Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3201

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-10-2021
Datum publicatie
26-10-2021
Zaaknummer
200.212.377/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak Krimschatten.

Zie: ECLI:NL:GHAMS:2019:2427.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer: 200.212.377/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: C/13/577586 / HA ZA 14-1179

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 oktober 2021

inzake

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht

THE TAVRIDA CENTRAL MUSEUM,

gevestigd te Simferopol,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

THE KERCH HISTORICAL AND CULTURAL PRESERVE,

gevestigd te Kerch,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

THE BAKHCHISARAY HISTORY AND CULTURE STATE PRESERVE OF THE REPUBLIC OF CRIMEA,

gevestigd te Bakhchisaray,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

THE NATIONAL PRESERVE OF “TAURIC CHERSONESOS”,

gevestigd te Sebastopol,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,

tegen

DE STAAT OEKRAÏNE,

zetelend te Kiev,

geïntimeerde in principaal appel,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat mr. M.P.H. Sanders te Amsterdam,

en tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,

te dezen handelende onder de naam Allard Pierson Museum,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,

advocaat mr. P.L. Loeb te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen zullen hierna wederom worden genoemd: de Krimmusea, de Staat Oekraïne en het APM. De Krimmusea zullen hierna afzonderlijk worden genoemd: Tavrida CM, Kerch HCP, Bakhchisaray HCP en NP Tauric Chersonesos.

In deze zaak heeft het hof op 16 juli 2019 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest. Het hof heeft het verzoek om tussentijds cassatieberoep tegen dat arrest open te stellen op 30 augustus 2019 afgewezen.

Ingevolge dat arrest heeft elk van partijen, onder overlegging van nadere producties, een akte genomen. Vervolgens heeft elk van partijen een antwoordakte genomen.

Daarna heeft de Staat Oekraïne een (tweede) wrakingsverzoek ingediend, gericht tegen de voorzitter van de kamer die het tussenarrest heeft gewezen. Bij beslissing van 28 oktober 2020 heeft de wrakingskamer van dit hof het verzoek toegewezen. Daarna is namens het hof aan partijen medegedeeld dat de zaak verder zal worden behandeld door de raadsheren die dit arrest wijzen.

Elk van partijen heeft, na daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld te zijn, op 8 december 2020 een akte genomen en op 22 december 2020 een antwoordakte, waarin zij zich hebben uitgelaten over het verdere verloop van de procedure.

Op 22 april 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht en hebben doen bepleiten door hun advocaten. De Krimmusea hebben bij die gelegenheid nadere producties in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Het geschil in het kort

In 2014 zijn in het kader van een tentoonstelling (‘De Krim - Goud en Geheimen van de Zwarte Zee’) in het Allard Pierson Museum in Amsterdam oudheidkundige objecten aan het publiek getoond. Deze objecten waren door vier musea op de Krim aan het APM uitgeleend. Voor die uitleen had het bevoegd gezag in Oekraïne vergunningen afgegeven. Het was de bedoeling dat de objecten in 2014 zouden worden teruggezonden naar die musea. Ten tijde van de afscheiding van Oekraïne en aansluiting bij de Russische Federatie van de Krim in 2014 bevonden zij zich nog bij het APM. Vanwege de conflicterende verzoeken om afgifte van enerzijds de Krimmusea en anderzijds de Staat Oekraïne heeft het APM de objecten onder zich gehouden. Deze procedure heeft tot inzet aan wie de museumstukken moeten worden afgegeven. Het hof heeft in deze procedure eerder een tussenarrest gewezen. In dat tussenarrest is beslist dat de Erfgoedwet niet van toepassing is en dat het aankomt op de vraag wie naar Oekraïens recht aanspraak heeft op teruggave c.q. afgifte daarvan. Partijen werden in de gelegenheid gesteld daarover een nadere toelichting te geven. Daarna is een van de raadsheren gewraakt. Het hof heeft in een deels andere samenstelling de zaak nog een keer mondeling behandeld en wijst nu eindarrest.

3 Verdere beoordeling

Toetsingskader - huidige situatie na tussenarrest en wraking

3.1.

Partijen verschillen van inzicht over de (procesrechtelijke) gevolgen die moeten worden verbonden aan de wraking van een van de raadsheren die het tussenarrest hebben gewezen. Het hof heeft, gelet op het belang van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en het vermijden van de schijn van enig daarmee niet te verenigen procesbeleid, een nieuwe mondelinge behandeling voor de huidige samenstelling van het hof gelast waarbij elk van partijen alles aan de orde kon stellen wat deel uitmaakte van de rechtsstrijd in dit hoger beroep. Partijen hebben deze mondelinge behandeling benut om de zaak in de volle breedte te bespreken. Geen van partijen heeft daarbij, gelet op die context, in strijd gehandeld met de tweeconclusieregel, nu zij hun reeds in de memories van grieven en antwoord ingenomen standpunten slechts nader hebben uitgewerkt en toegelicht, mede in het licht van de overwegingen van het tussenarrest. Dat geldt evenzeer voor de betogen in de (nadere) aktes. Evenmin is sprake van zodanige schending van art. 21 Rv dat aanleiding bestaat om daaraan consequenties te verbinden.

3.2.

De wet verbindt aan een toegewezen wrakingsverzoek na tussenarrest geen gevolgen voor de rechtsgeldigheid van het tussenarrest. Wraking is geen rechtsmiddel, maar een incident, en is slechts erop gericht dat de rechter van wie de wraking wordt verzocht, de zaak niet verder behandelt. De beslissing van de wrakingskamer houdt ook niet in dat het tussenarrest vernietigd wordt. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat eraan in de weg dat door de wraking het tussenarrest niettemin zijn rechtskracht zou hebben verloren.

Wel zal het hof het in artikel 6 EVRM neergelegde recht van partijen op een eerlijke behandeling van de zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht eerbiedigen door overeenkomstige toepassing te geven aan de regel die geformuleerd is in de uitspraak van de Hoge Raad van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, rov. 3.4.5, te weten:

De rechter(s) ten overstaan van wie een nadere mondelinge behandeling zal plaatsvinden, en door wie dus een nieuwe uitspraak zal worden gewezen, is (zijn) niet gebonden aan de beslissingen die in de direct voorafgaande tussenuitspraak zijn gegeven, en die rechter(s) kan (kunnen) daarvan dus terugkomen.

Het hof zal het hoger beroep derhalve in dat licht opnieuw beoordelen.

3.3.

Het hof gaat uit van de feiten zoals deze in het tussenarrest zijn weergegeven, nu die niet in geschil zijn, en van de tegen het vonnis van de rechtbank aangevoerde grieven in principaal en incidenteel appel, zoals partijen die nader hebben toegelicht.

Erfgoedwet

3.4.

De grieven van de Krimmusea richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van onrechtmatige uitvoer als bedoeld in artikel 6.3 Erfgoedwet. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ziet die wet volgens de Krimmusea niet op het hier aan de orde zijnde geval dat de cultuurgoederen (de museumstukken) rechtmatig en overeenkomstig de exportvergunningen zijn uitgevoerd. Hieraan doet volgens de Krimmusea niet af dat de cultuurgoederen na het verstrijken van de in de exportvergunningen genoemde termijn niet naar de verdragsstaat (de Staat Oekraïne) zijn teruggekeerd.

3.5.

Niet in geschil is dat het hier gaat om cultuurgoederen in de zin van de Erfgoedwet, waarbij de Staat Oekraïne de betrokken verdragsstaat is. De objecten zijn vanuit Oekraïne naar Duitsland en vervolgens binnen Nederland gebracht.

Artikel 6.3 Erfgoedwet luidt:

Het is verboden een cultuurgoed binnen Nederland te brengen dat:

a. buiten het grondgebied van een verdragsstaat is gebracht met schending van de bepalingen die in overeenstemming met de doelstellingen van het Unesco-verdrag 1970 door die verdragsstaat zijn vastgesteld ter zake van de uitvoer van cultuurgoederen uit die verdragsstaat of ter zake van eigendomsoverdracht van cultuurgoederen; of

b. in een verdragsstaat is ontvreemd.

Dat de objecten niet zijn ontvreemd staat vast, zodat onderdeel b toepassing mist.

Evenzeer staat vast dat ten tijde van het buiten het grondgebied van Oekraïne brengen van de museumstukken, geen sprake was van schending van enige bepaling die de Staat Oekraïne had vastgesteld in overeenstemming met de doeleinden van de op 14 november 1970 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake de middelen om onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht te verbieden en te verhinderen (Trb. 1972, nr. 50 en Trb. 1983, nr. 66, hierna: het Unesco-verdrag), tenminste als de zinsnede “buiten het grondgebied brengen” volgens de gebruikelijke betekenis daarvan wordt opgevat, namelijk zo, dat deze uitsluitend betrekking heeft op het moment waarop de museumstukken het grondgebied van de verdragsstaat verlaten en niet mede op de daarop aansluitende periode dat die zich buiten dat grondgebied bevinden. Toen de museumstukken de grens van Oekraïne passeerden, op weg naar Duitsland, waren daarvoor immers geldige exportvergunningen afgegeven, in de vorm van door het bevoegd gezag – het ministerie van Cultuur van de Staat Oekraïne – afgegeven schriftelijke toestemming. Die vergunningen voorzagen in het binnen Nederland brengen van die museumstukken en hun geldigheidsduur was toen nog niet verstreken. Volgens de interpretatie die het meest strookt met de in het normale spraakgebruik gangbare betekenis van de woorden is dus ook onderdeel a niet van toepassing. De Staat Oekraïne meent echter, en de rechtbank heeft hem daarin gevolgd, dat artikel 6.3 Erfgoedwet anders moet worden uitgelegd.

In geschil is dus of artikel 6.3 onderdeel a Erfgoedwet zo moet worden geïnterpreteerd dat dit ook bestrijkt de situatie die ontstond toen de geldigheidsduur van de exportvergunningen verstreek (en de Staat Oekraïne om afgifte had verzocht).

3.6.

Het hof neemt tot uitgangspunt dat de strekking van artikel 6.3 Erfgoedwet moet worden bezien in het licht van het Unesco-verdrag dat niet rechtstreeks werkt in Nederland, maar met artikel 6.3 Erfgoedwet in Nederland is geïmplementeerd. Het komt dan aan op een uitleg van in het bijzonder de artikelen 2, 3 en 6 van het Unesco-verdrag. Deze moeten worden uitgelegd aan de hand van de artikelen 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (hierna: WVV), en derhalve overeenkomstig de betekenis die de bewoordingen van het Unesco-verdrag in het normale spraakgebruik hebben, met inachtneming van hun context, en in het licht van het voorwerp en doel van het Unesco-verdrag. Vastgesteld moet worden dat het Unesco-verdrag voor zover van belang alleen gericht is tegen de illegale uitvoer of invoer van cultuurgoederen (Nederlandse vertaling gepubliceerd in Trb. 1983, nr. 66, cursivering toegevoegd):

- artikel 2 lid 1: De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst zijn van oordeel dat de onrechtmatige invoer, uitvoer en eigendomsoverdracht van culturele goederen tot de voornaamste oorzaken behoren van de verarming van het culturele erfgoed van de landen van oorsprong van deze goederen (…).

- artikel 3: De invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen die geschiedt in strijd met de bepalingen welke ingevolge deze Overeenkomst door de Staten die daarbij partij zijn, zijn vastgesteld, is onrechtmatig.

- artikel 6, aanhef en onder (b): De Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst verbinden zich: (…) (b) de uitvoer van culturele goederen uit hun grondgebied te verbieden, tenzij het bovengenoemde certificaat van uitvoer deze goederen begeleidt; (…).

De betekenis die de woorden “uitvoer” en “invoer” in het normale spraakgebruik hebben, duidt erop dat deze bepalingen van het Unesco-verdrag (afgezien van eigendomsoverdracht) alleen zien op de situatie waarin onrechtmatig wordt gehandeld op het moment waarop de cultuurgoederen vanuit het ene land naar een ander land worden overgebracht en niet mede op de situatie waarin onrechtmatig wordt gehandeld doordat de cultuurgoederen langer dan toegestaan in het andere land blijven. Voor een geval als het onderhavige is niet kenbaar een specifieke regeling getroffen.

3.7.1.

Uitleg van verdragen door de rechter dient te goeder trouw te geschieden, waarbij doel en strekking van het verdrag in aanmerking worden genomen. Het is denkbaar dat het doel van het Unesco-verdrag aanleiding kan geven tot een ruimere uitleg van de begrippen onrechtmatige uitvoer en invoer in die zin dat ook in het geval dat een cultuurgoed overeenkomstig een exportvergunning buiten het land is gebracht, maar vervolgens langer dan in de exportvergunning is bepaald in het ontvangende land blijft, dat aangemerkt moet worden als een onrechtmatige uitvoer, op grond waarvan de verdragsstaat van oorsprong het recht heeft om de zaken op te eisen. Daarvoor is dan wel vereist dat aangenomen kan worden dat het doel van het Unesco-verdrag zich ertegen verzet dat het cultuurgoed langer in het ontvangende land blijft. Blijkens onder meer de inleidende overwegingen van het Unesco-verdrag ziet het verdrag op de bestrijding van diefstal, heimelijke opgravingen en illegale uitvoer:

Overwegende dat het de plicht is van elke Staat de culturele goederen die zich op zijn grondgebied bevinden te beschermen tegen de gevaren van diefstal, heimelijke opgraving en onrechtmatige uitvoer, (…)

Van diefstal, heimelijke opgravingen en illegale uitvoer (dan wel van andere illegale praktijken van soortgelijke aard) is hier evenwel geen sprake. In het onderhavige geval bevinden de Krimschatten zich in Nederland zonder dat het bepaalde in de exportvergunningen is nageleefd, niet omdat het APM de Krimschatten beoogt te verduisteren of vanwege andere illegale praktijken, maar omdat de Staat Oekraïne zich ertegen verzet dat de Krimschatten conform het bepaalde in de exportvergunningen aan de Krimmusea worden teruggegeven. Het APM houdt de Krimschatten om die reden rechtmatig onder zich krachtens zijn opschortingsrecht (daarop wordt hierna in rov. 3.34 verder ingegaan). Dat is niet een illegaal geval dat bestreken wordt door het doel van het Unesco-verdrag, tot bestrijding waarvan de betrokken staten zich, volgens artikel 2 lid 2 van het Unesco-verdrag, “met de te hunner beschikking staande middelen” hebben beoogd te verbinden. Voor een zo ruime uitleg als door de Staat Oekraïne voorgestaan bieden de bewoordingen, de context, noch het doel van het Unesco-verdrag voldoende aanknopingspunten. De travaux préparatoires voor zover overgelegd bieden daaraan evenmin steun. Het Preliminary Report d.d. 8 augustus 1969, het Secretarial Report d.d. 27 februari 1970, noch het Final Report van de Special Committee of Governmental Experts d.d. 14 juli 1970, voor zover overgelegd, bevatten aanwijzingen dat de verdragsluitende partijen zich ook beoogden in te zetten voor een geval als het onderhavige, waarin geen sprake is van enige illegale activiteit.

3.7.2.

In dat verband is van belang dat de verplichtingen die verdragsluitende staten aangaan dienen te blijken uit het verdrag, uitgelegd als hiervoor bedoeld. De enkele omstandigheid dat tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van het verdrag ook andere situaties en/of maatregelen ter sprake zijn geweest is geen reden om in weerwil van de tekst van het verdrag aan te nemen dat de overeenstemming van de verdragsluitende staten zich ook daartoe uitstrekt. Dat geldt evenzeer wanneer die besproken, maar niet opgenomen maatregelen in die andere situaties de doelen van het verdrag zouden kunnen dienen. Voor het opnemen daarvan hebben de verdragsluitende staten immers kennelijk, om welke reden ook, destijds geen aanleiding gezien. Het in het WVV genoemde gezichtspunt van het “voorwerp” van het verdrag levert geen reden op om anders te oordelen, integendeel. Dit verdrag voorziet immers in een verregaand, van het commune Nederlandse internationaal privaatrecht afwijkend, regime dat de verdragsstaat wiens cultuurgoed het betreft mogelijkheden geeft die hij anders niet zou hebben om acties in te stellen voor de rechter van een andere verdragsstaat.

3.8.1.

De Staat Oekraïne heeft zich beroepen op een opinie van prof. Patrick J. O’Keefe van februari 2018 waarin hij, kort samengevat, betoogt dat het begrip uitvoer in het Unesco-verdrag niet beperkt is tot het moment dat de zaken de grens overgaan, maar gezien moet worden als een voortdurend proces, zodat ook wanneer de zaken eerst rechtmatig worden uitgevoerd, maar de voorwaarden van de exportvergunning nadien niet worden nageleefd, vanaf dat moment sprake is van illegale uitvoer. Hij schrijft onder meer (op p. 3):

Export should be seen as a process, which is not concluded until all its elements have been fulfilled. If the object is subject to return and this is not done, then, only from then on, it is an illegal export, in line with Article 3 and 6 of the Convention (…)

3.8.2.

Naar het oordeel van het hof is deze uitleg van het Unesco-verdrag te ruim. Voortduring van de afwezigheid van een goed in het land waaruit het is uitgevoerd, is, naar het gewone spraakgebruik, al moeilijk aan te merken als voortduring van de “uitvoer”. Zo al aangenomen moet worden dat na een rechtmatige uitvoer de voortdurende aanwezigheid in het ontvangende land, vanwege een latere schending van de exportvergunning, geduid kan worden als een illegale uitvoer, is het, zoals reeds overwogen in rov. 3.7.1, ten minste nodig dat het doel van het Unesco-verdrag tot een dergelijke uitleg aanleiding geeft, derhalve dat zich een illegale activiteit voordoet of heeft voorgedaan die de betrokken staten met het Unesco-verdrag hebben willen bestrijden. Zoals hiervoor geoordeeld zijn de museumstukken niet alleen rechtmatig uitgevoerd, maar houdt het APM – een museum van onbesproken reputatie, en naar in confesso is beschikkend over de kennis en middelen om de museumstukken naar behoren te bewaren – deze nu ook rechtmatig onder zich. Van enige illegale activiteit waartegen het Unesco-verdrag beoogt op te treden is dan ook geen sprake. Dat daarmee de exportvergunningen tandeloos worden is onjuist. Die vergunningen scheppen immers zelf verplichtingen. Juist bij een partij als het APM, waarvan aangenomen moet worden dat zij zich zal houden aan de regels van het recht, inclusief de regel dat men vergunningsverplichtingen moet naleven, is geen behoefte aan een zo drastische ingreep als die waarin het verdrag in daarvoor in aanmerking komende gevallen voorziet. Overigens heeft O’Keefe in zijn Commentary on the UNESCO 1970 Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property (Leicester Institute of Art and Law, Second Edition, 2007) over artikel 12 geschreven:

A related issue is the return of cultural property from museums in the capital of a Federation which has disintegrated or of a unitary country which has split apart. Many States which have emerged from the former Soviet Union (Central Asian States) or even its close political allies (Mongolia) are in the position that some of their most important cultural property is to be found in what is now the Federation of Russia. Other examples are Slovakia (formerly a component of Czechoslovakia), Slovenia, Croatia, Bosnia and Macedonia (all formerly part of the Federal Republic of Yugoslavia); and Eritrea (formerly part of Ethiopia). Bangladesh split from Pakistan and earlier from British India as part of Pakistan, having lost cultural property to Islamabad, Delhi and London. These issues are not settled by the 1970 Convention and have to be dealt with by applying the laws of State succession or through the procedures of the UNESCO Intergovernmental Committee for Promoting the Return of Cultural Property to its Countries of Origin or its Restitution in Case of Illicit Appropriation.

Daaruit valt op te maken dat O’Keefe, in een andere context, de mening deelt dat er situaties zijn waarin het verdrag niet voorziet in het terughalen van cultureel erfgoed dat buiten het bereik van een verdragsstaat is geraakt.

3.8.3.

De Staat Oekraïne heeft een beroep gedaan op andere opinies, zoals die van dr. F. Francioni. Francioni concludeert dat geen sprake is van illicit export or import en dat in het verdrag een situatie als hier aan de orde niet expliciet is voorzien (not explicitly contemplated, randnummer 9). Een groot deel van zijn opinie ziet op het geval dat een object in het buitenland in een illegale situatie wordt aangetroffen; dat is echter een ander uitgangspunt dan hier aan de orde. Nu hij in het bijzonder benadrukt dat het verdrag verplichtingen van staten jegens elkaar bevat gaat het in zijn opinie met name om de verplichting van de Nederlandse rechter, als deel van de Nederlandse Staat, om het verdrag toe te passen. Daarover bestaat echter geen verschil van inzicht (met dien verstande dat het verdrag in Nederland geen rechtstreekse werking heeft, maar in Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd, zie hiervoor onder rov. 3.6).

De visie van prof. mr. N.J. Schrijver, waaraan de Staat Oekraïne refereert, ziet niet zozeer op de interpretatie van het verdrag. Schrijver geeft met name als zijn visie te kennen dat dit hof niets dient te doen wat een erkenning inhoudt dat de Russische Federatie niet alleen de facto maar ook de iure de controle over de Krim heeft. Het hof dient ervan uit te gaan dat de Krim de iure nog steeds deel uitmaakt van de Staat Oekraïne, aldus Schrijver.

Voor de beoordeling van dit geschil is het niet nodig hierop in te gaan. Afgifte van de museumstukken aan de Krimmusea zou op geen enkele wijze een erkenning inhouden van de afscheiding van de Krim van Oekraïne en haar aansluiting bij de Russische Federatie. Dat geldt ook nu de politieke ontwikkelingen op de Krim van maart 2014 ertoe hebben geleid dat de Krimmusea inmiddels de facto door Russische entiteiten worden geëxploiteerd. Daarbij komt dat in Nederland de voormalige Wet tot teruggave van cultuurgoederen uit bezet gebied, tegenwoordig de artikelen 6.9-6.13 Erfgoedwet, een regeling bevat voor gevallen waarin cultuurgoederen afkomstig zijn uit bezet gebied (zie ook rov. 3.10 hierna). De remedies die daar worden geboden, en die voorzien in een actieve rol van de Nederlandse staat (op verzoek van de autoriteiten van het bezette gebied), zijn in dit geval niet ingeroepen.

3.8.4.

Ook de opinies van de Nederlandse rechtsgeleerden prof. mr. J.M.J. Chorus en prof. mr. D. Klabbers, beide van 6 april 2021, leiden niet tot een andere uitleg van het Unesco-Verdrag. Beiden doen een beroep op de Operational Guidelines for the implementation of the 1970 Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property for the implementation of the 1970 Convention (hierna: de Operational Guidelines), aangenomen op 18-20 mei 2015 tijdens de derde bijeenkomst van verdragsluitende staten en uit openbare bronnen kenbaar.

De Operational Guidelines hebben blijkens hun tekst (nr. 8) het volgende doel:

The Operational Guidelines (…) aim to strengthen and facilitate the implementation of the Convention to minimize risks related to disputes over the interpretation of the Convention as well as to litigation, and thus to contribute towards international understanding. (…) Building upon improved shared understandings and experience, the Operational Guidelines are intended to assist States Parties in implementing the provisions of the Convention, including by learning from the best practices of States Parties geared to enhance the effective implementation of the Convention, and also to identify ways and means to further the achievement of the goals of the Convention through strengthened international cooperation.

Uit artikel 31 lid 3, aanhef en onder b, Verdrag van Wenen volgt dat bij de uitleg van een verdragsbepaling ook rekening dient te worden gehouden met ieder later gebruik in de toepassing van het verdrag waardoor overeenstemming van verdragspartijen inzake de uitleg van het verdrag is ontstaan. Gelet op het hiervoor weergegeven doel van de Operational Guidelines kan de inhoud ervan echter niet worden aangemerkt als zodanig later gebruik. De Operational Guidelines zijn slechts bedoeld om te bevorderen dat zulk later gebruik tot stand komt. Daarom brengen de Operational Guidelines het hof niet tot een andere uitleg van het Unesco-Verdrag dan hiervoor overwogen. Of één of meer partijen bij de Operational Guidelines in een eerder stadium heeft/hebben opgemerkt dat hun belang beperkt is kan dus in het midden blijven.

3.9.

De tussenconclusie is dan ook dat het onderhavige geval niet aan te merken is als illegale uitvoer in de zin van het Unesco-verdrag. Bezien moet worden of dit geval niettemin (om andere reden) valt onder het verbod van artikel 6.3 onder a Erfgoedwet.

3.10.

De parlementaire geschiedenis van de Erfgoedwet biedt geen steun voor de opvatting dat artikel 6.3 een geval als het onderhavige beoogt te bestrijken. De Memorie van Toelichting op de (inmiddels vervallen) Wet van 12 juni 2009 tot uitvoering van de op 14 november 1970 te Parijs tot stand gekomen Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen (hierna: de Uitvoeringswet), die voorafging aan de Erfgoedwet (Kamerstukken II, 2007-2008, 31255, nr. 3, p. 1-2) bevat, in het verband van implementatie van het Unesco-Verdrag de passage:

Dat is van belang, omdat het Verdrag aan de Verdragsstaten ter zake van de wijze van implementatie een grote mate van vrijheid laat. Van die vrijheid dient evenwel aldus gebruik te worden gemaakt, dat een effectieve bescherming van cultuurgoederen wordt tot stand gebracht. Een dergelijk effectieve bescherming dient te bestaan, ook waar het Verdrag zelf op het betreffende punt geen concrete regels geeft. Het is derhalve onvermijdelijk dat de onderhavige uitvoeringswet regels bevat, die in het Verdrag als zodanig niet te vinden zijn, maar wel nodig zijn om de algemene bepalingen van het Verdrag hun volle werking te geven. Het Verdrag strekt er immers toe om de Verdragsstaten te verplichten om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen met alle te hunner beschikking staande middelen tegen te gaan en de vereiste maatregelen tot herstel te treffen en derhalve kort gezegd: om de illegale handel in cultuurgoederen op effectieve wijze te bestrijden.

De wetgever heeft in het kader van de problemen die kunnen ontstaan in verband met cultuurgoederen uit bezet gebied in de Erfgoedwet de reeds in rov. 3.8.2 genoemde aparte regeling getroffen, die er, kort samengevat, op neerkomt dat de Nederlandse Staat in voorkomend geval cultuurgoederen in bewaring kan nemen (artikel 6.11) en een procedure bij de Nederlandse rechter tot teruggave aan de betrokken vreemde Staat kan entameren (artikel 6.15). Een bredere uitleg van artikel 6.3 is dus niet nodig om de volle werking van het Unesco-verdrag in dit opzicht te bewerkstelligen.

De Europese Richtlijn

3.11.

De Staat Oekraïne heeft zich beroepen op een Richtlijn van de Europese Unie (Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012, Pb 2014 (herschikking), L 159, hierna: de Europese Richtlijn). De Staat Oekraïne wijst er daarbij op dat in de Memorie van Toelichting Uitvoeringswet is vermeld dat bij de implementatie van het Unesco-verdrag in de Uitvoeringswet zal worden aangesloten bij de Europese Richtlijn en dat het wetsvoorstel is uitgewerkt langs de lijnen van de Europese Richtlijn. In de Europese Richtlijn is het volgende bepaald:

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1. (…)

2. “op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat gebracht”:

a) buiten het grondgebied van een lidstaat gebracht, in strijd met de regels van die lidstaat betreffende de bescherming van het nationaal bezit, of in strijd met Verordening (EG) nr. 116/2009; of

b) niet teruggegeven na het verstrijken van een periode van rechtmatige tijdelijke verplaatsing of iedere schending van een andere voorwaarde die aan die tijdelijke verplaatsing verbonden was;

3. (…)

Aldus is in de Europese Richtlijn expliciet opgenomen dat onder op onrechtmatige wijze uitvoeren mede wordt verstaan “het niet terugzenden van een rechtmatige tijdelijke zending na het verstrijken van de termijn”. Nu de wet langs die lijn is uitgewerkt, moet die geacht worden ook dit geval te omvatten, aldus de Staat Oekraïne.

3.12.

Het hof stelt voorop dat de Europese Richtlijn hier niet van toepassing is, aangezien deze alleen betrekking heeft op cultuurgoederen die buiten het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie zijn gebracht en Oekraïne geen lidstaat van de Europese Unie is of was. Op de vraag wat bedoeld is met “uitwerken langs de lijnen van de richtlijn” is door de Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap geantwoord (Kamerstukken II, 2004-2005, 29314, nr. 11, p. 6):

Welke elementen van de Richtlijn 93/7/EEG (de voorganger van de Europese richtlijn, opm. hof) onderdeel zullen uitmaken van de implementatiewetgeving valt op dit moment nog niet te zeggen.

Daaruit leidt het hof af dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat alle bepalingen van de Europese Richtlijn in de Erfgoedwet zijn geïmplementeerd. De vraag is derhalve of in de Erfgoedwet ook het bepaalde in artikel 1.2, tweede gedachtestreepje (het niet terugzenden van een rechtmatige tijdelijke zending na het verstrijken van de termijn als een vorm van illegale uitvoer), impliciet is overgenomen. Naar het oordeel van het hof bestaan daarvoor onvoldoende aanwijzingen. Het spreekt immers geenszins vanzelf dat “niet teruggeven” valt onder “buiten het grondgebied brengen”. De Erfgoedwet bevat in artikel 1.1 een lijst van begripsbepalingen. Indien de wetgever ook andere begrippen dan in die lijst genoemd, een specifieke betekenis had willen geven in de Erfgoedwet, had het voor de hand gelegen dat hij die ook zou vermelden in artikel 1.1. Dit geldt zeker als die betekenis afwijkt van het algemeen spraakgebruik.

Blijkens het Verslag van een Algemeen Overleg, vastgesteld op 31 mei 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 29314, nr. 13, p. 6) heeft de Staatssecretaris opgemerkt dat de regering “de goede elementen” uit het Unidroit-verdrag in het wetsvoorstel gaat opnemen en dat de Europese Richtlijn “hierbij het uitgangspunt [zal] zijn”. Dat is te vaag om daaruit te kunnen afleiden dat het de bedoeling is geweest om aan het centrale begrip “buiten het grondgebied brengen” een van het spraakgebruik afwijkende betekenis te geven. Als dat de bedoeling van de wetgever was geweest, zou, naar in dit verband mag worden aangenomen, een definitie zijn opgenomen in het speciaal daarvoor bedoelde artikel.

3.13.1.

Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat waar de nationale wet en een richtlijn tekstueel uiteenlopen, de nationale rechter bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, zijn nationale bepalingen zo veel mogelijk richtlijnconform moet uitleggen, tenminste in gevallen die door de richtlijn bestreken worden. Dit noopt evenwel niet tot een uitleg die inhoudt dat artikel 6.3 Erfgoedwet in dit geval van toepassing is. Allereerst is, zoals gezegd, het internationaal geldingsbereik van de Europese Richtlijn beperkt tot situaties waarin de ene lidstaat teruggave vordert van een nationaal cultuurgoed dat in een andere lidstaat is ingevoerd. Dat is niet een regime dat zich over de band van richtlijnconforme interpretatie leent voor uitbreiding naar Oekraïne. Het zou doel en strekking van de Europese Richtlijn, gericht op de interne markt van de Unie en bovendien zonder directe werking, te ver te buiten gaan indien met een beroep op die Europese Richtlijn de Staat Oekraïne het recht zou verkrijgen om goederen uit Nederland op te eisen. Het argument van de Staat Oekraïne dat de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de Europese Richtlijn in de Erfgoedwet een mondiaal bereik voorstond, doet daaraan niet af. Niet kan worden aangenomen dat de Nederlandse wetgever beoogde de ruime definitie van de Europese Richtlijn te implementeren en het beginsel van Unietrouw, dat mede ten grondslag ligt aan de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie, brengt niet mee dat een bepaling van nationaal recht ook richtlijnconform uitgelegd moet worden in gevallen die niet door een richtlijn bestreken worden.

3.13.2.

Het hof neemt ook in aanmerking dat artikel 6.3 Erfgoedwet een verbodsbepaling inhoudt: “Het is verboden een cultuurgoed binnen Nederland te brengen (…)”. Richtlijnconforme interpretatie kent grenzen. Die grenzen moeten worden gevonden in de algemene rechtsbeginselen, in dit geval met name het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Een uitleg die meebrengt dat een rechtmatige invoer van een cultuurgoed, zoals die zich hier voordoet, maanden later alsnog wordt aangemerkt als overtreding van een verbod – dat (ingevolge artikel 8.1 sub 2 Erfgoedwet) tot bestuursrechtelijke sancties kan leiden – vanwege “het niet terugzenden (…) na het verstrijken van de termijn (…)” staat met die beginselen op gespannen voet. De tekst van de verbodsbepaling in artikel 6.3 Erfgoedwet “Het is verboden een cultuurgoed binnen Nederland te brengen (…)” omvat naar normaal Nederlands taalgebruik niet een verbodsbepaling “het niet terugzenden (…) na het verstrijken van de termijn”. De rechtszekerheid wordt teveel geschaad indien richtlijnconforme uitleg zozeer tegen de tekst van de verbodsbepaling van de Erfgoedwet zou ingaan. Dat zou immers afbreuk doen aan de eis, dat een verbod dat met sancties wordt versterkt voorafgaand aan de beweerde overtreding ervan duidelijk moet zijn voor de overtreder. Anders gezegd, artikel 6.3 Erfgoedwet valt niet zo uit te leggen dat het APM alsnog geacht moet worden een verbod te hebben overtreden door de museumstukken binnen Nederland te brengen. Ook een uitleg die inhoudt dat het APM de verbodsbepaling van artikel 6.3 Erfgoedwet heeft overtreden door zich op zijn opschortingsrecht te beroepen en de museumstukken vooralsnog niet af te geven is te ver verwijderd van de tekst van artikel 6.3 Erfgoedwet. Een richtlijnconforme uitleg van artikel 6.3 Erfgoedwet is hier dan ook niet aangewezen.

Het Unidroit-verdrag

3.14.

De Staat Oekraïne heeft zich ook beroepen op het in 1995 te Rome gesloten Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen (hierna: het Unidroit-verdrag) en erop gewezen dat in artikel 5 lid 2 van het Unidroit-verdrag juist is voorzien in waar het hier om gaat:

Een cultuurgoed dat tijdelijk is uitgevoerd uit het grondgebied van de verzoekende Staat, bijvoorbeeld om te worden tentoongesteld (…), krachtens een vergunning die is afgegeven overeenkomstig de wetgeving van de Staat die de uitvoer van cultuurgoederen regelt met het oog op de bescherming van zijn culturele erfgoed en dat niet is teruggekeerd overeenkomstig het in die vergunning bepaalde, wordt geacht onrechtmatig te zijn uitgevoerd.

3.15.

Het hof acht het Unidroit-verdrag evenwel niet van betekenis voor de uitleg van artikel 6.3 Erfgoedwet in de door de Staat Oekraïne verdedigde zin. Het verdrag is door Nederland niet geratificeerd. In de Memorie van Toelichting op de Uitvoeringswet is vermeld (Kamerstukken II, 2007-2008, 31255, nr. 3, p. 2):

(…) Zoals ook reeds in onze voormelde brief van 19 juli 2004 is uiteengezet en bij het algemeen overleg van 28 april 2005 (Kamerstukken II, 2004/05, 29 314, nr. 13) van regeringszijde is herhaald, zijn wij uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat het UNIDROIT-verdrag thans niet voor ratificatie in aanmerking komt. Dat Verdrag heeft enerzijds zeer ingrijpende gevolgen en gaat anderzijds uit van een zeer ruim, vaag en daardoor moeilijk af te grenzen begrip cultuurgoederen.

Weliswaar is daaraan toegevoegd “dat bij de implementatie daarvan [het Unesco-verdrag, hof] mede gebruik zal worden gemaakt van de goede elementen van het UNIDROIT-verdrag”, maar de wetgeschiedenis geeft geen steun aan de gedachte dat de wetgever artikel 5 lid 2 van het Unidroit-Verdrag een dergelijk “goed element” heeft geacht en dat artikel 6.3 Erfgoedwet de strekking zou hebben om mede betrekking te hebben op een geval van tijdelijke uitvoer zoals bedoeld in artikel 5 lid 2 van het Unidroit-verdrag (vergelijk rov. 3.12 hiervoor). Als dat beoogd was, had het in de rede gelegen dat zulks, net als in het Unidroit-verdrag zelf, afzonderlijk zou zijn verwoord. Weliswaar moet worden aangenomen dat Nederland, nu de Nederlandse regering het Unidroit-verdrag wel getekend heeft, zich onthoudt van (wetgevende) activiteiten die daarmee in strijd zijn, maar het enger definiëren van het begrip onrechtmatige uitvoer kan als zodanig niet in strijd met het Verdrag worden geacht.

3.16.

Hieruit volgt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat in artikel 6.3 Erfgoedwet een ruim begrip uitvoer, zoals gedefinieerd in de Europese Richtlijn of verwoord in het Unidroit-verdrag, is overgenomen.

3.17.

Ten slotte gaat ook niet op het beroep van de Staat Oekraïne op artikel 4 en 23 van zijn eigen Wet op de export, import en restituties van cultuurgoederen (Law of Ukraine on exportation, importation and restitution of cultural values) waarin is bepaald dat zaken worden beschouwd als onrechtmatig uitgevoerd als deze na het verstrijken van de in de exportvergunningen genoemde termijn niet naar Oekraïne zijn teruggekeerd. Als immers, zoals hiervoor is geoordeeld, artikel 6.3 Erfgoedwet aldus moet worden verstaan dat het niet ziet op rechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen waar geen illegale activiteit aan is verbonden, dan kan de wetgeving van Oekraïne daar geen verandering in brengen. Anders gezegd, de wetgeving van Oekraïne is niet bepalend voor de uitleg van de Nederlandse Erfgoedwet. Daaraan doet niet af dat artikel 6.3 Erfgoedwet verwijst naar de bepalingen die door een verdragsstaat zijn vastgesteld, omdat het daar gaat om schending van die bepalingen bij het buiten het grondgebied brengen als bedoeld in de Nederlandse wet, en daarvan is op de hiervoor vermelde gronden geen sprake. Deze verwijzing kan niet zo ruim worden opgevat dat de bepalingen van de verdragsstaat beslissend zijn voor de vraag wat moet worden verstaan onder “buiten het grondgebied brengen”. Dat de inhoud van de wetgeving van Oekraïne in ander verband (zie rov. 3.24-3.26 en 3.32 hierna) wel van belang is doet aan het voorgaande niet af.

Ook de omstandigheid dat er andere staten dan Oekraïne zijn die de visie van de Staat Oekraïne delen (in de praktijk of volgens hun wetgeving) doet niet ter zake. De stelling dat het hier een meerderheid van de staten betreft dan wel dat dit een algemeen geaccepteerde visie is, heeft de Staat Oekraïne niet voldoende onderbouwd en hebben de Krimmusea en het APM betwist. Zoals hiervoor in 3.8.4 is overwogen, geven ook de Operational Guidelines niet voldoende steun aan die stelling.

Conclusie Erfgoedwet

3.18.

De conclusie is dat artikel 6.3 Erfgoedwet in deze zaak niet van toepassing is.

Het betoog van de Staat Oekraïne dat artikel 6.7 Erfgoedwet tot op zekere hoogte los moet worden gezien van artikel 6.3 Erfgoedwet, nu evident is dat de normadressaat niet gelijk is en het hier gaat om onhandig geformuleerde wetgeving, faalt. Artikel 6.7 Erfgoedwet luidt:

Van een cultuurgoed dat in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 6.3, binnen Nederland is gebracht, kan met inachtneming van de artikelen 1011a tot en met 1011d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teruggave worden gevorderd door de verdragsstaat waaruit het cultuurgoed afkomstig is of door de rechthebbende op dat cultuurgoed.

Dit artikel vermeldt uitdrukkelijk dat een verdragsstaat waaruit een cultuurgoed afkomstig is, teruggave kan vorderen van een cultuurgoed dat in strijd met het verbod, bedoeld in artikel 6.3, binnen Nederland is gebracht. Indien het cultuurgoed binnen Nederland is gebracht zonder strijd met dat verbod, biedt dit artikel geen grondslag voor een vordering. In het midden kan blijven wie het cultuurgoed binnen Nederland heeft gebracht. Het hof verwijst naar zijn hiervoor gegeven uitleg van artikel 6.3 Erfgoedwet.

De grieven 1 aanhef en 1a tot en met 1c zijn derhalve in beginsel gegrond.

3.19.

Met grief 1d betogen de Krimmusea dat de Staat Oekraïne ook geen recht toekomt om de museumstukken op grond van de Erfgoedwet als zijn cultureel erfgoed op te eisen omdat de museumstukken niet tot het cultureel erfgoed van Oekraïne behoren, maar tot het cultureel erfgoed van de Krim. Bij behandeling van deze grief hebben de Krimmusea, gelet op voorgaande oordelen, in het kader van de Erfgoedwet geen belang meer.

Grief 1e is aan te merken als een concluderende slotgrief van de grieven 1a tot en met 1d en behoeft derhalve geen afzonderlijke behandeling.

3.20.

Grief 2 strekt ten betoge dat de Staat Oekraïne zich om verschillende redenen niet mag beroepen op de Erfgoedwet. Nu hiervoor is geoordeeld dat de Erfgoedwet in dit geval geen toepassing vindt, behoeft deze grief geen verdere behandeling.

3.21.

Met grief 3 betogen de Krimmusea dat de rechtbank artikel 1012 Rv niet had mogen toepassen dan wel verkeerd heeft uitgelegd.

Weliswaar heeft de Staat Oekraïne aan zijn vordering artikel 6.7 Erfgoedwet en artikel 1011a Rv ten grondslag gelegd, maar toch is artikel 1012 Rv niet van toepassing. Uit de woorden “na de teruggave” in artikel 1012 Rv blijkt immers dat artikel 1012 Rv alleen van toepassing is op een op artikel 6.7 Erfgoedwet en artikel 1011a Rv gebaseerde vordering, indien die vordering op grond van die bepalingen toewijsbaar is. Anders is er geen teruggave als in artikel 1012 Rv bedoeld. De museumstukken zijn echter niet in strijd met het verbod van artikel 6.3 Erfgoedwet binnen Nederland gebracht. De vordering is daarom niet toewijsbaar op de voet van artikel 6.7 Erfgoedwet en artikel 1011a Rv. Artikel 1012 Rv is dus niet van toepassing en staat er niet aan in de weg dat het hof in deze procedure beslissingen geeft over de eigendom van de museumstukken, mocht dat nodig zijn voor de beoordeling van de vorderingen.

Rechten op museumstukken van vermogensrechtelijke aard (en naar Oekraïens recht geldende beperkingen daarop)

3.22.

Naast het hierboven verworpen beroep op de artikelen 6.3 en 6.7 Erfgoedwet jo. artikel 1011a Rv grondt de Staat Oekraïne zijn aanspraak op de afgifte door het APM van de museumstukken op de stellingen dat deze zijn eigendom zijn en tot zijn cultureel erfgoed behoren.

Wat de objecten betreft die behoren tot de collectie van NP Tauric Chersonesos is niet in geschil dat deze eigendom zijn van de Staat Oekraïne. Wat de objecten die deel uitmaken van de collecties van de drie andere Krimmusea (Tavrida CM, Kerch HCP en Bakhchisaray HCP) betreft betwisten de Krimmusea het standpunt van de Staat Oekraïne met betrekking tot diens eigendomsrechten en stellen zij dat deze in eigendom toebehoren aan de Autonome Republiek van de Krim (verder: de ARK) die deze aan de drie musea in operationeel beheer heeft gegeven.

Tussen partijen is niet in geschil dat alle aan het APM in bruikleen gegeven objecten in het Oekraïens Museumfonds waren opgenomen en vallen onder het regime van de Oekraïense Museumwet (hierna: de Museumwet) zoals ook op te maken valt uit diverse bescheiden die in het kader van de uitleen van de museumstukken aan het APM zijn opgemaakt. Zie in dit verband bijvoorbeeld de bij de bruikleenovereenkomsten behorende lijsten, alsmede de door het Ministerie van Cultuur van de Staat Oekraïne afgegeven exportvergunningen waarin wordt verwezen naar de “Regulations on the Museum Fund of Ukraine”.

Het hof zal eerst de goederenrechtelijke aanspraken op de museumstukken bespreken. De verbintenisrechtelijke aanspraak van de Krimmusea tot teruggave van de goederen op grond van de bruikleenovereenkomsten komt hierna onder 3.34 tot en met 3.38 aan de orde.

Museumstukken afkomstig uit collectie NP Tauric Chersonesos

3.23.

Zoals tussen partijen niet in geschil is en ook in de door de Krimmusea in het geding gebrachte oprichtingsakte/statuten van dit museum valt te lezen is het museum te Sebastopol door de Staat Oekraïne opgericht en is zijn collectie eigendom van de Staat Oekraïne.

De Krimmusea voeren aan dat van afgifte van de museumstukken aan de Staat Oekraïne niettemin geen sprake kan zijn omdat deze laatste aan NP Tauric Chersonesos met betrekking tot deze stukken een recht van operationeel beheer heeft verleend, welk recht moet worden aangemerkt als een beperkt zakelijk recht (vergelijkbaar met vruchtgebruik), dat slechts in zich hier niet voordoende gevallen kan worden beëindigd en welk recht door de operationeel beheerder kan worden ingeroepen tegen de eigenaar. Hoewel de Staat Oekraïne zich aanvankelijk op het standpunt stelde dat bedoeld recht van operationeel beheer door middel van Order No. 292 is ingetrokken, erkent hij in hoger beroep dat van een beëindiging van dit recht geen sprake is.

3.24.

De beantwoording van de vraag in hoeverre het bestaan van een recht van operationeel beheer in de weg zou kunnen staan aan een veroordeling tot afgifte van roerende zaken als de onderhavige aan de Staat Oekraïne als (revindicerende) eigenaar daarvan kan in de gegeven omstandigheden echter in het midden blijven. Daarvoor is het volgende redengevend.

3.25.1.

Zoals reeds is overwogen is niet in geschil dat de museumstukken behoren tot het Oekraïens Museumfonds en vallen onder het regime van de (in 1995 ingevoerde en in 1999 en 2009 gewijzigde) Museumwet. Deze wet strekt tot bescherming van Oekraïens cultureel erfgoed en voorziet onder meer in beperkingen ten aanzien van de uitoefening van (zakelijke) rechten op museumstukken die daartoe behoren. Zo gelden krachtens de Museumwet beperkingen met betrekking tot de vervreemding van objecten die tot het publieke deel van het Museumfonds behoren en is op basis van deze wet op 20 juli 2000 een ‘Regulation of the Cabinet of Ministers of Ukraine on the Museum Fund of Ukraine’ (No. 1147) door de Ministerraad aangenomen die onder meer een regeling inhoudt met betrekking tot de verplaatsing van museumstukken. Deze Regulation is gewijzigd op 23 maart 2014, in die zin dat artikel 41.1 is toegevoegd dat erin voorziet dat in geval van een force-majeure situatie, gevaar van tenietgaan, verlies of beschadiging van museumstukken de Minister van Cultuur van Oekraïne bevoegd is om een besluit te nemen met betrekking tot de overbrenging ter bewaring daarvan. De Minister van Cultuur van Oekraïne heeft op 13 mei 2014 (Order No. 292) een dergelijk besluit genomen onder verwijzing naar bedoelde regelgeving. Dit houdt in dat de museumstukken in afwachting van de stabilisatie van de situatie op de Krim naar het Nationaal Historisch Museum van Oekraïne te Kiev worden overgebracht.

3.25.2.

Het hof verwerpt het betoog van de Krimmusea dat een situatie als bedoeld in artikel 41.1 van genoemde Regulation zich niet voordoet. In het licht van het door de Staat Oekraïne gestelde en door de Krimmusea niet voldoende gemotiveerd betwiste feit dat het museum thans door een andere (Russische) entiteit wordt geëxploiteerd en de collectie daarmee buiten de macht van de Staat Oekraïne is geraakt, hebben de Krimmusea hun standpunt dat in de gegeven omstandigheden desondanks geen gevaar bestaat voor verlies van de museumstukken (als bedoeld in de Regulation) onvoldoende toegelicht. Het hof wijst er in dit verband op dat het bepaalde in artikel 15 Museumwet er mede toe strekt te voorkomen dat museumstukken die tot het publieke deel van het Oekraïens Museumfonds behoren ‘alienated’ worden. Het buiten de invloedssfeer van de Staat Oekraïne raken van museumstukken moet daarom ook worden beschouwd als verlies in de zin van de Regulation, ook als de museumstukken wel blijven bestaan en onbeschadigd blijven.

3.25.3.

Voorts verwerpt het hof het betoog van de Krimmusea dat bedoelde Regulation en/of de daarop gebaseerde Order No. 292 onverbindend zijn wegens strijd met Oekraïense en Krimse wetgeving (waaronder artikel 29 Museumwet, artikel 137 van het Oekraïens Economisch Wetboek en artikel 11 van de Bezettingswet), uit welke wetgeving volgt dat zakelijke rechten worden gerespecteerd en niet zonder wettelijke basis beëindigd kunnen worden. Hoewel in (de Engelse vertaling van) Order No. 292 wordt gesproken over permanent keeping at the National Historical Museum of Ukraine volgt uit de zinsnede die daarop volgt dat het om tijdelijke bewaring gaat, immers in afwachting van de stabilisatie van de situatie op de Krim. Dat de hier bedoelde Order het karakter heeft van een onteigening en/of de strekking heeft het aan het museum verleende recht van operationeel beheer te beëindigen kan gelet hierop niet als juist worden aanvaard; ook de Staat Oekraïne stelt zich (in hoger beroep) op het standpunt dat de door de Minister genomen maatregel van tijdelijke aard is en dat niet is beoogd daarmee het recht van operationeel beheer in te trekken.

3.26.

Aangenomen moet worden dat de Staat Oekraïne in de gegeven omstandigheden – ter bescherming van zijn cultureel erfgoed en in weerwil van het bestaan van een aan het museum toekomend recht van operationeel beheer – een dergelijke tijdelijke maatregel mocht nemen; dat een en ander in strijd is met toepasselijke (Oekraïense) wetgeving vindt in de feitelijke stellingen die de Krimmusea daartoe aanvoeren onvoldoende steun. Voor zover het betoog van de Krimmusea inhoudt dat naar Nederlands internationaal privaatrecht wel het bestaan (naar Oekraïens recht) van een recht van operationeel beheer wordt erkend, maar niet de restricties die met betrekking tot de uitoefening daarvan krachtens de Museumwet gelden, wordt dit verworpen. De rechten van operationeel beheer van de objecten waren immers reeds onderworpen aan het regime van de Museumwet toen de objecten werden overgebracht naar Duitsland en Nederland. Hierna onder rov. 3.32 wordt nader toegelicht dat het bepaalde in de artikelen 10:127 en 10:130 BW er ook overigens niet aan in de weg kan staan dat de door de Krimmusea gepretendeerde goederenrechtelijke aanspraken van NP Tauric Chersonesos op de uit zijn collectie afkomstige museumstukken worden doorkruist door (publiekrechtelijke) aanspraken van de Staat Oekraïne die voortvloeien uit op grond van de Museumwet genomen maatregelen.

Ten slotte kan ook het beginsel dat museumcollecties bij elkaar gehouden dienen te worden de Krimmusea niet baten.

3.27.

Het onder 3.23 bedoelde betoog van de Krimmusea dat de museumstukken afkomstig uit de collectie van NP Tauric Chersonesos aan haar dienen te worden afgegeven en het daarop gebaseerde verweer van de Krimmusea (en het APM) tegen de afgifte daarvan aan de Staat Oekraïne wordt derhalve verworpen.

Museumstukken afkomstig uit collecties Tavrida CM, Kerch HCP en Bakhchisaray HCP

3.28.

De Krimmusea hebben betoogd dat deze museumstukken niet aan de Staat Oekraïne in eigendom toebehoren maar aan de ARK. Blijkens de door de Krimmusea bij conclusie van antwoord op de eis in tussenkomst overgelegde oprichtingsaktes van de musea gaat het hier (anders dan in het geval van NP Tauric Chersonesos) om “Crimean Republic Institutions” en wordt daarin vermeld dat “the property of the Preserve is part of the property of the Autonomous Republic of Crimea” of woorden van gelijke strekking.

De Staat Oekraïne bestrijdt dat de ARK eigenaar is van de museumstukken. Hij beroept zich in dit verband met name op het feit dat de museumstukken deel uitmaken van het Oekraïens Museumfonds en stelt dat krachtens de Museumwet de daartoe behorende objecten die niet in particuliere handen zijn in eigendom toebehoren aan de (centrale) staat. In de visie van de Staat Oekraïne kan de relatie van de ARK tot de museumstukken hoogstens als een vorm van operationeel beheer worden aangemerkt.

De Staat Oekraïne beroept zich in dit verband voorts op artikel 13 van de Oekraïense Grondwet en artikel 18 van de Archeologiewet (waaruit volgt dat, kort gezegd, archeologische vondsten publiek bezit zijn). Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de ARK naar Oekraïens recht geen drager van eigendomsrechten kan zijn, althans dat de ARK (mogelijk) eigenaar kan zijn van bijvoorbeeld de gebouwen waarin musea zijn gevestigd, maar, mede gelet op de bepalingen van de Museumwet, niet van de zich daarin bevindende en tot het Oekraïens Museumfonds behorende objecten.

3.29.

Dat met de Museumwet (in 1995) is beoogd civielrechtelijke eigendomsrechten te vestigen wordt door de Krimmusea bestreden en valt in de artikelen van de Museumwet waarnaar de Staat Oekraïne ter staving van zijn standpunt verwijst niet, althans niet voldoende duidelijk, te lezen. Zoals de Krimmusea betogen, lijkt het hier veeleer te gaan om een regeling van publiekrechtelijke aard, in 1995 ingevoerd om het cultureel erfgoed te beschermen dat zich in de musea bevindt die op het grondgebied van Oekraïne zijn gelegen. Het hof is er niet van overtuigd dat met state-owned part (ook vertaald als public share, zie bijvoorbeeld productie 17 van het APM) slechts bedoeld kan zijn: in eigendom toebehorend aan de Staat Oekraïne en dat daarmee niet mede bedoeld kan zijn: in eigendom toebehorend aan de ARK (zoals gelet op de status van deze laatste als Autonome Republiek ook in de rede ligt). De Staat Oekraïne heeft niet voldoende gemotiveerd bestreden dat in de in 1995 ingevoerde versie van de Museumwet – zoals de Krimmusea onder verwijzing naar een opinie van prof. V.G. Rotan van 1 oktober 2015 (Rotan I) betogen – was vermeld dat de eigendom van musea en de zich daarin bevindende artefacts ook “republican” kon zijn (dit wil in die context zeggen: van de ARK). Wat hiervoor is vermeld over de reikwijdte van het begrip “state-owned” geldt ook voor het gebruik van soortgelijke termen in genoemde artikelen van de Oekraïense Grondwet en de Archeologiewet.

3.30.

De Krimmusea hebben zich in het kader van hun betoog dat de eigendom van de objecten behorend tot de collecties van Tavrida CM, Kerch HCP en Bakhchisaray HCP aan de ARK toebehoort (onder meer) beroepen op de Verordening van het Kabinet van Ministers van Oekraïne nr. van 29 augustus 1994 “On the transfer of state-owned national property into the ownership of the Crimea” en de daaraan toegevoegde lijst van state-owned national assets transferred into the ownership of the Republic of Crimea waarin onder het hoofd “culture” is vermeld ‘museums’. De Krimmusea hebben zich voorts beroepen op diverse Oekraïense en Krimse regelgeving van formele en materiële aard die steun biedt aan hun standpunt dat de ARK wel degelijk eigenaar kon zijn van museumstukken behorend tot het Oekraïens Museumfonds. Zij hebben in dit verband onder meer gewezen op de artikelen 318 jo. 2 lid 2 en 168 van het Oekraïens Burgerlijk Wetboek (verder: CCU), artikel 138 van de Oekraïense Grondwet, artikelen 3, 18 en 26 van de Grondwet van de ARK uit 1998, (goedgekeurd door de Staat Oekraïne bij wet van 23/12/1998 no. 350-XIV) en artikel 8 van de Oekraïense wet inzake de autonome status van de Krim Republiek uit 1995.

Ten slotte valt, zoals gezegd, uit de oprichtingsaktes van de musea op te maken dat het Krimse instituties betreft, die aan de ARK een recht van operationeel beheer ontlenen.

3.31.

Dat de ARK geen eigenaar kon zijn van de onderhavige museumstukken is in het licht van het voorgaande niet voldoende aannemelijk geworden. Het standpunt van de Staat Oekraïne dat de onderhavige museumstukken aan hem in eigendom toebehoren en reeds daarom aan hem teruggegeven moeten worden ontbeert daarmee een voldoende solide basis. Het hof kan niet vaststellen of de Staat Oekraïne moet worden aangemerkt als eigenaar van de museumstukken. Blijkens hetgeen hierna wordt overwogen, is het echter, voor een beslissing op de vorderingen zoals zij voorliggen, ook niet nodig dat het hof beslist over de vraag of de Staat Oekraïne dan wel de ARK als eigenaar van de museumstukken moet worden aangemerkt.

3.32.1.

Ook de onderhavige museumstukken behoren immers tot het Oekraïens Museumfonds en vallen daarmee onder het (beschermende) regime van de Museumwet, ongeacht of zij eigendom van de Staat Oekraïne zijn of eigendom van de ARK. Het hof verwijst naar hetgeen hierboven in rov. 3.25 is overwogen met betrekking tot, kort gezegd, de rechtsgeldigheid van de krachtens de Museumwet vastgestelde Resolution, de op basis daarvan door de Minister van Cultuur gegeven Order No. 292 en het bestaan van een gevaar als in die Order bedoeld. Dit geldt mutatis mutandis ook waar het de onderhavige museumstukken betreft.

3.32.2.

De betekenis die aan de gelding van dit regime toekomt wordt onder meer geïllustreerd doordat het, zoals hiervoor overwogen, het Ministerie van Cultuur van Oekraïne is geweest dat onder strikte voorwaarden en, onder verwijzing naar de Regulations on the Museum Fund of Ukraine, de exportvergunningen heeft verleend die aan de uitleen aan het APM van de onderhavige museumstukken ten grondslag liggen.

3.32.3.

Hoewel de museumstukken afkomstig zijn uit de Krim en in zoverre ook als Krims erfgoed zijn te beschouwen, maken zij deel uit van het cultureel erfgoed van Oekraïne zoals deze laatste sinds 1991 als onafhankelijke staat heeft bestaan. In het licht hiervan moet het cultureel belang bij het behoud van de museumstukken als zwaarwegend openbaar belang van de Staat Oekraïne worden beschouwd.

De Staat Oekraïne heeft dit belang gewaarborgd door in 1995 de Museumwet in te voeren, inhoudend, zoals hierboven uiteengezet, een beschermend regime met betrekking tot cultuurgoederen die tot het Oekraïens Museumfonds behoren, met daarbij de mogelijkheid om in een op deze wet gebaseerde Ministeriële Regulation aan die bescherming verdere invulling te geven. Daaraan is gevolg gegeven door op 20 juli 2000 die Regulation in te voeren en deze vervolgens op 23 maart 2014 te amenderen in de hierboven onder 3.25.1 vermelde zin. Dat artikel 41 van de Regulation eerst in 2014 in aangevuld met de thans ingeroepen mogelijkheid tot afgifte tot bewaring is niet van belang voor de materiële werkingssfeer daarvan en voor het daaraan te verbinden rechtsgevolg.

In het licht van dit zwaarwegende openbare belang van de Staat Oekraïne leidt het bepaalde in artikel 10:7 BW ertoe dat aan het regime van de Museumwet met de daarop gebaseerde Regulation en Order No. 292 gevolg moet worden toegekend. Het hof heeft zich hierbij rekenschap gegeven van het feit dat niet snel tot de toepasselijkheid van een zogenoemde voorrangsregel (bepaling van bijzonder dwingend buitenlands recht) kan worden besloten. Dat dit onder omstandigheden wel mogelijk is, blijkt echter uit het feit dat de wetgever deze mogelijkheid in de wet heeft opgenomen.

Dat het hier gaat om handhaving van zwaarwegende openbare belangen en dat het onderhavige geval nauw met de Staat Oekraïne is verbonden valt gelet op het doel en de strekking van de Museumwet en de daarop gebaseerde maatregelen (zoals gezegd de bescherming en het behoud van Oekraïens cultuurbezit) in redelijkheid niet te betwisten. Het gaat hier dan ook ontegenzeggelijk om voorschriften die ingrijpen in privaatrechtelijke verhoudingen ter wille van zwaarwegende culturele belangen welke belangen geacht moeten worden zwaarder te wegen dan die van de daarbij betrokken rechtssubjecten, in dit geval de Krimmusea, ook als het belang van het bijeenhouden van de collecties wordt meegewogen.

Dat het feit dat de museumstukken inmiddels in Nederland verblijven niettemin zou meebrengen (op grond van artikel 10:127 en 10:130 BW) dat het beschermende regime van de Museumwet (en de mogelijkheid om op basis daarvan maatregelen te nemen gericht op de bescherming daarvan) niet meer zou gelden, kan niet worden aanvaard. De Staat Oekraïne heeft zijn grote belang bij het intact laten van zijn nationaal cultureel erfgoed voldoende overtuigend toegelicht en zoals gezegd moet aan de maatregelen ter waarborging daarvan in de gegeven omstandigheden voorrang worden toegekend.

Er is voorts des te meer reden om bedoelde Oekraïense publiekrechtelijke regels toe te passen in dit geschil tussen de Staat Oekraïne en de Krimmusea, die Oekraïense rechtssubjecten zijn.

Het hof verwerpt in dit verband ten slotte het betoog van de Krimmusea dat het feit dat Order No. 292 slechts is gericht op het veiligstellen van de onderhavige museumstukken en geen (verdere) externe werking heeft eraan in de weg staat dat aan het hier besproken beschermende regime, waarvan deze maatregel een constitutief element is, voorrang wordt toegekend. Het Nederlandse IPR stelt geen nadere regels aan de reikwijdte van de ingeroepen voorrangsregel.

Positie van het APM als contractspartij van de Krimmusea en bewaarder van de museumstukken

3.33.

Blijkens het voorgaande zal in beginsel afgifte van de museumstukken aan de Staat Oekraïne dienen plaats te vinden. Hieraan ligt ten grondslag een op de Museumwet gebaseerde Order van de Minister van Cultuur van Oekraïne die is gegeven in verband met de door de afscheiding van de Krim ontstane situatie en het als gevolg daarvan bestaande gevaar van verlies van de tot het Oekraïense Museumfonds behorende objecten. Afgifte aan de Staat Oekraïne zou echter achterwege moeten blijven indien dat zou volgen uit de hierna te bespreken contractuele grondslag van de vordering van de Krimmusea.

Opschorting

3.34.

Nadat de Staat Oekraïne zich bij brief van 31 maart 2014 tot het APM had gericht met de mededeling dat de objecten tot het Museumfonds van Oekraïne behoorden en aan de Staat Oekraïne dienden te worden teruggegeven is het APM bij brief van 22 mei 2014 van de hierboven bedoelde Order in kennis gesteld. Na ontvangst daarvan was sprake van redelijke twijfel omtrent de vraag wie als de ware creditor met betrekking tot de teruggave van de museumstukken kon worden aangemerkt, de Krimmusea als zijn contractuele wederpartij dan wel de Staat Oekraïne. Toen mocht het APM zijn verplichting daartoe, ingevolge het op de contractuele relatie toepasselijke Oekraïens recht, op de voet van artikel 527 lid 2 CCU opschorten, hetgeen hij heeft gedaan, zoals hij bij brieven van 14 juli 2014 aan de Staat Oekraïne en de Krimmusea heeft medegedeeld. Het hof verwijst in dit verband naar de door het APM bij memorie van antwoord overgelegde opinie van de Oekraïense advocaat Olexander Droug van 28 maart 2018, waarin wordt uiteengezet dat als een debiteur aanwijzingen heeft dat er een wijziging is gekomen in de gerechtigdheid tot zaken die hij krachtens overeenkomst dient af te geven, hij die zaken niet zonder meer aan zijn contractuele wederpartij mag afgeven, omdat hij anders handelt in strijd met de beginselen van fairness, reasonableness and justice. Aangenomen moet worden dat zich in het onderhavige geval in redelijkheid een dergelijke situatie voordeed en dat het APM met betrekking tot die gerechtigdheid in zodanige onzekerheid verkeerde dat hij een rechterlijk oordeel daaromtrent mocht afwachten. Die onzekere situatie bestond op grond van voornoemde brieven van de Staat Oekraïne, mede bezien tegen de achtergrond van de ontwikkelingen op de Krim en het door de Krimmusea in correspondentie ingenomen standpunt, in ieder geval reeds op 12 juni 2014, de datum waarop het APM ingevolge artikel 2.2.11 van de in 2013 met de Krimmusea gesloten bruikleenovereenkomsten de museumstukken uiterlijk diende terug te geven. In het licht hiervan kan de status/betekenis van de door het APM en de Krimmusea ondertekende aanvullende overeenkomsten van 6 februari 2014, waarin is neergelegd dat de periode van inbruikleengeving van de museumstukken tot 20 september 2014 werd verlengd, in het midden blijven.

3.35.

Voor de vraag aan wie het APM de museumstukken moet teruggeven en de door de Krimmusea op contractuele basis gevorderde teruggave komt het aan op de betekenis van die contractuele verplichting in de gegeven situatie. Die biedt onvoldoende grond voor toewijzing van de vordering. Aangenomen moet immers worden dat de hiervoor besproken rechten van de Staat Oekraïne op afgifte ter bescherming van museumstukken die tot zijn Museumfonds behoren (naar het in deze toepasselijke Oekraïens recht) voorrang hebben boven verbintenisrechtelijke aanspraken van de Krimmusea en deze in zoverre doorkruisen. In zoverre is inderdaad sprake van een “impossibility of (…) performance” als bedoeld in artikel 607 CCU die leidt tot beëindiging van de teruggaveverplichting.

Gelet hierop valt het APM geen (relevante) toerekenbare tekortkoming/verzuim te verwijten met betrekking tot het niet teruggeven van de museumstukken aan de Krimmusea en de afgifte daarvan aan de Staat Oekraïne. Het feit dat het APM de tijdige teruggave van de museumstukken jegens de Krimmusea heeft gegarandeerd maakt dit niet anders.

3.36.

In het licht van het voorgaande valt niet in te zien welk belang het APM heeft bij de door hem gevorderde en door de rechtbank toegewezen ontbinding van de bruikleenovereenkomsten. Daarbij komt dat de tussen partijen gesloten bruikleenovereenkomsten van bepaalde duur waren en reeds in 2014 geëindigd waren. Ook in zoverre bestond er onvoldoende grond om bij vonnis van 14 december 2016 de ontbinding daarvan uit te spreken. Daarom zal het vonnis op dit punt worden vernietigd.

3.37.

Het voorgaande brengt mee dat de door de Krimmusea jegens het APM ingestelde vordering tot schadevergoeding terecht niet toewijsbaar is geacht. Van een (relevante) tekortkoming/verzuim aan de zijde van het APM in verband met het niet teruggeven van de museumstukken kan immers niet worden gesproken.

3.38.

De slotsom is dat de Krimmusea aan de met het APM gesloten overeenkomsten geen aanspraak op teruggave van de museumstukken kunnen ontlenen en hun daartoe strekkende vordering terecht door de rechtbank is afgewezen. Het vonnis zal op het punt van de onder 5.8 in reconventie uitgesproken ontbinding worden vernietigd. De door het APM subsidiair gevorderde verklaring voor recht dat de verplichting tot teruggave van de museumstukken aan de Krimmusea is geëindigd, zal worden toegewezen. In de gegeven situatie heeft hij daarbij voldoende belang. Dat geldt niet voor de primair gevorderde verklaring voor recht dat de bruikleenovereenkomsten zijn geëindigd; aan hun belang is voldoende recht gedaan door toewijzing van de subsidiair gevorderde verklaring voor recht.

3.39.

De rechtbank heeft in haar vonnis (rov. 4.36) uiteengezet welke door het APM in het kader van het onderhavige geschil opgevoerde kostenposten voor vergoeding door de Staat Oekraïne in aanmerking komen. Daarover bestaat in hoger beroep geen discussie, behoudens dat artikel 1011a Rv blijkens het voorgaande niet als grondslag voor de afgifte geldt en artikel 1011c Rv in zoverre rechtstreekse toepassing mist. Dat deze kosten van het APM door de Staat Oekraïne bij afgifte aan hem moeten worden vergoed staat echter tussen partijen vast, zodat de vraag wat daarvan de rechtsgrondslag is bij gebrek aan belang geen nadere bespreking behoeft. Het hof gaat ervan uit dat ook de na het vonnis door het APM gemaakte kosten die in dezelfde categorieën vallen als de in het vonnis als toewijsbaar genoemde kostenposten door de Staat Oekraïne aan het APM zullen worden vergoed.

3.40.

Partijen hebben geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die tot een andere uitkomst van het geding kunnen leiden, hun bewijsaanbiedingen worden derhalve gepasseerd.

slotsom

3.41.

Het voorgaande brengt mee dat de door de Krimmusea tegen het bestreden

vonnis gerichte grieven niet tot een andere uitkomst van het geding leiden en, hoewel gedeeltelijk gegrond, geen doel treffen. Het vonnis voor zover in conventie gewezen zal worden bekrachtigd.

Voor zover in reconventie gewezen zal het vonnis op het punt van de uitgesproken ontbinding van de bruikleenovereenkomsten worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. Voorts zal de door het APM in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht in de hierna te vermelden zin worden toegewezen.

Het hof ziet, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding om, anders dan de rechtbank heeft gedaan, de beslissing tot afgifte aan de Staat Oekraïne uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

proceskosten

3.42.

De Krimmusea dienen, als in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het principaal appel te dragen. In het incidenteel appel zullen de kosten worden gecompenseerd, nu het APM en de Krimmusea als over en weer deels in het ongelijk kunnen worden beschouwd. Nu het incidenteel appel zich inhoudelijk niet richt tegen de Staat Oekraïne en hij in dat kader (afgezien van een akte zonder bijzondere inhoud) ook geen kosten heeft gemaakt behoeft in zoverre niet over de proceskosten beslist te worden.

4 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij in reconventie onder 5.8 de ontbinding van de bruikleenovereenkomsten is uitgesproken;

verklaart voor recht dat de verplichting tot teruggave van de museumstukken aan de Krimmusea is geëindigd;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt de Krimmusea in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van het APM begroot op € 716,- aan verschotten en op € 3.342,- voor salaris en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan en aan de zijde van de Staat Oekraïne op € 716,- aan verschotten en op

€ 3.342,- voor salaris;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het incidenteel appel aldus, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en G.C.C. Lewin en uitgesproken op 26 oktober 2021.