Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3698

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2021
Datum publicatie
26-11-2021
Zaaknummer
200.297.853/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; WOR; afwijzing verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1472
JAR 2022/10
TRA 2022/15 met annotatie van Y.H. Dissel
ARO 2022/23
JONDR 2022/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.297.853/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 26 november 2021

inzake

DE ONDERNEMINGSRAAD OPERATIONS van KONINKLIJKE POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

VERZOEKER,

advocaat: mr. L.C.J. Sprengers, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. J.M. van Slooten, kantoorhoudende te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als de ondernemingsraad (in citaten ook: de OR) en PostNL.

1 Het verloop van het geding

1.1

De ondernemingsraad heeft bij verzoekschrift van 30 juli 2021 de Ondernemingskamer verzocht:

  1. te verklaren dat PostNL in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit van 1 juli 2021 om een nieuwe bezorgstructuur – NRP fase 2 (zie hierna 2.5) – te implementeren binnen ongeveer 35 nader te noemen locaties (hierna ook: ‘het besluit’),

  2. PostNL te gebieden voornoemd besluit in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken en

  3. PostNL te verbieden handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit.

1.2

PostNL heeft bij verweerschrift van 9 september 2021 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van PostNL af te wijzen.

1.3

Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 1 oktober 2021. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen en onder overlegging van tevoren toegestuurde nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 Inleiding en feiten

2.1

Als gevolg van het afnemen van de postvolumes dient PostNL te bezuinigen. Daarom is zij een project gestart om het logistieke proces van postbezorging verder te verbeteren. Deze zaak gaat over een onderdeel van dat project, namelijk het besluit te gaan werken vanuit minder depots (dat zijn de locaties waar postbezorgers de te bezorgen post moeten ophalen). Gevolg daarvan zal zijn dat postbezorgers gemiddeld een kleine vijf minuten meer reistijd naar hun depot hebben. Ook worden de diensten bijna twee keer zo lang (meer adressen), deels ook buiten de wijk waar de postbezorger zelf woont. Een toiletbezoek of een koffiepauze in eigen huis tijdens het werk is dan, anders dan de postbezorgers nu gewend zijn, niet meer mogelijk. De ondernemingsraad meent dat PostNL in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen omdat zij te weinig doet aan de nadelige gevolgen voor de postbezorgers of dat niet goed toelicht. De ondernemingsraad meent onder meer dat de postbezorgers ook recht hebben op een betaalde pauze en op de vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers zoals die voor andere medewerkers van PostNL gelden.

2.2

PostNL is onderdeel van een concern waarvan de aandelen worden gehouden door het beursgenoteerde PostNL N.V. De twee belangrijkste taakonderdelen van het concern zijn pakketbezorging, ondergebracht bij PostNL Pakketten Benelux B.V., en postbezorging, belegd bij PostNL. Beide hebben hun eigen ondernemingsraad. Ook heeft het concern een centrale ondernemingsraad.

2.3

Sinds 2000 nemen de postvolumes in Nederland af. PostNL heeft daarom moeten bezuinigen op de bedrijfskosten, waarvan arbeidskosten het grootste deel uitmaken. In dat kader is in 2003 de functie van postbezorger geïntroduceerd, die inmiddels per dienst gemiddeld gedurende 3:10 uur post bezorgt. Tot 2003 werd alle post bezorgd door postbodes. Op de arbeidsovereenkomsten met postbodes is de cao voor PostNL van toepassing. Daarnaast is er een aparte cao voor postbezorgers, de “Cao voor postbezorgers”. De laatste cao had een looptijd van 1 oktober 2019 tot en met 30 september 2021. In deze cao is bepaald (artikel 1.5):

“Dit is een standaard cao. Dat betekent dat de werkgever niet in negatieve zin, maar ook niet in positieve zin mag afwijken van de afspraken in deze cao.”

2.4

Het verschil in arbeidskosten tussen een postbode en een postbezorger is aanzienlijk. Sinds 2003 worden vrijwel geen nieuwe postbodes meer aangenomen. De voorbereidwerkzaamheden die postbodes uitvoeren zijn in de loop van de tijd overgenomen door sorteermachines en voorbereiders. Op dit moment zijn er ongeveer 1.700 postbodes en 18.000 postbezorgers werkzaam bij PostNL.

2.5

Om verder kosten te besparen is PostNL in 2018 een besluitvormingstraject gestart onder de naam ‘Nieuwe route van de post’ (hierna: ‘NRP’). Het doel van dit traject is het optimaliseren van het logistieke proces. In een eerdere fase van het project (NRP fase 1) is besloten het piek-dal bedrijfsmodel aan te passen naar een model waarin het te bezorgen postvolume gelijkmatiger wordt gespreid over de bezorgdagen in de week. Door de invoering van NRP fase 1 bezorgt een postbezorger de ene dag meer en de andere dag minder post. Onderdeel van NRP fase 2 is het invoeren van een nieuwe bezorgstructuur waarbij met minder depots wordt gewerkt en waarbij gebruik wordt gemaakt van elektrische hulpmiddelen, zoals een elektrische (bak)fiets (hierna: NRP fase 2 en in citaten: NRP fase 2 depots). Dit betekent dat er minder locaties zijn waarop postbezorgers de door hen te bezorgen post kunnen ophalen en van waaruit zij hun werkzaamheden kunnen beginnen. De gemiddelde reistijd van huis naar het depot neemt hierdoor voor de postbezorgers toe. Een ander gevolg ervan is dat de postbezorgers bijna twee maal langere “lopen” krijgen, wat wil zeggen dat het aantal adressen waar in een dienst post moet worden bezorgd toeneemt. In eerste instantie gaat het om 35 depots nieuwe stijl, met de bedoeling om uiteindelijk ongeveer 60% van alle depots zo in te richten.

2.6

Op 10 juli 2020 heeft PostNL de ondernemingsraad advies gevraagd over het voorgenomen besluit tot invoering van NRP fase 2. Na overleg tussen PostNL en de ondernemingsraad heeft PostNL deze adviesaanvraag ingetrokken.

2.7

Op 15 januari 2021 heeft PostNL opnieuw advies gevraagd aan de ondernemingsraad over het voorgenomen besluit tot invoering van NRP fase 2. In deze adviesaanvraag is onder meer opgenomen:

“3. Voornemen

Ik ben voornemens om vanaf mei 2021 tot en met oktober 2021 een nieuwe bezorgstructuur – NRP 2 Depots – te implementeren binnen circa 35 nog nader te noemen locaties. Overkoepelend doel is het besparen van kosten binnen het ketenonderdeel Bezorgen, omdat het volume jaarlijks met 10 tot 12% daalt.

(…)

4. Motivering

(…)

De elektrische bakfiets kent een hoge aanschafprijs: de investering is alleen rendabel als de lopen langer worden, naar circa 4 tot 4,5 uur per dag.

(…)

5. Organisatorische gevolgen

Bij Bezorgen zullen als gevolg van onderhavig voornemen vijf belangrijke wijzigingen plaatsvinden binnen de nog nader te bepalen circa 35 NRP Fase 2 depots.

(…)

5.1

Minder, maar grotere lopen maken

Door de implementatie van NRP 1 is de bestaande structuur van lopen ingedeeld volgens een XY-patroon, wat betekent dat een loop op de ene dag meer post heeft en op de andere dag minder post heeft. De gemiddelde duur van een loop, op basis van een gemiddelde landelijke spreiding, bedraagt op een dag met meer post, circa twee uur. Voor een dag met minder post bedraagt dit circa één uur.

Als gevolg van de invoering van NRP 1 (XY-patroon) én door gebruik te maken van nieuwe bedrijfshulpmiddelen kunnen grotere lopen gemaakt worden, waardoor de bezorgtijd gereduceerd kan worden. (…) De gemiddelde duur van een loop bedraagt dan op een dag met meer post circa 4:15 uur. Voor een dag met minder post bedraagt de gemiddelde duur circa 2,5 tot 3,5 uur. (…)

De maximale duur van deze lopen zal 4:30 uur zijn.

(…)

6. Personele gevolgen

(…)

De huidige contractomvang van een postbezorger (…) wordt gerespecteerd en zal minimaal gelijk blijven. Vanwege het vergroten van lopen behoort contractuitbreiding (…) tot de mogelijkheden.

(…)

7. Sociale maatregelen

(…)

Tijdens de totstandkoming van deze adviesaanvraag heb ik met uw Raad reeds gesproken over de regelingen betreffende het woon-werkverkeer voor postbezorgers. Ook is dit reeds besproken met uw Raad en de vakorganisaties gezamenlijk in ons ABC-overleg. Daaruit is naar voren gekomen dat er nog vragen zijn omtrent de toepasselijkheid van de huidige regelingen in relatie tot dit voornemen. Uitgangspunt daarbij is dat deze regelingen toezien op primaire arbeidsvoorwaarden en daarom behoren tot het overleg tussen PostNL en de vakorganisaties. (…) Ons standpunt daarbij is dat de huidige afspraken omtrent reiskosten vergoeding voor postbezorgers bij verplaatsing van een depot vooralsnog worden gehandhaafd tot het moment dat PostNL met de vakorganisaties daarover andere afspraken maakt. Dit betekent dat indien een postbezorger wordt verplaatst hij met uitzondering van de eerste drie kilometers de maximaal fiscaal vrijgestelde vergoeding ontvangt van 19 eurocent per kilometer.

Zoals bekend is in het kader van de cao voor postbezorgers afgesproken dat met de vakorganisaties zowel een reiskostenvergoedingsregeling als een (nieuwe) postbezorgersvergoeding in relatie tot het gebruik van bedrijfsmiddelen bij NRP 2 Depots

nader wordt onderzocht. Zodra hierover afspraken worden gemaakt, zullen deze in de plaats treden van de huidige afspraken over de reiskostenvergoeding.

Mocht onverhoopt de cao afspraak over de postbezorgersvergoeding pas gemaakt kunnen

worden nadat besluitvorming over NRP fase 2 depots een feit is, dan zal een nieuwe cao

afspraak vanaf het moment van inwerkingtreding worden toegepast; zo nodig (bij positief

effect) zal dat met terugwerkende kracht plaatsvinden. (…)”

De wijzigingen zijn in de adviesaanvraag nader uitgewerkt.

2.8

Op 30 juni 2021 heeft de ondernemingsraad zijn advies uitgebracht. Dit houdt onder meer het volgende in:

4. Oordeel

De Ondernemingsraad: (…)

kan zich niet vinden in uw voorgenomen besluit, tenzij aan alle hieronder gestelde adviezen en voorwaarden wordt voldaan;

(…)

5. Advies

(…)

5.6.1

Koffie- of pauzetijd

De OR heeft (…) afspraken gemaakt over de koffiepauzes (…). Deze afspraken zijn van toepassing op alle medewerkers in de operatie met uitzondering van de postbezorgers. Deze afspraken zijn in het verleden niet van toepassing verklaard op de postbezorgers omdat alle postbezorgers werkpakketten hadden die kleiner waren dan drie uur en tien minuten en door de afspraak dat de postbezorgers altijd in de nabijheid lopen van het huisadres. Op basis van uw voornemen is er sprake van werkpakketten groter dan drie uur en tien minuten en lopen de postbezorgers niet meer in de nabijheid van het huisadres. Naar de mening van de OR vervalt hiermee de grondslag waarop de uitsluiting van de postbezorgers voor deze afspraak gebaseerd was.

De OR staat voor eerlijke en gelijke behandeling van alle medewerkers binnen Operations. Dit houdt in dat waar sprake is van dezelfde arbeidsomstandigheden, alle medewerkers in het kader van goed werkgeverschap gelijk behandeld dienen te worden. Als gevolg van het vorenstaande stelt de OR als voorwaarde dat bijlage 5 van de leidraad WTR (koffiepauzes) ook van toepassing wordt verklaard op alle postbezorgers.

(…)

5.13

Woon-werkverkeer

Historisch gezien zijn postbezorgers in dienst gekomen als parttime-medewerkers met een klein werkpakket vanaf of dichtbij huis. Door ontwikkelingen in de tijd is het gemiddelde werkpakket per postbezorger significant gegroeid en is het aantal postbezorgers gedaald. Met de komst van gecentraliseerde NPR Fase 2 depots en minder en grotere lopen ontstaat een grotere afstand tussen woon- en werklocatie, iets waar de postbezorger niet zelf voor gekozen heeft bij indiensttreding. Verder heeft meer dan drie kilometer fietsen woon-werkverkeer aantoonbare impact op de arbeidsintensiteit. Post bezorgen is en blijft een fysiek zwaar beroep. De OR vindt dat de huidige afspraken woon-/werkverkeer bij postbezorgers niet meer passen bij het lopen van gecentraliseerde depots die ver bij het huisadres vandaan liggen. De OR staat dan ook op het standpunt dat nooit eerder voorzien is in gedwongen verplaatsing van bezorgers en stelt daarom als voorwaarde dat de regeling tijdelijke verplaatsing depot (reistijd=werktijd) van toepassing verklaard wordt op de postbezorgers, tot het moment dat hierover ordentelijke afspraken zijn gemaakt met de vakorganisaties.

(…)

5.14

Rechtsongelijkheid op collectieve arbeidsvoorwaarden

Zoals al eerder aangegeven hanteert de OR het beginsel van gelijke monniken gelijke kappen. In dat kader moet beoordeeld worden of postbezorgers die in een NRP Fase 2 depot werkzaam zijn, gelijk of vergelijkbaar zijn met postbezorgers die op een niet NRP Fase 2 depot werkzaam zijn. Volgens de OR zit het verschil in de bedrijfsmiddelen. De ene categorie werknemers krijgt van PostNL bedrijfsmiddelen ter beschikking gesteld en de andere categorie moet met een eigen fiets zijn werkzaamheden verrichten en zal eventuele kosten moeten betalen vanuit de postbezorgersvergoeding. Deze zelfde postbezorgersvergoeding wordt (op basis van de huidige cao), ook toegekend aan de postbezorgers die op een NRP Fase 2 depot werkzaam zijn, terwijl deze postbezorgers geen kosten hebben bij het gebruik van de NRP Fase 2 hulpmiddelen. Het uiteindelijke effect is dat de ene postbezorger met meer kosten geconfronteerd wordt dan de andere postbezorger.

Indien gesteld zou worden dat dit een aangelegenheid is die met de vakorganisaties in de cao geregeld moet worden, dan neemt dat niet weg dat in het kader van het adviesrecht de OR zich mag uitlaten over de maatregelen die genomen worden om de gevolgen van een besluit op te vangen. In de adviesaanvraag wordt gewezen op het overleg dat met de vakbonden gaat plaatsvinden. Maar niet concreet wordt geschetst wat daarbij de inzet van PostNL gaat worden, zodat de OR nog geen inzicht heeft over welke maatregelen in ieder geval genomen zullen gaan worden.

(…)

5.15

Concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers lid 3

Op dit moment zijn de afspraken uit de concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers niet van toepassing op de postbezorgers en zaterdagbestellers omdat in het verleden alle postbezorgers en zaterdagbestellers werkpakketten hadden die kleiner waren dan drie uur. In de concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers staat bij lid 2 het volgende:

Vergoeding voor kleine consumpties

De extra kosten voor kleine consumpties worden per dag op basis van afkoopsommen vergoed. Bij een aaneengesloten periode van ambulant werken van

3,5 tot 5 uur per dag € 1,59;

meer dan 5 uur per dag € 3,51.

In de adviesaanvraag geeft u aan dat de gemiddelde duur van een loop op een dag met meer post, circa 4 tot 4,5 uur bedraagt. Ook hier merkt de OR op dat hij staat voor eerlijke en gelijke behandeling van alle medewerkers binnen Operations. Dit houdt in dat daar waar sprake is van dezelfde arbeidsomstandigheden, alle medewerkers in het kader van goed werkgeverschap gelijk behandeld dienen te worden. Op basis hiervan stelt de OR als voorwaarde dat u de concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers lid 2 ook van toepassing verklaart op de postbezorgers en zaterdagbestellers.

(…)

6. Tot slot

Zoals hierboven al aangegeven kan de OR zich niet vinden in uw voorgenomen besluit tenzij aan alle adviezen en voorwaarden wordt voldaan.”

2.9

Op 1 juli 2021 heeft PostNL het besluit genomen om vanaf mei 2021 tot en met oktober 2021 een nieuwe bezorgstructuur, NRP fase 2, in te voeren. De toelichting bij het besluit houdt met betrekking tot de door de ondernemingsraad gevraagde betaalde koffiepauzes samengevat het volgende in. Een dergelijke afspraak is onderdeel van de primaire arbeidsvoorwaarden en hoort op de tafel van het cao-overleg met de vakorganisaties. PostNL heeft daarover geen zeggenschap en de ondernemingsraad dus geen medezeggenschap. Het is niet zo dat postbezorgers eerder buiten de afspraak over betaalde pauzes zijn gelaten omdat postbezorgers minder dan drie uur en tien minuten per dag werken en zij in de nabijheid van hun eigen huis werken. Bijlage 5 van de leidraad Werktijdregeling was destijds slechts een invulling van dat reeds in de cao voor PostNL opgenomen recht (“Zijn de onderbrekingen in de arbeidstijd van je dienst korter dan 15 minuten? Dan telt deze onderbreking mee als arbeidstijd.”), omdat tot die tijd afspraken daarover verschillend werden geïnterpreteerd. Postbezorgers vallen bewust niet onder het toepassingsbereik van de cao voor PostNL, waarin de betaalde pauze is geregeld, maar onder hun eigen cao, waarin niets is opgenomen over pauzes, met als gevolg dat de Arbeidstijdenwet geldt. Die bepaalt niet dat pauzes moeten worden doorbetaald. Het besluit brengt daar geen verandering in. Daarbij komt dat de financiële lasten van een betaalde koffiepauze de financiële baten van het besluit zouden overstijgen.

Verder houdt het besluit onder meer het volgende in:

“- U stelt als voorwaarde om de regeling ‘tijdelijke verplaatsing depot (reistijd=werktijd)’ van toepassing te verklaren op de postbezorgers ( 5.13/1 ), totdat hierover ordentelijke afspraken zijn gemaakt met de vakorganisaties. Ook hierbij geldt dezelfde motivering als bij het vorige punt. U geeft zelf terecht ook aan dat afspraken hierover gemaakt dienen te worden met de vakorganisaties;

(…)

- U stelt als voorwaarde dat ondergetekende in overleg treedt met uw Raad om passende afspraken te maken. Welke passende afspraken u in gedachte heeft wordt overigens niet duidelijk. Wel geeft u aan dat u deze passende afspraken wilt maken met als doel dat er geen sprake meer is van rechtsongelijkheid op het gebied van collectieve arbeidsvoorwaarden. U wilt dat deze afspraken blijven gelden, totdat hierover afspraken zijn gemaakt met de vakorganisaties (5.14). Ook hier gaat het om collectieve arbeidsvoorwaarden waar ik geen zeggenschap over heb. Deze onderwerpen behoren thuis bij het overleg met de vakorganisaties.

- U stelt als voorwaarde dat de concernregeling vergoeding verblijfskosten ambulante medewerkers lid 2 ook van toepassing wordt verklaard op de postbezorgers en zaterdagbestellers. De concernregeling is een regeling welke op centraal niveau wordt afgesproken met de Centrale Ondernemingsraad. Deze hoort daarom op dit niveau te worden afgestemd. Wel zeg ik u toe dat ik aan de overlegpartner van de Centrale Ondernemingsraad zal vragen om dit onderwerp met hen te bespreken. (5.15). (…)”

3 De gronden van de beslissing

3.1

De ondernemingsraad heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat PostNL bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit van 1 juli 2021 met betrekking tot de invoering van NRP fase 2. Hij heeft daartoe – samengevat – gesteld dat het besluit niet tegemoet komt aan het uitgangspunt dat postbezorgers, wanneer zij in een vergelijkbare situatie terechtkomen als een postbode of een andere PostNL-medewerker, ook gelijk behandeld moeten worden en evenmin, aan de hand van in het cao-overleg in te brengen voorstellen, inhoudt hoe PostNL denkt daarin verandering te brengen. De adviesaanvraag houdt in zoverre in strijd met artikel 25 lid 3 WOR niet in welke maatregelen Post NL van plan is te treffen in verband met de gevolgen die het besluit voor de postbezorgers zal hebben, waardoor de ondernemingsraad niet in de gelegenheid is geweest daarover te adviseren. De ondernemingsraad heeft dat als volgt toegelicht:

  1. Het onderscheid dat in het verleden gemaakt is tussen postbodes en postbezorgers is als gevolg van de invoering van NRP fase 2 niet langer houdbaar. De aard en de omvang van de werkzaamheden van de postbezorgers zijn wezenlijk veranderd. Oorspronkelijk zijn postbezorgers aangenomen om in de eigen wijk een beperkt aantal uren per dag post rond te brengen zonder de sorteer- en andere werkzaamheden van postbodes. Als gevolg van het besluit wordt de duur van een loop op dagen met veel post gemiddeld vier uur en vijftien minuten. Het is niet rechtvaardig dat postbezorgers op die dagen geen recht op een betaalde koffiepauze van tien minuten hebben, terwijl andere medewerkers van PostNL, onder wie de postbodes, dat recht wel hebben bij een dienst die langer duurt dan drie uur en tien minuten. PostNL stelt ten onrechte dat zij op dit punt geen zeggenschap heeft omdat een afspraak over de betaalde pauze de primaire arbeidsvoorwaarden zou betreffen en dus op het terrein van het cao-overleg met de vakorganisaties ligt. Over dit onderwerp is in 2008 wel degelijk onderhandeld met de ondernemingsraad, namelijk over de vraag vanaf welke werktijd de betaalde pauze toegekend zou worden; de duur van de betaalde pauze als zodanig is niet in het geding. Postbezorgers zijn toen alleen uitgezonderd van die regeling omdat zij per dag niet langer dan drie uur en tien minuten werkten. Verder wijst PostNL erop dat de cao voor postbezorgers een standaardkarakter heeft, maar pauzetijd is daarin niet geregeld en overigens heeft PostNL nagelaten kenbaar te maken wat zij op dit vlak in het overleg met de vakorganisaties voornemens is in te brengen.

  2. Het onder a. vermelde argument dat ten onrechte onderscheid wordt gemaakt tussen postbezorgers en andere werknemers geldt ook voor de concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers. Als gevolg van het besluit werken postbezorgers niet langer dichtbij hun woning. Niet valt in te zien waarom postbezorgers anders behandeld zouden moeten worden dan medewerkers van PostNL die vallen onder de cao voor PostNL, die volgens de concernregeling recht hebben op een vergoeding van € 1,59 voor kleine consumpties bij een aaneengesloten periode van ambulant werken van drieënhalf tot vijf uur per dag. De concernregeling verbiedt PostNL niet om andere groepen een vergelijkbare voorziening aan te bieden. Dit onderwerp valt niet onder de bevoegdheid van de centrale ondernemingsraad omdat alleen de onderneming PostNL Operations postbezorgers in dienst heeft en hun rechtspositie dus geen onderwerp van gemeenschappelijk belang voor de meerderheid van de ondernemingen is in de zin van artikel 35 WOR.

  3. Postbezorgers bezorgen met hun eigen fiets. In de cao voor postbezorgers is een vergoeding opgenomen voor aanschaf, onderhoud en reparaties van de fiets. Als gevolg van het besluit wordt aan postbezorgers die vanuit een NRP fase 2 depot werken een elektrisch hulpmiddel ter beschikking geteld voor de postbezorging. Hoewel zij dan geen kosten maken krijgen zij wel de postbezorgersvergoeding, zodat er een rechtsongelijkheid ontstaat ten opzichte van postbezorgers die niet vanuit een NRP fase 2 depot werken en wel hun eigen fiets moeten gebruiken. In het advies heeft de ondernemingsraad als voorwaarde gesteld dat met de ondernemingsraad passende afspraken moeten worden gemaakt om de ongelijkheid te voorkomen. PostNL stelt dat zij ook op dit punt geen zeggenschap heeft, maar zij heeft ook hier verzuimd kenbaar te maken wat zij op dit vlak in het overleg met de vakorganisaties wenst in te brengen.

  4. Door de concentratie van depots hebben sommige postbezorgers een langere reistijd voordat zij aan hun werkzaamheden kunnen beginnen. Zolang er geen andersluidende afspraken zijn gemaakt met de vakorganisaties, dient de extra reistijd als werktijd vergoed te worden. PostNL heeft gesteld dat dit onderwerp is van overleg met de vakorganisaties. PostNL heeft echter nagelaten voldoende inzichtelijk te maken welke voorstellen zij bij dat overleg zal inbrengen. PostNL heeft daarom niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 25 lid 3 WOR.

3.2

PostNL heeft verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.

3.3

In deze zaak gaat het zowel om de vraag in welke mate het PostNL, gelet op het standaardkarakter van de op postbezorgers van toepassing zijnde cao, nog vrij staat andersluidende afspraken te maken (de ondernemingsraad dringt daarop aan) als om de vraag of PostNL in het kader van het adviestraject over NRP fase 2 (waarover overleg met de vakorganisaties plaatsvindt) jegens de ondernemingsraad aan haar verplichtingen van artikel 25 lid 3 WOR heeft voldaan. Dat laatste betekent dat PostNL bij het vragen van advies niet alleen een overzicht moet verstrekken van de beweegredenen van het besluit, maar ook van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de postbezorgers zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen. In dat verband is van belang dat op PostNL de verantwoordelijkheid rust te zorgen voor een goed verloop van de medezeggenschap. Daar waar de gevolgen van het besluit en de te treffen maatregelen nog onzeker zijn omdat die voorwerp zijn van cao-overleg met de bonden, brengt die verantwoordelijkheid mee dat PostNL aan de ondernemingsraad daarover voldoende informatie moet verstrekken om hem in staat te stellen zijn adviestaak naar behoren uit te oefenen. Anders dan de ondernemingsraad betoogt betekent dat echter niet dat op PostNL steeds de verplichting rust om met de ondernemingsraad haar concrete inzet voor de onderhandelingen met de vakorganisaties te delen, al was het maar omdat die inzet mede afhankelijk kan zijn van andere onderwerpen waarover in het cao-overleg afspraken moeten worden gemaakt.

a. Betaalde pauze

3.4

PostNL heeft onder meer aangevoerd dat het al dan niet doorbetalen van loon tijdens een pauze een primaire arbeidsvoorwaarde betreft en dat afspraken daarover zijn voorbehouden aan het overleg met de vakorganisaties. Het onderwerp heeft daar de afgelopen jaren bij herhaling op de agenda gestaan, maar is niet in de cao voor postbezorgers opgenomen, omdat PostNL steeds heeft laten weten dat daarvoor onvoldoende loonruimte bestaat. Het feit dat er twee verschillende cao’s zijn voor postbodes en postbezorgers brengt mee dat voor hen verschillende arbeidsvoorwaarden gelden; een beroep op het gelijkheidsbeginsel dient in zo’n geval terughoudend te worden beoordeeld. Postbodes werken per dag twee keer zo lang als postbezorgers en hebben voor circa 70% van hun werktijd een ander werkpakket. Het onderscheid is dus gerechtvaardigd, aldus nog altijd PostNL.

3.5

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Onjuist is de stelling van de ondernemingsraad dat enkel in het geding is vanaf welk tijdstip postbezorgers op de betaalde pauze aanspraak kunnen maken. Postbezorgers zijn altijd uitgezonderd geweest van de betaalde pauze. In de cao voor postbezorgers is geregeld dat slechts gewerkte tijd wordt uitbetaald; in deze cao is daarmee dus vastgelegd dat een pauze niet wordt doorbetaald. Omdat de cao een standaardkarakter heeft, kan PostNL hierover geen afwijkende afspraken met de ondernemingsraad maken; ook niet in het geval van wijziging van de werkzaamheden van de postbezorger zoals in het besluit NRP fase 2 wordt voorzien. Met de keuze voor een standaard cao beogen cao-partijen het pakket arbeidsvoorwaarden vast te omlijnen; ruimte voor nadere onderhandelingen buiten het cao-akkoord ontbreekt. De ondernemingsraad heeft over hetgeen in de cao’s wordt overeengekomen geen medezeggenschap. Dat in 2008 met de ondernemingsraad is onderhandeld over de vraag vanaf welk tijdstip die pauze voor postbodes geldt – die volgens hun cao PostNL wel recht hebben op een betaalde pauze (en welke cao geen standaard- maar een minimum-cao is) – maakt dit niet anders. Het feit dat voor de beide functies afzonderlijke cao’s gelden brengt in beginsel mee dat onderscheid in hun arbeidsvoorwaarden gerechtvaardigd kan zijn. De stelling van PostNL dat het onderscheid nog altijd gerechtvaardigd is omdat een postbode ook na de invoering van NRP fase 2 nog altijd voor zo’n 70% ander werk heeft dan een postbezorger, heeft de ondernemingsraad onvoldoende ontkracht.

3.6

Verder heeft PostNL terecht geconstateerd dat de ondernemingsraad in zijn advies niet heeft gemeld dat voor hem onbekend was wat op dit punt de inzet van PostNL zou zijn in nieuwe onderhandelingen met de vakorganisaties. De ondernemingsraad heeft daarover op de zitting verklaard dat hij dat niet in het advies heeft genoemd omdat PostNL de discussie daarover telkens heeft afgehouden. Wat daar van zij, uit het overleg en uit het besluit was duidelijk dat PostNL in het nieuwe cao-overleg niet zal inzetten op een betaalde pauze, gezien de financiële gevolgen daarvan. Daarmee was voor de ondernemingsraad duidelijk welke maatregelen PostNL voornemens was te treffen in de zin van artikel 25 lid 3 WOR en had hij dat bij zijn advisering kunnen betrekken.

3.7

Het niet overnemen van de voorwaarde van de ondernemingsraad pauzes door te betalen, leidt gelet op het voorgaande niet tot de conclusie dat PostNL bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit NRP fase 2 had kunnen komen.

b. Vergoeding verblijfkosten ambulante medewerkers

3.8

PostNL heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de concernregeling een regeling is die op centraal niveau wordt afgesproken met de centrale ondernemingsraad en daarom op dat niveau dient te worden afgestemd. Wat daar verder van zij, in haar verweerschrift heeft PostNL er terecht op gewezen dat de toepasselijkheid van de concernregelingen ook onderdeel uitmaakt van de standaard cao voor postbezorgers. De concernregeling vergoeding verblijfkosten ambulante medewerker is daarin, anders dan andere concernregelingen, niet van toepassing verklaard. Het alsnog van toepassing verklaren van die regeling zou daarom een niet toegestane afwijking van de standaard cao vormen. Hierop stuit ook dit onderdeel van het verzoekschrift af. De Ondernemingskamer verstaat de toezegging die PostNL in het besluit heeft gedaan de overlegpartner te vragen dit onderwerp te bespreken (zie 2.9, laatste gedachtestreepje) in die zin dat de toepasselijkheid van deze concernregeling op postbezorgers op dagen van langere lopen onderwerp van bespreking zal zijn in de onderhandelingen over een nieuwe cao voor postbezorgers. Dit betekent dat PostNL in zoverre voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de gevolgen voor de medewerkers en de treffen maatregelen op dit onderdeel. De conclusie op dit onderdeel is daarom dezelfde als hiervoor onder 3.7 beschreven.

c. Postbezorgersvergoeding

3.9

Postbezorgers die drie maanden of langer in dienst zijn, hebben volgens de cao recht op een forfaitaire postbezorgersvergoeding van – afhankelijk van het gewerkte aantal uren – tussen € 6,25 en € 10,42 per maand ter compensatie voor kosten die worden gemaakt om het werk te verrichten, zoals aanschaf, onderhoud en reparatie van de eigen fiets. De ondernemingsraad heeft op dit punt geen medezeggenschap, omdat het onderwerp is van een standaard cao en PostNL daarover dus geen van die cao regeling afwijkende afspraken met de ondernemingsraad mag maken. Het bestreden besluit leidt ook niet tot een verandering van deze vergoeding; niet voor de postbezorgers die vanuit de aan te wijzen depots gaan werken, en ook niet voor de andere postbezorgers. Alle postbezorgers houden recht op dezelfde vergoeding. Ten gevolge van het besluit worden de betrokken postbezorgers verplicht een bedrijfsmiddel van PostNL, zoals een elektrische (bak)fiets, te gebruiken voor de bezorging. Hierdoor blijft de eigen fiets tijdens de bezorging bij het depot staan en wordt deze dus niet meer voor het werk gebruikt. Desondanks behouden de postbezorgers vooralsnog de postbezorgersvergoeding. PostNL heeft erop gewezen dat in het cao-akkoord van 20 maart 2020 de studieafspraak is gemaakt een werkgroep in te stellen om te zijner tijd de postbezorgersvergoeding afhankelijk te maken van het soort vervoermiddel dat voor het werk wordt gebruikt; een eigen of een door PostNL ter beschikking gesteld vervoermiddel. Zij heeft de ondernemingsraad daarvan in en na de adviesaanvraag op de hoogte gehouden en hem toegezegd dat wanneer besluitvorming daarover is afgerond, die nieuwe afspraak zal gelden; in geval van verbetering voor de postbezorgers ook met terugwerkende kracht. Daarmee heeft PostNL naar het oordeel van de Ondernemingskamer voldoende kenbaar gemaakt wat zij op dit vlak in het overleg met de vakorganisaties in zal brengen en de ondernemingsraad heeft dat bij zijn advisering kunnen betrekken. Het niet overnemen van de voorwaarde van de ondernemingsraad maakt niet dat het besluit kennelijk onredelijk is.

d. Vergoeding woon- werkverkeer

3.10

Partijen stellen terecht dat over dit onderwerp afspraken met de vakorganisaties dienen te worden gemaakt. In de huidige cao is arbeidstijd gedefinieerd als de tijd waarin arbeid in opdracht van de werkgever wordt verricht. De reistijd van en naar een depot valt momenteel niet onder werktijd en wordt dus niet betaald. In het cao-akkoord voor postbezorgers van 20 maart 2020 is de studieafspraak gemaakt om een reiskostenregeling mee te nemen in de studie die in het kader van de postbezorgersvergoeding wordt verricht. De ondernemingsraad verwijt PostNL dat zij heeft verzuimd inzichtelijk te maken welke voorstellen daarbij van haar kant ingebracht zullen worden, maar uit de studieafspraak zoals opgenomen in het akkoord blijkt dat budgetneutraliteit, fiscaliteit en uitvoerbaarheid uitgangspunten bij een overeen te komen reiskostenregeling zullen zijn. Daarmee was voldoende duidelijk wat voor PostNL de kaders van een nieuw te treffen regeling zullen zijn en is voldaan aan het vereiste van artikel 25 lid 3 WOR. Gelet op het feit dat over de extra reistijd met de vakorganisaties nadere afspraken gemaakt gaan worden, dat die afspraken zo nodig ook met terugwerkende kracht voor de postbezorger zullen gaan gelden en de verhoudingsgewijs beperkte extra reistijd (gemiddeld 4,8 minuten per dag) die met het besluit is gemoeid, heeft PostNL in redelijkheid kunnen besluiten om – tot het moment dat afspraken zijn gemaakt met de vakorganisaties – niet tegemoet te komen aan de voorwaarde van de ondernemingsraad dat de als gevolg van het besluit door de betrokken postbezorgers te maken extra reistijd van en naar het depot als werktijd wordt beloond.

3.11

De slotsom is dat de door de ondernemingsraad aangevoerde feiten en omstandigheden, ieder afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien, niet kunnen leiden tot het oordeel dat PostNL niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De verzoeken zullen worden afgewezen.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. C.C. Meijer en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. C. Smits-Nusteling en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Blok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2021.