Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3604

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-11-2021
Datum publicatie
23-11-2021
Zaaknummer
23-000250-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Witwassen. Een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld ontbreekt. Het kan niet anders dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Gevangenisstraf vijf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000250-20

datum uitspraak: 9 november 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-665518-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1968,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
26 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - aan de verdachte tenlastegelegd dat:


3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 december 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 98.414,22 euro , heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 98.414,22 euro, gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) (geldbedragen) geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft primair verzocht de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde witwassen. Volgens de raadsman rechtvaardigen de omstandigheden niet het vermoeden dat het bij de verdachte aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verdachte is al jaren taxichauffeur, waarbij in de vroege jaren uitsluitend met contant geld werd betaald, hetgeen ook blijkt uit de gegevens van de belastingdienst. Slechts een zeer beperkt deel van het geld ging giraal. De verdachte kan na al die jaren niet verklaren hoe hij aan meer contant geld komt dan door de politie kan worden verklaard. Dat levert niet per definitie witwassen op.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de herkomst van (een deel van) het geld voldoende door de verdachte is aangetoond, dat de verklaringen van de verdachte ten aanzien daarvan niet onaannemelijk zijn en dat die bedragen van het tenlastegelegde bedrag dienen te worden afgetrokken. Het gaat daarbij om de volgende bedragen:

  • -

    een bedrag van € 20.000,00, waarover de echtgenote van de verdachte heeft verklaard dat dit afkomstig is uit een gift van haar ouders en waarvan een bewijs is overlegd;

  • -

    een bedrag van € 16.000,00, afkomstig uit de verkoop van een Mercedes;

  • -

    een bedrag van € 5.315,00 aan stortingen op rekeningen op naam van penitentiaire inrichtingen;

  • -

    een bedrag van € 5.000,00, afkomstig uit de verkoop van een Volkswagen Golf;

  • -

    een bedrag van € 6.000,00, afkomstig uit de verkoop van een Audi.

Beoordeling door het hof

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het aangetroffen geld afkomstig is van een nauwkeurig aangeduid misdrijf.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de volgende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien een vermoeden van witwassen jegens de verdachte.

In de ten laste gelegde periode zijn op de rekeningen van de verdachte, zijn vrouw en zijn kinderen contante stortingen gedaan en door de verdachte zijn contante uitgaven gedaan en moneytransfers verricht, waarvan een gedeelte, te weten € 109.293,48, niet uit de legale inkomsten van de verdachte kan worden verklaard. De berekening is als volgt:

A. Contante stortingen

Periode:

2015: € 44.960,00

€ 2.500,00

2016: € 48.361,09

€ 1.700,00

€ 3.000,00

€ 3.000,00

2017: € 56.730,00

€ 148,56

€ 7.205,00

€ 5.060,00

€ 2.650,00

2018: € 17.580,00

€ 32.550,00

€ 7.574,70

€ 850,00

€ 1.970,00 +

€ 235.839,35

Money-transfers

Periode:

2015: € 3.656,00

2016: € 3.570,00

2017: € 8.426,00

2018 januari en februari: € 950,00 +

€ 16.602,00

Contante uitgaven

Periode:

2017: € 12.500,00

2015: € 592,98

2015: € 200,00

2017: € 3.494,00

2017 € 300,00

2018: € 1.229,00

2017: € 100,00 +

€ 18.415,98 +

€ 270.857,33

Omzetgegevens verdachte (verkregen van Belastingdienst (2015 tot 2018) en kolommenbalans boekhouder van de verdachte (2018):

Periode:

2015: € 13.889,00 (inclusief inkomen Tahiraj)

2016: € 49.729,00

2017: € 51.649,00

2018: € 46.296,85 +

€ 161.563,85 -

€ 109.293,48

Daarbij komt dat een gedeelte van de contante stortingen die aanzienlijke geldbedragen betreffen, eerst is gestort op de bankrekeningen van de kinderen van de verdachte en vervolgens is overgeboekt naar de gezamenlijke rekening van de verdachte en zijn echtgenote, terwijl de verdachte voor deze ogenschijnlijk onlogische transacties geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Voorts heeft de verdachte veelvuldig gebruik gemaakt van money-transfers, terwijl algemeen bekend is dat het gebruik van internationale moneytransfers een veel gebruikte witwasmethode is.

De verdachte heeft – naar de kern samengevat – verklaard dat hij diverse auto’s heeft verkocht waarvoor hij contant geld heeft ontvangen, te weten:

- een Volkswagen Golf voor een bedrag van € 5.000,00,

- een Audi voor een bedrag van € 6.000,00,

- een Mercedes voor een bedrag van € 16.000,00.

Verder heeft de verdachte verklaard een erfenis van zijn vader te hebben ontvangen van € 15.000,00. Daarnaast heeft zijn echtgenote als getuige verklaard dat zij een gift van haar ouders heeft ontvangen van € 20.000,00. Ter onderbouwing is een verklaring van [naam] van 15 oktober 2019 overgelegd, waarin is vermeld dat hij in 2016 een bedrag van € 20.000,00 aan de echtgenote van de verdachte heeft geschonken. Ten aanzien van de verkoop van de Mercedes is een schriftelijk bescheid van 6 september 2015 overgelegd, kennelijk afkomstig van een Mercedes Benz garage, waarop een Mercedes en een bedrag van € 16.000,00 is vermeld.

Ten aanzien van de moneytransfers heeft de verdachte verklaard dat hij de stortingen op de rekeningen van penitentiaire inrichtingen heeft gedaan namens buitenlandse familieleden van gedetineerden omdat die familieleden zelf die betalingen niet konden verrichten en dat dat geld niet van hem was.

Het hof acht het op basis van het hiervoor vermelde schriftelijk bescheid van 6 september 2015 aannemelijk dat de verdachte een Mercedes heeft verkocht voor een bedrag van € 16.000,00.

Voorts kan uit de getuigenverklaring van 15 oktober 2019 van de voormalige echtgenote van de verdachte en het dienaangaande overgelegde stuk worden afgeleid dat zijn echtgenote in 2016 een bedrag van haar ouders heeft ontvangen van € 20.000,00. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de verdachte over de herkomst van deze geldbedragen concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Het hof zal het bedrag van € 36.000,00 (€ 16.000,00 + € 20.000,00) dan ook in mindering brengen op het totale bedrag dat niet uit de legale inkomsten van de verdachte kan worden verklaard.

De verklaringen van de verdachte over de herkomst van het geld uit de verkoop van de Volkswagen Golf (€ 5.000,00), de verkoop van de Audi (€ 6.000,00) en de erfenis (€ 15.000,00) zijn onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep voor het eerst benoemd dat sprake zou zijn van de verkoop van een Volkswagen Golf, terwijl daarvoor geen enkele onderbouwing is gegeven. Ten aanzien van de Audi en de erfenis acht het hof de getuigenverklaring van de (toenmalige) echtgenote van de verdachte – waarin deze heeft bevestigd dat sprake was van de verkoop van een Audi en van een erfenis – daarvoor onvoldoende, nu geen enkel schriftelijk stuk ter adstructie van die verklaring is overgelegd, de verklaring weinig gedetailleerd is en zij niet als een onafhankelijke getuige kan worden beschouwd. Daar komt bij dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de hoogte van de erfenis (€ 25.000,00 of € 15.000,00), terwijl de getuige heeft verklaard dat de verdachte en zijn broers (naar het hof begrijpt: samen) een bedrag van € 15.000,00 zouden hebben gekregen.

Ten aanzien van de moneytransfers overweegt het hof dat de verdachte de beschikking had over die gelden, dat de bron daarvan volstrekt onduidelijk is gebleven en niet verifieerbaar is en dat de stukken uit het dossier geen enkele aanwijzing opleveren voor een mogelijke legale herkomst van deze gelden.

Een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte over de herkomst van het geldbedrag van € 73.293,48 (€ 109.293,48 - € 36.000,00) ontbreekt. Dit leidt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig is.

Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen, zoals hierna weergegeven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.
hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 21 december 2018 te Amsterdam meerdere geldbedragen van in totaal 73.293,48 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 177 dagen, met aftrek van de dagen die de verdachte in voorarrest heeft verbleven.

De raadsman heeft in geval van veroordeling tot een gevangenisstraf overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim € 73.000,-. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken, zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het witwassen het plegen van delicten doordat de besteding van geld, afkomstig van misdrijf, gemakkelijker wordt gemaakt.

Gelet op de ernst van het feit volstaat naar het oordeel van het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De advocaat-generaal is bij haar vordering uitgegaan van een hoger bedrag dat is witgewassen dan door het hof is bewezenverklaard. Het hof zal om die reden een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Bij het bepalen van de straf heeft het hof tevens op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de straf die de verdachte na het bewezenverklaarde feit in een andere strafzaak, waarin het hof heden tevens uitspraak doet, is opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

In beslag genomen goederen

Blijkens een lijst van 27 augustus 2019 is er bij het opsporingsonderzoek een voorwerp in beslag genomen die nog niet is teruggegeven, te weten een personenauto van het merk Mercedes Benz (goednummer 547891).

De rechtbank heeft gelast dat de Mercedes wordt teruggegeven aan de verdachte.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de Mercedes wordt teruggegeven aan de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Gebleken is dat de Mercedes onder de verdachte in beslag is genomen en dat deze hem toebehoort. Het hof kan op basis van het dossier niet vaststellen dat sprake is van een verband met het bewezenverklaarde feit of een soortgelijk feit. Het hof zal daarom gelasten dat de Mercedes aan de verdachte wordt teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto Mercedes Benz (goednummer 547891).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. C.N. Dalebout en mr. D. Abels, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 november 2021.

mrs. Aardema en Abels zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]