Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3719

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2021
Datum publicatie
30-11-2021
Zaaknummer
23-002351-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens voorhanden hebben (illegaal) vuurwerk. Vrijspraak witwassen. Stappenplan. Verdachte heeft concrete, min of meer en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd. Geen onderzoek naar verklaringen over herkomst geldbedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002351-20

Datum uitspraak: 30 november 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2020 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-846010-19 en 13-994009-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het openbaar ministerie heeft het hoger beroep bij akte beperkt tot de beslissingen over feit 3 van zaak A (partketnummer 13-846010-19) en de strafoplegging.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem bij parketnummer

13-846010-19 onder 3 ten laste is gelegd en van hetgeen aan hem onder parketnummer 13-994009-20 onder 1 tot en met 4 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie

De raadsman heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging voor het witwassen dat ten laste is gelegd onder 3 (parketnummer 13-846010-19) wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe is aangevoerd dat niet uit te leggen is waarom het openbaar ministerie de verdachte vervolgt voor het witwassen en zijn ex-partner niet, terwijl het proces-verbaal van verdenking bij de verdachte en zijn ex-partner exact hetzelfde is, beiden in verzekering en in bewaring zijn gesteld en de conclusie zonder meer gerechtvaardigd is dat alle aan de verdachte ten laste gelegde handelingen ook ten aanzien van zijn ex-partner gelden.

Het hof kan niet vaststellen dat de ex-partner van de verdachte niet is vervolgd of wordt vervolgd voor het witwassen. Het verweer houdt op dit punt niet meer in dan een blote stelling en ontbeert in zoverre dus feitelijke grondslag.

Nu het verweer evenmin inhoudt dat de ex-partner van de verdachte terecht niet wordt vervolgd, gaat het reeds daarom niet op. Indien de niet-vervolging van de ex-partner fout zou zijn, kan immers niet van het openbaar ministerie worden verlangd dat het ten aanzien van de verdachte dezelfde fout maakt.

Daarenboven zijn er voldoende aanwijzingen dat geen sprake is van gelijke gevallen. De tenlastelegging van dit feit is in eerste aanleg gewijzigd. De vóór de wijziging ten laste gelegde contante stortingen op de bankrekeningen van zowel de verdachte als de ex-partner zijn uit de beschuldiging vervallen. Van (een groot deel van) de overgebleven handelingen die aan de verdachte ten laste zijn gelegd is een duidelijker link met de verdachte aanwezig, bijvoorbeeld de geldbedragen die met een ‘tikkie’ door de vader van de verdachte aan de verdachte zijn overgemaakt, het geldbedrag dat bij de ouders van de verdachte is aangetroffen en waarover de moeder heeft verklaard dat het van de verdachte is en de geldbedragen die te relateren zijn aan de door de verdachte geëxploiteerde [winkel]. Met zijn ex-partner bestaat ten aanzien van deze geldbedragen geen of minder verband. Van gelijke gevallen is derhalve geen sprake.

Het hof verwerpt dit verweer.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-846010-19:

1.
hij op of omstreeks 11 februari 2020, in elk geval in of omstreeks de periode van 01 februari 2020 tot en met 11 februari 2020, te Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), en/of te Aalsmeer, in ieder geval in Nederland, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, al dan niet opzettelijk,

(in een schuur en/of een woning aan de [adres 1] )

- 7,369 kg, althans een hoeveelheid (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk (lijst II) (p. 1314 dossier) en/of

(in een woning aan de [adres 1] )

- 2 stuks mortierbom/shell (lijst III) ( p. 1324 t/m 1328 dossier) en/of

- 1 stuk bangers (lijst III) ( p. 1344 t/m 1346 dossier) en/of

(in een schuur behorende bij de woning aan de [adres 1] )

- 38 stuks bangers, althans een hoeveelheid knalvuurwerk (lijst III) (zie p. 1329 t/m 1343 dossier) en/of

(in een garagebox onder een appartementencomplex aan de [adres 2] )

- 112,648 kg, althans een hoeveelheid (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk (lijst II) en/of - 226, althans één of meer, stuks mortierbommen/shells (lijst III) en/of

- 25, althans één of meer, stuks vuurpijlen (lijst III) en/of

- 8, althans één of meer, stuks flowerbeds (lijst III) en/of

- 795, althans één of meer, stuks bangers, althans een hoeveelheid knalvuurwerk (lijst III) (p. 855 dossier) en/of

- 0,905 kg knalpatronen, althans een hoeveelheid (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk dat niet is genoemd in lijst III (lijst II) (p. 1277 dossier)

in elk geval een hoeveelheid professioneel vuurwerk, heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 11 februari 2020, althans in of omstreeks de periode van 01 februari 2020 tot en met 11 februari 2020, te Aalsmeer, in ieder geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, ongeveer 643 kilogram (professioneel) vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit immers heeft hij dat (professioneel) vuurwerk in een garagebox een appartementencomplex aan de [adres 2] voorhanden gehad;

3. primair
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode in het jaar 2018 tot en met het jaar 2019, te Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), en/of te Lisse, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen van (in totaal) (ongeveer) EUR 9.750,- (contante betalingen huur [adres 1] ) en/of EUR 7.100 (contante betaling Volkswagen Scirocco voorzien van kenteken [kenteken 1] ) en/of EUR 2.300 (tikkies overgemaakt door vader [verdachte] in ruil voor contante geldbedragen) en/of EUR 5.000 (contant geldbedrag uitgeleverd door [naam 1] op het adres aan het [adres 3] te Hoofddorp) en/of EUR 2.650 (inkomsten tatoeëren via tikkies derden in periode van 6 november 2019 tot en met 31 december 2019) en/of EUR 2.877 (money transfers [naam 2] , geboren op [geboortedag 2] 1984 te [geboorteland] ) en/of EUR 16.979,91 (contante betalingen goederen), althans een of meer geldbedragen en/of voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft gebruikt en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat genoemde geldbedragen en/of voorwerpen, geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.
subsidiair
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode in het jaar 2018 tot en met het jaar 2019, te Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), en/of te Lisse, in ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldbedragen van (in totaal) (ongeveer) EUR 9.750,- (contante betalingen huur [adres 1] ) en/of EUR 7.100 (contante betaling Volkswagen Scirocco voorzien van kenteken [kenteken 1] ) en/of EUR 2.300 (tikkies overgemaakt door vader [verdachte] in ruil voor contante geldbedragen) en/of EUR 5.000 (contant geldbedrag uitgeleverd door [naam 1] op het adres aan het [adres 3] te Hoofddorp) en/of EUR 2.650 (inkomsten tatoeëren via tikkies derden in periode van 6 november 2019 tot en met 31 december 2019) en/of EUR 2.877 (money transfers [naam 2] , geboren op [geboortedag 2] 1984 te [geboorteland] ) en/of EUR 16.979,91 (contante betalingen goederen), althans een of meer geldbedragen en/of voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad dat geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, vanwege proceseconomische redenen.

Feit 3

Dat de in de tenlastelegging genoemde geldtransacties hebben plaatsgevonden, is niet in geschil. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de desbetreffende geldbedragen een criminele herkomst hebben.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld. Er is een vermoeden van witwassen, de verdachte heeft geen concrete en min of meer verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en het kan dus niet anders zijn dan dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De verdachte heeft een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van het geld die door het openbaar ministerie deels is geverifieerd en deels, ten onrechte, niet. De door de verdachte gegeven verklaringen voor de geldbedragen kunnen de ten laste gelegde geldstromen voldoende verklaren.

Het hof stelt voorop dat in deze zaak geen direct verband valt te leggen tussen de ten laste gelegde geldbedragen en een of meer misdrijven waaruit zij afkomstig zouden zijn. Dat is alleen anders voor wat betreft het ten laste gelegde geldbedrag van € 5.000,- dat de verdachte in het huis van zijn ouders heeft bewaard.

Dit geldbedrag (contant geldbedrag uitgeleverd door [naam 1] op het adres aan het [adres 3] te Hoofddorp) is aangetroffen bij de ouders van de verdachte. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag van de verdachte is en dat hij dat met vuurwerkhandel heeft verdiend. Die vuurwerkhandel moet, gelet op de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 en bij gebreke van voldoende aanwijzingen in andere zin, illegaal zijn geweest en een misdrijf hebben opgeleverd, zodat het geld daaruit afkomstig is. Nu echter de ten laste gelegde periode is beperkt tot de jaren 2018 en 2019, het geldbedrag is aangetroffen op 11 februari 2020 en het hof niet kan vaststellen wanneer het geldbedrag in bewaring is gegeven bij de ouders, dient de verdachte te worden vrijgesproken van dit geldbedrag.

Voor de overige ten laste gelegde geldbedragen is geen direct verband te leggen met een of meer misdrijven. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", is echter niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij voor die omstandigheden een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte een verklaring geeft die voldoet aan de voormelde eisen, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de aan die verklaring ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. De rechter zal dan mede op basis van de concrete resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen is op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Bij de beoordeling van deze verklaring kunnen (mede) een rol spelen de omstandigheden waaronder en de wijze waarop deze tot stand is gekomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het volgende gebleken.

De verdachte en zijn ex-partner – die een gezamenlijke huishouding voerden – hebben volgens opgave van de Belastingdienst in de jaren 2016 tot en met 2019 € 1.899,- respectievelijk € 42.888,- bruto loon genoten. In de periode 1 augustus 2016 tot en met 31 december 2019 zijn er voor

€ 75.993,60 aan contante stortingen verricht op de bankrekeningen van ofwel de verdachte ofwel de ex-partner. Voor de huurwoning aan de [adres 1] hebben zij in die periode in totaal

€ 9.750,- contant voldaan. Het opsporingsonderzoek is onder meer gestart naar aanleiding van een (anonieme) melding dat de verdachte in illegaal vuurwerk zou handelen. Dat onderzoek heeft dit vermoeden versterkt. In de garagebox gelegen aan de [adres 2] is 643 kilogram vuurwerk aangetroffen. In de woning gelegen aan de [adres 1] is 92 kilogram vuurwerk aangetroffen. Uit een uitgelezen telefoon van de verdachte komen meerdere chatgesprekken naar voren waarin gesproken werd over prijzen en hoeveelheden vuurwerk.

Onder deze omstandigheden is het vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn, gerechtvaardigd. Van de verdachte mag derhalve een verklaring worden verlangd voor deze belastende omstandigheden die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

De verdachte heeft bij het politieverhoor, ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep verklaringen afgelegd over de herkomst van de overige geldbedragen. Het hof zal elke afzonderlijke verklaring van de verdachte over de herkomst bespreken en telkens beoordelen of de gegeven verklaring als voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Indien dit het geval is, kan in beginsel niet met recht van de verdachte worden verlangd dat hij de juistheid van de desbetreffende verklaring(en) (met bewijsstukken of anderszins) aantoont. Dit zou in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Het is in dat geval aan het openbaar ministerie om onderzoek te doen naar die verklaringen. Indien uit dat onderzoek blijkt dat de verklaringen onjuist zijn, zou kunnen worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, waarmee het bewijs van het tenlastegelegde rond zou kunnen komen.

Van de verdachte mag wel worden verlangd dat hij bij het verstrekken van een verklaring naar vermogen handvatten aanreikt aan de hand waarvan het openbaar ministerie onderzoek kan doen naar de juistheid van de verklaring. Indien de verdachte dit nalaat, kan dit tot gevolg hebben dat zijn verklaring als onvoldoende concreet en min of meer verifieerbaar wordt aangemerkt.

a. [winkel]

De verdachte heeft verklaard dat hij een [winkel] exploiteert sinds oktober 2019, dat deze in november 2019 4,5 à 5 weken heeft [werk] en dat hij daarmee ongeveer € 16.000,- heeft verdiend. De verdachte heeft verklaard dat hij zwart werd uitbetaald. Het hof begrijpt hieruit dat hij geen BTW in rekening heeft gebracht en afgedragen en dat hij de verdiensten niet bij de belastingdienst heeft aangegeven.

Uit de door de Belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat de verdachte geen dergelijke verdiensten heeft aangegeven bij deze dienst. De verdachte heeft geen feiten en omstandigheden genoemd aan de hand waarvan het openbaar ministerie de juistheid van zijn verklaring zou kunnen onderzoeken, terwijl dat in dit geval bij uitstek op zijn weg had gelegen nu het om zwarte verdiensten gaat, die dus niet bij de fiscus te verifiëren zijn. Naar moet worden aangenomen was de verdachte in de gelegenheid om de verklaring verifieerbaar te maken. Hij heeft echter geen namen genoemd van tattoo-artists die bij hem een stoel hebben gehuurd, geen namen van klanten genoemd en ook anderszins geen gegevens verstrekt waarmee deze inkomsten kunnen worden geverifieerd. Ook kan aldus niet worden nagegaan in hoeverre de verdachte over de bewuste geldbedragen heeft kunnen beschikken doordat hij niet aan zijn belastingverplichtingen heeft voldaan. Bij deze stand van zaken kan deze verklaring niet als voldoende concreet en min of meer verifieerbaar worden aangemerkt en moet daaraan worden voorbijgegaan.

b. [werk]-inkomsten

De verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij af en toe een klusje deed als [werk]. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij regelmatige op [werk] in het weekend, dat hij soms 2 à 3 keer in het [werk], maar soms ook 2 à 3 weken niet en dat hij ongeveer € 500,- à € 750,- per keer ontving, in contanten in een dichtgeplakte enveloppe. Voorts heeft hij verklaard dat hij tussen de 20 en 30 keer heeft [werk] en dat bij dergelijke [werk] tot enkele [werk] aanwezig waren.

Enig handvat aan de hand waarvan deze inkomsten zouden kunnen worden geverifieerd heeft de verdachte niet aangereikt, terwijl hij hier wel toe in staat moet worden geacht, en dat in dit geval ook bij uitstek op de weg van de verdachte had gelegen nu het ook hier om, naar zijn eigen zeggen, zwarte inkomsten gaat. Hij heeft niet, in elk geval niet op een voor OM en opsporingsambtenaren nog verifieerbaar moment, gegevens verstrekt of aangeboden zoals flyers, foto’s of video’s van de [werk] als [werk] terwijl die er volgens hem wel zijn. Bij deze stand van zaken kan deze verklaring niet als voldoende concreet en min of meer verifieerbaar worden aangemerkt, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan.

c. Vergoeding in verband met ten onrechte in beslag genomen voertuig

De verdachte heeft aan de politie verklaard dat hij zo’n € 8.000,- à € 9.000,- heeft ontvangen in verband met een ten onrechte in beslag genomen Porsche Cayenne. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij dit geldbedrag heeft gebruikt voor de shop (naar het hof begrijpt: de [winkel]). Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij en zijn ex-partner € 8.000,- hebben ontvangen en dat hij dit kan onderbouwen.

De advocaat-generaal heeft in verband met deze teruggave informatie opgevraagd en ontvangen van het CJIB. Daaruit blijkt dat voor de in beslag genomen Porsche Cayenne met kenteken [kenteken 2] een zekerheidstelling is afgegeven voor een bedrag van € 7.750,- en dat de ex-partner in augustus 2019, na het in mindering brengen van enkele boetes, daarvan € 7.329,56 heeft terugontvangen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij voor de zekerheidstelling een lening had gekregen van een vriend en dat hij na ontvangst van het bedrag van € 7.329,56 het geld heeft teruggegeven aan die vriend. Vervolgens heeft hij de Porsche Cayenne met winst verkocht voor zo’n

€ 15.000,-.

Uit het dossier blijkt dat een dergelijke auto niet op zijn, verdachtes, naam heeft gestaan. De verdachte heeft geen gegevens verstrekt waarmee de verkoop zou kunnen worden geverifieerd. Bij deze stand van zaken kan de verklaring niet als concreet en min of meer verifieerbaar worden aangemerkt en moet daaraan worden voorbijgegaan.

d. Ontvangsten neef

De verdachte heeft aan de politie verklaard dat zijn neef [beroep] is, zeer vermogend is en dat hij bij zijn neef geld kan lenen als dat nodig is en dat hij dat ook heeft gedaan. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat zijn neef [beroep] in Griekenland is, dat hij en zijn ex-partner veel van hem kregen en dat de neef veel voor hen betaald heeft. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij nader gepreciseerd dat het geld door zijn neef werd overgemaakt aan zijn nichtje in Nederland en dat hij het vervolgens contant van zijn nichtje kreeg. Al met al heeft zijn neef hem een bedrag ad € 25.000,- à € 30.000,- geschonken en heeft hij ongeveer € 21.000,- van hem geleend, aldus de verdachte.

Deze door de verdachte gegeven verklaring is concreet en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken. Voor de hand liggend onderzoek had kunnen uitwijzen of de neef van de verdachte inderdaad [beroep] is. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep erop gewezen dat een zoekslag op internet naar een [beroep] met de naam van de verdachte de neef aan het licht brengt, alsmede zijn verdiensten van rond de 1,5 miljoen Euro per jaar. Bij de neef had eenvoudig navraag kunnen worden gedaan. Hetzelfde geldt voor het nichtje via wie de betalingen zouden zijn gelopen.

e. Verkochte auto

De verdachte heeft verklaard dat hij en zijn ex-partner een keer een auto hebben verkocht als hem gevraagd wordt naar kasopnames en stortingen die blijken uit twee bankrekeningen in de periode 1 augustus 2016 tot en met 31 december 2019. Voorts verklaart hij het niet meer precies te weten. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij met winst een Range Rover heeft verkocht in 2018, voor € 8.500,-, en dat hij daar geen documenten van heeft.

Uit het dossier blijkt dat een dergelijke auto niet op zijn, verdachtes, naam heeft gestaan. De verdachte heeft geen gegevens verstrekt waarmee de verkoop zou kunnen worden geverifieerd. Bij deze stand van zaken is de verklaring niet voldoende concreet en min of meer verifieerbaar, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan.

f. Spaarkassysteem [restaurant]

De verdachte heeft op 11 februari 2020 verklaard dat hij al drie jaar meedoet aan een soort spaarsysteem bij [restaurant] in Hoofddorp. Hij heeft verklaard daaruit € 6.300,- te hebben ontvangen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij dit met de Kerst contant uitbetaald heeft gekregen, dat hij daar een bewijs van had, maar dat hij dat is kwijtgeraakt.

Deze door de verdachte gegeven verklaring is concreet en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken. Politie noch openbaar ministerie heeft contact opgenomen met Restaurant [restaurant] te Hoofddorp, dat het spaarsysteem zou hebben georganiseerd. Daar had eenvoudig navraag kunnen worden gedaan naar de deelname van de verdachte aan dat spaarsysteem en de aan hem uitbetaalde bedragen. Daarmee zou de verklaring van de verdachte kunnen zijn bevestigd of ontkracht. Dergelijk onderzoek is achterwege gebleven.

g. Ontvangsten van (schoon)ouders en vrienden

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij en zijn ex-partner contact geld hebben gekregen van zijn ouders, zijn schoonouders en vrienden. Hij heeft verklaard dat hij zijn ouders nog veel geld moet terugbetalen.

Deze door de verdachte gegeven verklaring is concreet en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken. Ook naar deze verklaring van de verdachte had eenvoudig onderzoek kunnen worden gedaan, door de desbetreffende familieleden te bevragen. De vader van de verdachte, die als getuige in de strafzaak is gehoord, heeft in die verklaring bevestigd dat de verdachte hem geld schuldig was. In zoverre wordt de verklaring van de verdachte dus ondersteund.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat sommige door de verdachte gegeven verklaringen over de herkomst van de geldbedragen waarmee de ten laste gelegde geldtransacties hebben plaatsgevonden, niet als concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk kunnen worden aangemerkt. Voor het overige heeft de verdachte een aantal wel concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd. Het openbaar ministerie heeft geen onderzoek gedaan waaruit is gebleken dat die verklaringen onjuist zijn. Die verklaringen bestrijken geldbedragen waaruit de ten laste gelegde geldtransacties kunnen zijn bekostigd. Daarom kan niet worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de desbetreffende geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn en is de verdachte in eerste aanleg terecht van het in zaak A onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-846010-19:

1.
hij op 11 februari 2020 te Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer) als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis, opzettelijk,

in een schuur en een woning aan de [adres 1]

- 7,369 kg (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk (lijst II) en

in een woning aan de [adres 1]

- 2 stuks mortierbom/shell (lijst III) en

- 1 stuk bangers (lijst III) en

in een schuur behorende bij de woning aan de [adres 1]

- 38 stuks bangers (lijst III) en

in een garagebox onder een appartementencomplex aan de [adres 2]

- 112,648 kg (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk (lijst II) en

- 226 mortierbommen/shells (lijst III) en

- 25 vuurpijlen (lijst III) en

- 8 flowerbeds (lijst III) en

- 79 bangers (lijst III) en

- 0,905 kg knalpatronen, althans een hoeveelheid (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk dat niet is genoemd in lijst III (lijst II)

heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad;

2.
hij op 11 februari 2020 te Aalsmeer, opzettelijk,

ongeveer 643 kilogram (professioneel) vuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit

immers heeft hij dat (professioneel) vuurwerk in een garagebox een appartementencomplex aan de [adres 2] voorhanden gehad;

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden waarvan 8 voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

De raadsman heeft aangevoerd dat, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, volstaan kan worden met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest aangevuld met eventueel een voorwaardelijk deel en een werkstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een grote hoeveelheid vuurwerk opgeslagen en voorhanden gehad, terwijl hij niet heeft voldaan aan de wettelijke eisen die worden gesteld met het oog op de veiligheid en het veilig gebruik van vuurwerk. Op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving mag professioneel vuurwerk niet in handen komen van personen die geen gespecialiseerde kennis hebben van dat vuurwerk. De verdachte heeft die gespecialiseerde kennis niet. Het voorhanden hebben van deze categorieën vuurwerk in deze hoeveelheid is zonder meer (levens)gevaarlijk te noemen.

Gelet op de hoeveelheid aangetroffen vuurwerk, de aard en de ernst van de feiten is als strafmodaliteit in beginsel alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet alleen passend maar ook geboden, omdat van een andere strafmodaliteit onvoldoende afschrikwekkend effect uitgaat.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 oktober 2021 is hij in 2017 voor soortgelijke vuurwerk-delicten onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in strafverzwarende zin mee, ook al dateren (zoals de raadsman heeft aangevoerd) de desbetreffende delicten uit 2015.

Het hof acht, alles afwegende, een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Onder de verdachte zijn de voorwerpen die zijn opgenomen in de aangehechte beslaglijst in beslag genomen.

Het onder 1 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de nog niet teruggegeven voorwerpen met nummers 10, 11, 12, 15, 16, 18, 19, 32, 33, 36, 53, 57, 62, 66, 68, 92, 93, 94 die de verdachte toebehoren. Deze voorwerpen zullen daarom verbeurd worden verklaard.

De nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 29, 34, 84, 85, 86, 87, 95, 96, 97 zijn tot het begaan van het onder 1 bewezenverklaarde vervaardigd of bestemd. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 30, 37, 42, 54, 60, 64, 65, 70, 71, 89, 90 zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan de verdachte wordt verdacht en behoren de verdachte toe. Zij kunnen dienen tot het begaan en/of voorbereiden van soortgelijke misdrijven en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 1 t/m 9, 13, 14, 17, 20 t/m 28, 31, 35, 38 t/m 41, 43 t/m 52, 55, 56, 58, 61, 63, 67, 69, 72 t/m 83, 88, 91, 98 t/m 115 zullen aan de verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

9.2.2.1 Wet milieubeheer en

1.2.2, 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak van het in zaak A onder 3 en in zaak B ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

met de nummers 10, 11, 12, 15, 16, 18, 19, 32, 33, 36, 53, 57, 62, 66, 68, 92, 93, 94.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: met de nummers 29, 34, 84, 85, 86, 87, 95, 96, 97.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: met de nummers 30, 37, 42, 54, 60, 64, 65, 70, 71, 89, 90.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: met de nummers 1 t/m 9, 13, 14, 17, 20 t/m 28, 31, 35, 38 t/m 41, 43 t/m 52, 55, 56, 58, 61, 63, 67, 69, 72 t/m 83, 88, 91, 98 t/m 115.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. R.D. van Heffen en mr. A.D.R.M. Boumans in tegenwoordigheid van mr. N. van Gelder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

30 november 2021.

mr. A.D.R.M. Boumans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]