Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:39

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
09-09-2021
Zaaknummer
23-000070-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 21 juni 2019 te Amsterdam: 1) bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 2) overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Vernietiging van het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000070-20

datum uitspraak: 13 januari 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-261659-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 21 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door deze [slachtoffer] opzettelijk dreigend aan te kijken en daarbij met zijn hand een snijbeweging te maken bij zijn keel;

2.
hij op of omstreeks 21 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.
hij, op of omstreeks 21 juni 2019 in het arrondissement Amsterdam, in ieder geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), heeft gereden op de openbare weg, de Rijksweg A2 - met het door hem bestuurde voertuig (meermalen) gevaarlijke inhaalmanoeuvres uit te voeren, en/of - (hierbij) andere bestuurder(s) af te snijden, waardoor deze andere bestuurder(s) plotseling moest(en) remmen om een aanrijding te voorkomen, en/of - (meermalen) met een (aanzienlijk) hogere snelheid te rijden dan de ter plaatste voor dat voertuig toegestane maximum snelheid, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatste geboden was, en/of - stuurbewegingen te maken waardoor het voertuig slingerde, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Vrijspraak ter zake van feit 2

De verdediging heeft ter zake van de onder 2 ten laste gelegde beschadiging betoogd dat het dossier te weinig bewijs bevat voor een veroordeling en dat dit feit dan ook niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Ook de advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de onder 2 ten laste gelegde beschadiging niet wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgesteld door verbalisant [slachtoffer], in onvoldoende mate kan worden vastgesteld dat de verdachte een voorwerp vanuit zijn autoraam naar buiten heeft gegooid en dat dit voorwerp de auto van [slachtoffer] heeft beschadigd. In dit verband acht het hof van doorslaggevend belang dat uit het voornoemde proces-verbaal niet blijkt dat verbalisant [slachtoffer] heeft gezien dat de verdachte daadwerkelijk een voorwerp uit zijn autoraam heeft gegooid.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Gevoerd verweer

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is door de verdediging betoogd dat verbalisant [slachtoffer] als enige heeft verklaard dat de verdachte een snijbeweging jegens hem heeft gemaakt en dat de adrenaline en de angst bij verbalisant [slachtoffer] een rol kunnen hebben gespeeld bij het beschrijven van de snijbeweging in het door hem opgestelde proces-verbaal van bevindingen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is door de verdediging betoogd dat de verdachte ten tijde van het incident heeft ingehaald en wilde invoegen, maar daar de ruimte niet voor kreeg waardoor hij moest remmen. Ook is betoogd dat de verdachte slechts 110 kilometer per uur heeft gereden.

De verdediging stelt voorts de vraag aan de orde of er op grond van één proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [slachtoffer], die in deze zaak zowel verbalisant als slachtoffer is, wel tot een veroordeling gekomen kan worden. Volgens de verdediging dient terughoudend te worden omgegaan met de dubbele bewijskracht indien de verbalisant tevens het slachtoffer is.

De advocaat-generaal is van mening dat er meer waarde gehecht dient te worden aan hetgeen verbalisant [slachtoffer] in het door hem opgestelde proces-verbaal van bevindingen heeft omschreven, dan aan hetgeen de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gaat de advocaat-generaal ervan uit dat verbalisant [slachtoffer] de snijbeweging duidelijk heeft waargenomen en deze als een bedreiging mocht opvatten. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde stelt de advocaat-generaal dat, gezien het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt door verbalisant [slachtoffer], alle onderdelen uit de tenlastelegging bewezenverklaard kunnen worden.

Het hof overweegt als volgt.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat behoedzaam dient te worden omgegaan met de verklaring van verbalisant [slachtoffer], zoals door hem op ambtseed is vastgelegd in het proces-verbaal van bevindingen op pagina 3-10 van het dossier, aangezien deze verklaring het enige voorhanden bewijs in deze zaak is. Het proces-verbaal geeft echter op consistente en nauwgezette wijze het (rij)gedrag van de verdachte gedurende een behoorlijke tijd weer. Daarbij acht het hof van belang dat de verbalisant zich in het proces-verbaal steeds mede rekenschap heeft gegeven van de gevaren van het rijgedrag van de verdachte voor de overige weggebruikers en dat de verbalisant in een vroeg stadium contact heeft opgenomen met de lokale meldkamer teneinde deze op de hoogte te houden van zijn ervaringen met de verdachte en op deze wijze zijn collega’s bij de aanhouding van de verdachte te betrekken.

Met de politierechter, en op dezelfde gronden, is het hof tevens van oordeel dat de gevallen waar de raadsvrouw een beroep op heeft gedaan onvoldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.

Het hof is dan ook van oordeel dat het bewijs dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan kan worden aangenomen op grond van dit proces-verbaal van bevindingen.

Naar het oordeel van het hof kan het onder 1 en 3 ten laste gelegde dan ook bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

1.
op 21 juni 2019 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door deze [slachtoffer] opzettelijk dreigend aan te kijken en daarbij met zijn hand een snijbeweging te maken bij zijn keel;

3.
op 21 juni 2019 in het arrondissement Amsterdam, als bestuurder van een voertuig (personenauto), op de Rijksweg A2 meermalen gevaarlijke inhaalmanoeuvres heeft uitgevoerd, en hierbij andere bestuurders heeft afgesneden, waardoor deze andere bestuurders plotseling moesten remmen om een aanrijding te voorkomen, en meermalen met een hogere snelheid heeft gereden dan voor een veilig verkeer ter plaatste geboden was, en stuurbewegingen te maken waardoor het voertuig slingerde, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en

omstandigheden die in het bewijsmiddel zijn vervat.

Bewijsmiddel

Ten aanzien van feit 1 en 3:

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer proces-verbaalnummer PL1500-2019168335-2 van 18 juli 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [slachtoffer] (doorgenummerde pagina’s 3 tot en met 10).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 21/06/2019 reed ik, verbalisant, in diensttijd in mijn eigen persoonlijke personenvoertuig op de Rijksweg A2, in de richting van Zaandam.

(…)

Op dit moment zag ik, vanuit mijn ooghoeken, dat achter de vrachtwagen een andere auto kwam rijden. Ik zag dat deze auto op een snelle wijze achter de vrachtwagen kwam rijden.

Ik zag dat ik nagenoeg op gelijke hoogte reed als deze auto.

De rest van het incident zal over dit voertuig gaan, derhalve eerst een omschrijving daarvan:

Het betrof een donker blauw voertuig met een verhoogd dak, over de gehele lengte. Ik

zag dat het kenteken betrof [kenteken]. Ik zag dat het een voertuig van het merk Volkswagen, type Golf Stationwagen betrof.

Ik zag dat de ruiten/ramen, ter hoogte van de achterbank, en later zag ik ook van de achterzijde donker getint waren.

Zover ik kon zien zat er een (1) persoon in het voertuig. Ik kan deze persoon omschrijven als mannelijk, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst, geschatte leeftijd van ongeveer 25 - 30 jaar oud met een licht vlassig ongeschoren baardje.

Ik zag dat de man donker gekleed was. Zover ik kon zien, zat deze man alleen in het voertuig.

Ik zal deze man en diens voertuig verder aanduiden als 'verdachte'.

(…)

Ik zag dat de verdachte zijn voertuig instuurde, mijn kant op. Het leek of de verdachte er lak aan had dat ik daar reed. Ik zag dat hij verschillende, korte maar duidelijke, stuurbewegingen maakte in mijn richting. Op dit moment kan ik niet uitwijken omdat er direct links naast mij ook andere

voertuigen reden. Ik kon niet remmen omdat er kort achter mij ook andere voertuigen reden. Ik schrok van deze actie van de verdachte want ik kon niet uitwijken en kennelijk wilde de verdachte gewoon doorrijden. Ik zette mijzelf al schrap op een aanrijding met de verdachte. Ik schat dat het voertuig van de verdachte tot op enkele centimeters was verwijderd

van mijn voertuig. Ik zag dat de verdachte op het allerlaatste moment zelf hard remde, om zo niet tegen de achterzijde van de vrachtwagen aan te rijden.

(…)

Ik zag dat de verdachte vervolgens weer scherp naar links stuurde en de tweede rijstrook opschoot, tussen het overige spitsverkeer. Ik zag dat de verdachte zijn snelheid verhoogde om vermoedelijk naast mij te komen rijden.

(…)

Ik zag dat de verdachte hierop weer zijn snelheid verhoogde en mij inhaalde. Ik zag dat de verdachte mij met hoge snelheid afsneed en direct voor mij kwam rijden. Hier moest ik al snel remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat de verdachte voor mij kwam rijden. Ik zag dat hij hierop hard remde. Ik zag dat het hard was, omdat de al korte afstand tussen ons heel snel verdween. Ik zag dat de verdachte hierbij ook slingerde en bij het remmen van hem, zag ik dat

de voorzijde van zijn voertuig erg naar beneden dook. Kennelijk van het harde remmen.

Op dit moment moest ik zeer hard remmen om ook hier een aanrijding te voorkomen. Hier

kon ik niet meer uitwijken, door het feit dat er andere voertuigen naast mij reden in het spitsverkeer. Ik zag dat de verdachte deze rem-actie enkele keren achter elkaar deed. Hierdoor was al mijn aandacht op de verdachte gevestigd.

(…)

Op het moment dat ik de verdachte passeerde keek ik hem aan. Ik maakte weer een

handgebaar, in de trant van "Doe normaal, man!" ik zag dat de verdachte ook naar mij

keek. Ik zag dat zijn ogen wijd open gesperd waren ik zag dat hij kennelijk iets

tegen mij riep (wat dit was kon ik uiteraard niet verstaan)

Ik zag dat de verdachte met zijn rechterhand met zijn wijsvinger langs zijn keel

sneed. Ik zag dat de verdachte met zijn mond iets riep tegen mij. Hetgeen bij mij

overkwam als het woord "DOOD".

In de vele jaren dat ik nu al op de weg rij, heb ik heus wel het een-en-ander meegemaakt op de weg. Ik schrik daarom niet meer van een middelvinger die eventueel wordt opgestoken of dat iemand mij boos aankijkt, of iets dergelijks. Maar dit gebaar, in combinatie van de gelaatsuitdrukkingen van de verdachte, schrok ik toch echt van. Ik voelde mij op dit moment zeer bedreigd. Door de eerdere acties van de verdachte tegen mij (noodstop, iets tegen mijn auto gooien, mij bewust bijna aanrijden) was ik ervan overtuigd dat hij mij iets wilde aandoen. Ik begreep uit deze situatie dat dit serieuzer was dan anders en besloot om de lokale meldkamer te bellen.

(…)

Ik zag dat de verdachte weer zijn snelheid verhoogde en mij, aan de rechterzijde, voorbij reed. Ik besloot de verdachte te volgen in afwachting van de herkenbare eenheden. Hierbij hield ik bewust enige afstand tussen de verdachte en mij in, om hem niet het idee te geven dat ik hem op zou jagen of iets dergelijks. Ik zag dat de verdachte zijn snelheid verhoogde tot ongeveer 120 KM/H, alwaar 100 KM/H is toegestaan.

(…)

Op een gegeven moment zag ik dat de verdachte een snelheid van ongeveer 80 Km/h reed, op de meest rechter rijstrook. Ik zag het achteropkomende verkeer al snel naderen. Ik zag dat de verdachte weer hard begon te remmen, een aantal keren kort en hard achter elkaar. Ik zag dat ik weer hard moest remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik keek in mijn binnenspiegel en zag op alle rijstroken achter mij verkeer aankomen rijden. Ik zag dat direct achter mij een vrachtwagen aan kwam rijden. Ik besloot om deze in te seinen door middel van het activeren van mijn gevarenlichten. Ik zag dat de verdachte nog meer begon te remmen. Ik besloot dat ik de verdachte toch maar moest inhalen om nog meer gevaar te ontwijken. Helaas zag ik dat het

achteropkomend verkeer ons bereikt had en ook al naast en om mij en de verdachte reed.

Ik had geen uitwijkmogelijkheid meer. Ik moest wel remmen om alweer een aanrijding te voorkomen.

(…)

Ik zag dat de verdachte, in de verte, met hoge snelheid tussen het verkeer heen reed (zigzaggend) om zo, voor kennelijk, aan mij te ontkomen. Hierdoor was ik kort het zicht kwijt op de verdachte. Direct nadat ik, verbalisant, de Zeeburgertunnel uitreed, zag ik het voertuig van de

verdachte weer tussen het overige verkeer heen rijden om met hoge snelheid afrit S115

op te rijden. Ik zag dat het verkeer, waartussen de verdachte door reed, plotseling moest remmen om de verdachte niet te raken.

(…)

Weer zag ik dat het overige verkeer voor de verdachte moesten remmen om niet tot een

aanrijding te komen.

(…)

Nog voordat ik, verbalisant, bij dezelfde afrit aan kwam, zag ik al dat de verdachte

wederom alweer terug stuurde de Rijksweg op. Ook hier zag ik dat andere voertuigen

weer hard moesten remmen voor de verdachte. Wederom zag ik dat de verdachte met zeer hoge snelheden tussen het verkeer door reed.

(…)

Op een gegeven moment reed ik achter de verdachte, nog steeds op zeer ruime afstand,

reed ik gelijke snelheid als de verdachte. Ik zag dat hij niet verder van mij af reed

en ik niet op hem in reed. Ik zag op dit moment dat mijn eigen snelheid hier omstreeks 180 KM/H betrof.

(…)

Tijdens het hele incident heb ik op verschillende momenten echt gevreesd voor mijn eigen veiligheid en die van mijn medeweggebruikers. Daarbij dacht ik dat er een zware aanrijding zou gaan plaats vinden, waarbij ik als slachtoffer betrokken zou zijn.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis en voor het onder 3 bewezenverklaarde tot een hechtenis voor de duur van twee weken in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis en voor het onder 3 ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is. Tevens heeft zij het hof verzocht de verdachte bij een bewezenverklaring geen hechtenis op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf. Ook heeft de raadsvrouw bepleit om, in het geval er een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd, deze in voorwaardelijke zin op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof komt met de politierechter tot de conclusie dat de verdachte een medeweggebruiker heeft bedreigd en daarbij gedurende een behoorlijke tijd gevaar heeft veroorzaakt op de weg. Het gedrag van de verdachte duidt op een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel in het verkeer en minachting voor de regels en voor de veiligheid van andere weggebruikers. Er mag van geluk worden gesproken dat er geen slachtoffer(s) zijn gevallen. Het hof heeft tevens geconstateerd dat artikel 63 Sr van toepassing is.

In tegenstelling tot de politierechter ziet het hof echter geen aanleiding om af te wijken van hetgeen in de LOVS-oriëntatiepunten staat omschreven. Ook wordt de verdachte, in tegenstelling tot hetgeen de politierechter heeft geconcludeerd, vrijgesproken van hetgeen hem onder 2 is ten laste gelegd, wat tevens een reden is om de straf zoals opgelegd door te politierechter te matigen. Het hof is van oordeel dat de strafeis van de advocaat-generaal voldoende recht doet aan de ernst van de situatie en neemt diens strafeis dan ook over.

Het hof acht, alles afwegende, ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde een taakstraf en ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. D. Radder en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 januari 2021.

Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]