26 december 2016 stuurt [medeverdachte 4] een Whatsapp-bericht naar A-3754 waarin hij schrijft: “Merry Christmas vriend”. A-3754 stuurt op 29 december 2016 een bericht terug waarin hij vraagt of [medeverdachte 4] een fijne tijd heeft gehad of misschien nog aan het genieten is, dat hij benieuwd is naar de verhalen van [medeverdachte 4] uit Colombia en dat ze misschien de volgende week moeten afspreken. Op 1 januari 2017 wensen A-3754 en [medeverdachte 4] elkaar over de chat een gelukkig Nieuwjaar.

2017

Er is in 2017 één (laatste) ontmoeting met [medeverdachte 4] geweest.

Inzet op 14 januari 2017 te Amsterdam (restaurant Momo), ontmoeting waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof

In het proces-verbaal van bevindingen van A-3754 en A-3755 staat onder meer het volgende:

“Wij A-3754 en A-3755, kregen op zaterdag 14 januari 2017, van ons begeleidingsteam de volgende opdrachten:

Ontmoet [medeverdachte 4] te Amsterdam. Vraag [medeverdachte 4] te laten zien waar het safehouse is waar [medeverdachte 4] eerder aan refereerde en waar in 2005 gebruik van is gemaakt. Bespreek tijdens het gebruiken van een maaltijd in een restaurant het artikel over de diamantroof 2005, dat is gepubliceerd in tijdschrift Panorama, nummer 49 van het jaar 2016 en gebruik hierbij het tijdschrift en/of het boek "Handen omhoog! Dit is een overval” waarin dit verhaal is gepubliceerd. Overhandig [medeverdachte 4] dit boek. Verzamel in de context van dit onderzoek zoveel als mogelijk strafrechtelijke informatie.

Op zaterdag 14 januari 2017, omstreeks 18.30 uur, ontmoette ik A-3755, [medeverdachte 4] voor het pand van Apple, gevestigd aan het Leidseplein in Amsterdam. Na onze gebruikelijke begroeting, liepen wij naar A-3754, die in een auto op ons wachtte voor de parkeergarage Byzantium aan de Tesselschadestraat in Amsterdam. [medeverdachte 4] vertelde mij dat wij met z'n drieën even iets moesten bespreken mat betrekking tot de bewaarplaats van de buit.

Eenmaal in de auto gezeten, hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen dat hij er nog eens goed over nagedacht had en tot de beslissing gekomen was, dat hij ons de woning niet kon aanwijzen. Voor zijn gevoel was dit de enige plaats op aarde waar alleen hij en zijn moeder vanaf wisten. Ook de andere deelnemers van de overval op Schiphol had hij deze plaats nooit laten zien. Als wij wilden, konden wij deze woning nog steeds gebruiken voor het bewaren van de buit doch alleen hij zou weten waar dit was. Hij was bereid desnoods iedere week ons de buit te laten zien en we konden deze dan ook wegen. Hij had van het verleden geleerd en wilde absoluut niet dat het hem nog eens zou overkomen een deel van de buit kwijt te raken. Wij, A3754 en A-3755, gaven aan hierdoor verrast te zijn en er even over na te moeten denken.

Daarop zijn wij korte tijd in het American-hotel geweest, alwaar wij koffie gedronken hebben.

Hierbij spraken wij onder andere over Colombia, het weer en vertelde [medeverdachte 4] nogmaals kort welk percentage wij konden verwachten als een diamant bijvoorbeeld een waarde had van 100.000 euro. In eerste instantie zouden wij dan 50.000 euro overhouden (de man in de beurs in Antwerpen zou er ongeveer 10.000 aan verdienen), waarvan wij nog een eventueel te onderhandelen percentage van tussen de 10 en 15 % van 50.000 euro dienden af te staan aan de eerder bedoelde "oude man". Hoe groter de waarde van onze buit zou zijn, des te betere onderhandelingspositie wij bij de "oude man" zouden hebben.

Vervolgens zijn wij omstreeks 20.00 uur gegaan naar het restaurant Momo, gevestigd aan de Hobbemastraat 1 in Amsterdam.

Nadat wij plaats hadden genomen aan een tafel in het restaurant, vond er tussen ons drieën een gesprek plaats, waarvan wij de inhoud zoveel als mogelijk chronologisch en in dezelfde woorden, dan wel woorden van gelijke strekking, zullen weergeven.

[medeverdachte 4] vertelde dat hij tezamen met [vriendin van medeverdachte 4] een nieuwe auto gekocht had in Medellín. Iemand had voor de Toyota 45 miljoen peso’s geboden. Dit bod hadden zij aanvaard en vervolgens hadden zij een nieuwe Kia Sportage gekocht, die 90 miljoen peso had gekost. De helft hadden zij betaald met de 45 miljoen peso van de verkoop en voor de andere helft waren zij een financiering aangegaan. Voor de financiering betaalden zij nu maandelijks iets meer dan 1 miljoen peso. [vriendin van medeverdachte 4] en hij betaalde ieder de helft hiervan.

Na een korte tijd over diverse onderwerpen van sociale aard te hebben gesproken, vertelde ik, A-3755, [medeverdachte 4] dat wij behoorlijk geschrokken waren van de publicaties met betrekking tot de diamantroof op Schiphol in de Panorama in december 2016 (nummer 49) en in het boek "Handen omhoog! Dit is een overval.” [medeverdachte 4] vertelde niet te begrijpen wat wij hiermee bedoelden, daar hij op dat moment in Medellín was geweest en niets gelezen of gehoord had.

Daarop overhandigde ik, A-3755, [medeverdachte 4] het boek, dat in opdracht van ons begeleidingsteam door A-3754 was gekocht. [medeverdachte 4] vroeg ons of wij het verhaal met betrekking tot de diamantroof gelezen hadden en nadat wij dit bevestigd hadden of het klopte. Wij antwoordden dat wij dat natuurlijk niet wisten, daar wij er niet bij waren geweest. Tevens liet ik A-3754 hem een foto zien, op mijn mobiele telefoon, van de voorkant van de betreffende Panorama waarin een artikel over de diamantroof wordt aangekondigd.

Direct begon [medeverdachte 4] in het boek te bladeren en kwam terecht bij het verhaal over de diamantroof op Schiphol. Wij hoorden [medeverdachte 4] direct zeggen dat het nummer van de wagen niet klopte (naderhand zagen wij dat [medeverdachte 4] hiermee bedoelde de zinsnede: Het busje, met nummer 34 en een duidelijk KLM-logo erop, is vervolgens een uur lang buiten beeld op bladzijde 254). Ook hoorden wij hem zeggen dat [voornaam medeverdachte 1] " [bijnaam medeverdachte 1] " er inderdaad ook bij was geweest.

Ik, A-3754, hoorde en zag dat op het moment dat [medeverdachte 4] de initialen [initialen medeverdachte 3] met zijn vinger aanwees (bladzijde 257 zinsnede: met de arrestatie van de 41-jarige Amsterdammer [initialen medeverdachte 3] ), zei: "Deze initialen kloppen ook".

Op mijn opmerking dat ik, A-3755, gelezen had dat men ook vermoedde dat er twee neven bij de diamantroof betrokken waren geweest, hoorde wij [medeverdachte 4] zeggen: "Een was erbij. Ik ken ze, ben met hen in Suriname geweest."

Hierna stopte [medeverdachte 4] met het lezen en legde hij het boek op de tafel bij hem.

Wij hoorden hem vervolgens zeggen dat je " [bijnaam medeverdachte 1] " niet tegen wilde komen. Het was een ontzettend grote vent die behoorlijk indruk maakte en ook slim was. Als [medeverdachte 4] contact het hem wilde hebben, liep hij altijd even bij " [bijnaam medeverdachte 1] " langs en deed hij een briefje in de bus. Bellen was absoluut geen optie. " [bijnaam medeverdachte 1] " kwam volgens [medeverdachte 4] altijd echt op tijd, niet te laat en niet te vroeg. Heel gedisciplineerd. Hij was volgens [medeverdachte 4] echt degene die alles bedacht. Volgens [medeverdachte 4] had " [bijnaam medeverdachte 1] " een maat die alles recht lulde en dat op zo'n manier deed dat iedereen hem dan geloofde.

Daarop gaven wij, A-3754 en A-3755, aan het wel een top-idee was geweest dat " [bijnaam medeverdachte 1] en zijn vriend" zich hadden laten insluiten bij een bank om vervolgens de kluisjes leeg te halen. [medeverdachte 4] reageerde hierop door te zeggen dat die twee mannen, die echt maten waren, ook wel eens persoonlijke meningsverschillen hadden, doch dat zij "zakelijk gezien" altijd weer samen konden werken en een klus deden. Toen ik, A-3755, daarop aanhaalde dat het duidelijk was dat er sprake was van een hechte groep omdat " [bijnaam medeverdachte 1] en zijn vriend" zich hadden laten insluiten bij de bankroof, uiteindelijk toch gepakt worden, een tijd gezeten hadden en toch daarna weer samen met [medeverdachte 4] en enkele anderen de diamantroof op Schiphol deden, hoorde wij [medeverdachte 4] zeggen: "Ja dat klopt, ze waren erbij."

[medeverdachte 4] vervolgde met te zeggen dat " [bijnaam medeverdachte 1] " tegen hem gezegd had dat deze maat iemand een wapen op zijn kop kon zetten, zonder ook maar te knipperen met zijn ogen.

[medeverdachte 4] merkte vervolgens (hof: op) dat alles wat hij tot nu toe tegen ons verteld (hof: had) over de diamantroof op Schiphol, geen grootspraak van hem was geweest. Het bewijs hiervan stond immers in een boek, dat volgens hem geschreven was op grond van feiten van eerder gedane onderzoeken naar de diamantroof op Schiphol.

[medeverdachte 4] vertelde ook dat, ondanks dat het professionele gasten waren, er toch ook enkele dingen fout gegaan waren. Een voorbeeld hiervan was het niet meenemen van een deel van de buit. Zij waren er niet voldoende op voorbereid geweest om de ruit van het busje stuk te kunnen slaan. Een ander voorbeeld was dat enkele van die gasten wel eens liepen op te scheppen over de daden als zij wat teveel gedronken hadden.

Ook vertelde [medeverdachte 4] dat "het werk" dat deze gasten deden, voor henzelf gewoon het uitoefenen van hun beroep was. "Dit is hun beroep, zij kunnen niets anders", hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen. Daarnaast zou het volgens hem hen ook om "de kick" gaan. Een dag hadden ze heel veel geld en de andere dag waren ze het weer kwijt. Waar het geld dan gebleven was, kon [medeverdachte 4] alleen maar naar gissen.

Op de vraag van A-3754, hoe die gasten nu bij hem terecht gekomen waren, hoorden wij dat [medeverdachte 4] vertelde dat dit via een oude schoolvriend van hem gebeurd was. " [bijnaam medeverdachte 1] " had aan deze oude schoolvriend gevraagd of hij iemand kende die op Schiphol werkte en eventueel wat voor hen kon betekenen. Die oude schoolvriend had [medeverdachte 4] toen gevraagd en [medeverdachte 4] was in gesprek gegaan met " [bijnaam medeverdachte 1] ". Aanvankelijk had [medeverdachte 4] alleen maar geluisterd, maar omdat het plan dat " [bijnaam medeverdachte 1] " voor ogen had, volgens [medeverdachte 4] absoluut niet kon, had [medeverdachte 4] een voorstel gedaan hoe het wel kon. [medeverdachte 4] voegde er aan toe: "Uiteindelijk hebben ze gedaan wat wij voorstelden.

Zelf heb ik maandenlang observaties uitgevoerd op Schiphol om te zien hoe het een en ander ging met betrekking tot onder andere de aankomst van het vliegtuig, de procedures met het in- en uitladen van het vliegtuig en het de gehele gang van zaken van het busje waarin de diamanten vervoerd zouden worden."

Nadat ik, A-3755, tegen [medeverdachte 4] gezegd had dat ik hem in het vervolg "de man van 74 miljoen zou noemen", hoorde wij hem zeggen dat niemand precies wist hoeveel het nu echt geweest was. Wij hoorden hem wederom zeggen, dat er kettingen van de koning van Thailand bij gezeten hadden.

Nadat ik, A-3755, [medeverdachte 4] gevraagd had waarom het de eerste keer misgegaan was, hoorden wij [medeverdachte 4] zeggen dat de eerste keer uitsluitend een proef was geweest. Gelukkig was het niet goed gegaan anders was de opbrengst volgens [medeverdachte 4] veel minder geweest. Volgens zijn zeggen waren ook zij verrast geweest door de omvang van de buit.

Omstreeks 23:10 uur, verlieten wij de tafel in het restaurant en namen wij plaats aan de bar.

Toen ik, A-3755, [medeverdachte 4] nogmaals bedankte voor het feit dat hij niet gewild had dat A-3754 zaken met "die grote gasten" van de diamantroof op Schiphol" ging doen, daar ik in het boek gelezen had dat een van die neven die doodgeschoten was ook lid was van [motorclub] , hoorde ik [medeverdachte 4] zeggen: " [neef van verdachte] , nee die was er niet bij, die ander”.

Beoordeling door het hof

Proportionaliteit en subsidiariteit

Het WOD-traject is ingezet in verband met een opsporingsonderzoek ter zake van een zeer ernstig misdrijf, gepleegd in 2005, dat toentertijd een grote impact op de slachtoffers en samenleving heeft gehad en deze impact niet is verloren. Het feit dat gewapende overvallers op het beveiligde deel van Schiphol zo’n enorm waardevolle buit hebben kunnen bemachtigen was en is schokkend. Het eerdere onderzoek had niet geleid tot de vervolging van verdachten. Na een latere doorstart van het onderzoek in 2013 kwamen dezelfde verdachten weer in beeld, met een aantal nieuwe verdachten, onder wie [medeverdachte 4] . Er kon in het onderzoek – ondanks de ruime inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden – echter niet veel meer worden vastgesteld dan dat er contact was tussen de verschillende verdachten in verband met een financieel conflict, dat verband leek te houden met de diamantroof. Forensisch bewijsmateriaal kon (nog steeds) niet verkregen worden. Gelet op deze feiten en omstandigheden, voldoet het inzetten van het traject van stelselmatige informatie-inwinning op [medeverdachte 4] naar het oordeel van het hof aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De tactische afwegingen om dit traject op [medeverdachte 4] in te zetten waren, blijkens de verklaring van verbalisant B-2237 van 25 juni 2018 bij de rechter-commissaris, dat van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , die mogelijk betrokken waren bij de diamantroof, de inschatting was dat [medeverdachte 4] het meest geschikt was om te benaderen. Niet gebleken is dat men op [medeverdachte 4] heeft ingezet omdat hij kwetsbaar of beïnvloedbaar zou zijn.

Bevelen en de uitvoering van het traject

Aan het optreden van de opsporingsambtenaren hebben steeds bevelen als bedoeld in artikel 126j Sv ten grondslag gelegen, waarin de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven is omschreven als “het contact maken met verdachte en/of een of meer personen uit diens sociale omgeving teneinde stelselmatig informatie in te winnen”. De inzetten in het buitenland hebben plaatsgevonden met toestemming van de desbetreffende autoriteiten. Er is veelvuldig overleg geweest tussen de betrokken officieren van justitie en het onderzoeksteam. Ter zake van iedere inzet, ook van bijvoorbeeld het versturen van een WhatsApp-bericht van sociale aard, zijn in processen-verbaal de opdrachten van de begeleiders en de bevindingen van de opsporingsambtenaren vastgelegd. De ‘klussen’ die [medeverdachte 4] in het kader van het WOD-traject uitvoerde waren niet daadwerkelijk strafbare feiten. Daarbij merkt het hof over de door [medeverdachte 4] op 3 juni 2016 uitgevoerde grensoverschrijdende geldrun van 50 duizend euro op dat dit een transport naar Londen betrof. Nu het Verenigd Koninkrijk destijds onderdeel was van de Europese Unie en met dit land dus een vrij verkeer van goederen en kapitaal bestond, was het toegestaan om met een dergelijk geldbedrag naar Londen te vliegen. Verder is van belang dat uit het dossier volgt, zoals hiervoor is overwogen, dat deze geldrun naar Londen op basis van een rechtshulpverzoek, en daarmee dus met toestemming van de Britse autoriteiten, is uitgevoerd. Het bedrag van 50 duizend euro is op de luchthaven Heathrow in ontvangst genomen door een opsporingsambtenaar en niet in het financiële verkeer in Engeland terecht gekomen.

Feitelijk optreden van de opsporingsambtenaren

Hiervoor is een groot aantal ontmoetingen dat heeft plaatsgevonden kort beschreven en zijn de door de opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal over de ontmoetingen, waarbij [medeverdachte 4] over de diamantroof heeft verklaard, integraal weergegeven. De overige bevindingen in het dossier betreffende het traject leveren geen andere beeld op dan het beeld dat uit hetgeen hiervoor is geschetst naar voren komt. Naar het oordeel van het hof zijn de opsporingsambtenaren bij de wijze waarop zij aan het bevelen uitvoering hebben gegeven, gebleven binnen de kaders van de opdracht van de officier van justitie.

Mate van (psychische) druk

Uit het dossier blijkt niet van enige mate van dwang of pressie jegens [medeverdachte 4] vanuit de verbalisanten. [medeverdachte 4] heeft in zijn verhoren bij de KMar ook niet eenmaal verklaard over druk (psychisch dan wel anderszins) die op hem in dat verband zou zijn uitgeoefend. Aan hetgeen hij daarover in zijn ter terechtzitting bij de rechtbank overgelegde schriftelijke verklaring aangeeft, welke verklaring ook in het dossier van de verdachte is gevoegd, hecht het hof geen waarde. In deze tekst (letterlijk: “Maar als ik al twijfelde kon ik eigenlijk niet meer terug want mij werd toch subtiel duidelijk gemaakt dat ik al over de grens gegaan was door voor hen geld te smokkelen” en “Het werd mij toen meer en meer duidelijk dat ik niet terug kon.”) wordt niet op enige wijze toegelicht waaruit de druk zou hebben bestaan. Uit de verslaglegging van de verschillende ontmoetingen blijkt weliswaar dat het telkens de verbalisanten zijn die het initiatief nemen tot het maken van een afspraak, maar ook dat [medeverdachte 4] daar telkens zonder meer toe bereid is, als hij er de tijd voor heeft. Blijkens de verslaglegging van de ontmoetingen hangt er een ontspannen, vriendschappelijk sfeer, ook op de momenten dat [medeverdachte 4] over de diamantroof verklaart. Er wordt veelvuldig over diverse sociale onderwerpen gesproken. Als verbalisant A-3755 duidelijk maakt dat zijn vaste man voor de geldruns daarmee is opgehouden, biedt [medeverdachte 4] zijn diensten onmiddellijk aan en bespreekt een beloning daarvoor. Meerdere malen zegt [medeverdachte 4] uit zichzelf dat geldruns geen enkel probleem voor hem zijn en verder zegt hij dat hij graag grotere bedragen wil doen, omdat dit meer verdient. Ook biedt [medeverdachte 4] aan geld naar Engeland te brengen, maar gaat er dan wel van uit dat er extra verdiensten aan zijn verbonden. Het is [medeverdachte 4] die aangeeft of hij wel of geen tijd heeft voor geldruns en hoe ze deze het beste kunnen uitvoeren. [medeverdachte 4] verblijft met grote regelmaat in Colombia bij zijn vriendin en gaat ook naar zijn familie in Turkije en Duitsland, op welke momenten hij geen tijd heeft voor ontmoetingen of geldruns. Als er diamanten ter sprake worden gebracht, is [medeverdachte 4] vooral daarin geïnteresseerd, want aan iets “groots” kan hij meer verdienen. Van financiële problemen of enige (andere) kwetsbaarheid aan de zijde van [medeverdachte 4] blijkt niets. Weliswaar gokte hij, maar dat hij daardoor schulden had opgebouwd is niet door hem naar voren gebracht en is ook overigens niet aannemelijk geworden. [medeverdachte 4] heeft ten tijde van het traject een vaste baan bij KLM, waar hij het naar zijn zin heeft. De geldruns zijn een “leuke bijverdienste” voor hem, maar hij heeft meer belangstelling voor iets “groots”, gelet op zijn wens om te kunnen stoppen met werken en zich in Colombia te vestigen. De klus die hij met verbalisanten A-3755 en A-3744 gaat uitvoeren moet de “klapper” worden, die de diamantroof niet voor hem is geworden, het “pensioen” voor hen allemaal. Hij zegt tegen verbalisant A-3754 dat deze kan leren van een klus die misloopt en daar van kan groeien en houdt de beide opsporingsambtenaren voor dat naarmate de klus dichterbij komt het adrenalinegehalte in hen zal toenemen, zo heeft [medeverdachte 4] zelf ook ervaren. Tijdens de laatste ontmoeting begint [medeverdachte 4] erover dat ze met z’n drieën even iets moeten bespreken, dat hij er nog eens goed over heeft nagedacht maar dat hij niet bereid is om de verbalisanten de woning voor het opslaan van de buit aan te wijzen. Ook dan leggen de verbalisanten geen druk op hem; ze geven slechts aan verrast te zijn en dat ze er even over moeten nadenken.

Duur en intensiteit van het traject en frequentie contacten met [medeverdachte 4]

Het is een langdurig traject geweest, met 124 inzetten. Dit zijn evenwel lang niet allemaal ontmoetingen geweest: het gaat om 48 ontmoetingen, waarbij voor het weekend in Praag drie ontmoetingen worden geteld. Bij diverse ontmoetingen, en ook tijdens het weekend in Praag, is slechts over sociale onderwerpen gesproken. Ook zijn er ontmoetingen geweest die hebben bestaan uit het in ontvangst nemen door een verbalisant van een geldbedrag op de airside op Schiphol. In Medellín, waar [medeverdachte 4] goed thuis is, vinden de ontmoetingen dicht op elkaar plaats, maar na de laatste ontmoeting aldaar op 29 juli 2016 is de eerstvolgende ontmoeting op 20 augustus 2016 en de eerstvolgende maal dat [medeverdachte 4] weer over de diamantroof verklaart is op 27 oktober 2016. Na de ontmoeting op 1 december 2016 is de eerstvolgende ontmoeting op 14 januari 2017. [medeverdachte 4] leefde ondertussen zijn leven, was aan het werk en maakte reizen.

Mate van misleiding, verhoorsituatie/bemoeienis van de opsporingsambtenaren met afgelegde verklaringen

Gedurende het traject is [medeverdachte 4] , zoals blijkt uit de beschrijving van het verloop van het traject, op vele manieren misleid. Zo hebben de opsporingsambtenaren rollen gespeeld, een appartement in Medellín van de vriendin van [medeverdachte 4] gehuurd, is een [slachtoffer 1] sprekende verbalisant ingezet (hetgeen niet aansloeg bij [medeverdachte 4] ), lieten zij [medeverdachte 4] tegen betaling zogenaamde geldruns uitvoeren, namen zij hem een weekendje mee naar Praag, ontmoetten zij hem te Medellín en introduceerden zij op enig moment het onderwerp ‘diamanten’ in verband met een verzekeringsfraude die zij wilden plegen.

Verbalisant A-3755 heeft [medeverdachte 4] op 29 juli 2016 tijdens het eten in een restaurant gestuurd in de richting van het geven van informatie over zijn mogelijke betrokkenheid bij de diamantroof. De verbalisant heeft tegen [medeverdachte 4] gezegd dat zijn opdrachtgevers, die voor de verzekeringsfraude met de diamanten twijfelden tussen Schiphol en een andere luchthaven, tegen hem hadden gezegd als [medeverdachte 4] bij de diamantroof op Schiphol betrokken was geweest, hij die man was die ze zochten. In reactie hierop is [medeverdachte 4] over zijn betrokkenheid gaan verklaren. Dit handelen van verbalisant A-3755 voldoet naar het oordeel van het hof aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Hierbij betrekt het hof dat het traject van stelselmatige informatie-inwinning al langere tijd liep en nog niet tot concrete strafrechtelijke informatie had geleid, die opheldering gaf over de betrokkenheid van [medeverdachte 4] bij de diamantroof, terwijl [medeverdachte 4] inmiddels wel had verteld dat hij eerder ervaring had gehad met een man die diamanten legaal kon maken. Er is geen sprake geweest van een rechtstreekse vraag aan [medeverdachte 4] over zijn betrokkenheid bij het feit, waarbij enige (dwingende) voorwaarde voor [medeverdachte 4] is gesteld om mee te kunnen (blijven) doen. Door het voorhouden van de uitlating van de ‘opdrachtgever’ is [medeverdachte 4] weliswaar impliciet naar zijn betrokkenheid bij de diamantroof gevraagd en is hem in zekere zin een voordeel in het vooruitzicht gesteld als hij hierbij inderdaad betrokken zou zijn (dit zou tot aanbeveling aan de ‘opdrachtgever’ strekken), maar van het uitlokken van een bekentenis – door betrokkenheid bij de diamantroof op Schiphol in meer of mindere mate als voorwaarde te stellen voor deelname door [medeverdachte 4] aan de zogenaamde verzekeringsfraude – was geen sprake. Bovendien was [medeverdachte 4] daarvóór, wat betreft de andere luchthaven, voorgehouden dat men daar (ook) niemand had en dat die tweede luchthaven misschien wel helemaal niet waar was. [medeverdachte 4] heeft er desondanks voor gekozen om te gaan vertellen over zijn rol bij de diamantroof, na de vraag of hij met zijn opmerking “ik had 10% van de aandelen”, aandelen van de beurs bedoelde. De verbalisanten knikken instemmend of spreken hun verbazing uit. Zij vragen niet door op de mededelingen die [medeverdachte 4] doet, bijvoorbeeld hoe hij voor de contacten heeft gezorgd, wie dat waren en vragen ook niet anderszins gericht door op de rol van [medeverdachte 4] en anderen. Zij vragen hem alleen of hij niet alsnog zijn geld of wraak wil, waarna [medeverdachte 4] hierover uitweidt. Op de terugweg vanuit het restaurant verklaart [medeverdachte 4] ongevraagd, waarbij naar aanleiding van hetgeen hij vertelt uitsluitend is gevraagd wat hij heeft gedaan met het geld dat hij wel heeft gekregen. Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden, in het licht van wat hiervoor is overwogen, geen sprake geweest van een verhoorsituatie en evenmin van enige bemoeienis van de opsporingsambtenaren met de wezenlijke onderdelen van de door [medeverdachte 4] afgelegde verklaring. Van enige druk of pressie vanuit de verbalisanten is niet gebleken.

Ook tijdens de andere ontmoetingen waarbij [medeverdachte 4] heeft verklaard over de diamantroof was van een verhoorsituatie geen sprake. De rode lijn in deze ontmoetingen is dat ook daar nauwelijks vragen worden gesteld door de verbalisanten, dat zij af en toe een opmerkingen maken, dat [medeverdachte 4] veel ongevraagd vertelt en dat niet blijkt van enige druk dan wel bemoeienis van de opsporingsambtenaren met de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 4] . Er worden [medeverdachte 4] bijvoorbeeld geen vragen gesteld naar aanleiding van informatie uit het lopende strafrechtelijk onderzoek, zoals de over hem binnengekomen TCI-informatie of de observaties en afgeluisterde gesprekken betreffende het financiële conflict. [medeverdachte 4] heeft tijdens de gesprekken zelf de regie. Tijdens de ontmoeting op 30 juli 2016 heeft verbalisant A-3754 opgemerkt dat hij het vervelend vond dat [medeverdachte 4] was bedonderd door de overige deelnemers aan de diamantroof en heeft hij gevraagd of hij niets tegen die gasten kon doen en of meerdere gasten benadeeld waren, waarna [medeverdachte 4] is gaan verklaren. Hierbij wordt wederom niet doorgevraagd door de verbalisanten. Zo wordt niet gevraagd wie “de zware gasten”, de “bemiddelaar” en de overige benadeelden zijn. [medeverdachte 4] weerspreekt tijdens deze ontmoeting uitdrukkelijk de opmerking van een van de verbalisanten dat [medeverdachte 4] El Patron is, omdat hij met een “pipa” (hof: vuurwapen) zou hebben staan zwaaien op Schiphol, en merkt op dat hij dit niet heeft gedaan, waarna hij vertelt dat hij de wapens naar de airside heeft gebracht. Ook op deze mededeling van [medeverdachte 4] wordt door de verbalisanten niet verder doorgevraagd.

Tijdens de ontmoeting van 27 oktober 2016 begint [medeverdachte 4] ongevraagd over de diamantroof te verklaren en wordt door de verbalisanten geen enkele vraag gesteld.

Op 1 december 2016 gaat [medeverdachte 4] verklaren naar aanleiding van de opmerking van verbalisant A-3755 dat hij blij is dat [medeverdachte 4] verbalisant A-3754 niet in zee heeft laten gaan met “de zware jongen” en naar aanleiding van hetgeen deze verbalisant vertelt over de “klus” in januari. Er wordt slechts op enig moment door verbalisant A-3754 gevraagd of “die zware gasten” (voor de verkoop van diamanten) ook gebruik hadden gemaakt van “de oude man”.

Op 14 januari 2017 reageert [medeverdachte 4] op de mededeling van de verbalisanten dat zij behoorlijk geschrokken zijn van de publicaties over de diamantroof in de Panorama en in het boek “Handen omhoog! Dit is een overval”. Zij overhandigen hem dit boek, waarin hij gaat bladeren en terecht komt bij het verhaal over de diamantroof. [medeverdachte 4] verklaart dan dat [voornaam medeverdachte 1] “ [bijnaam medeverdachte 1] ” er inderdaad ook bij was geweest en zegt dat de door hem aangewezen initialen (‘ [initialen medeverdachte 3] ’) ook kloppen. In reactie op enkele opmerkingen van de verbalisanten over wat zij in het boek gelezen hebben verklaart [medeverdachte 4] verder, onder meer over “de vriend van [bijnaam medeverdachte 1] ”, “een oude schoolvriend” via wie “die gasten” bij hem terecht waren gekomen, zijn eigen rol en welke neef erbij was. Ook hier vragen de verbalisanten op geen enkele wijze door. Zo wordt niet gevraagd wie ‘ [initialen medeverdachte 3] ’, “de vriend van [bijnaam medeverdachte 1] ”, “de oude schoolvriend” en ‘de neef die erbij was’ zijn, wat zij hebben gedaan en hoe [medeverdachte 4] zijn observaties heeft uitgevoerd.

Bij het voorgaande betrekt het hof dat [medeverdachte 4] over geen enkele ontmoeting heeft verklaard dat het gesprek anders is verlopen of dat hem meer dan wel andere vragen zijn gesteld door de verbalisanten dan zoals door hen is gerelateerd.

Verslaglegging

Wat betreft de verslaglegging van het traject geldt dat bij een aantal van de processen-verbaal, waaronder die waarbij een inzet in het buitenland wordt gerelateerd, opvalt dat er naast de plek waar ondertekend is, handgeschreven, nog een andere, latere, datum vermeld is. Hierover is voldoende duidelijkheid verschaft in de verhoren van de begeleiders en verbalisanten als getuige bij de rechter-commissaris. Verbalisant A3754 heeft hierover in dat verhoor onder meer verklaard dat hij zijn processen-verbaal niet meteen ondertekende, maar dat dit pas aan het einde van het WOD-traject gebeurde. Die processen-verbaal waren al eerder opgemaakt. Verbalisant A-3755 heeft hierover ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij probeerde dat zo snel mogelijk te doen en dat in het proces-verbaal staat vermeld wanneer het is opgemaakt. Hij heeft verklaard zich ook te herinneren dat er op een later tijdstip is ondertekend, maar dat hij niet meer weet bij welk proces-verbaal dat was.

Verbalisant B-2238 heeft als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat er door “de A’s” na de debriefing een proces-verbaal wordt opgemaakt en dat er door hen ook in Colombia processen-verbaal zijn opgemaakt. Deze processen-verbaal worden opgeslagen in een afgeschermd systeem en op enig moment worden ze uitgeprint en ondertekend. In Colombia hadden hij en de “A’s” niet de beschikking over een printer. Hij verklaart verder dat de processen-verbaal van de “A’s” eerder zijn opgemaakt en later zijn ondertekend en dat de datum die er op vermeld is de datum is van het opmaken en sluiten in Colombia en dat er nadien in Nederland is ondertekend. Over de handgeschreven, extra, datum op een aantal van de processen-verbaal van de “A’s” die ontbreekt op de processen-verbaal van de begeleiders geeft hij aan dat men vergeten is de concrete dagtekening van de datum van uitprinten en ondertekenen op te nemen. Verbalisant B-2237 heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat de “A’s” zo spoedig mogelijk na de inzet en de debriefing processen-verbaal hebben opgemaakt en dat zij op hun eigen laptop hebben gewerkt. Ook de verbalisanten A-3754 en A-3755 hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat zij hun processen-verbaal telkens zo spoedig mogelijk na de debriefing opmaakten. De debriefing vindt eveneens zo spoedig mogelijk plaats; verbalisant A3755 heeft verklaard dat dit gemiddeld ongeveer een half uur of drie kwartier na de inzet is. Overigens heeft verbalisant A-3754 verklaard dat hij soms voor de debriefing al in zijn telefoon bevindingen had vastgelegd, terwijl A-3755 heeft verklaard dat hij zich kan herinneren dat hij twee of drie keer wel eens steekwoorden in zijn mobiel heeft gezet.

Naar het oordeel van het hof volgt uit het voorgaande dat de verbalisanten ten spoedigste na hun inzet hun processen-verbaal hebben opgemaakt. Het enkele feit dat door teamleider [teamleider] ten overstaan van de rechter-commissaris is verklaard dat hem door de begeleiders was verteld dat de processen-verbaal helemaal aan het eind van het onderzoek opgesteld en ondertekend zouden worden maakt dit niet anders; uit het voorgaande blijkt dat dit slechts voor de ondertekening gold. Voor deze latere ondertekeningen van (een deel van) de processen-verbaal is een afdoende verklaring gegeven.

De communicatie tussen de verbalisanten en [medeverdachte 4] is niet auditief of visueel geregistreerd. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen ligt dit wel in de rede, voor zover dit mogelijk is. Het is het hof niet duidelijk geworden waarom deze registratie niet heeft plaatsgevonden; het Openbaar Ministerie heeft hier geen helderheid over kunnen verschaffen en ook overigens blijkt uit het dossier niet dat deze registratie niet mogelijk is geweest. Naar het oordeel van het hof was een auditieve of visuele registratie dan ook zeker wenselijk geweest. Dat deze niet heeft plaatsgevonden, staat echter niet in de weg aan het gebruik voor het bewijs van de door de verbalisanten opgemaakt processen-verbaal. Daarbij is van belang dat deze registratie, hoewel wenselijk, niet op basis van de wet verplicht is. Van wezenlijke betekenis is voorts dat [medeverdachte 4] zelf de juistheid en volledigheid van de verslaglegging door de verbalisanten nooit heeft betwist: hij stelt zich op het standpunt dat hetgeen daarin is opgenomen als zijn verklaring grootspraak van zijn kant is geweest. Om deze reden geeft ook de enkele omstandigheid dat, zoals door de raadsman is opgemerkt, teamleider [teamleider] in het proces-verbaal van bevindingen van 12 april 2017 (waarin een samenvatting is gegeven van een aantal onderzoeksbevindingen ten behoeve van een pro forma-zitting van de rechtbank) de passage “ [neef van verdachte] , nee die was er niet bij, die ander” niet heeft genoemd, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de verslaglegging door de verbalisanten. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat deze passage op een later moment dan op 15 januari 2017, de datum van het opmaken van het proces-verbaal, daaraan zou zijn toegevoegd door “het WOD”.

Alcoholgebruik

Als verweer is gevoerd dat dat de verslaglegging onbetrouwbaar is door het drankgebruik van de verbalisanten. Ook bij de beoordeling van dit verweer is van belang dat [medeverdachte 4] , zoals overwogen, de juistheid van de verslaglegging nooit heeft betwist. In de verslaglegging van de verbalisanten vindt het hof ook geen aanwijzingen dat er bij hen sprake was van een dusdanig alcoholgebruik, dat dit hun waarneming of herinnering zou hebben aangetast. Hierbij betrekt het hof dat de verslaglegging voldoende nauwkeurig is en dat de verbalisanten relateren over hun alcoholgebruik. Wat de inzetten op 29 en 30 juli 2016 betreft wordt door de verbalisanten niet gerelateerd dat zij alcohol hebben gedronken tijdens de lunch met [medeverdachte 4] , wel dat zij later op de avond respectievelijk in de nacht als zij met [medeverdachte 4] zijn – en met hem niets ter zake dienend maar slechts onderwerpen van sociale aard bespreken – diverse alcoholische drank respectievelijk ieder een alcoholhoudende consumptie hebben gedronken. De verbalisanten hebben gerelateerd dat zij tijdens de ontmoeting op 27 oktober 2016 in club Harbour, waar tussen 20:30 uur en 00:15 uur werd gedineerd en aansluitend nog wat aan de bar werd gedronken, ongeveer vijf glazen alcoholische drank hebben gedronken. Tijdens de ontmoeting in restaurant Momo van 1 december 2016, die duurde van 20:00 uur tot 00:45 uur, hebben de verbalisanten ieder vijf glazen wijn gedronken. Verder hebben de verbalisanten gerelateerd dat zij tijdens het diner in restaurant Momo op 14 januari 2017, dat duurde van 20:00 uur tot 23:10 en tijdens welk diner [medeverdachte 4] over de diamantroof vertelde, ieder drie glazen wijn hadden gedronken, en daarna nog diverse glazen alcoholhoudende drank aan de bar, waar de gesprekken niet meer zaaksgerelateerd waren. Op verzoek van de verdediging heeft het Openbaar Ministerie de bon van restaurant Momo van 14 januari 2017 opgevraagd. Door het restaurant is een bon verstrekt, waarvan niet met zekerheid gezegd kan worden dat dit de betreffende bon is, maar die gelet op het aantal couverts en het tijdstip de meest waarschijnlijke optie is. Uit deze bon blijkt dat er twee flessen wijn en een glas wijn zijn besteld. Wat er mogelijk aan de bar is betaald, kon niet achterhaald worden. Het hof ziet ook in deze bon, zo dit inderdaad de juiste bon zou zijn, noch in hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, grond voor het oordeel dat de verbalisanten door hun alcoholgebruik niet juist hebben kunnen verbaliseren. Verbalisant A-3755 heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 19 april 2018 verklaard: “als we iets zaaksgerelateerds willen bespreken houden we natuurlijk rekening met alcoholgebruik”.

Er is verder geen grond voor het oordeel dat de verbalisanten [medeverdachte 4] tijdens de ontmoetingen, waarbij hij over de diamantroof heeft verklaard, overmatig alcohol zouden hebben laten drinken. Aanwijzingen hiervoor in het dossier ontbreken. Dat de verbalisanten niet hebben gerelateerd hoeveel [medeverdachte 4] dronk, maakt dit niet anders. Verbalisant A-3755 heeft in het hiervoor genoemde verhoor verklaard dat [medeverdachte 4] geen overmatige drinker was. [medeverdachte 4] heeft bij de KMar niets over mogelijk overvloedig alcoholgebruik verklaard en heeft het in zijn schriftelijke verklaring bij de rechtbank slechts over “de grote hoeveelheid drank die geschonken was” bij de laatste ontmoeting. Deze eerst ter terechtzitting van de rechtbank ingebrachte verklaring is niet nader toegelicht, zodat deze verklaring niet tot een ander oordeel kan leiden.

Betreffen de verklaringen van [medeverdachte 4] daderwetenschap?

[medeverdachte 4] heeft zich in zijn schriftelijke verklaring bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat zijn uitlatingen grootspraak zijn geweest, om indruk te maken op de verbalisanten. Zijn kennis van de diamantroof zou geen daderkennis zijn, maar informatie afkomstig uit het Rock-dossier dat hij (althans een groot deel daarvan) via allerlei omwegen in bezit had gekregen, alsmede kennis die hij uit de Telegraaf had en informatie die hij “uit het milieu van diverse mensen had”, aangevuld met de ervaring die hij had met de bemiddeling van diamanten, aangevuld met wat fantasie. Het moment van overleggen van deze verklaring en het gebrek aan enige toelichting en specificering door [medeverdachte 4] van deze verklaring, doen reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan. Verder is het volgende van belang. Als [medeverdachte 4] er in zijn verhoor 14 februari 2017 bij de KMar mee wordt geconfronteerd dat hij zijn uitlatingen tegenover twee Nederlandse politieagenten heeft gedaan, reageert hij met: “ja en zij geloven het?”, “geloof jij die fabeltjes?” en “ik lieg heel veel, allemaal grootspraak”. Als hem vervolgens wordt voorgehouden dat het een beetje te kort door de bocht is om te zeggen dat het een fabeltje of leugen is en dat hij onderzoekstukken van Rock thuis heeft liggen zegt [medeverdachte 4] : “ik heb niks.” Dit verhoudt zich niet tot de latere stelling van [medeverdachte 4] dat hij de informatie (deels) uit het Rock-dossier heeft.

Daarnaast geldt dat [medeverdachte 4] tegen de verbalisanten heeft verklaard dat hij, met een aantal anderen, bedonderd is door de zware jongens en dat hij nooit het geld heeft gekregen waarop hij had gehoopt. Het wekt bevreemding om deze uitlatingen in het kader van grootspraak te doen. De door [medeverdachte 4] afgelegde verklaringen komen voorts over als een authentiek verslag van iemand die daadwerkelijk zelf bij de roof betrokken is geweest. Illustratief in dit verband is de opmerking van [medeverdachte 4] dat hij nog goed weet dat toen er de eerste avond na het gebeuren bij hem werd aangebeld, hij zo enorm geschrokken was dat zijn hart in zijn keel zat.

Het hof is daarom van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 4] daderwetenschap betreffen. De verklaringen van [medeverdachte 4] vinden verder bevestiging in de hierna te bespreken bewijsmiddelen, die overigens niet uitsluitend hun oorsprong vinden in het dossier ‘Rock’.

Tussenconclusie

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de processen-verbaal met daarin het verslag van hetgeen [medeverdachte 4] gedurende het WOD-traject tegen de opsporingsambtenaren heeft verteld, kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Diamantroof 25 februari 2005

Op 25 februari 2005 vond ter hoogte van platform B34, op het beveiligde en voor het publiek niet vrij toegankelijke deel van Schiphol (‘airside’), rond 10.00 uur een gewapende overval plaats op een waardetransportauto van KLM. In de waardetransportauto, die werd bemand door de getuigen [benadeelde 1] en [slachtoffer 1] , lagen diamanten en sieraden ter waarde van ruim 72 miljoen USD. De waardetransportauto werd vergezeld door een volgauto van een beveiligingsbedrijf met daarin de getuige [benadeelde 2] . Op het moment dat de waardetransportauto vlak bij het vliegtuig werd geparkeerd kwam een blauwe KLM-auto hard aangereden. Hierin zaten de twee overvallers. Zij hebben vuurwapens op [benadeelde 1] , [slachtoffer 1] en [benadeelde 2] gericht. Die moesten op de grond gaan liggen, hun portofoons en de sleutels van de waardetransportauto afstaan. De overvallers zijn vervolgens met de waardetransportauto en de waardevolle inhoud weggereden en hebben het Schipholterrein verlaten via hek 54.

De door de overvallers gebruikte KLM-auto, met nummer 43, is door hen tussen 8.30 en 9.00 uur gestolen. De overvallers droegen KLM-kleding. De overvallers hebben zich geruime tijd op ‘airside’ moeten ophouden, omdat het vliegtuig dat met de diamanten en sieraden naar Antwerpen zou vertrekken vertraagd was. Het vliegtuig had, zoals gebruikelijk van maandag tot en met vrijdag, om 8:50 uur moeten vertrekken.

Om 10:29 uur is de waardetransportauto teruggevonden onder het viaduct van de (busverbinding) Zuidtangent op industrieterrein De Hoek in Hoofddorp. Een deel van de buit is in de waardetransportauto achtergebleven. Er zijn door de daders diamanten en sieraden meegenomen ter waarde van ongeveer 43,5 miljoen USD.

Industrieterrein De Hoek

In de directe omgeving van de teruggevonden waardetransportauto is een schoenafdruk maat 48 aangetroffen. Op camerabeelden van de omgeving is op een aantal tijdstippen tussen 7:37 en 10:07 uur een rode bestelbus, gelijkend op een Renault Express, waargenomen.

De getuige [getuige 1] heeft op 25 februari 2009 tussen 10:00 en 10:15 uur drie mannen bij een witte KLM-bus bezig gezien. Eén van de mannen was rond de 1,90 meter en droeg een oranjeveiligheidsvest. Er stond ook een bordeauxrode auto, een ouder en beetje hoekig model. De beschrijving van de (lange) man en de auto komt overeen met hetgeen de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard over hetgeen zij op 25 februari 2005 hebben waargenomen. [getuige 2] en [getuige 4] hebben ook verklaard dat zij de (lange) man hebben zien graven, volgens [getuige 4] alsof hij ‘geen doel’ had. [getuige 4] heeft bovendien verklaard dat hij die man en bestelauto twee keer eerder, op dezelfde plaats, heeft gezien. Ook toen stond de man te graven. Getuige [getuige 3] herkende de auto ook van een eerder moment, dat zou de 7e of de 10e (het hof begrijpt: februari 2005) geweest kunnen zijn, dat hij een man heeft zien graven. En ook de getuige [getuige 5] heeft ‘ongeveer een week voor afgelopen vrijdag 25 februari 2005’ rond 8.45 uur een man van ongeveer 1.90 meter, met een oranje/geel reflecterend vest, zien graven. Er stond toen ook een kleine bestelauto.

Diefstal KLM-auto 10 februari 2005

Op 10 februari 2005 is er omstreeks 8:00 uur een melding bij de KMar binnen gekomen van de vermoedelijke diefstal van een KLM-auto die geparkeerd stond bij Delta 7 (‘airside’). Omstreeks 8:30 uur is de auto gezien op het B-platform met daarin twee personen die KLM-bedrijfskleding droegen. De mannen werden door de getuige [getuige 6] , die samen met [getuige 7] en ‘ [voornaam 2] ’ op zoek was naar de door hen geparkeerde auto, aangesproken. [getuige 6] – die op dat moment nog uitging van een vergissing – heeft gezegd dat de bestuurder achter hem aan moest rijden om de auto terug te brengen. De KLM-auto is aanvankelijk ook achter [getuige 6] en zijn collega’s aangereden, maar is plotseling gekeerd en met hoge snelheid door hek 54 (waarvan net de slagboom was geopend) het terrein afgereden. Volgens getuige [getuige 7] leek het alsof de bestuurder van de ‘kofferafhandeling’ was, maar daarvoor klopte het tenue niet.

Overeenkomsten tussen 10 en 25 februari 2005

Uit het voorgaande blijkt dat op beide data een KLM-auto is gestolen op het afgesloten deel van Schiphol. Rond hetzelfde tijdstip zijn beide auto’s gezien op het B-platform, rond welk tijdstip van maandag tot en met vrijdag om 8.50 uur een vlucht met waardevolle goederen, hoofdzakelijk diamanten, naar Antwerpen vertrekt. Beide keren is via hek 54 het Schipholterrein verlaten. De rode bestelauto met de (lange) gravende man is niet alleen op de 25ste waargenomen, maar ook korte tijd daarvoor. Ten slotte heeft onderzoek van de historische verkeersgegevens via de zendmast op het B-platform en de zendmast op industrieterrein De Hoek het volgende uitgewezen:

- op 10 februari rond het tijdstip van de diefstal belt de gebruiker van het telefoonnummer [eindigend op 8810] (omgeving B-platform) naar het telefoonnummer [eindigend op 3410] (omgeving De Hoeksteen);

- op 25 februari rond het tijdstip van de overval is er contact tussen dezelfde telefoonnummers, maar nu bevindt het nummer eindigend op 3410 zich in de omgeving van het B-platform en het nummer eindigend op 8810 in de omgeving van het industrieterrein;

- na 25 februari zijn beide telefoonnummers niet meer gebruikt.

Waarneming [medeverdachte 1] op 5 december 2004 bij hek 54

Op 5 december 2004 is [medeverdachte 1] door de KMar gecontroleerd bij hek 54 (‘landside’). Hij vertelde dat hij vliegtuigen aan het kijken was, maar geen spotter was. Volgens de mutatie van de KMar maakte [medeverdachte 1] een gespannen indruk en is er ter plaatse maar beperkt zicht op de vliegtuigen. Bovendien stond [medeverdachte 1] er pas vier minuten voor de controle en is hij twee minuten later weer vertrokken. Volgens een mutatie van de Herkenningsdienst van de KMar was [medeverdachte 1] 2,04 meter en had hij schoenmaat 48.

Aantreffen Renault Expresse op 8 maart 2005

De KMar is naar stadsdeelkantoor Oud-Zuid gegaan om een plattegrond te halen van de woning van [medeverdachte 1] en zijn partner [partner van medeverdachte 1] . Laatstgenoemde was (naar moet worden aangenomen zonder dat de KMar daarvan op de hoogte was) werkzaam bij het stadsdeelkantoor. Uit de later door [partner van medeverdachte 1] afgelegde verklaring blijkt dat zij er daardoor achter is gekomen dat de KMar de plattegrond had opgevraagd en dacht dat er mogelijk, zoals eerder was gebeurd, een inval zou komen. Op 8 maart 2005 om 10:00 uur heeft [partner van medeverdachte 1] om die reden naar [medeverdachte 1] gebeld en hem gevraagd naar huis te komen. [medeverdachte 1] moest daarna het huis uit. Op diezelfde dag heeft [medeverdachte 1] om 10:26 uur naar [medeverdachte 2] gebeld om af te spreken. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben die dag acht keer telefonisch contact gehad. [medeverdachte 2] heeft ook drie keer contact gehad met [verdachte] . Omstreeks 22:18 uur is op de Kanaaldijk in Diemen een in brand staande Renault Express aangetroffen.

In de Renault Express zijn papieren en bijbehorende cd-roms aangetroffen die afkomstig bleken uit de op 25 februari 2005 geroofde waardetransportauto.

Doorzoeking bij [medeverdachte 2]

Op 9 januari 2006 is [medeverdachte 2] aangehouden en is zijn woning doorzocht. In de zak van een jas is een bladzijde met diamantomschrijvingen en geldbedragen aangetroffen. Van vier specifieke beschrijvingen van diamanten op de lijst die bij [medeverdachte 2] is aangetroffen, kan op basis van verkregen informatie uit het rechtshulpverzoek aan België (samengevat: omschrijvingen van vier zeldzame, en ontvreemde, diamanten) en het verhoor van deskundige Zwaan, geconcludeerd worden dat het omschrijvingen zijn van op 25 februari 2005 gestolen diamanten.

OVC-gesprek 17 juni 2013

Op 17 juni 2013 zat [medeverdachte 3] met een medeverdachte (in een ander strafrechtelijk onderzoek) in een auto waarin afluisterapparatuur was geplaatst. Er heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij vooral [medeverdachte 3] aan het woord was. Gelet op de inhoud van dat gesprek, waarvan het verslag integraal is opgenomen in de bewijsmiddelen, gaat het over de diamantroof op Schiphol en meer in het bijzonder een daaraan voorafgaande poging. Dat het gesprek over Schiphol gaat leidt het hof onder andere af uit de gebruikte zinsneden: ‘op Schiphol’, ‘op het platform’ en ‘we hadden pakken ook aan man, we zagen er ehmm eh hmm als die koffertrekkers’. Verder sluit hetgeen door [medeverdachte 3] is verteld naadloos aan bij hetgeen [getuige 6] en [getuige 7] , zoals hierboven benoemd, hebben verklaard over de gebeurtenissen op 10 februari 2005. Samengevat komt het er op neer dat [medeverdachte 3] in een op het binnenterrein van Schiphol buitgemaakte auto zat, met ‘ [voornaam medeverdachte 2] ’ als bestuurder. Ze hadden wapens bij zich: een machinegeweer, een paar handgranaten en een pistool. Op het binnenterrein zijn [voornaam medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aangesproken door een medewerker van Schiphol (‘bewaking’), die denkt dat zij gewoon personeel zijn, en zegt dat ze de auto (van ‘ [voornaam 3] ’) hebben gepakt. Die auto moesten [voornaam medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] terugbrengen. Ze reden eerst de goede kant op, maar plotseling ‘maakten ze een rondje’ en zijn ze ‘toen die boom (het hof begrijpt: slagboom) in één keer open ging’ het terrein afgereden.

[medeverdachte 3] heeft ook over een daarop volgende keer verteld. Hij zegt: “Maar de eerste keer ging ik er gewoon voor. Maar toen dat fout ging hè wouden ze een week later wouden ze weer. Toen zat in mijn hoofd nog hey fuck dat man”. En ook: “(…) achteraf wisten ze dat het twee weken eerder had moeten gebeuren”. Het hof leidt hieruit, mede in het licht van de nader te bespreken bewijsmiddelen, af dat dit over de geslaagde diamantroof op 25 februari 2005 gaat. [medeverdachte 3] , die kennelijk niet meer durfde, zegt dan nog: “Die [voornaam verdachte] heeft toen mijn plek gepakt en ehh, die heeft een mejoen gehad”.

[medeverdachte 3] heeft overigens ook nooit ontkend dat het OVC-gesprek betrekking heeft op de diamantroof op Schiphol en de daaraan voorafgaande poging. Ter terechtzitting van de rechtbank (waarvan het proces-verbaal ter terechtzitting is gevoegd in de zaak tegen de verdachte) heeft [medeverdachte 3] , aan de hand van een briefje, verklaard: “Ik heb het dossier toegestuurd gekregen van mijn advocaat in 2005. Ik wist dus van het manuscript van [medeverdachte 1] . Over het OVC gesprek van 17 juni 2013 wil ik zeggen dat ik heb lopen opscheppen. Ik ben een Amsterdammer en zat gewoon te ouwehoeren. Soms sla ik op hol en dat gebeurde toen ook”. Volgens het hierop gebaseerde verweer van de raadsman is dan ook geen sprake van daderkennis maar kennis vanuit het dossier en/of het manuscript, en heeft [medeverdachte 3] om stoer te doen voorgewend dat hij betrokken was bij de mislukte overval op 10 februari 2005.

Het moment van overleggen van deze verklaring en het gebrek aan enige toelichting en specificering door [medeverdachte 3] van deze verklaring, doen reeds afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan. Bovendien is bevreemdend dat als [medeverdachte 3] slechts aan het opscheppen was of ‘stoer deed’, hij opgeeft over betrokkenheid bij de mislukte roof in plaats van de geslaagde roof, waaraan hij bovendien naar eigen zeggen niet meer durfde deel te nemen omdat hij nog met de mislukking ‘in zijn hoofd’ zat. Dit komt de geloofwaardigheid van de door [medeverdachte 3] bij de rechtbank geschetste gang van zaken evenmin ten goede. Verder is van belang dat deze verklaring niet meer behelst dan een niet-onderbouwde mededeling, die strikt genomen niet eens inhoudt dat [medeverdachte 3] op basis van kennis uit het Rock-dossier of het manuscript heeft verteld. Daar komt bij dat kennelijk uit de inhoud van die verklaring moet worden afgeleid dat [medeverdachte 3] op grond van het Rock- dossier (“dus”) wist van het manuscript van [medeverdachte 1] (dat over de diamantroof op Schiphol gaat). In zoverre kan de verklaring van [medeverdachte 3] niet waar zijn, omdat het manuscript (meerdere versies) pas in 2017, in het onderzoek Eaton, is gevonden. Daar komt bij dat het hof twee delen, zoals digitaal toegevoegd aan het dossier, van het OVC-gesprek heeft beluisterd. [medeverdachte 3] is daarin – zo stelt het hof op basis van zijn eigen waarneming vast – zeer beeldend en gedetailleerd in zijn beschrijving van hetgeen is voorgevallen en hij vertelt bovendien wat hij – op sommige momenten – dacht en voelde. Hij spreekt daarbij ook met een zekere bewondering voor de bestuurder [voornaam medeverdachte 2] , die kennelijk heel rustig bleef toen hij werd aangesproken, en op dat moment zelfs een telefoongesprek voorwendde met de KLM-medewerker bij wie de auto in gebruik zou zijn geweest (“ [voornaam 3] ” in de bewoordingen van [medeverdachte 3] ). In zoverre komt hetgeen [medeverdachte 3] tegen zijn gesprekspartner vertelde zeer authentiek over, als een verslag van iemand die uit eigen wetenschap vertelt.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de (kennelijk zo bedoelde) verklaring van [medeverdachte 3] in eerste aanleg dat hij slechts heeft verteld op basis van kennis uit het Rock-dossier en/of het manuscript ongeloofwaardig is. Het verweer van de raadsman dat het OVC-gesprek van 17 juni 2013 geen daderwetenschap inhoudt wordt daarom verworpen.

De door de raadsman benoemde ‘onjuistheden’ in het OVC-gesprek (een gele jeep in plaats van een blauwe KLM-auto, vier in plaats van drie bewakers, bewakers – met strepen – in plaats van ‘gewone’ medewerkers, [voornaam 3] in plaats van – naar het hof aanneemt – [voornaam 2] , een KLM-auto zonder kenteken terwijl de auto wel, in elk geval blijkens de goederenbijlage bij de aangifte, een kenteken had) zijn naar het oordeel van hof van zo’n ondergeschikte betekenis, dat die aan vorenstaande conclusie geen afbreuk doen. Terzijde merkt het hof op dat uit de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] blijkt dat zij, op het moment dat [getuige 6] de inzittenden van de gestolen KLM-auto aansprak, wel met z’n vieren waren.

Bevestiging van de inhoud van het OVC-gesprek van 17 juni 2013

De inhoud van het OVC-gesprek vindt daarnaast bevestiging in andere bewijsmiddelen, meer in het bijzonder waar het gaat om de betrokkenheid van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . In het OVC-gesprek heeft [medeverdachte 3] het over ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ die het allemaal bij elkaar gebracht heeft, maar niet zelf het Schipholterrein op durfde. Het was eigenlijk ‘ [voornaam medeverdachte 2] ’ die alles gedaan heeft, de – zo leidt het hof uit het gesprek af – bestuurder die nadat hij werd aangesproken door [getuige 6] goed toneel speelde. In de woorden van [medeverdachte 3] : “Hij ken improviseren jongen, die gozer is een acteur”. Die karakterschets (die overigens niet in het dossier Rock terug te vinden is) past zeer goed bij de beschrijving die [medeverdachte 4] heeft gegeven van één van de daders: de maat van ‘ [voornaam medeverdachte 1] [bijnaam medeverdachte 1] ’ die alles recht lulde en dat op zo’n manier deed dat iedereen hem geloofde. Deze maat, met wie [medeverdachte 4] kennelijk ‘ [voornaam medeverdachte 2] [initialen medeverdachte 2] ’ bedoelde, was volgens [medeverdachte 4] ook bij een eerdere bankroof met [medeverdachte 1] betrokken. Uit het onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken zijn geweest bij overvallen in de periode van 1986 tot 1988 en hiervoor zijn aangehouden en veroordeeld.

In het WOD-traject heeft [medeverdachte 4] ook nog verteld over de betrokkenheid van [bijnaam medeverdachte 1] , als iemand die ‘erbij was’ en bij [medeverdachte 4] terecht kwam via een oude schoolvriend (naar het hof aanneemt: [medeverdachte 6] , die bevriend was met [medeverdachte 4] en bij hem op de lagere school heeft gezeten), aan wie [bijnaam medeverdachte 1] had gevraagd of hij iemand op Schiphol kende die ‘iets kon betekenen’. Dat past goed bij de rol van [bijnaam medeverdachte 1] zoals [medeverdachte 3] die heeft benoemd.

Dat [medeverdachte 3] in het OVC-gesprek met ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ doelt op [medeverdachte 1] en met ‘ [voornaam medeverdachte 2] ’ op [medeverdachte 2] (wiens voornaam [voornaam medeverdachte 2] is) vindt mede bevestiging in hetgeen hierboven ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is overwogen. In dit verband is bovendien van betekenis dat [medeverdachte 3] op 19 april 2014 belt met [medeverdachte 2] en zegt: “je spreekt met [voornaam medeverdachte 3] , de gabber van die Lange”. Overigens heeft [medeverdachte 3] nooit bestreden dat hij het in het OVC-gesprek heeft over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Uit de opmerking van [medeverdachte 3] in het OVC-gesprek dat ‘ [voornaam verdachte] zijn plek heeft gepakt’ en daarvoor een ‘mejoen’ heeft gehad, begrijpt het hof dat ‘ [voornaam verdachte] ’ op 25 februari 2005 (naast [medeverdachte 2] ) één van de twee gewapende overvallers was. Met [voornaam verdachte] wordt, zo stelt het hof op grond van de overige bewijsmiddelen vast, door [medeverdachte 3] gedoeld op [verdachte] . Zoals hierboven beschreven is er tussen hem en [medeverdachte 2] contact op de dag dat [medeverdachte 1] op de hoogte raakt van een mogelijke inval door de politie, en de Renault Express brandend is gevonden. Verder heeft [medeverdachte 4] in het WOD-traject, als hij wordt geconfronteerd met het vermoeden dat er twee neven bij de overval betrokken waren, gezegd: “één was erbij, ik ken ze, ben met hen in Suriname geweest”. [medeverdachte 4] heeft later bij de KMar verklaard dat hij met [verdachte] in Suriname is geweest, hetgeen overigens bevestiging vindt in hun beider paspoortgegevens. [verdachte] is een neef van de in 2015 doodgeschoten [neef van verdachte] , die bij leven president was van motorclub [motorclub] . Bovendien is vastgesteld dat het nummer van [medeverdachte 4] in 2005 in de telefoon van [verdachte] stond. Als tijdens het WOD-traject door één van de WOD’ers wordt opgemerkt dat één van de neven die doodgeschoten was ook lid was van [motorclub] , zegt [medeverdachte 4] : “ [neef van verdachte] , nee die was er niet bij, die ander”. Dat die ander [verdachte] was vindt ten slotte bevestiging in hetgeen is gebleken ten aanzien van het hieronder nog te bespreken financiële conflict.

In het WOD-traject heeft [medeverdachte 4] uiteindelijk ook de deelname van ‘de 41-jarige Amsterdammer [initialen medeverdachte 3] ’ bevestigd. De verdachte [medeverdachte 3] was, ten tijde van zijn aanhouding in het onderzoek Rock op 8 november 2005, 41 jaar oud. Het hof gaat er dan ook – gelet op de overige inhoud van de bewijsmiddelen – vanuit dat [medeverdachte 4] met zijn bevestiging doelde op [medeverdachte 3] .

Dat [medeverdachte 4] in het WOD-traject uit eigen wetenschap heeft verklaard over de diamantroof en de daarbij betrokken personen vindt naar het oordeel van het hof bevestiging in de bewijsmiddelen die hierboven aan de orde zijn gekomen. Verder acht het hof in het bijzonder van belang dat tijdens een doorzoeking bij [medeverdachte 4] thuis (in een AH-tas) een (heel klein) deel van de op 25 februari 2005 gestolen buit is aangetroffen. Dat [medeverdachte 4] deze diamanten en bescheiden van iemand in het casino heeft ontvangen, zoals ook in de al eerder genoemde schriftelijke verklaring van [medeverdachte 4] bij de rechtbank staat maar in het geheel niet is onderbouwd, is naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig. Dat geldt te meer nu in de locker van [medeverdachte 4] bij de KLM een briefje met daarop de naam van [medeverdachte 1] en diens adres in Spanje is aangetroffen. Verder geldt dit te meer nu bij [medeverdachte 4] thuis ook een kopie van een deel van het dossier dat destijds aan de raadsvrouw van [medeverdachte 1] was verstrekt, is aangetroffen. [medeverdachte 4] heeft tijdens het WOD-traject bovendien verklaard dat hij via zijn ‘gabber’ eerder diamanten heeft verhandeld. Deze ‘gabber’ is geïdentificeerd als de verdachte [medeverdachte 7] . Die heeft verklaard dat hij inderdaad diamanten voor [medeverdachte 4] heeft laten verkopen in Antwerpen, waarvoor hij de verdachte [medeverdachte 8] had ingeschakeld. [medeverdachte 8] heeft dat in een verhoor in 2017 bevestigd en heeft erkend de diamantgerelateerde aantekeningen, die in de bij [medeverdachte 4] gevonden AH-tas zijn aangetroffen, te hebben geschreven. Hij verklaart dat dit 10, 12 jaar geleden was.

Financieel conflict

De betrokkenheid van de genoemde verdachten vindt naar het oordeel van het hof ten slotte bevestiging in de onderlinge contacten die verband hielden met een financieel conflict. Het hof gaat ervan uit dat [medeverdachte 3] niet deelnam aan deze contacten omdat hij slechts betrokken is geweest bij de poging en niet bij de uiteindelijke roof. De andere verdachten hebben in de periode van oktober 2013 tot en met februari 2015 veelvuldig telefonisch contact gehad en elkaar in wisselende samenstellingen ontmoet. Op 17 april 2014 wordt een ontmoeting waargenomen tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . Dat sprake is van een financieel conflict, en meer in het bijzonder dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] geld tegoed hadden van [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] volgt uit de inhoud van een aantal in de bewijsmiddelen opgenomen tap- en OVC-gesprekken. In het bijzonder wijst het hof op het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] op 19 september 2014. In dat gesprek, dat voor een groot deel integraal is opgenomen in de bewijsmiddelen, heeft [verdachte] (aan het einde) gezegd dat hij ‘ergens’ hoopt dat hij nog geld krijgt. Daaraan voorafgaand heeft hij gezegd: “Toen ik uit de bajes kwam, zegt [voornaam medeverdachte 2] tegen me: Ik weet dat er een heleboel nog was. (…) ik heb het samen met hem in het plafond gezet (…) dus ik weet die hele koffer zit vol (…)”. En volgens [verdachte] had ‘ [bijnaam medeverdachte 1] ’ tegen hem gezegd: “Ach er is, er is nog zoveel, je kleinkinderen kunnen er nog van leven”. Kennelijk ging het om veel geld, maar desondanks kwam dat geld niet over de brug en voelde [medeverdachte 6] zich ‘besodemieterd’. Er moest van hem ‘wat gebeuren’, want ‘het is al 9 jaar geleden’. Het hof stelt vast dat het kennelijk gaat om een gebeurtenis, waar veel geld mee is verdiend, in 2005, het jaar waarin ook de diamantroof plaatsvond. Ten slotte wordt tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] besproken wat beiden wel hebben ontvangen. Kort samengevat ‘zweert’ [verdachte] dat hij ‘maar 1 miljoen’ heeft gepakt. Dit gegeven pas zeer goed bij hetgeen [medeverdachte 3] heeft gezegd in het OVC-gesprek als hij zegt dat ‘ [voornaam verdachte] ’ zijn plek heeft gepakt een daarvoor een ‘mejoen’ (het hof begrijpt: een miljoen) heeft gehad. In zoverre ondersteunen ook deze bewijsmiddelen elkaar.

Artikel 6 EVRM

Over het verweer dat het gebruik van de uitlatingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] als bewijs strijdig is met het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, overweegt het hof het volgende.

In het arrest van 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576) heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:

2.12.1 Zoals in het […] arrest van 4 juli 2017 [ECLI:NL:HR:2017:1015] is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.

2.12.2

Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.

Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige - kort na de gebeurtenissen waar het om gaat - zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.

Vooropgesteld dient te worden dat deze overwegingen van de Hoge Raad – en daarmee samenhangende rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens over het ondervragen van een prosecution witness – betrekking hebben op de situatie dat de verdediging heeft verzocht om een getuige te horen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al (in het vooronderzoek of anderszins) een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In de onderhavige zaak is deze situatie niet aan de orde, nu [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] niet op enig moment in deze procedure als getuige een verklaring hebben afgelegd die [verdachte] belast.

Het voorgaande laat echter onverlet dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] – zij het deze laatste, zoals hierna onder (ii) zal worden besproken, in slechts beperkte mate – tijdens gesprekken uitlatingen hebben gedaan die belastend zijn voor [verdachte] . Nu de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen vervolgens als getuige over deze belastende uitlatingen te bevragen, dient naar het oordeel van het hof – in lijn met hetgeen de Hoge Raad, zoals hiervoor weergegeven, heeft overwogen over niet-ondervraagde getuigen – te worden beoordeeld of het proces desondanks als geheel eerlijk is verlopen. Bij die beoordeling acht het hof de volgende omstandigheden van belang:

( i) De verdediging is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om het ondervragingsrecht jegens [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] uit te oefenen, maar zij hebben zich allen beroepen op het hun toekomende verschoningsrecht. Er is dus een geldige reden waarom zij niet als getuige konden worden ondervraagd.

( ii) [medeverdachte 6] is betrokken geweest bij het hiervoor genoemde gesprek met [verdachte] op 19 september 2014. In dat gesprek is het evenwel met name [verdachte] zelf die uitlatingen heeft gedaan die hemzelf belasten, zoals hiervoor weergegeven, waaronder de opmerking dat hij ‘zweert’ dat hij ‘maar 1 miljoen’ heeft gepakt. In zoverre komt aan de uitlatingen die [medeverdachte 6] tijdens dit gesprek heeft gedaan slechts in beperkte mate gewicht toe. Van belang is verder dat [verdachte] ter terechtzitting op 3 november 2021 op vragen van het hof over het gesprek van 19 september 2014 geen antwoord heeft willen geven. Dit is zijn goed recht, maar die keus impliceert ook dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe uitlatingen die hij zelf heeft gedaan volgens hem dan wél moeten worden uitgelegd.

( iii) Door zowel [medeverdachte 3] , tijdens het gesprek op 17 juni 2013, als door [medeverdachte 4] , tijdens de ontmoetingen met de verbalisanten gedurende het WOD-traject, zijn uitlatingen gedaan die [verdachte] belasten. Bij de waardering van het gewicht van deze belastende uitlatingen is van belang dat deze uitlatingen (op directe en indirecte wijze) steun vinden in een reeks van feiten en omstandigheden die hiervoor zijn benoemd en die in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd. Daarbij benoemt het hof wat de betrokkenheid van [verdachte] betreft in het bijzonder (a) de telefonische contacten van [verdachte] met [medeverdachte 2] – die weer in contact stond met [medeverdachte 1] – op de dag dat de uitgebrande Renault Expresse met goederen afkomstig uit de diamantroof is aangetroffen en (b) de genoemde contacten tussen de verschillende verdachten van de diamantroof, onder wie [verdachte] zelf, in verband met het financiële conflict. Onder deze omstandigheden berust het bewijs over de betrokkenheid van [verdachte] bij de gewapende overval niet in beslissende mate op de uitlatingen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .

( iv) Ten aanzien van de uitlatingen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] geldt ten slotte dat enkele compenserende factoren bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van deze uitlatingen. De verdediging heeft de audio-opnames van het gesprek van 17 juni 2013 kunnen beluisteren, waardoor zij in staat is geweest om aan de hand hiervan zelf vast te stellen welke uitlatingen [medeverdachte 3] heeft gedaan en op welke wijze – met welke intonatie en interactie met de gesprekspartner bijvoorbeeld. Ook het gesprek dat [verdachte] met [medeverdachte 6] heeft gevoerd heeft de verdediging met de beschikbare audio-opname kunnen beluisteren, al zal het voor [verdachte] ook zonder deze opname helder zijn hoe zijn eigen uitlatingen moeten worden begrepen. Ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 4] geldt ten slotte dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om de verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het WOD-traject als getuige te ondervragen om duidelijkheid te krijgen over, kort gezegd, het verloop en de uitvoering van dit traject, zoals hiervoor bij de bespreking van de rechtmatigheid van het WOD-traject is toegelicht.

Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het feit dat de verdediging [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] niet als getuige heeft kunnen ondervragen onverlet laat dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Conclusie

Het hof is van oordeel, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, in samenhang beschouwd, dat bewezen kan worden dat [verdachte] , tezamen en in vereniging met anderen, zich op 25 februari 2005 heeft schuldig gemaakt aan de gewapende overval op Schiphol.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd, samengevat weergegeven, dat [verdachte] niet wist dat er in de box springstof en een wapen met munitie lag. In de box lagen – nog steeds – spullen van zijn in oktober 2015 overleden neef [neef van verdachte] . Het proces-verbaal van doorzoeking vermeldt niet waar de springstof, de revolver en de patronen zijn aangetroffen; alle goederen zijn uit dozen en tassen gehaald en geregistreerd zonder te vermelden waar en hoe ze zijn aangetroffen. Bijna twee jaar na de doorzoeking is een proces-verbaal opgesteld met betrekking tot het aantreffen van het explosief, het vuurwapen en de munitie. Dit proces-verbaal laat de mogelijkheid open dat het blauwe doosje “Knauf” met daarin de explosieven verpakt was zijn in een verhuisdoos van [neef van verdachte] of van een van de anderen van wie goederen werden opgeslagen in de box. Door alle verhuizingen werden goederen niet eens meer uitgepakt. Het proces-verbaal vermeldt niet waar de plastic tas waarin de munitie zat is aangetroffen. Verder blijkt uit het proces-verbaal niet wat voor kledingstukken er in de doos met het opschrift ”M” lagen, waarin het wapen in een zak in de mouw van een jasje is aangetroffen, zodat elke indicatie richting [verdachte] ontbreekt, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde voorhanden hebben van een hoeveelheid kneedbare explosieven en het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van een wapen en munitie stelt het hof vast dat deze voorwerpen tijdens de doorzoeking in een door [verdachte] gehuurde opslagruimte zijn aangetroffen. Het NFI heeft de aangetroffen explosieven onderzocht en vastgesteld dat het om een explosieve stof gaat als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. Ten aanzien van het wapen en de munitie is na onderzoek komen vast te staan dat het gaat om een wapen en munitie als bedoeld in respectievelijk artikel 2, eerste lid, categorie III en artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet wapens en munitie.

[verdachte] heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 22 november 2018 een verklaring afgelegd over het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie en explosieven. Hij heeft verklaard dat alleen hij en zijn vriendin de code hadden van de opslagruimte. Verder heeft hij verklaard dat er in deze opslagruimte spullen van hemzelf, van zijn vriendin en van zijn inmiddels overleden neef [neef van verdachte] stonden en dat hij aanneemt dat de kneedbare explosieven en de wapens tussen de verhuisspullen van zijn neef [neef van verdachte] hebben gezeten. Hij is een keer samen met [neef van verdachte] naar de opslagruimte geweest om spullen op te slaan. [neef van verdachte] heeft twee dozen van [verdachte] geleend en daarin spullen gestopt die hij wilde opslaan. Verder had [neef van verdachte] twee zakken bij zich, waarvan [verdachte] dacht dat daar kleding in zat. [neef van verdachte] is in oktober 2015 overleden en zijn spullen lagen na zijn overlijden nog bij [verdachte] in de box. Ter terechtzitting van het hof heeft [verdachte] verklaard dat hij ‘er niet zeker van kan zijn’ dat de explosieven, het vuurwapen en de munitie van zijn neef [neef van verdachte] waren. Hiermee heeft [verdachte] in essentie verklaard dat hij niet weet van wie de betreffende goederen zijn en hoe ze in de box terecht zijn gekomen. Hij gaat er vanuit dat hij ‘deze spullen’ samen met [neef van verdachte] in de box heeft gezet.

Het hof stelt voorop dat [verdachte] – samen met zijn vriendin – als enige toegang had tot de opslagruimte die door hem was gehuurd. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat de vriendin van [verdachte] enige betrokkenheid heeft bij het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie en explosieven. Volgens [verdachte] heeft zijn neef [neef van verdachte] op enig moment onder zijn begeleiding toegang gehad tot deze ruimte en er spullen opgeslagen in dozen die [neef van verdachte] van [verdachte] had geleend. Deze verklaring heeft [verdachte] evenwel pas afgelegd op het moment dat hij kennis had genomen van het aanvullende proces-verbaal van de KMar van 27 november 2018. Uit dit proces-verbaal blijkt dat het vuurwapen is aangetroffen in een stoffen zak in de mouw van een jasje, dat in een doos zat met kleding en waarop “kleding [voorletter] ” – waarbij het hof opmerkt dat de voornaam van [verdachte] ‘ [voornaam verdachte] ’ is – stond geschreven. Het moment van verklaren van [verdachte] doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Daarbij komt dat [neef van verdachte] in oktober 2015 is overleden. Blijkens het huurcontract van de betreffende opslagruimte (zie map 73, p. 276) is deze ruimte met ingang van op 27 juli 2016 door [verdachte] gehuurd. Het is dus niet mogelijk dat [neef van verdachte] met [verdachte] naar deze opslagruimte is gegaan om zijn spullen op te slaan en dat vervolgens na [neef van verdachte] overlijden nog spullen van hem in de opslagruimte van [verdachte] lagen. Voor zover [verdachte] heeft willen aanvoeren dat [neef van verdachte] de goederen niet in de opslagruimte heeft gezet, maar dat [verdachte] dit heeft gedaan omdat hij (telkens) spullen van (zijn inmiddels overleden neef) [neef van verdachte] door verhuisde, is het hof van oordeel dat deze stelling op geen enkele manier concreet is gemaakt of aannemelijk is geworden.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen gaat het hof ervan uit dat het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie en explosieven aan [verdachte] toebehoren.

De tenlastegelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 25 februari 2005 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid diamanten en sieraden (ter waarde van ruim USD 72 miljoen) en een bedrijfswagen (Citroen) en een aktentas en een hoeveelheid vrachtbrieven, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen ( [slachtoffer 1] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [slachtoffer 2] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en een mededader vuurwapens hebben gericht en/of gericht gehouden op voornoemde personen en (dreigend) de woorden toegevoegd "Deuren dicht en op de grond liggen" en/of "Uitstappen" en/of "Hier met die portofoon" en/of "Op de grond" en/of "Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?";

3.
hij op 23 januari 2017 te Almere een hoeveelheid pentaerythritoltetranitraat (PETN), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing (niet zijnde explosieven voor civiel gebruik waarvoor erkenning is verleend overeenkomstig de Wet explosieven voor civiel gebruik), voorhanden heeft gehad;


4.
hij op 23 januari 2017 te Almere een wapen van categorie III, te weten een revolver (Smith & Wesson, kaliber .38) en munitie van categorie III, te weten zeven patronen (kaliber .38) en achttienpatronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van voorarrest, waarbij zij rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman verzoekt bij de strafoplegging in matigende zin rekening te houden met het feit dat [verdachte] ingevolge de door de rechtbank opgelegde schorsingsvoorwaarden gedurende een periode van bijna 16 maanden een beperkte bewegingsvrijheid had. Verder verzoekt de raadsman rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 Sr, met de inmiddels in werking getreden Wet straffen en beschermen waardoor een nieuwe VI-regeling geldt, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Op 25 februari 2005 heeft op de luchthaven Schiphol een gewapende overval plaatsgevonden. Hierbij werd een grote hoeveelheid diamanten en sieraden met een totale waarde van ruim 72 miljoen Amerikaanse dollar gestolen, op het moment dat deze met een beveiligd transport aan boord van een vliegtuig zou worden gebracht. Deze brutale overval heeft voor veel maatschappelijke onrust gezorgd. Niet alleen was de waarde van de weggenomen goederen ongekend, ook werd men ermee geconfronteerd dat criminelen kans hadden gezien om met wapens op het afgesloten, beveiligde deel van de nationale luchthaven te komen. Nog steeds geldt de overval van 25 februari 2005 als de roof met de grootste buit uit de Nederlandse geschiedenis. Een deel van de ontvreemde goederen is teruggevonden, maar nog steeds is een gedeelte ter waarde van ruim 43 miljoen Amerikaanse dollar spoorloos.

Naast de grote schade en de maatschappelijke onrust die de overval van 25 februari 2005 heeft veroorzaakt, heeft deze ook een diepe indruk achtergelaten op de slachtoffers. Door de handelingen van de verdachte en een mededader hebben zij zeer angstige momenten gekend. Zo kreeg een van de slachtoffers een vuurwapen op een afstand van ongeveer 20 centimeter op zijn borst gericht terwijl hem werd toegevoegd: “Uitstappen, hier met die portofoon, op de grond.” Toen hij op zijn buik op de grond lag was het even stil en kort daarna hoorde hij de overvaller die hem uit de auto had gehaald op agressieve toon roepen: “Waar zijn de sleutels, waar zijn de sleutels?” en voelde hij dat de overvaller met zijn arm over zijn hoofd kwam en de sleutels pakte. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige misdrijven doorgaans nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hun is overkomen. Dat blijkt ook in dit geval uit de onderbouwing van de gevorderde immateriële schadevergoeding van twee van de slachtoffers. Een van hen geeft in die onderbouwing aan dat hij zich na al die tijd nog elk detail kan herinneren en dat de beelden van de overval zich de afgelopen jaren veelvuldig in zijn hoofd hebben afgespeeld. De ander kampt nog steeds met gevoelens van angst, frustratie en verdriet. Ook kan hij sindsdien slecht tegen harde en onverwachte geluiden. Ter terechtzitting van het hof heeft een van de slachtoffers verklaard dat hij zijn werk inmiddels niet meer kan uitvoeren, omdat hij op Schiphol altijd wordt herinnerd aan het gebeurde. Hij heeft onlangs hulp gezocht van een psycholoog. Ook na ruim 16 jaar trekt de overval dus nog steeds een wissel op zijn leven.

De gewapende overval is in georganiseerd verband en op planmatige en berekenende wijze uitgevoerd. De mededaders van de verdachte, naar hij moet hebben begrepen, moeten zich terdege en langdurig op dit misdrijf hebben voorbereid. Er was een plan voor de overval. Een van de mededaders heeft vanuit zijn functie als KLM-medewerker, waarbij hij werkzaamheden verrichtte op het afgesloten beveiligde terrein van de luchthaven, maandenlang observaties uitgevoerd met betrekking tot het wekelijkse waardetransport en heeft de voor de overval benodigde wapens van land- naar airside gebracht. Op 10 februari 2005 heeft er een poging overval op het waardetransport plaatsgevonden door twee andere daders. Toen een van die daders niet nogmaals wilde deelnemen, is de verdachte in zijn plaats gegaan en heeft hij zich met zijn mededader, in het bezit van (een) vuurwapen(s), op het afgesloten, beveiligde deel van de luchthaven Schiphol begeven. De verdachte handelde kennelijk louter voor financieel gewin. Daarbij heeft hij zich niet laten weerhouden door de ingrijpende gevolgen die de overval onvermijdelijk zou hebben voor de slachtoffers en voor de integriteit en de veiligheid van de luchthaven Schiphol.

Voorts heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie. Hij heeft twee blokken springstof voorhanden gehad. Bij ontploffing van een van die blokken zou dat al leiden tot dodelijk letsel voor personen in de directe omgeving. Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen met bijpassende munitie en overige munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van verboden wapens brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Gelet op de ernst van de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur moet worden opgelegd.

Het hof acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de door de advocaat-generaal gevorderde straf onvoldoende recht doen aan de ernst van de gepleegde strafbare feiten, in het bijzonder aan de ernst van de overval. Hierbij merkt het hof op dat het in deze om een dusdanig ernstige en uitzonderlijke overval gaat, dat het uitgangspunt voor een overval geldtransport, zoals dit is neergelegd in de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten, in dit geval niet aan de orde is.

Bij de strafoplegging betrekt het hof enerzijds dat de verdachte vóór het plegen van de overval, namelijk in 1995 en in 1999, tot gevangenisstraffen voor diefstal met geweld is veroordeeld, in 1999 zelfs tot een gevangenisstraf van 9 jaar (onherroepelijk geworden in 1995 respectievelijk 2001). Ook is de verdachte vóór het plegen van de onderhavige overtreding van de Wet wapens en munitie, namelijk in 2006, onherroepelijk voor een dergelijk feit veroordeeld tot een gevangenisstraf. Anderzijds houdt het hof rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr vanwege een veroordeling in 2019 tot 30 maanden gevangenisstraf.

In de door de verdachte geschetste omstandigheid, inhoudende dat hij ingevolge de door de rechtbank opgelegde schorsingsvoorwaarden bij zijn voorlopige hechtenis een beperkte bewegingsvrijheid had, ziet het hof geen aanleiding tot matiging van de straf.

Wet straffen en beschermen

Het hof ziet ook geen aanleiding om in de strafoplegging rekening te houden met het gewijzigde VI-regime. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Het hof acht, gelet op al het voorgaande, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaar in beginsel passend.

Redelijke termijn

De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat zowel de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg als die in hoger beroep dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De verdachte heeft op 5 februari 2019 appel ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, terwijl het hof arrest wijst op 17 december 2021. Er is in hoger beroep dus sprake van een overschrijding met ruim 10 maanden.

Rekening houden met vermindering van straf in verband met overschrijding van de redelijke termijn, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf van negen jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Voorlopige hechtenis

Het hof ziet geen grond om de vordering van de advocaat-generaal tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen, zodat deze vordering wordt afgewezen. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel voorlopige hechtenis wordt eveneens afgewezen, reeds nu de verdachte door het hof wordt veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf.

Beslag

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het onder hem inbeslaggenomen paspoort en de identiteitskaart wenst terug te ontvangen en dat dit nog niet is gebeurd. Het hof zal bepalen dat deze documenten dienen te worden bewaard voor de rechthebbende. De documenten behoren toe aan de Staat der Nederlanden, maar deze kunnen – ervan uitgaande dat de geldigheidsduur inmiddels is verlopen, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft opgemerkt – aan de verdachte worden teruggegeven indien of nadat deze ongeldig zijn gemaakt.

De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij geen afstand doet van een ‘geldbedrag van € 1.800,-’ dat volgens hem in beslag is genomen. Kennelijk doelt de verdachte hiermee op het bedrag van € 1.890,- dat blijkens het dossier onder [partner van verdachte] – en niet ten laste van de verdachte – in beslag is genomen. Het hof zal hier daarom geen beslissing op nemen.

Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij afstand doet van de overige op de beslaglijst genoemde voorwerpen die bij hem in deze zaak in beslag zijn genomen. Het hof zal daarom geen beslissing nemen over deze voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Bij de overval is de benadeelde partij met een vuurwapen bedreigd, waardoor op ernstige wijze inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending liggen de nadelige gevolgen daarvan voor de hand. Uit de schriftelijke vordering en hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij ook daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft ondervonden, waaronder nachtmerries en gevoelens van angst, onmacht, vernedering en depressie. De benadeelde partij is daarom in zijn persoon aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

De verdachte is, samen met zijn mededaders, tot vergoeding van de geleden schade gehouden. Het hof stelt deze schade naar billijkheid vast op het volledige gevorderde bedrag, zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.100,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Bij de overval is de benadeelde partij met een vuurwapen bedreigd, waardoor op ernstige wijze inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke integriteit. Gelet op de aard en de ernst van de normschending liggen de nadelige gevolgen daarvan voor de hand. Uit de schriftelijke vordering en hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij ook daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft ondervonden, waaronder nachtmerries, schrikreacties en gevoelens van angst, frustratie en verdriet.

De verdachte is, samen met zijn mededaders, tot vergoeding van de geleden schade gehouden. Het hof stelt deze schade naar billijkheid vast op het volledige gevorderde bedrag, zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  1. Een paspoort (goednummer PL2700-17-002827-52)

  2. Een identiteitskaart (goednummer PL2700-17-002827-53)

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.100,00 (vierduizend honderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.100,00 (vierduizend honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 februari 2005.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.100,00 (vierduizend honderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.100,00 (vierduizend honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 51 (eenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 februari 2005.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. C. Fetter en mr. K.J. Veenstra, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 december 2021.