Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:316

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
11-02-2021
Zaaknummer
200.122.906/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; de aan de rechthebbenden toekomende schadeloosstelling ter zake van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal wordt vastgesteld;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2021/68 met annotatie van Josephus Jitta, M.W.
OR-Updates.nl 2021-0106
NTHR 2021, afl. 2, p. 88
JIN 2021/45 met annotatie van Ensink, T.
RO 2021/27
ARO 2021/68
JONDR 2013/789
Ondernemingsrecht 2013/110 met annotatie van H. Beckman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

_________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.122.906/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 11 februari 2021

inzake

DE MINISTER VAN FINANCIËN,

zetelend te ’s-Gravenhage,

VERZOEKER,

advocaten: mr. R.G.J. de Haan en mr. D.H. Tilanus, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

(voorheen genaamd Vereniging VEB NCVB),

gevestigd te ’s-Gravenhage,

1.2 [A],

wonende te [....] ,

1.3 [B],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. G.T.J. Hoff en mr. J.M.K.P. Cornegoor, beiden kantoorhoudende te Haarlem,

e n t e g e n

2. de stichting

STICHTING BEHEER SNS REAAL,

gevestigd te Utrecht,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. I. Spinath en mr. N.B. Pannevis, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

3.1 de naamloze vennootschap

BNP PARIBAS FUND III N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg

BNP PARIBAS L1,

gevestigd te Luxemburg,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. C.W.M. Lieverse en mr. M.J. Bosselaar, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

4.1 de maatschap

MAATSCHAP CONVERTENTIE,

gevestigd te Eindhoven,

4.2 [C],

wonende te [....] ,

4.3 [D],

wonende te [....] ,

4.4 [E],

wonende te [....] ,

4.5 [F],

wonende te [....] ,

4.6 [G],

wonende te [....] ,

4.7 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[H] ,

gevestigd te [....] ,

4.8 [I],

wonende te [....] ,

4.9 [J],

wonende te [....] ,

4.10 [K],

wonende te [....] ,

4.11 [L],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: aanvankelijk mr. J. Wendelgelst, kantoorhoudende te Amstelveen, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

5 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,

gevestigd te Amsterdam,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. E.M. Soerjatin en mr. D.J.C. Storm, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

6.1 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk

AVIVA VIE S.A.,

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,

6.2 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk

AVIVA EPARGNE RETRAITE S.A.,

gevestigd te Bois-Colombes, Frankrijk,

6.3 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk

ANTARIUS S.A.,

gevestigd te Parijs, Frankrijk,

6.4 de rechtspersoon naar het recht van Frankrijk

AVIVA INVESTORS FRANCE S.A.,

gevestigd te Parijs, Frankrijk,

6.5 de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

6.6 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden

SCORE TRADE LTD,

(rechtsopvolger van GOLDEN BABYLON LTD),

gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,

6.7 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Marshalleilanden

FAIRVEST HOLDING LTD,

gevestigd te Majuro, Britse Marshalleilanden,

6.8 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden

ORTIKALIA VENTURES LTD,

(rechtsopvolger van KOCHAB TRADING LTD),

gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,

6.9 de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden

SILVERTOWN TRADING LTD,

gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,

6.10 de stichting

STICHTING OBLIGATIEHOUDERS SNS,

statutair gevestigd te Boekel,

6.11 de rechtspersoon naar het recht van Belize

DRAFY GROUP S.A.,

gevestigd te Belize City, Belize,

6.12 de rechtspersoon naar het recht van Belize

CHILLER LIMITED,

gevestigd te Belize City, Belize,

6.13 de rechtspersoon naar het recht van Panama,

GAPAGO TRADE S.A.,

gevestigd te Panama City, Panama,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. W.M. Schonewille, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

e n t e g e n

7.1 de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden

BRIGADE DISTRESSED VALUE MASTER FUND LTD,

7.2 de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden

BRIGADE LEVERAGED CAPITAL STRUCTURES FUND LTD,

7.3 de rechtspersoon naar het recht van de Kaaimaneilanden

BRIGADE CREDIT FUND 1 LTD,

alle gevestigd te Grand Cayman, Kaaimaneilanden,

7.4. de rechtspersoon naar het recht van Ierland

BURLINGTON LOAN MANAGEMENT LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: voorheen mr. M.H.J. van Maanen en mr. I.N. Tzankova, beiden kantoorhoudende te ’sGravenhage, thans mr. G. te Winkel en mr. N.A. van Loon, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

8.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië

ALPHA VALUE MANAGEMENT ITALY LTD.,

8.2 DE 286 NATUURLIJKE PERSONEN EN 7 RECHTSPERSONEN GENOEMD IN PRODUCTIE 1 BIJ DE ANTWOORDAKTE NA CASSATIE EN VERWIJZING VAN BELANGHEBBENDE 8.1, thans met uitzondering van [P],

8.3 [M],

8.4 [N],

8.5 [O],

allen wonende of gevestigd in [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. M.W.E. Evers en mr. S.E. Harenberg, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

8.6 [P],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

aanvankelijk bijgestaan door mr. M.W.E. Evers en mr. D.J.M. Lange, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, en vervolgens door mr. J. Meuleman, advocaat te Amsterdam, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

9.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië

UNIPOL ASSICURAZIONI S.P.A.,

gevestigd te Bologna, Italië,

9.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië

UNIPOL GRUPO FINANZIARIO S.P.A.,

gevestigd te Bologna, Italië,

9.3 de rechtspersoon naar het recht van Italië

ARCA VITA S.P.A.,

gevestigd te Verona, Italië,

9.4 de rechtspersoon naar het recht van Italië

FONDIARIA SA.I S.P.A.,

gevestigd te Turijn, Italië,

9.5 de rechtspersoon naar het recht van Italië

MILANO ASSICURAZIONI S.P.A.,

gevestigd te Milaan, Italië,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: voorheen mr. M. Ziekman en mr. B.T.A. Baldwin, beiden kantoorhoudende te Amsterdam, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

10. de rechtspersoon naar het recht van België

INTÉGRALE GEMEENSCHAPPELIJKE VERZEKERINGSKAS,

gevestigd te Luik, België,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. W.J. Bosma en mr. J.A.M.A. Sluysmans, beiden kantoorhoudende te ’sGravenhage,

e n t e g e n

11.1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TURFMIJ B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

11.2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CASTRIFON B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

11.3 DE 44 (RECHTS)PERSONEN GENOEMD IN BIJLAGE 1 BIJ HET VERWEERSCHRIFT VAN BELANGHEBBENDEN 11.1 en 11.2,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. J.M. van den Berg en mr. M. Wolters, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

12. de rechtspersoon naar het recht van Ierland

ANDALUSIAN GLOBAL LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. C. Zijderveld en mr. L. Tolatzis, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

13.1 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg

CCP CREDIT ACQUISITION HOLDINGS LUXCO SARL,

13.2 de rechtspersoon naar het recht van Luxemburg

CSCP 11 ACQUISITION LUXCO SARL,

beide gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. S.A.J. van Rossum, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

14.1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

BELEGGINGSCLUB 'T STOCKPAERT,

gevestigd te Rotterdam,

14.2 de stichting

STICHTING VALUE PARTNERS FAMILY OFFICE,

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas,

14.3 de naamloze vennootschap

OPHORST VAN MARWIJK KOOY VERMOGENSBEHEER N.V.,

gevestigd te Moordrecht, gemeente Zuidplas,

14.4 [Q],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. R. Slotboom, kantoorhoudende te Rotterdam,

e n t e g e n

15. de naamloze vennootschap

HOF HOORNEMAN BANKIERS N.V.,

gevestigd te Gouda,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen mr. N.G. Wijnstekers, kantoorhoudende te Amsterdam, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

16.1 de rechtspersoon naar het recht van Italië

UBI PRAMERICA SGR S.p.A.,

16.2 de rechtspersoon naar het recht van Italië

INTESA SAN PAOLO VITA S.p.A.,

beide gevestigd te Italië,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. M.H.R.N.Y. Cordewener, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

17. de stichting

STICHTING COMPENSATIE SNS PARTIPATIE CERTIFICATEN,

gevestigd te Deurne,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen mr. A.P. Kranenburg, kantoorhoudende te Amsterdam, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

18 [R] ,wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R.J. Borghans, kantoorhoudende te Arnhem,

e n t e g e n

19 [S] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen, kantoorhoudende te Heerlen,

e n t e g e n

20 [T] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. J.W.L. Vader, kantoorhoudende te Alkmaar,

e n t e g e n

21.1

de stichting

STICHTING MELDPUNT COLLECTIEF ONRECHT,

gevestigd te Heerhugowaard,

21.2

DE 48 PERSONEN GENOEMD IN BIJLAGE 1 BIJ HET VERWEERSCHRIFT VAN BELANGHEBBENDE SUB 21.1,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: voorheen mr. M. Raaijmakers, kantoorhoudende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

22 [U] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen mr. J. Meyer, kantoorhoudende te Zwolle, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

23.1

[V] ,

23.2

[W] ,

beiden wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. R.J. Borghans, kantoorhoudende te Arnhem,

e n t e g e n

24 [X] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. R.J. Borghans, kantoorhoudende te Arnhem,

e n t e g e n

25.1

[Y] ,

wonende te [....] ,

25.2

[Z] ,

wonende te [....] ,

25.3

[AA],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

allen in persoon verschenen,

e n t e g e n

26 [BB] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

27 [CC] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

28 [DD] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

29 [EE] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

30 [FF] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

31 [GG] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

32 [HH] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

in persoon verschenen,

e n t e g e n

33 [II] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen mr. J.H. van Gelderen, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

34 [JJ] ,

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: voorheen mr. A.R. Oosthout, kantoorhoudende te Leiden, thans zonder advocaat,

e n t e g e n

35.1

[KK] ,

35.2

[LL] ,

35.3

[MM] ,

35.4

[NN] ,

35.5

[OO] ,

35.6

[PP] ,

35.7

[QQ] ,

35.8

[RR] ,

35.9

[SS] ,

35.10

[TT] ,

allen wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker als de Minister;

  • -

    belanghebbenden sub 1 als VEB c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 2 als Stichting Beheer;

  • -

    belanghebbenden sub 3 als BNP c.s.;

  • -

    belanghebbenden sub 4 als Maatschap Convertentie c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 5 als FNV;

  • -

    belanghebbenden sub 6 als Aviva c.s.;

  • -

    belanghebbenden sub 7 als Brigade Fund c.s.;

  • -

    belanghebbenden sub 8 als Alpha Value c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 9 als Unipol c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 10 als Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas;

  • -

    belanghebbenden sub 11 als Turfmij c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 12 als Andalusian Global;

  • -

    belanghebbenden sub 13 als CCP c.s.;

  • -

    belanghebbenden sub 14 als ‘t Stockpaert c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 15 als Hof Hoorneman Bankiers;

  • -

    belanghebbenden sub 16 als UBI Pramerica c.s.;

  • -

    belanghebbenden sub 17 als Stichting Compensatie;

  • -

    belanghebbende sub 18 als [R] ;

  • -

    belanghebbende sub 19 als [S] ;

  • -

    belanghebbende sub 20 als [T] ;

  • -

    belanghebbenden sub 21 als Stichting Meldpunt c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 22 als [U] ;

  • -

    belanghebbenden sub 23 als [V] c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 24 als [X] ;

  • -

    belanghebbenden sub 25 als [Y] c.s.;

  • -

    belanghebbende sub 26 als [BB] ;

  • -

    belanghebbende sub 27 als [CC] ;

  • -

    belanghebbende sub 28 als [DD] ;

  • -

    belanghebbende sub 29 als [EE] ;

  • -

    belanghebbende sub 30 als [FF] ;

  • -

    belanghebbende sub 31 als [GG] ;

  • -

    belanghebbende sub 32 als [HH] ;

  • -

    belanghebbende sub 33 als [II] ;

  • -

    belanghebbende sub 34 als [JJ] ; en

  • -

    belanghebbenden sub 35 als [KK] c.s.

1.2

Voor het eerdere verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 11 juli 2013, 26 februari 2016, 16 augustus 2016, 3 november 2017, 16 april 2019, 11 juni 2019 en 25 november 2019, alle in de zaak met nummer 200.122.906/01 OK, en haar beschikking van 14 december 2017 in de zaak met nummer 200.122.906/02 OK.

1.3

In de beschikking van 26 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer kort gezegd:

- een onderzoek door deskundigen gelast ter beantwoording van de vraag:

Wat was op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening – op het hiervoor in 3.11 vermelde peilmoment – , naar uw oordeel de werkelijke waarde in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft van elk van de op de hierna volgende lijst vermelde effecten en vermogensbestanddelen naar de hiervoor onder 3.10 genoemde maatstaf en met inachtneming van hetgeen overigens in deze beschikking is overwogen?

- tot deskundigen benoemd:

mr. A.A.M. Deterink, te Schijndel;

dr. H. Oosterhout, te Amsterdam;

mr. E.M. Jansen Schoonhoven MBA, te Den Haag.

1.4

De deskundigen hebben op 27 april 2018 een deskundigenbericht uitgebracht (hierna ook: het deskundigenbericht).

1.5

Op 29 juni 2018 heeft de Minister ter griffie van de Ondernemingskamer een akte na deskundigenbericht, met producties ingediend. De Minister heeft daarbij zijn verzoek gewijzigd. Aanvankelijk strekte zijn verzoek tot vaststelling van de schadeloosstelling op nihil voor alle onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Thans verzoekt de Minister – kort gezegd – de schadeloosstelling (a) ten aanzien van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank vast te stellen op € 10 miljoen, althans € 129,55 miljoen, althans € 249,1 miljoen, (b) ten aanzien van de participatiecertificaten op € 45,19 miljoen, althans € 48,05 miljoen, althans € 50,9 miljoen en (c) ten aanzien van de achtergestelde effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal op nihil.

1.6

Bij de beschikking van 16 april 2019 heeft de Ondernemingskamer een nader onderzoek door de deskundigen bevolen zoals omschreven in 2.71 van die beschikking.

1.7

Bij e-mail van 24 april 2019 heeft mr. Deterink namens de deskundigen aan de Ondernemingskamer een plan van aanpak en kostenraming gestuurd.

1.8

De deskundigen hebben op 19 november 2019 een nader deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het nader deskundigenbericht).

1.9

Bij email van 2 december 2019 heeft Stichting Compensatie zich uitgelaten over de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

1.10

Op 4 december 2019 heeft de Ondernemingskamer van de deskundigen onder meer een specificatie van de reeds eerder door dr. Oosterhout verrichte werkzaamheden en de daarmee gemaakte kosten ontvangen.

1.11

Bij brief van 6 januari 2020 heeft de Ondernemingskamer de Minister in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (i) alle door de deskundigen in verband met het nader deskundigenonderzoek bestede tijd en gemaakte kosten en (ii) een specificatie van de reeds eerder door dr. Oosterhout verrichte werkzaamheden en de daarmee gemaakte kosten.

1.12

Op 9 januari 2020 heeft de Minister een akte na nader deskundigenbericht ingediend.

1.13

Bij e-mail van 22 januari 2020 met bijlage heeft [HH] gereageerd op de akte van de Minister van 9 januari 2020.

1.14

Op 30 januari 2020 heeft de Minister een akte uitlating kosten nader deskundigenonderzoek ingediend.

1.15

Bij email van 10 februari 2020 heeft [HH] gereageerd op de akte van de Minister van 30 januari 2020.

1.16

Op 19 februari 2020 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met productie van Stichting Beheer;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas;

- een e-mail van [UU] over het nader deskundigenbericht en de kosten van rechtsbijstand;

- een e-mail van [GG] over de door hem gemaakte kosten;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van [V] ;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van [X] ;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van [R] ;

- nadere akte (tevens houdende wijziging verzoek) en een nadere akte (opgave kosten rechtsbijstand) van ’t Stockpaert c.s.;

- een akte na nader deskundigenbericht met producties van Turfmij c.s.

1.17

Op 20 februari 2020 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van Brigade Fund c.s.

- een akte van Stichting Beheer;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met productie van Hof Hoorneman Bankiers;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van VEB c.s.;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van BNP c.s.;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht en tevens akte uitlating kosten met producties van Andalusian Global;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van UBI Pramerica c.s.;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met bijlage van CCP c.s.;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht met producties van FNV;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht van met producties van Alpha Value c.s.;

- een akte houdende opgave kosten rechtsbijstand alsmede een antwoordakte na nader deskundigenbericht van [II] ;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht tevens akte uitlating kosten van Aviva c.s.;

- een e-mail met bijlage van [JJ] over het nader deskundigenbericht en de kosten van rechtsbijstand;

- een antwoordakte na nader deskundigenbericht van [KK] c.s.

1.18

Bij brief van 24 februari 2020 heeft Brigade Fund c.s. zich nader uitgelaten over de gemaakte kosten van rechtsbijstand.

1.19

Bij e-mail van 2 maart 2020 heeft [HH] nogmaals zijn e-mail van 10 februari 2020 aan de Ondernemingskamer gezonden.

1.20

Op 26 maart 2020 heeft de Minister een akte uitlating kosten belanghebbenden ingediend.

1.21

Bij brief van 26 maart 2020 heeft de Ondernemingskamer partijen bericht dat de mondelinge behandeling op 18 mei 2020 niet doorgaat in verband met de uitbraak van het coronavirus. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in de brief genoemde opties, te weten (i) verplaatsing van de mondelinge behandeling naar september 2020 of (ii) schriftelijke voortzetting van de procedure door middel van het indienen van een schriftuur, waarna de Ondernemingskamer vervolgens uitspraak doet.

1.22

Op 31 maart 2020 heeft de Ondernemingskamer een e-mail met productie van Alpha Value c.s. ontvangen.

1.23

Bij brief van 2 april 2020 heeft de Ondernemingskamer partijen bericht dat de Minister en Stichting Beheer er de voorkeur aan geven dat nog een mondelinge behandeling in de procedure plaatsvindt en dat gelet op deze reactie en de agenda van de Ondernemingskamer de mondelinge behandeling verplaatst zal worden naar september 2020. Verder is de Minister in de gelegenheid gesteld om een akte in te dienen met betrekking tot de kostenopgave van [JJ] , nu de Minister deze abusievelijk niet had ontvangen.

1.24

Op 13 april 2020 heeft de Ondernemingskamer een e-mail met bijlagen aangaande de proceskosten van [JJ] ontvangen.

1.25

Op 15 april 2020 heeft de Minister ter griffie van de Ondernemingskamer een akte uitlating kosten belanghebbende [JJ] ingediend.

1.26

Op 16 april 2020 heeft de Ondernemingskamer een e-mail met nadere bijlagen aangaande de proceskosten van [JJ] ontvangen.

1.27

Bij brief 29 mei 2020 heeft Brigade Fund c.s. de Ondernemingskamer verzocht een extra schriftelijke ronde over de kosten te gelasten.

1.28

Bij brief aan partijen van 9 juni 2020 heeft de Ondernemingskamer onder meer bericht dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 24 september 2020 en dat zij geen aanleiding ziet het verzoek van Brigade Fund c.s. bedoeld onder 1.27 toe te wijzen.

1.29

Op 3 september 2020 zijn ter griffie van de Ondernemingskamer ontvangen:

- een akte met productie getiteld ‘het Additioneel Rapport Deloitte’ van de Minister;

- producties van Brigade Fund c.s.

- een brief met producties van [II] ;

- een akte met producties en reactie betreffende kostenopgave van [X] ;

- een akte met producties van Turfmij c.s.;

- een akte met productie van VEB c.s.

1.30

Bij e-mail van 11 en 14 september 2020 heeft de Ondernemingskamer nadere stukken van [GG] ontvangen.

1.31

Bij brief van 15 september 2020 hebben VEB c.s. bezwaar gemaakt tegen de door de Minister op 3 september 2020 ingediende productie, het Additioneel Rapport Deloitte en verzocht dit rapport buiten beschouwing te laten. Bij e-mail van diezelfde dag heeft de secretaris van de Ondernemingskamer de Minister in de gelegenheid gesteld uiterlijk op 17 september 2020 te reageren op de brief van de VEB c.s. De secretaris heeft medegedeeld dat de Ondernemingskamer niet eerder dan ter zitting zal beslissen over de toelaatbaarheid van het Additioneel Rapport Deloitte. Een kopie van dit bericht is aan de advocaten van partijen gezonden.

1.32

Op 16 september 2020 heeft de Ondernemingskamer een e-mail met bijlage van [S] ontvangen.

1.33

Op 17 september 2020 heeft de Ondernemingskamer brieven ontvangen van FNV, Stichting Beheer, Brigade Fund c.s. en de Minister. FNV heeft aan de Ondernemingskamer bericht dat FNV zich aansluit bij de bezwaren van VEB c.s. als verwoord in de brief bedoeld onder 1.31. Verder heeft FNV naar voren gebracht dat ook nieuw is het standpunt van de Minister dat (samengevat) bij de achtergestelde crediteuren op SNS Reaal niveau sprake zou zijn van een "oneigenlijke achterstelling", in die zin dat op de vorderingen van die crediteuren pas betaling kan plaatsvinden nadat ook de post faillissementsvorderingen van de concurrente crediteuren van zowel SNS Bank als SNS REAAL volledig zijn voldaan (hierna ook: het Achterstellingsstandpunt). FNV wil dat naast het Additioneel Rapport Deloitte ook het Achterstellingsstandpunt buiten beschouwing wordt gelaten. Stichting Beheer heeft aan de Ondernemingskamer bericht dat Stichting Beheer zich aansluit bij de bezwaren van VEB c.s. en FNV als verwoord in hun brieven. Brigade Fund c.s. heeft de Ondernemingskamer verzocht het Additioneel Rapport Deloitte en het Achterstellingsstandpunt niet toe te laten in deze procedure. De Minister heeft gereageerd op de brieven van VEB c.s., FNV, Brigade Fund c.s. en Stichting Beheer en verzoekt de Ondernemingskamer om de verzoeken van VEB c.s., FNV, Brigade Fund c.s. en Stichting Beheer af te wijzen.

1.34

Bij brief aan de Ondernemingskamer van 18 september 2020 heeft VEB c.s. gereageerd op de brief van de Minister van 17 september 2020 en handhaaft VEB c.s. het verzoek bedoeld onder 1.31.

1.35

Bij brief van 18 september 2020 heeft CCP c.s. aan de Ondernemingskamer bericht dat CCP c.s. de bezwaren deelt als verwoord in de brief van VEB c.s. bedoeld onder 1.31 en 1.33 en heeft CCP c.s. de Ondernemingskamer verzocht bij aanvang van de zitting over het verzoek van VEB c.s. te beslissen.

1.36

Bij e-mail van 21 september 2020 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer aan de advocaten van partijen – kort samengevat – bericht dat de Ondernemingskamer in de recente correspondentie geen aanleiding ziet om terug te komen van de op 15 september 2020 gedane mededeling dat niet eerder dan ter zitting zal worden beslist over de verzoeken van VEB c.s., FNV, Stichting Beheer, Brigade Fund c.s. en CCP c.s.

1.37

De mondelinge behandeling na nader deskundigenbericht vond plaats ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 24 september 2020. Bij die gelegenheid hebben de volgende advocaten de standpunten van de door hen vertegenwoordigde partijen toegelicht, allen aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen:

- mr. De Haan en mr. Tilanus, namens de Minister;

- mr. Cornegoor, namens VEB c.s.;

- mr. Spinath en mr. Pannevis, namens Stichting Beheer;

- mr. Van Bosselaar, namens BNP c.s.;

- mr. Soerjatin en mr. Storm, namens FNV;

- mr. Te Winkel en mr. Olsthoorn, namens Brigade Fund c.s.;

- mr. Wolters, namens Turfmij c.s.;

- mr. Van Rossum, namens CCP c.s.

1.38

Verder hebben de belanghebbenden [Q] , namens ’t Stockpaert c.s., [VV] namens Stichting Compensatie, [GG] , [HH] en [II] het woord gevoerd, ieder aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen.

1.39

De Ondernemingskamer heeft meegedeeld dat bij deze beschikking zal worden beslist op de verzoeken van VEB c.s., FNV, Stichting Beheer, Brigade Fund c.s. en CCP c.s. als bedoeld onder 1.31 en 1.33.

1.40

Partijen, hun advocaten en vertegenwoordigers en de deskundigen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2 De gronden van de beslissing

De uitgangspunten

2.1

De Ondernemingskamer gaat bij de verdere beoordeling uit van de feiten zoals die blijken uit haar eerdere beschikkingen en de beschikking van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:661, hierna: de beschikking van de Hoge Raad).

2.2

De Ondernemingskamer stelt nogmaals voorop dat de schadeloosstelling begroot dient te worden op de werkelijke waarde die het onteigende vermogensbestanddeel of effect heeft en dat daarbij als maatstaf heeft te gelden de prijs die, gegeven het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief van SNS Bank en SNS Reaal, tot stand zou zijn gekomen bij een vrije verkoop van de onderscheiden effecten en vermogensbestanddelen in het economisch verkeer tussen redelijk handelende partijen. In het kader van een geobjectiveerde waardebepaling dient, zoveel mogelijk, de werkelijke financiële positie van de onderneming (op het peiltijdstip) te worden vastgesteld. Daartoe zullen alle relevante feiten en omstandigheden op het peiltijdstip in aanmerking moeten worden genomen, ook die welke niet algemeen bekend waren.

2.3

De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 16 april 2019 – kort gezegd – geoordeeld dat het te verwachten toekomstperspectief op 1 februari 2013 was dat SNS Bank en SNS Reaal zouden zijn gefailleerd, dat in een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen een 10 jarige run-off zou hebben plaatsgevonden en dat in een faillissement van SNS Reaal de activa op korte termijn te gelde zouden zijn gemaakt waarbij Reaal N.V. op een termijn van twee jaar zou zijn verkocht.

2.4

In de beschikking van 16 april 2019 heeft de Ondernemingskamer vervolgens een nader onderzoek door de deskundigen bevolen en daaromtrent in rov. 2.71 als volgt overwogen:

De Ondernemingskamer zal een nader deskundigenonderzoek bevelen naar de werkelijke waarde in de zin van artikel 6:8 lid 2 Wft van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen per 1 februari 2013, in die zin dat de deskundigen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, op basis van de door de deskundigen daarvoor nodig geachte en beschikbare informatie, alsnog een berekening dienen op te stellen van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van de faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen en, zo nodig, nader toe lichten wat de invloed daarvan is op de onder rov. 2.55 genoemde te hanteren disconteringsvoet. Daarnaast dienen de deskundigen met inachtneming van hetgeen onder rov. 2.36 is overwogen nader toe te lichten wat de invloed zou zijn geweest van het saldocompensatiestelsel op de opbrengst van een verkoop van Reaal N.V. in het kader van het faillissement van SNS Reaal en de gevolgen daarvan en van de onzekerheid over de timing van een verkoop van Reaal N.V. voor de onder rov. 2.56 en 2.57 genoemde te hanteren disconteringsvoet. De deskundigen dienen tevens nader toe te lichten op welke wijze zij bij de waardering rekening hebben gehouden met de vorderingen ter zake van de vóór de faillissementsdatum reeds opgekomen, maar nog niet uitbetaalde rente op de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Indien en voor zover hun nader bericht daartoe aanleiding geeft, dienen de deskundigen op basis daarvan de werkelijke waarde per 1 februari 2013 van elk van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal nader vast te stellen.

2.5

De Ondernemingskamer herhaalt dat zij zelfstandig dient te onderzoeken welke schadeloosstelling aan de onteigenden toekomt en dat zij daarbij niet gebonden is aan het (nader) advies van de door haar benoemde deskundigen. Ook is de Ondernemingskamer niet gebonden aan de standpunten van partijen over de hoogte van de schadeloosstelling. Indien de stukken van het geding daartoe aanknopingspunten verschaffen, dient de Ondernemingskamer ambtshalve onderzoek te doen naar de betekenis van die aanknopingspunten voor de schadeloosstelling. De Ondernemingskamer mag in een zodanig geval in beginsel geen gevolgen verbinden aan het nalaten van partijen om uit eigen beweging (tijdig) gegevens te verschaffen. Wel kan zij daartoe aan partijen instructies geven en mag zij gevolgen verbinden aan de wijze waarop partijen aan die instructies gehoor geven (HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069). Tegen deze achtergrond zal de Ondernemingskamer voor zover van belang hierna ingaan op het nader deskundigenbericht en de standpunten van partijen. Daarbij geldt dat indien het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de deskundigen, de Ondernemingskamer haar beslissing om de zienswijze van de deskundigen te volgen in het algemeen niet verder hoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door de deskundigen gebezigde motivering haar overtuigend voorkomt. Wel zal de Ondernemingskamer ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de deskundigen, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).

Het nader deskundigenbericht

2.6

De deskundigen hebben op 19 november 2019 hun nader deskundigenbericht uitgebracht. Het nader deskundigenbericht houdt in hoofdstuk 2 als ‘managementsamenvatting’ onder meer het volgende in:

“Deskundigen hebben (…) in dit Nader Bericht aangenomen dat curatoren het veronderstelde faillissement van SNS Bank vennootschappelijk en niet geconsolideerd zouden hebben afgewikkeld. Gezien de exclusieve focus van deskundigen bij de run-off op de hypothecaire vorderingen hebben zij een tweedeling gemaakt voor wat betreft de juridische vennootschappen binnen SNS Bank. In Hoofdstuk 3 wordt de run-off nader uitgewerkt voor SNS Bank enkelvoudig en voor ieder van haar dochtervennootschappen met een hypotheekportefeuille op de balans, leidend tot de volgende groep van entiteiten:

SNS Bank N.V. (enkelvoudig)

• Regiobank N.V.

• ASN Bank N.V.

• Holland Woningfinanciering N.V.

• Woningfonds B.V.

De run-off van de vastgoedleningenportefeuille van PF [Property Finance, toevoeging OK], ook een dochter van SNS Bank, hebben deskundigen reeds op geconsolideerde wijze geanalyseerd in Hoofdstuk 7.11 van het Deskundigenbericht. Deskundigen zijn van oordeel dat de enkelvoudige afwikkeling van PF en al haar meer dan 170 binnenlandse en buitenlandse, al of niet 100%, dochtervennootschappen, deelnemingen, joint-ventures, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en andere samenwerkingsverbanden niet tot hun opdracht behoorde. De enkelvoudige run-off van SNS Bank betrof de goed renderende hypotheekhoudende dochtervennootschappen van SNS Bank en niet PF met een eigen vastgoedleningenportefeuille, onder andere bestaande uit commercieel vastgoed en een groot aantal non-performing loans.

Deskundigen zijn voorts en zulks ten overvloede van oordeel dat een dergelijke enkelvoudige afwikkeling in het kader van de waardering van de relevante effecten en vermogensbestanddelen zinloos zou zijn geweest. Gezien (i) de matige kwaliteit van deze portefeuille (hetgeen heeft geleid tot een forse impairment en een substantieel negatief eigen vermogen bij PF, zie Hoofdstuk 4.2.2 van het Deskundigenbericht), (ii) de geringe kans op significante liquidatieoverschotten bij de diverse dochters van PF en (iii) de zeer kleine hoeveelheid externe financiering van PF en hiermee marginale kans op zogenaamde leakage zou de enkelvoudige afwikkeling een zinloze alsmede een zeer veel tijd en geld vergende exercitie zijn geweest. Voor meer details, zie Hoofdstuk 10 van dit Nader Bericht.

Hoewel niet expliciet gevraagd door de Ondernemingskamer hebben deskundigen in Hoofdstuk 4 ook van alle overige (niet-hypotheek houdende) deelnemingen van SNS Bank de uitkomsten van een enkelvoudige afwikkeling/liquidatie in kaart gebracht en ingeschat welk totaalbedrag via de enkelvoudige afwikkeling van deze deelnemingen ten goede zou zijn gekomen aan de enkelvoudige boedel van SNS Bank. Gelieve in aanmerking te nemen dat deze afwikkelingen/liquidaties geen run-off proces benodigen en zich dus in relatief korte tijd zullen voltrekken.

De uitkomsten van de hiervoor bedoelde individuele run-off’s (Hoofdstuk 3) en van de afwikkeling/liquidatie van alle overige niet-hypotheek-houdende deelnemingen (Hoofdstuk 4) kunnen als volgt worden samengevat:

• In totaal zou in het veronderstelde faillissement van SNS Bank ca. € 5,12 mrd resteren voor aflossing van de achtergestelde schulden in plaats van het eerder in het Deskundigenbericht genoemde bedrag van € 6,66 mrd;

• Het verschil van € 1,54 mrd wordt verklaard door: (i) zogenaamde leakage, verwijzend naar het feit dat de run-off van Regiobank en ASN Bank zodanig is dat hun externe schuldeisers het positieve boedelsaldo na de run-off en na aflossing van al hun schulden, ook kunnen benutten ter betaling van rente opgelopen na faillissementsdatum, waardoor SNS Bank enkelvoudig (als moeder) deze betalingen misloopt en dus niet kan aanwenden voor aflossing van haar achtergestelde schulden, (ii) meer precieze informatie inzake de securitisaties, zoals meer recent ontvangen door de deskundigen, waardoor de totale hoeveelheid te ontvangen rente uit de run-off ca. € 170 mio minder is dan eerder geanalyseerd in het Deskundigenbericht en (iii) de afboeking op de PF lening van SNS Bank is € 25 mio hoger geworden (vanwege de exacte stand van het eigen vermogen van PF per peildatum en een kleine 403-claim opkomend uit externe crediteuren van PF (ter grootte van € 24 mio);

• Deze somma ad € 5,12 mrd is echter nog steeds significant hoger dan het nominale bedrag van uitstaande achtergestelde schulden van ca. € 703 mio, waardoor de in het Deskundigenbericht getrokken conclusie wordt gehandhaafd: met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen de relevante effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank worden afgelost aan het eind van de 10-jaars run-off periode.

Tot slot hebben deskundigen de hypotheekportefeuille op basis van de verkregen loan-tapes opnieuw, nu nog meer gedetailleerd, laten analyseren (Hoofdstuk 3.9). Daaruit is naar voren gekomen dat de in het Deskundigenbericht toegepaste parameters conservatief en prudent zijn; deskundigen handhaven dan ook de eerder toegepaste parameters. (…).

Als laatste twee aanpassingen inzake de afwikkeling van de SNS Bank vennootschappen en hun achtergestelde schulden zijn verwerkt: (i) het feit dat de zogenaamde OHRA lening een contractuele clausule kent waardoor de houders van deze lening bij de aflossing van de lening aanspraak kunnen maken op een boete ter grootte van 5% van de nominale waarde en geen recht hebben op rente na faillissementsdatum (oftewel € 0,57 mio boete) en (ii) de 403-claim vanuit de Overige Passiva crediteuren van PF, ter grootte van ca. € 86 mio aan opgelopen rente sinds de faillissementsdatum en € 24 mio aan nog af te lossen hoeveelheid, die bij moeder SNS Bank als 403-claim zal worden ingediend (…).

In Hoofdstuk 6 hebben deskundigen de enkelvoudige afwikkeling van het faillissement van SNSR [SNS Reaal, toev. OK] en haar dochtervennootschappen (met uitzondering van SNS Bank) nader geanalyseerd. Hier is de conclusie als volgt:

• Deskundigen houden vast aan een gezamenlijke verkoop van de entiteiten Reaal N.V., SNS Asset Management N.V. en SNS Beleggingsfondsen Beheer B.V. na een periode van 2 jaar na de peildatum. Dit betekent dat alleen dochter SNS Reaal Invest N.V. wordt geliquideerd, althans in faillissement wordt afgewikkeld; van SNS Beleggingsfondsen N.V. wordt slechts 1 prioriteitsaandeel gehouden en deze is hiermee niet materieel;

• De verwachte verkoopopbrengst van Reaal en haar twee zustermaatschappijen ad € 1,43 mrd komt nader aan de orde in Hoofdstuk 7. Deskundigen hebben allereerst de opbrengst van Reaal met € 100 mio naar beneden bijgesteld als gevolg van de invloed van het saldocompensatiestelsel;

• De somma ad € 1,43 mrd is vervolgens verminderd met € 206 mio, zijnde de nettoschuld verhouding tussen SNS Reaal en Reaal en aldus verrekend met de beoogde koper van Reaal en haar gelieerde entiteiten. De netto-opbrengst van € 1,22 mrd zou over een periode van 8 jaar ca. € 210 mio aan rente hebben gegenereerd ten behoeve van de boedel. In het Deskundigenbericht hebben deskundigen deze rente buiten beschouwing gelaten; bij nadere overweging vinden deskundigen dat deze rente-inkomsten wel moeten worden meegenomen;

• De afwikkeling van SNS Reaal Invest leidt tot een aan het einde van de afwikkeling resterende schuld van ca. € 35 mio, welke schuld via een 403-claim zal worden ingediend in het faillissement van SNSR;

• Het totaal boedelactief van SNSR neemt daarmee met € 110 mio toe (€ 210 mio rente minus € 100 mio reductie als gevolg van saldocompensatie), terwijl de concurrente schulden in SNSR toenemen met € 35 mio (403-claims vanuit SNS Reaal Invest).

Deskundigen hebben in Hoofdstuk 7, op verzoek van de Ondernemingskamer, nader geanalyseerd wat de invloed zou zijn geweest van het saldocompensatiestelsel op de verwachte opbrengst van een verkoop van Reaal N.V. in het kader van het faillissement van SNSR en de gevolgen daarvan en van de onzekerheid over de timing van een verkoop van Reaal N.V. voor de te hanteren disconteringsvoet.

Deskundigen komen tot de conclusie dat met in acht name van het saldocompensatiestelsel de opbrengst van Reaal niet € 1,3 mrd zou hebben bedragen doch € 1,2 mrd. Dit verschil wordt veroorzaakt door de extra kosten die een koper zou moeten maken om het ingeschatte kapitaaltekort uit hoofde van het saldocompensatiestelsel te neutraliseren. Daarnaast zijn deskundigen nader van mening dat de curator van SNSR de gerealiseerde (verwachte) netto verkoopopbrengst (ter grootte van € 1,22 mrd, zijnde de som van € 1,2 mrd voor Reaal en de eerder ingeschatte € 230 mio voor haar beide zustermaatschappijen minus de nettoschuld van SNSR aan Reaal ad € 206 mio) gedurende de resterende 8 jaar van het verwachte run-off proces op een spaardeposito zou hebben gezet. Dit zou voor de boedel extra rente-inkomsten van ongeveer € 210 mio hebben gegenereerd; hiermee zou de genoemde verlaging van € 100 mio meer dan ingelopen zijn.

De ingeschatte depositotermijn van 8 jaar hangt samen met het feit dat tussentijdse uitdelingen in het faillissement van SNSR problematisch zouden zijn geweest, omdat hoogst onzeker zou zijn geweest hoeveel de 403-claims vanuit het faillissement van SNS Bank zouden gaan bedragen. Curatoren van SNSR zouden de afloop van de run-off van SNS Bank hebben moeten afwachten alvorens uitdelingen te kunnen doen.

Dit positieve saldo van € 110 mio betekent bovendien dat het naar het oordeel van deskundigen geen effect zou hebben op de eerder door hen gehanteerde disconteringsvoet in het faillissementsscenario van SNSR. Met andere woorden: de contante waarde van de terug te betalen nominale hoeveelheden onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNSR blijft identiek aan de vaststelling in het Deskundigenbericht. Wel hebben deskundigen thans bij de waardering van de effecten en vermogensbestanddelen rekening gehouden met de openstaande rente per faillissementsdatum (peildatum). (…)

Ook onzekerheid over de verkoop van REAAL zou volgens deskundigen niet van invloed zijn geweest op de te hanteren disconteringsvoet. REAAL was een overzichtelijke verzekeraar, die door partijen goed te waarderen was. Er kon in 2013 door professionele potentiële kopers vanuit gegaan worden dat een curator vrij snel na aanvang van het faillissement REAAL zou kunnen verkopen. De daarvoor door deskundigen gehanteerde termijn van twee jaar is een redelijke inschatting.

Tot slot betekent het extra positieve boedelsaldo van SNSR en haar onderdelen, in combinatie met het totaalbedrag van de opgelopen rente na faillissementsdatum, welk totaalbedrag in het faillissement van SNS Bank ongeveer € 1 mrd minder is dan eerder vastgesteld bij de geconsolideerde run-off, en rekening houdend met het gegeven dat de concurrente schulden van SNSR met € 35 mio (403-claims vanuit SNS Reaal Invest) zullen stijgen, dat de hoeveelheid rente opgelopen na faillissementsdatum die de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank nog tegemoet kunnen zien uit het tweede faillissement van SNSR licht toeneemt.

Het totaal boedelactief van SNS Reaal zou namelijk zijn uitgekomen op ca. € 1,634 mrd in plaats van het in het Deskundigenbericht becijferde bedrag van ruim € 1,5 mrd. Na aftrek van de in het Deskundigenbericht ingeschatte faillissements-/beheerskosten van € 138 mio, zou aan het einde van het faillissement een boedelactief geresteerd hebben van ca. € 1,496 mrd. Tegenover het boedelactief van pro saldo ca. € 1,496 mrd staan in het faillissement van SNSR concurrente schulden ad in totaal ca. € 655 mio (€ 620 mio plus € 35 mio 403-claim SNS Reaal Invest) en achtergestelde schulden ad ca. € 374,1 mio (in het Deskundigenbericht is uitgegaan van € 376 mio doch uit nadere opgave van De Volksbank is gebleken dat de FNV-lening niet € 22,7 mio bedroeg doch € 20,8 mio). Na volledige voldoening van de concurrente en achtergestelde schulden (met uitzondering van de Core Tier 1 Securities) zou bij beëindiging van het eerste faillissement van SNSR sprake zijn geweest van een surplus van ca. € 467 mio. Dit bedrag zou in het tweede faillissement van SNSR pro rata zijn uitgedeeld aan de concurrente 403-rentevorderingen ad € 14,1 mrd uit het faillissement van SNS Bank, de concurrente 403-rentevorderingen uit het faillissement van SNS Reaal Invest ad € 39 mio en de post faillissementsrente vorderingen van de concurrente schuldeisers van SNSR ad € 612 mio, leidend tot een uitkeringspercentage van ca. 3,2% en is hiermee iets hoger dan in het Deskundigenbericht becijferd. Voor de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank, met hun 403-vordering van € 284 mio zou dit ca. € 9,0 mio aan renteopbrengst hebben betekend.

De factor om deze extra rentecomponent contant te maken wordt door deskundigen nog steeds ingeschat op 55%, verwijzend naar bovenstaande conclusie dat het boedelsurplus van SNS Reaal per saldo hoger is geworden. (…).

In Hoofdstuk 8 hebben deskundigen de met betrekking tot de onteigende effecten en vermogensbestanddelen per faillissementsdatum (peildatum) reeds openstaande rente in kaart gebracht. Deze rente wordt thans in de waardering betrokken. Bij nader onderzoek is deskundigen gebleken dat in het Deskundigenrapport bij de waardering van de effecten en vermogensbestanddelen geen rekening is gehouden met deze per peildatum nog niet uitbetaalde rente op de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Deze rente was weliswaar wel vervat in de per faillissementsdatum (peildatum) openstaande schulden doch werd, zoals gezegd, bij de waardering ten onrechte niet opgeteld bij de nominale waarden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. In totaal gaat het om € 14,6 mio voor wat betreft de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en om € 13,8 mio voor wat betreft de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNSR. De contante waarde van deze beide bedragen, uit te keren aan het einde van de run-off periode, wordt meegenomen in de bepaling van de werkelijke waarde.

Afsluitend hebben deskundigen op basis van het vorenstaande de werkelijke waarde per 1 februari 2013 van elk van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNSR nader vastgesteld in Hoofdstuk 9. Ten aanzien van de participatiecertificaten zijn deskundigen in principe uitgegaan van een classificatie als achtergestelde schuld; in het alternatief indien zij als concurrente schuld worden gezien, dan wordt hun nominale schuldhoeveelheid reeds jaarlijks afgelost tijdens de run-off periode (gelijke aan de andere concurrente schulden) en betekent dit een contante waarde disconteringsfactor van ongeveer 90%, op basis van een risicovrije 5-jaars interestvoet. Voor een totaaloverzicht van de waarde per relevant onteigend effect en vermogensbestanddeel wordt verwezen naar onderstaande tabel (…):

in € mio (…)

Bank

5.75% July 2003 perpetual (…) 8.5

11.25% Nov 2009 perpetual (…) 244.9

4.238% May 1999 May 2019 (…) 3.9

6.625% May 2008 May 2018 (…) 29.0

6.25% Oct 2010 Oct 2020 (…) 204.4

Participatiecertificaten (3) 2003 perpetual (…) 43.9

Poseidon Onderhandse Lening @ 5.25% 1999 2019 (…) 0.30

OHRA Onderhandse Lening @ 6.83% 1999 2024 (…) 9.0

Totaal 543.8

Holding

6.258% July 2007 perpetual (...) 193,9

8.45% Aug 2008 Aug 2018 (…) 57.4

Van Doorn OHL @ 7.13 % 2000 2020 (…) 15.3

Van Doorn OHL @ 7.10% 2000 2020 (…) 8.1

Stichting FNV OHL @ 6.0% 1997 2014 (…) 16.5

Totaal 291.3

Te ontvangen door (andere dan Staat) Aandeelhouders

Gewone aandelen SNSR 0

Aandelen B SNS reaal 0

CT-1’s Stichting Beheer (na conversie naar gewone aandelen) 0

(…) Overall totaal 835.1”

Algemeen

2.7

De Minister heeft met betrekking tot het nader deskundigenbericht een drietal algemene opmerkingen gemaakt, te weten – kort gezegd – (i) dat het nader deskundigenbericht de belangrijkste conclusies van de deskundigen niet kan dragen, (ii) dat de deskundigen bij hun berekening van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen zijn uitgegaan van andere uitgangspunten dan zij in het deskundigenbericht hanteerden en (iii) dat de deskundigen zonder voldoende toelichting zijn afgeweken van de door de Ondernemingskamer in de beschikking van 16 april 2019 gegeven instructie voor het opstellen van een nader deskundigenbericht.

2.8

Voor zover de Minister met zijn algemene opmerkingen betoogt dat het nader deskundigenbericht niet ter vaststelling van de schadeloosstelling kan dienen omdat de deskundigen andere uitgangspunten hebben gehanteerd dan in hun eerder deskundigenbericht en zijn afgeweken van hetgeen de Ondernemingskamer in de beschikking van 16 april 2019 heeft overwogen, miskent hij dat de deskundigen het door de Ondernemingskamer bevolen nader onderzoek naar de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen per 1 februari 2013 zelfstandig dienden te verrichten, op basis van de aan hen daarvoor ten dienste staande (nadere) informatie, en dat het hen daarbij vrij stond om op grond van hun kennis en expertise waar nodig af te wijken of terug te komen van eerdere bevindingen en daar waar zulks dienstig is andere of betere uitgangspunten te hanteren. Dat strookt ook met de taak van de Ondernemingskamer in deze zaak, zoals hierboven in 2.5 weergegeven. De meer algemene bezwaren van de Minister kunnen daarom niet tot de slotsom leiden dat het nader deskundigenbericht niet kan dienen ter vaststelling van de werkelijke waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen per 1 februari 2013. Voor zover de algemene opmerkingen van de Minister daarnaast ook specifieke bezwaren tegen de zienswijze van de deskundigen inhouden zal de Ondernemingskamer daarop hierna nader ingaan.

SNS Bank

2.9

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht, mede op basis van daartoe verkregen nadere informatie, een berekening opgesteld van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen. De deskundigen zijn daarbij soms afgeweken van door hen in het deskundigenbericht gebruikte uitgangspunten en hebben deels andere conclusies getrokken uit de hen ter beschikking staande nadere informatie. De Minister heeft de juistheid daarvan op onderdelen betwist. De Ondernemingskamer overweegt daarover als volgt.

herrubricering obligaties SPV’s

2.10

Deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht uiteengezet dat SNS Bank in het kader van haar securitisatieprogamma’s per 31 januari 2013 in totaal € 20,1 miljard aan hypothecaire vorderingen had gesecuritiseerd. Daarvan werd een bedrag van € 9,1 miljard, in de vorm van door de desbetreffende special purpose vehicles (SPV’s) uitgegeven obligaties, per 31 januari 2013 door SNS Bank op eigen boek gehouden. Deskundigen zijn ervan uitgegaan dat de curator in een faillissement van SNS Bank de securitisatieprogamma’s zou hebben beëindigd en de met de door SNS Bank op eigen boek gehouden obligaties corresponderende hypothecaire vorderingen zou hebben teruggekocht, waarbij de kooprijs zou zijn verrekend met de waarde van de op eigen boek gehouden obligaties. Deskundigen hebben vervolgens deze hypothecaire vorderingen ter waarde van € 9,1 miljard betrokken bij de berekening van het te verwachten resultaat van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank.

2.11

De Minister heeft er op gewezen dat de curator alleen de beëindiging van de interne securitisatieprogamma’s waarbij SNS Bank alle uitgegeven obligaties hield (€ 7,7 miljard), zelfstandig had kunnen bewerkstelligen, maar dat hij de beëindiging van securitisatieprogamma’s waarbij ook door derden obligaties werden gehouden (€ 1,4 miljard), alleen had kunnen bewerkstelligen indien die derden daaraan hun medewerking zouden hebben willen verlenen. De Minister meent dat het daarom voor de hand ligt er van uit te gaan dat deze obligaties bij een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank als zodanig op de balans van SNS Bank waren blijven staan, hetgeen volgens de Minister leidt tot een verminderde verwachte opbrengst van de run-off van € 252 miljoen.

2.12

De Ondernemingskamer stelt vast dat de Minister niet heeft bestreden dat de door de deskundigen beschreven handelwijze van de curator voor de hand ligt, omdat met de instandhouding van de securitisatieprogamma’s na een faillissement van SNS Bank (en aflossing van de door de ECB verstrekte monetaire faciliteit, waarvoor de door SNS Bank gehouden obligaties tot zekerheid strekten) geen redelijk doel meer werd gediend, terwijl een afwikkeling van de teruggekochte hypothecaire vorderingen in het kader van een run-off tot een voor de boedel beter resultaat zou hebben geleid. De Minister heeft evenmin bestreden dat zoals de deskundigen hebben toegelicht, de terms and conditions van de desbetreffende securitisatieprogamma’s in beginsel ruimte boden om in overleg met de desbetreffende SPV’s de first optional redemption date te vervroegen naar de eerste betaaldatum in 2013, zoals dat ook in het faillissement van DSB is gebeurd. Tegen die achtergrond kan de Minister niet volstaan met te stellen dat de curator de securitisatieprogamma’s waarbij een deel van de obligaties ook door derden werden gehouden “niet zonder meer” had kunnen stopzetten en afwikkelen omdat SNS Bank de respectieve vergaderingen van de houders van obligaties niet controleerde, maar had hij concreet moeten toelichten waarom die derden in de gegeven omstandigheden in het licht van een faillissement van SNS Bank, niet zouden hebben willen instemmen met een vroegtijdige beëindiging van de securitisatieprogamma’s. Nu de Minister dat in het geheel niet heeft gedaan gaat de Ondernemingskamer met de deskundigen ervan uit dat de curator in een faillissement van SNS Bank de securitisatieprogamma’s zou hebben beëindigd. Dit betekent dat de deskundigen de met de door SNS Bank op eigen boek gehouden obligaties corresponderende hypothecaire vorderingen ter waarde van in totaal € 9,1 miljard op goede gronden hebben kunnen betrekken bij de berekening van het te verwachten resultaat van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank.

derivaten

2.13

De Minister heeft aangevoerd dat de deskundigen in het nader deskundigenbericht ten onrechte zijn afgeweken van hun eerdere aanname in het deskundigenbericht dat de waarde van de door SNS Bank gehouden derivaten per 31 januari 2013 per saldo op nihil gesteld moest worden. De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht uiteengezet dat zij in het kader van de enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen de individuele positie van SNS Bank per 31 januari 2013 meer in detail hebben onderzocht en dat daarbij is gebleken dat de derivatenpositie van SNS Bank op de peildatum per saldo € 723 miljoen positief bedroeg. De Minister heeft dat niet bestreden. De deskundigen hebben dit bedrag dan ook terecht betrokken bij de berekening van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen.

liquidatieverlies overige activa

2.14

In het nader deskundigenbericht zijn de deskundigen voor het geval van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank uitgegaan van een verwacht liquidatieverlies van € 20 miljoen op de balanspost ‘overige activa’ van in totaal € 1.503 miljoen. De Minister heeft in zijn reactie op het concept nader deskundigenbericht erop gewezen dat de deskundigen in het deskundigenbericht nog uitgingen van een liquidatieverlies van 15% over de gehele post ‘overige activa’, hetgeen, na aftrek van een impairment van € 22 miljoen, resulteerde in een liquidatieverlies van € 222 miljoen. In reactie daarop hebben de deskundigen in het nader deskundigenbericht toegelicht dat uit de door hen in het kader van het nader onderzoek ontvangen informatie is gebleken dat de post ‘overige activa’ op de balans van SNS Bank voor slechts € 188 miljoen bestond uit daadwerkelijke overige activa waarop een discount van toepassing is (van deels 15% en deels 5%), terwijl de overige posten een soortgelijk karakter hebben als cash, waarop geen afboeking voor liquidatieverlies hoeft plaats te vinden. De Minister acht deze reactie niet overtuigend en onvoldoende gemotiveerd en wijst er op dat hem niet duidelijk is op basis van welke informatie de deskundigen tot de door hen getrokken conclusie zijn gekomen.

2.15

De Ondernemingskamer stelt vast dat de door de Minister aangevoerde bezwaren geen specifieke betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen en de daarop gegeven toelichting. De Minister stelt weliswaar dat hem niet duidelijk is op basis van welke informatie de deskundigen tot de conclusie komen dat het grootste deel van de post ‘overige activa’ een cash karakter hebben, maar dat en, zo ja, waarom die conclusie onjuist zou zijn wordt door de Minister niet onderbouwd. Omdat de Minister de beschikking heeft over alle informatie aangaande SNS Bank waarover ook de deskundigen hebben kunnen beschikken, had het op zijn weg gelegen om concreet te stellen waarom en ten aanzien van welke specifieke onderdelen van de balanspost ‘overige activa’ de conclusie van de deskundigen in het nader deskundigenbericht niet juist is. Nu de Minister dat niet heeft gedaan, is op dit punt geen sprake van een voldoende gemotiveerde betwisting van de zienswijze van de deskundigen en zal de Ondernemingskamer die zienswijze volgen.

SNS Securities N.V.

2.16

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht uiteengezet dat de liquidatie van dochteronderneming SNS Securities N.V. bij een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank, op basis van een eigen vermogen van € 41 miljoen, na afboeking van € 4 miljoen, een surplus van € 36 miljoen voor de boedel van SNS Bank zou hebben opgeleverd. De deskundigen onderkennen dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat een opbrengst van € 36 miljoen steeds haalbaar zou zijn geweest bij verkoop van de aandelen of activa van de vennootschap. De deskundigen hebben echter naar aanleiding van de reactie van de Minister op het concept nader deskundigenbericht opgemerkt dat per saldo een vermindering van het liquidatie surplus van SNS Securities N.V. niet materieel is voor de uitkomst van de door de deskundigen uitgevoerde waardering.

2.17

De Minister heeft bij akte na nader deskundigenbericht aangevoerd dat de deskundigen voor de onzekerheid van de opbrengst van een liquidatie in faillissement of een verkoop van (de activa van) SNS Securities N.V. ten onrechte geen risicopremie hebben opgenomen. Een specifieke onderbouwing van de omvang van die volgens de Minister op te nemen risicopremie en de concrete gevolgen daarvan voor de berekening van de te verwachten resultaten van een enkelvoudige afwikkeling van de faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen heeft de Minister niet gegeven. Onder deze omstandigheden volgt de Ondernemingskamer de zienswijze van de deskundigen dat over de te verwachten opbrengst van een liquidatie of verkoop van (de activa van) SNS Securities N.V. weliswaar geen zekerheid bestaat, maar dat per saldo een vermindering van het liquidatie surplus van SNS Securities N.V. niet materieel is voor de uitkomst van de door de deskundigen uitgevoerde waardering; ook zonder het bedrag van € 36 miljoen is er meer dan € 5 miljard beschikbaar voor de voldoening van € 703 miljoen aan achtergestelde schulden.

waardering van de gebouwen van Pettelbosch

2.18

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht de gebouwen die dochterondernemingen Pettelbosch I B.V. en Pettelbosch II B.V. verhuurden aan groepsmaatschappijen van SNS Bank gewaardeerd op basis van 10 keer de jaarlijkse huursom en hebben daarbij opgemerkt dat deze waardering prudent te noemen is. De Minister bestrijdt in zijn akte na deskundigenbericht dat deze waardering prudent te noemen zou zijn. Nu de Minister de juistheid van de uitkomst van de waardering verder inhoudelijk niet heeft bestreden, zal de Ondernemingskamer de deskundigen volgen in hun zienswijze en kan verder in het midden blijven of deze wel of niet prudent te noemen is.

SNS Property Finance B.V.

2.19

In het nader deskundigenbericht hebben de deskundigen toegelicht waarom zij hebben gekozen geen berekening op te stellen van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Property Finance B.V. (hierna: Property Finance) en haar dochtervennootschappen. Kort gezegd menen de deskundigen dat een nabootsing van een enkelvoudige afwikkeling van Property Finance en haar meer dan 170 binnenlandse en buitenlandse, al of niet 100%-, dochtervennootschappen, deelnemingen, joint-ventures, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en andere samenwerkingsverbanden niet op een aanvaardbare termijn en tegen aanvaardbare kosten zou kunnen worden afgerond, dat de daarvoor benodigde gedetailleerde gegevens per dochteronderneming ontbreken en dat deze gegevens na de verkoop van Property Finance aan Lone Star en JP Morgan in 2016 waarschijnlijk ook niet meer te verkrijgen zullen zijn. De deskundigen menen bovendien dat een dergelijk gedetailleerd onderzoek voor de waardering van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank zinloos zou zijn geweest.

2.20

De deskundigen achten een berekening op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van Property Finance en haar dochtervennootschappen zinloos omdat Property Finance per 31 januari 2013 een negatief eigen vermogen had van ruim € 2,1 miljard, waardoor de boedel van SNS Bank als eigenaar van de aandelen in Property Finance vanuit een enkelvoudige afwikkeling van alle dochtervennootschappen van Property Finance geen liquidatieoverschot zou hebben ontvangen. Voor de waardering van de effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank is daarom uitsluitend van belang in hoeverre de per 31 januari 2013 uitstaande lening van SNS Bank aan Property Finance ten belope van nominaal € 7,9 miljard, vanuit een faillissement van Property Finance zou kunnen worden afgelost. Het centrale aandachtspunt bij een run-off van Property Finance is derhalve de vraag in welke omvang de bezittingen van Property Finance te gelde hadden kunnen worden gemaakt en de door haar verstrekte vastgoedleningen geïnd zouden kunnen worden en in hoeverre de opbrengst daarvan aan de boedel van SNS Bank ten goede zou zijn gekomen. De deskundigen wijzen erop dat zij die vraag in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7 van het deskundigenbericht al uitvoerig hebben beantwoord.

2.21

In het deskundigenbericht is uiteengezet dat in de aanloop naar de bij SNS Bank ontstane problemen in 2012 door EY en C&W de waarde van de vastgoed- en leningenportefeuille van Property Finance per 30 juni 2012 is onderzocht. EY concludeerde dat in het pessimistische scenario een extra afwaardering van € 1,9 miljard nodig zou zijn. C&W heeft dezelfde portefeuille op basis van Real Economic Value (REV) gewaardeerd, waarbij zij een onderscheid heeft gemaakt naar Performing Loans, Sub Performing Loans en Non Performing Loans en Real Estate Owned (REO’s) (na non-betaling in eigendom verkregen vastgoed) en telkens per categorie de over een periode van vijf jaar te verwachten kasstromen in kaart heeft gebracht. C&W concludeerde op basis daarvan per 30 juni 2012 tot een afwaardering van de vastgoedleningen en REO’s van Property Finance met in totaal € 2,4 miljard.

2.22

De deskundigen hebben vervolgens de waardering van C&W tot uitgangspunt genomen bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de door SNS Bank verstrekte leningen uit de opbrengsten van een run-off in een faillissement van Property Finance zouden kunnen worden afgelost. De deskundigen hebben daarbij toegelicht dat de door C&W gebruikte REV waarderingsmethode bij uitstek geschikt is voor de nabootsing van een run-off strategie, omdat de focus daarbij ligt op de lange termijn economische waarde, te bepalen met onderliggende verwachte kasstromen en een ruimere tijdshorizon en dit precies de doelstelling is van een curator op het moment dat hij kiest voor een run-off ter maximering van de belangen van de crediteuren. De deskundigen zijn vervolgens uitgegaan van een 10-jaars periode voor de run-off in plaats van de door C&W gehanteerde periode van vijf jaar voor het realiseren van de kasstromen en van een rentevergoeding over de leningen van 2% in plaats van het over 2012 daadwerkelijk gerealiseerde percentage van 3,2%. Verder hebben de deskundigen gerekend met beheerskosten ter hoogte van 16% van de rente-inkomsten in plaats van 6% zoals bij de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en hebben zij een eventuele waardestijging van het onroerend goed gedurende de 10-jaars periode van de run-off buiten beschouwing gelaten. Op basis van deze uitgangspunten hebben de deskundigen berekend dat aan het einde van een 10-jarige run-off in een faillissement van Property Finance een kasstroom zou zijn gerealiseerd van € 6,2 miljard, zodat daarmee in ieder geval de vordering van SNS Bank op Property Finance zou zijn afgelost tot het bedrag waarop die vordering door SNS Bank was gewaardeerd na een verdere afboeking van € 2,0 miljard per 31 januari 2013, zijnde € 5,9 miljard. Het uit hun berekeningen blijkende overschot na 10 jaar van € 300 miljoen hebben de deskundigen verder buiten beschouwing gelaten.

2.23

De Minister heeft daartegenover allereerst aangevoerd dat de deskundigen ten onrechte geen vennootschappelijke afwikkeling van Property Finance en haar dochtervennootschappen hebben nagebootst. De Minister gaat daarbij niet in op het argument van de deskundigen dat een dergelijk zeer complex onderzoek niet binnen een aanvaardbare termijn zou zijn uit te voeren en dat bovendien de daarvoor benodigde gegevens ontbreken en waarschijnlijk ook niet meer verkregen kunnen worden. De Minister heeft verder niet bestreden dat, zoals de deskundigen hebben toegelicht, Property Finance afwijkt van de andere dochtervennootschappen van SNS Bank met een hypotheekportefeuille, in die zin dat Property Finance en haar dochtervennootschappen vrijwel geheel gefinancierd werden door SNS Bank en dat het bij de beantwoording van de vraag of Property Finance in staat is de door SNS Bank verstrekte financiering terug te betalen aankomt op de vraag of de door (dochtervennootschappen van) Property Finance aan derden verstrekte vastgoedleningen terugbetaald zullen worden. Bij die stand van zaken oordeelt de Ondernemingskamer dat de deskundigen op goede gronden hebben gekozen geen nieuwe berekening op te stellen van de te verwachten resultaten van een run-off op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van Property Finance en elk van haar dochtervennootschappen en terecht hebben vastgehouden aan de in het deskundigenbericht al opgenomen en toegelichte berekening van het resultaat van een 10-jarige run-off in een faillissement van Property Finance op basis van de door C&W in 2012 opgestelde waardering.

2.24

De Minister heeft ten aanzien van die berekening aangevoerd dat de door C&W gehanteerde REV methode ongeschikt is voor een waardering van Property Finance in een faillissementssituatie, omdat de REV methode uitgaat van een going concern assumptie waarbij de activa tot het einde van de looptijd worden aangehouden. De Ondernemingskamer volgt de Minister daarin niet. Uitgangspunt voor de waardering van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen is dat de verwachting bestond dat SNS Bank en SNS Reaal op 1 februari 2013 in staat van faillissement zouden zijn verklaard indien de onteigening achterwege was gebleven. Met partijen en de deskundigen kan worden aangenomen dat een faillissement van SNS Bank ook tot een faillissement van Property Finance zou hebben geleid. De Ondernemingskamer is met de deskundigen van oordeel dat een curator van Property Finance het tot zijn taak zou hebben gerekend om ten behoeve van de schuldeisers, dat wil zeggen met name SNS Bank, de opbrengst van de activa van Property Finance te maximeren. Een curator zou om die reden, net als bij SNS Bank, gekozen hebben voor een langjarige run-off van de leningenportefeuille van Property Finance en een verkoop van de overige vermogensbestanddelen, waaronder de REO’s. Tegen deze achtergrond onderschrijft de Ondernemingskamer de zienswijze van de deskundigen dat de door C&W uitgevoerde waardering op basis van de over een periode van vijf jaar te verwachten kasstromen uit de uitstaande leningen en de REO’s van Property Finance, zich goed leent voor een berekening van de uit een langjarige run-off te verwachten opbrengst. In beide gevallen gaat het immers om de vaststelling van de omvang van de op de langere termijn uit de activa te realiseren kasstromen. De Ondernemingskamer volgt niet het betoog van de Minister dat de REV methode onvoldoende rekening houdt met de specifieke risico’s en onzekerheden die zich in een faillissementssituatie zullen voordoen. Daarbij geldt allereerst dat de Minister niet voldoende concreet stelt op welke specifieke risico’s hij daarbij doelt en de vermeende impact daarvan ook niet kwantificeert. Verder is van belang dat in de door C&W gehanteerde methode een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende categorieën van leningen, waarbij voor de waardering van de verwachte kasstromen uit de Non Performing Loans en de Sub Performing Loans rekening wordt gehouden met het voor elk van die categorieën bestaande verhoogde risico op non-betaling en (gedeeltelijke) vervroegde aflossing. Daarbij wordt door C&W ook een onderscheid gemaakt tussen de kasstromen uit de verschillende typen vastgoedleningen, waarbij bijvoorbeeld voor ‘projecten’ een aanzienlijk hogere disconteringsvoet geldt dan voor ‘kantoren’ en ‘residentieel’. Dat en waarom de aldus in de waardering van C&W reeds verdisconteerde risico’s in geval van een run-off in het kader van een faillissement van Property Finance relevant anders gewaardeerd zouden moeten worden heeft de Minister niet gesteld en is de Ondernemingskamer ook niet gebleken.

2.25

De Ondernemingskamer is verder van oordeel dat de deskundigen in hoofdstuk 7.11 van het deskundigenbericht en in het nader deskundigenbericht overtuigend hebben toegelicht hoe zij op basis van de door C&W opgestelde waardering zijn gekomen tot de berekening van de verwachte opbrengst van een 10 jarige run-off van Property Finance en dat zij daarbij telkens de nodige voorzichtigheid in acht hebben genomen. Uit die toelichting blijkt dat de deskundigen zijn uitgegaan van (i) een afwaardering van de vastgoedleningen van € 2,4 miljard op basis van de door C&W opgestelde waardering, die aanzienlijk voorzichtiger was dan de waardering van EY, (ii) een 10-jaars periode in plaats van vijf jaar voor het realiseren van de kasstromen, (iii) een jaarlijkse rentevergoeding van 2% in plaats van 3,2% over de leningen, (iv) beheerskosten ter hoogte van 16% van de jaarlijkse rente-inkomsten in plaats van 6%. Daarnaast worden (v) een mogelijke waardestijging van het onroerend goed en (vi) een overschot na 10 jaar van € 300 miljoen (het verschil tussen de te realiseren kasstroom van € 6,2 miljard en het bedrag van € 5,9 miljard waarop SNS Bank haar vordering op Property Finance waardeerde) door de deskundigen buiten beschouwing gelaten. De Ondernemingskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat de deskundigen aldus overtuigend hebben uiteengezet en onderbouwd dat na een 10 jarige run-off in een faillissement van Property Finance de vordering van SNS Bank op Property Finance in ieder geval zou zijn afgelost tot het bedrag waarop die vordering door SNS Bank was gewaardeerd na een verdere afboeking van € 2,0 miljard per 31 januari 2013, zijnde € 5,9 miljard. De Ondernemingskamer zal de deskundigen daarin dus volgen.

403-claims Property Finance

2.26

De deskundigen gaan er in het nader deskundigenbericht van uit dat de concurrente schuldeisers van Property Finance in een faillissement van Property Finance hun vorderingen niet volledig betaald krijgen en dat deze concurrente schuldeisers hun resterende vorderingen op grond van de door SNS Bank afgegeven 403-verklaring in een faillissement van SNS Bank zullen indienen. De deskundigen hebben berekend dat aldus een bedrag van € 24 miljoen als concurrente vordering in een faillissement van SNS Bank zou worden ingediend. De Minister heeft er op gewezen dat de deskundigen daarbij ten onrechte zijn uitgegaan van de balans van Property Finance per 30 juni 2012 waaruit een bedrag van € 112 miljoen aan overige concurrente schuldeisers blijkt, terwijl uit de balans van Property Finance per 31 januari 2013 blijkt dat de gezamenlijke vorderingen van de overige concurrente schuldeisers op dat moment € 250 miljoen beliepen, met als gevolg dat op grond van de 403-verklaring een bedrag van € 69 miljoen als concurrente schuld in een faillissement van SNS Bank zal worden ingediend. Geen van partijen heeft dit laatste betwist en ook de deskundigen hebben desgevraagd ter zitting meegedeeld dat het juist zou kunnen zijn. De Ondernemingskamer zal de Minister in zijn betoog volgen. Daarbij merkt de Ondernemingskamer op dat, zoals hierna zal blijken, het desbetreffende verschil van € 45 miljoen (€ 69 miljoen minus € 24 miljoen) geen significante invloed heeft op de vaststelling dat in een faillissement van SNS Bank de nominale vorderingen van de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank geheel voldaan zullen worden.

2.27

De Minister heeft in meer algemene zin nog gesteld dat ook andere concurrente schuldeisers van dochtervennootschappen van SNS Bank mogelijk een claim zouden kunnen indienen op basis van een door SNS Bank afgegeven 403-verklaring. De Minister heeft evenwel niet gesteld welke schuldeisers dat zouden kunnen zijn, noch om welke bedragen het zou kunnen gaan, zodat de Ondernemingskamer dit verder buiten beschouwing zal laten.

2.28

De tussenconclusie is dat de thans beschikbare gegevens over Property Finance toereikend zijn en er geen reden is om, zoals de Minister heeft verzocht, een nader deskundigenonderzoek te gelasten naar de vennootschappelijke afwikkeling van een faillissement van Property Finance en haar dochtervennootschappen.

parameters run-off hypotheekportefeuilles

2.29

Zoals de Ondernemingskamer in de beschikking van 16 april 2019 heeft overwogen (rov. 2.21) zijn de deskundigen bij de berekening van de resultaten van een langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar overige dochtermaatschappijen uitgegaan van een 10-jarige run-off van de per 31 januari 2013 openstaande hypothecaire vorderingen. Op die vorderingen hebben de deskundigen, op basis van een onderzoek naar de kwaliteit van de hypotheekportefeuilles, een voorziening voor non-betaling genomen van 50 basispunten per jaar. De deskundigen zijn uitgegaan van een bij de start van de run-off gemiddelde verschuldigde rente van 4,5%, telkens afnemend met 10 basispunten per jaar en van een jaarlijkse aflossing (ook wel Constant Prepayment Rate (CPR)) van 7,5% van de uitstaande hypothecaire vorderingen. Tot slot zijn de deskundigen uitgegaan van een verkoop van het na een run-off van tien jaar nog resterende deel van ongeveer 25% van hypotheekportefeuilles tegen een discount van 15%. De deskundigen hebben ten behoeve van het nader deskundigenbericht een analyse laten uitvoeren van de loan tapes van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtermaatschappijen. De deskundigen hebben op basis van die analyse geconcludeerd dat de door hen bij de berekening van de resultaten van een langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles gehanteerde parameters telkens voorzichter zijn dan strookt met de gegevens die volgen uit de analyse van de loan tapes, en dat deze dus voldoende prudent zijn geweest.

2.30

De Minister heeft daartegenover aangevoerd dat uit de analyse van de loan tapes volgt dat de aflossingen niet lineair met 7,5% per jaar zullen plaatsvinden, maar dat de meeste hypothecaire geldleningen een renteherzieningstermijn hebben van vijf jaar, waardoor in de eerste jaren na een faillissement een groter deel van de hypothecaire geldleningen zal worden afgelost en dat dit leidt tot een andere verdeling van de met een run-off te realiseren kasstromen. De Minister heeft vervolgens aan de hand van een door Deloitte opgestelde rapportage betoogd dat, uitgaande van de uit de analyse van de loan tapes volgende uitgangspunten: (i) een gemiddeld rentepercentage van 4,65%, (ii) een CPR van 6,1%, (iii) een voorziening van 24 basis punten en (iv) geen verlenging van de hypothecaire geldleningen per renteherzieningsdatum, de beschikbare kasstroom aan het einde van de run-off met € 2,4 miljard afneemt. Indien wordt uitgegaan van een CPR van 8,5%, een voorziening van 50 basispunten, en een verlenging van 25% van de hypothecaire geldleningen per renteherzieningsdatum, neemt de beschikbare kasstroom aan het einde van de run-off verder af met € 1,1 miljard, waarna nog maar een kasstroom zou resteren van iets meer dan € 1 miljard. De Minister betoogt dat onder deze omstandigheden op grond van het nader deskundigenbericht niet kan worden aangenomen dat op 1 februari 2013 de verwachting bestond dat een 10 jarige run-off in een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een voldoende kasstroom zou hebben opgeleverd om de nominale vorderingen van de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank geheel te voldoen.

2.31

De Ondernemingskamer stelt vast dat het betoog van de Minister en de berekeningen van Deloitte berusten op de veronderstelling dat (uit de analyse van loan tapes volgt dat) de hypothecaire geldleningen steeds, althans in grote meerderheid, op de eerste renteherzieningsdatum zullen worden afgelost. Die veronderstelling is niet juist. Het einde van een rentevastperiode leidt niet vanzelf tot aflossing van de desbetreffende geldlening en de analyse van de loan tapes neemt dat ook niet tot uitgangspunt. De omvang van de verwachte vervroegde aflossingen van de hypothecaire geldleningen in de portefeuilles van SNS Bank en haar dochtervennootschappen wordt tot uitdrukking gebracht in de CPR, zoals die volgt uit de analyse van de loan tapes en daarin zijn eventuele vervroegde aflossingen naar aanleiding van een herziening van de rente aan het einde van een rentevastperiode begrepen. Zoals de deskundigen terecht hebben opgemerkt bevat de berekening van de Minister in zoverre een dubbeltelling door naast de CPR tevens rekening te houden met een aflossing per renteherzieningsdatum.

2.32

Uit de analyse van de loan tapes volgt een gemiddelde rente over de hypothecaire geldleningen van 4,65%, een afwaardering wegens non-betaling van 24 basispunten en een CPR van 6,1%. De door de deskundigen gehanteerde parameters voor de berekening van de te verwachten resultaten van een 10-jarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtermaatschappijen zijn aanzienlijk voorzichtiger (een afwaardering van 50 basispunten en een CPR van 7,5%). Verder moet bedacht worden dat de curator in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen de mogelijkheid heeft om het aantal aflossingen bij het einde van de rentevastperiode te beperken door dan aan de hypotheekgever een aantrekkelijk (dat wil zeggen concurrerend) aanbod te doen. Bij deze stand van zaken ziet de Ondernemingskamer in de analyse van de loan tapes geen aanleiding terug te komen van haar oordeel in de beschikking van 16 april 2019 (rov. 2.22) dat de deskundigen met deze parameters voldoende prudente uitgangspunten hebben genomen voor de berekening van het te verwachten resultaat van een run-off in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en haar dochtermaatschappijen.

slotsom SNS Bank

2.33

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht op basis van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen berekend dat aan het einde van een 10 jarige run-off een bedrag van € 5,119 miljard resteert voor de voldoening van de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Bank. Zoals hiervoor is overwogen (zie 2.26) dient hierop een bedrag van € 45 miljoen in mindering te worden gebracht in verband met de door de overige concurrente schuldeisers van Property Finance, op grond van de 403-verklaring in een faillissement van SNS Bank in te dienen vorderingen. De Ondernemingskamer acht de berekening van de deskundigen voor het overige juist. De Ondernemingskamer zal om die reden bij de verdere beoordeling er van uitgaan dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat SNS Bank zou zijn gefailleerd en dat aan het einde van een 10 jarige run-off in een faillissement van SNS Bank voor de betaling van de achtergestelde vorderingen van nominaal € 703 miljoen een bedrag van € 5,074 miljard zou hebben geresteerd.

SNS Reaal

verkoop Reaal N.V. en saldocompensatiestelsel

2.34

De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 16 april 2019 (rov. 2.33) overwogen dat Reaal N.V. bij een verkoop in faillissement niet langer zou kunnen beschikken over een op grond van het bestaande saldocompensatiestelsel aan SNS Bank verpand bedrag van € 748 miljoen, waardoor zij niet meer zou voldoen aan de door DNB te stellen minimum solvabiliteitseisen. Een eventuele koper zou dat tekort hebben moeten aanvullen, zodat de kosten daarvan in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de voor Reaal N.V. te ontvangen kooprijs. De Ondernemingskamer heeft de deskundigen vervolgens verzocht om tegen die achtergrond nader toe te lichten wat de invloed zou zijn geweest van het saldocompensatiestelsel op de opbrengst van een verkoop van Reaal N.V. in het kader van een faillissement van SNS Reaal. De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht uiteengezet dat niet zeker is wat de omvang van het kapitaalstekort zou zijn geweest, omdat op 1 februari 2013 niet duidelijk was welke minimum solvabiliteitseisen DNB aan verzekeraars stelde. Uitgaande van het wettelijk minimum van 100%, de interne richtlijn van SNS Reaal van 175%, en een door CVC als potentiële koper gehanteerde bandbreedte van 175% tot 230% komen de deskundigen tot een minimum solvabiliteitseis van 187,5%. Voor een solvabiliteit van 187,5% zou een aanvullend bedrag van circa € 440 miljoen nodig zijn geweest, waarvan de financieringslasten ongeveer € 90 miljoen zouden hebben bedragen. Voor een solvabiliteit van 200% zou circa € 600 miljoen nodig zijn geweest, waarvan de financieringslasten ongeveer € 120 miljoen zouden hebben bedragen. Mede gelet op de omstandigheid dat er ruimte was om een aantal onderdelen van Reaal N.V. te verkopen, die kapitaalvrijval zouden opleveren en er dus ook andere mogelijkheden bestonden een kapitaalstekort op te heffen, gaan de deskundigen op basis van het bovenstaande uit van een korting van € 100 miljoen, en daarmee van een koopprijs voor Reaal N.V. van € 1,2 miljard.

2.35

De Minister heeft daartegenover aangevoerd dat moet worden uitgegaan van een minimum solvabiliteitseis van 230% zodat het gehele bedrag van € 748 miljoen gefinancierd had moeten worden en de financieringslasten daarvan ongeveer € 150 miljoen zouden hebben bedragen. De Minister onderbouwt echter niet waarom DNB een minimum solvabiliteitseis van 230% zou hebben gesteld, noch waarom een potentiële koper van Reaal N.V. daarmee rekening zou hebben gehouden. De Ondernemingskamer acht daartegenover de door de deskundigen gegeven toelichting op de gehanteerde minimumsolvabiliteitseis en de berekening van de daarmee gepaard gaande financieringslasten voldoende onderbouwd en overtuigend. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 16 april 2019 (rov. 2.29 t/m 2.32) al geoordeeld dat en waarom zij de deskundigen ook volgt in de vaststelling dat de verwachte opbrengst van een verkoop van Reaal N.V. in het kader van de afwikkeling van een faillissement van SNS Reaal € 1,3 miljard zou hebben bedragen. De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding daarvan terug te komen. Met inachtneming van een korting van € 100 miljoen ter zake van het saldocompensatiestelsel gaat de Ondernemingskamer daarom uit van een verkoopopbrengst van € 1,2 miljard.

2.36

Ten aanzien van het tijdstip waarop een verkoop van Reaal N.V. na een faillissement van SNS Reaal zou hebben plaatsgevonden hebben de deskundigen opgemerkt dat in 2013 voor een verzekeraar in de markt nog voldoende belangstelling bestond, zeker vanwege de destijds nog redelijk gefragmenteerde Nederlandse verzekeringsmarkt. Deze opvatting wordt ondersteund door het feit dat Achmea, ASR, Delta Lloyd en Swiss Re voorafgaand aan een faillissement indicatieve biedingen hebben gedaan en dat ook CVC met name geïnteresseerd was in Reaal N.V. De deskundigen menen dat een periode van twee jaar ruim voldoende zou zijn geweest voor een zorgvuldig verkoopproces. De Minister heeft daartegenover aangevoerd dat in het licht van de heersende marktomstandigheden en een faillissement van SNS Reaal een verkoop van Reaal N.V. binnen twee jaar allerminst zeker was.

2.37

De Ondernemingskamer stelt voorop dat de deskundigen is gevraagd om in de context van het vastgestelde (fictieve) toekomstperspectief, zijnde een faillissement van SNS Reaal, vast te stellen op welke termijn een verkoop van Reaal N.V. zou hebben plaatsgevonden. Hoewel onder die omstandigheden absolute zekerheid over de timing van de verkoop van Reaal N.V. niet kan worden verkregen, acht de Ondernemingskamer de door de deskundigen gegeven toelichting op de door hen gemaakte begroting en de onderbouwing en motivering van de in dat kader gedane aannames voldoende overtuigend. De Ondernemingskamer zal de deskundigen daar dan ook in volgen. Dit betekent dat de Ondernemingskamer bij de verdere beoordeling er van uitgaat dat in een faillissement van SNS Reaal – met inachtneming van de gevolgen van het saldocompensatiestelsel – de verkoop van Reaal N.V. op een termijn van twee jaren na 1 februari 2013 zou hebben plaatsgevonden voor een koopprijs van € 1,2 miljard.

rente over opbrengst Reaal N.V. en andere vermogensbestanddelen.

2.38

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht uiteengezet dat en waarom aan het einde van een faillissement van SNS Reaal een boedelactief van € 1,496 miljard zou hebben geresteerd. De deskundigen zijn daarbij, anders dan in het deskundigenbericht, er van uitgegaan dat de na twee jaren te realiseren netto opbrengst van de verkoop van Reaal N.V., SNS Asset Management N.V. en SNS Beleggingsfondsen Beheer B.V. van in totaal € 1,22 miljard, gedurende de rest van het 10 jaar durende faillissement rente-inkomsten zou generen van in totaal € 210 miljoen. De Minister heeft zich daartegen allereerst verzet, omdat de beschikking van de Ondernemingskamer van 16 april 2019 geen aanleiding zou geven voor deze aanpassing ten opzichte van het deskundigenbericht en het de deskundigen dus niet vrij zou staan daar van af te wijken. Zoals hiervoor al is overwogen (zie 2.8) stond het de deskundigen vrij om in het nadere deskundigenbericht op basis van de aan hen daarvoor ten dienste staande (nadere) informatie, en hun eigen kennis en expertise waar nodig af te wijken of terug te komen van eerdere bevindingen en daar waar zulks dienstig is andere of betere uitgangspunten te hanteren. Het meer formele bezwaar van de Minister stuit daar op af.

2.39

De Minister heeft daarnaast aangevoerd dat de door de deskundigen gehanteerde rente van 2% per jaar te hoog is, en dat voor een inschatting van het over de verkoopopbrengst van Reaal N.V. te behalen rendement aansluiting zou moeten worden gezocht bij de per 1 februari 2013 geldende 6- of 12-maands Euribor van 0,38% respectievelijk 0,62%. De Ondernemingskamer ziet niet in waarom de Minister meent dat voor de begroting van de over een periode van 8 jaar te genereren rente-inkomsten moet worden aangeknoopt bij de 6- of 12-maands Euribor rentetarieven, die immers naar hun aard betrekking hebben op een veel kortere looptijd. Het ligt, gelet op de run-off gedurende (ten minste) 10 jaar van de hypotheekportefeuilles en de verwachting dat het boedelactief van SNS Reaal voor de afloop daarvan niet zal worden aangewend voor tussentijdse uitkeringen, veel meer voor de hand om aan te knopen bij een 8 jaars-depositorente zoals de deskundigen hebben gedaan. De Ondernemingskamer zal de deskundigen daarin volgen.

slotsom SNS Reaal

2.40

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht het resultaat van een enkelvoudige afwikkeling van een faillissement van SNS Reaal opnieuw berekend en zij zijn daarbij tot de slotsom gekomen dat aan het einde van een 10 jarig faillissement van SNS Reaal, na aftrek van faillissements- en beheerskosten van € 138 miljoen een boedelactief zou hebben geresteerd van € 1,496 miljard. De Ondernemingskamer acht de nadere berekeningen van de deskundigen juist. De Ondernemingskamer zal om die reden bij de verdere beoordeling er van uitgaan dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat SNS Reaal zou zijn gefailleerd en dat in een faillissement van SNS Reaal na 10 jaar voor de betaling van € 655 miljoen aan concurrente vorderingen en € 374 miljoen aan achtergestelde vorderingen een boedelactief zou hebben geresteerd van € 1,496 miljard.

Achterstellingen

2.41

De Minister heeft bij akte van 3 september 2020 en ter zitting van 24 september 2020 betoogd dat de achterstellingsbepalingen zoals die zijn opgenomen in de contractsdocumentatie van (het merendeel van) de achtergestelde obligaties en geldleningen aldus moeten worden uitgelegd dat vorderingen ter zake van de hoofdsommen en rente in een faillissement van SNS Bank en SNS Reaal niet alleen zouden zijn achtergesteld bij de in de desbetreffende faillissementen geverifieerde vorderingen van concurrente schuldeisers, maar dat deze ook zouden zijn achtergesteld bij tijdens die faillissementen opgekomen rentevorderingen van concurrente schuldeisers die op grond van artikel 128 Faillissementswet niet geverifieerd kunnen worden. De Minister stelt dat een curator in een faillissement van SNS Bank en SNB Reaal om die reden pas tot uitbetaling op de achtergestelde vorderingen zou zijn overgegaan, nadat ook de post-faillissementsrentevorderingen van de concurrente schuldeisers zouden zijn voldaan. De Minister heeft aan de hand van het Additioneel Rapport Deloitte toegelicht dat dit ertoe zou hebben geleid dat op de vorderingen van de houders van de achtergestelde obligaties en geldleningen in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en SNS Reaal geen uitbetaling zou hebben plaatsgevonden.

2.42

De Ondernemingskamer stelt voorop dat uit het systeem van de Faillissementswet (Fw) volgt dat de vereffening van de faillissementsboedel plaatsvindt door uitdeling aan de in het faillissement opgekomen schuldeisers, overeenkomstig hun rangorde en tot het beloop van hun in de uitdelingslijst opgenomen, geverifieerde schuldvorderingen. Niet kan worden aangenomen dat een curator in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en SNS Reaal in de achterstellingsbepalingen aanleiding zou hebben gezien de achtergestelde vorderingen niet te verifiëren. Met betrekking tot de Core Tier 1 Securities van de Stichting heeft de Ondernemingskamer (in rov. 2.45 van de tussenbeschikking van 16 april 2019) geoordeeld dat een curator zich met succes had kunnen verzetten tegen verificatie van de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities. Dat oordeel berust op de vaststelling dat bij de uitgifte van de Core Tier 1 Securities is overeengekomen en vastgelegd in de van toepassing zijnde Terms and Conditions, dat de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities ook in een faillissement van SNS Reaal een gelijke rangorde zouden hebben als de door SNS Reaal uitgegeven gewone aandelen en aandelen B. De Minister heeft niet aangevoerd dat dit laatste ook onderdeel uitmaakt van de achterstellingsbepalingen in de contractsdocumentatie van de achtergestelde obligaties en geldleningen, die hier aan de orde zijn.

2.43

Op grond van artikel 128 Fw kunnen vorderingen ter zake van na de faillissementsdatum verschenen rente niet geverifieerd worden (behoudens het zich hier niet voordoende geval dat die vorderingen zijn gedekt door pand of hypotheek) en na de faillissementsdatum verschenen rente is gedurende het faillissement niet opeisbaar (HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294, rov. 3.5.1). Deze post-faillissementsrentevorderingen zouden dus niet zijn opgenomen op een in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en SNS Reaal op te stellen uitdelingslijst en op die vorderingen zou daarom in het kader van de vereffening van de boedels in een eerste faillissement van SNS Bank en SNS Reaal geen betaling hebben kunnen plaatsvinden. Wanneer de curator voldoende opbrengst heeft gerealiseerd om (na voldoening van de boedelkosten), de geverifieerde vorderingen te voldoen, is het doel van het faillissement bereikt en een bevel tot uitdeling op de voet van artikel 179 Faillissementswet moet in ieder geval worden gegeven zodra blijkt dat voldoende gelden aanwezig zijn om alle geverifieerde schuldeisers volledig te voldoen. Indien de boedel toereikend is om de geverifieerde schuldeisers te voldoen, staat het de curator niet vrij de vereffening voort te zetten ten behoeve van andere, niet geverifieerde schuldeisers (HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:801, rov. 4.2.3-4.2.5). De Ondernemingskamer gaat er van uit dat een curator de boedel van SNS Bank respectievelijk SNS Reaal zou hebben vereffend overeenkomstig de bepalingen van de Faillissementswet. Dit betekent dat er van moet worden uitgegaan dat de vereffening in een eerste faillissement van SNS Bank en SNS Reaal zou hebben plaatsgevonden door uitdeling aan de in elk van die faillissementen opgekomen schuldeisers, overeenkomstig hun rangorde en tot het beloop van hun in de uitdelingslijst opgenomen geverifieerde schuldvorderingen, waaronder dus wél de vorderingen ter zake van de achtergestelde obligaties en geldleningen, maar níet de vorderingen ter zake van de na de faillissementsdatum opgekomen rente. Het Achterstellingsstandpunt van de Minister stuit op het bovenstaande reeds af. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven of, zoals VEB c.s., FNV, Brigade Fund c.s. en CCP hebben betoogd, het Achterstellingsstandpunt van de Minister en het Additioneel Rapport Deloitte als strijdig met een goede procesorde buiten beschouwing gelaten moeten worden.

Tussenconclusie: het te verwachten toekomstperspectief

2.44

Het voorgaande leidt mede gelet op hetgeen in de beschikking van 16 april 2019 reeds is geoordeeld tot de slotsom dat het voor de vaststelling van de schadeloosstelling te hanteren toekomstperspectief van SNS Bank respectievelijk SNS Reaal op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden was:

  • -

    dat SNS Bank en SNS Reaal op korte termijn zouden zijn gefailleerd;

  • -

    dat de faillissementen van SNS Reaal en SNS Bank gelijktijdig na 10 jaar zouden zijn afgewikkeld;

  • -

    dat in een faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen een 10-jarige run-off zou hebben plaatsgevonden;

  • -

    dat na de run-off een bedrag van € 5.074 miljard zou hebben geresteerd en dat daaruit de geverifieerde achtergestelde vorderingen van de houders van onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank van € 703 miljoen in hoofdsom volledig zouden zijn voldaan;

  • -

    dat in een faillissement van SNS Reaal de activa op korte termijn te gelde zouden zijn gemaakt en Reaal N.V. op een termijn van twee jaar zou zijn verkocht voor een bedrag van € 1,2 miljard en het totale boedelactief van SNS Reaal na 10 jaar € 1,496 miljard zou hebben bedragen;

  • -

    dat de vorderingen van de concurrente en achtergestelde schuldeisers van SNS Reaal – met uitzondering van de houders van Core Tier 1 Securities – van respectievelijk € 655 miljoen en € 374 miljoen daaruit in hoofdsom zouden zijn voldaan;

  • -

    dat een tweede faillissement van SNS Bank zou zijn gevolgd waarin het boedeloverschot van het eerste faillissement geheel zou zijn aangewend ter gedeeltelijke betaling van de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente schuldeisers van SNS Bank en de niet achtergestelde post-faillissementsvorderingen uit hoofde van de Poseidon lening;

  • -

    dat een tweede faillissement van SNS Reaal zou zijn gevolgd;

  • -

    dat de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente en achtergestelde schuldeisers in het eerste faillissement van SNS Bank, op grond van de door SNS Reaal afgegeven verklaring ex artikel 2:403 BW, alle als concurrente vorderingen zouden zijn geverifieerd in het tweede faillissement van SNS Reaal;

  • -

    dat het overschot uit het eerste faillissement van SNS Reaal van € 467 miljoen zou zijn verdeeld tussen de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de concurrente schuldeisers van SNS Reaal van € 612 miljoen en de na de faillissementsdatum opgekomen rentevorderingen van de schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 14,1 miljard, waardoor op de rentevorderingen van de achtergestelde schuldeisers in een faillissement van SNS Bank van € 284 miljoen nog een bedrag van ongeveer € 9 miljoen (3,2%) zou zijn betaald.

De disconteringsvoet

vorderingen op SNS Bank

2.45

De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 16 april 2019 (rov. 2.49-2.57) overwogen dat de door de deskundigen gegeven motivering voor de gehanteerde disconteringsvoet bij de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank overtuigend is en dat zij zich daarbij aansluit.

2.46

De Ondernemingskamer heeft daarbij in zoverre een slag om de arm gehouden dat zij heeft overwogen dat indien en voor zover uit het door de deskundigen nader uit te brengen bericht zou volgen dat de veronderstelling dat alle schuldeisers in een faillissement van SNS Bank na afloop van de 10-jarige run-off volledig zouden zijn voldaan en nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd niet juist is, de deskundigen ook over de alsdan te hanteren disconteringsvoet nader zouden dienen te berichten. Zoals hiervoor is overwogen leidt het nader deskundigenbericht tot de slotsom dat op 1 februari 2013 de verwachting bestond dat in een faillissement van SNS Bank, aan het einde van een 10 jarige run-off voor de voldoening van de achtergestelde vorderingen van € 703 miljoen, een bedrag van € 5,074 miljard zou hebben geresteerd. Onder die omstandigheden neemt de Ondernemingskamer met de deskundigen tot uitgangspunt dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat de achtergestelde vorderingen aan het einde van een 10-jarig faillissement van SNS Bank, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volledig zouden worden voldaan. De Ondernemingskamer ziet daarom geen aanleiding terug te komen van haar in de beschikking van 16 april 2019 gegeven oordeel. De Ondernemingskamer zal bij de vaststelling van de schadeloosstelling voor de bepaling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank met de deskundigen uitgaan van een contante waarde factor van 75%.

vorderingen op SNS Reaal

2.47

In de beschikking van 16 april 2019 is verder overwogen (rov. 2.56) dat de deskundigen bij de gehanteerde disconteringsvoet voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Reaal nog geen rekening hadden gehouden met de gevolgen van het saldocompensatiestelsel en de timing van de verkoop van Reaal N.V. voor de omvang van het boedelactief dat aan het einde van het 10-jarig faillissement van SNS Reaal zou hebben geresteerd. Omdat dit van invloed zou kunnen zijn op de mate van zekerheid waarmee de vorderingen ter zake van de nominale bedragen van de achtergestelde vorderingen (met uitzondering van de Core Tier 1 Securities) in een faillissement van SNS Reaal zouden zijn terugbetaald, heeft de Ondernemingskamer de deskundigen verzocht om ten aanzien van de te hanteren disconteringsvoet bij een veronderstelde vrije verkoop per 1 februari 2013 nader te berichten. Zoals hiervoor onder rov. 2.40 en rov. 2.44 is overwogen leidt het nader deskundigenbericht tot de slotsom dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat in een faillissement van SNS Reaal na 10 jaar een boedelactief van € 1,496 miljard zou hebben geresteerd, zodat na de voldoening van de vorderingen van de concurrente schuldeisers van € 655 miljoen, voor de voldoening van de achtergestelde vorderingen van € 374 miljoen, een boedelactief zou hebben geresteerd van € 841 miljoen. De deskundigen hebben op basis daarvan geconcludeerd dat ook de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Reaal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volledig zouden worden voldaan, zodat voor die vorderingen een zelfde disconteringsvoet zou moeten gelden als voor de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Bank. De Minister heeft daartegenover aangevoerd dat voor de achtergestelde vorderingen op SNS Reaal een hogere disconteringsvoet zou moeten gelden, omdat daarbij ook rekening gehouden zou moeten worden met het risico dat in een faillissement van SNS Reaal geen of een veel lagere uitbetaling op de achtergestelde vorderingen gedaan zou kunnen worden, terwijl voor een koper geen kans bestond op een hogere uitbetaling.

2.48

De Ondernemingskamer is met de Minister van oordeel dat voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Reaal een hogere disconteringsvoet gehanteerd moet worden dan voor de vaststelling van de waarde van de achtergestelde vorderingen op SNS Bank. Daarbij is allereerst van belang dat uit het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief volgt dat in een faillissement van SNS Bank na 10 jaar voor de voldoening van de achtergestelde vorderingen een buffer resteert van ruim zeven keer de nominale bedragen van die vorderingen, terwijl die buffer in een faillissement van SNS Reaal na 10 jaar aanzienlijk kleiner is, te weten ruim twee keer de nominale waarde van de achtergestelde vorderingen. Verder is van belang dat het verwachte resultaat van een faillissement van SNS Reaal van € 1,496 miljard met name afhankelijk is van de opbrengst en de timing van een verkoop van Reaal N.V. De deskundigen zijn daarbij uitgegaan van een puntschatting van de op 1 februari 2013 verwachte opbrengst van de verkoop van Reaal N.V. op een termijn van twee jaren. De Ondernemingskamer acht die schatting weliswaar juist, maar dat laat onverlet dat op 1 februari 2013 de mogelijkheid bestond dat ook een (aanzienlijk) lagere opbrengst gerealiseerd zou kunnen worden, met als gevolg dat, mede gelet op de verhoudingsgewijs kleinere buffer, in een faillissement van SNS Reaal op de achtergestelde vorderingen een lagere uitbetaling zou kunnen plaatsvinden. Daarbij komt dat tegenover het risico van een lagere uitbetaling in een faillissement van SNS Reaal, niet een kans bestond op een hogere uitbetaling bij een eventuele hogere opbrengst van de verkoop van Reaal N.V. De Ondernemingskamer is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij een tussen redelijk handelende personen tot stand gekomen verkoop van de achtergestelde vorderingen op SNS Reaal op basis van het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief, rekening zou zijn gehouden met de mogelijkheid dat in een faillissement van SNS Reaal de nominale bedragen van de achtergestelde vorderingen na 10 jaar niet geheel zouden worden voldaan, waarbij voor het risico op gedeeltelijke non-betaling door de koper een korting zou zijn bedongen die resulteert in een hogere disconteringsvoet.

2.49

De deskundigen zijn op basis van de veronderstelling dat de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Bank met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geheel zouden worden voldaan, voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 uitgegaan van een risicovrije rentevoet gebaseerd op een genormaliseerde yield op 10-jarige Duitse government strips. De contante waarde factor van 75% hebben zij vervolgens afgeleid van (i) een risicovrije rentevoet voor een 10-jaars periode van 2,0% per peildatum en (ii) een zelfde type rentevoet voor een 15-jaars periode van 2,5%, waardoor ook een eventueel langere run-off periode dan 10 jaar wordt gereflecteerd. Zoals hiervoor overwogen is het resultaat na een 10-jarig faillissement van SNS Reaal – en daarmee het risico op een gedeeltelijke non-betaling van de achtergestelde vorderingen – met name afhankelijk van de opbrengst en timing van een verkoop van Reaal N.V. Tegen die achtergrond ziet de Ondernemingskamer aanleiding om – anders dan bij SNS Bank – voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Reaal niet uit te gaan van de rente op Duitse staatobligaties, maar in plaats daarvan van een rentevoet die is gebaseerd op AAA tot A rated bedrijfsobligaties, waarvoor – zoals de Minister onbetwist heeft aangevoerd – per 1 februari 2013 een rentevergoeding gold tot 129 basispunten boven de rente op Duitse staatsobligaties. Uitgaande van (i) een rentevoet voor een 10-jaars periode van 3,29% per peildatum en (ii) een zelfde type rentevoet voor een 15-jaars periode van 3,79%, resulteert dat voor de bepaling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Reaal in een contante waarde factor van 65%.

rentevorderingen

2.50

Met betrekking tot de te hanteren disconteringsvoet bij een veronderstelde vrije verkoop van de rentevorderingen per 1 februari 2013 hebben de deskundigen gemotiveerd uiteengezet dat de contante waarde factor van 55% is afgeleid van een disconteringsvoet voor de meer risicovolle rentebetalingen van ongeveer 6% per jaar, zijnde ongeveer het middelpunt van 2,0% risicovrij versus 10% voor de kasstromen van Reaal N.V. Daarbij hebben de deskundigen al rekening gehouden met het risico van gedeeltelijke non-betaling. De Ondernemingskamer ziet daarom in hetgeen in het nader deskundigenbericht is overwogen omtrent de gevolgen van het saldocompensatiestelsel voor de omvang van het boedelactief dat uiteindelijk in een faillissement van SNS Reaal zou hebben geresteerd geen aanleiding om daarvan af te wijken. De Ondernemingskamer zal de deskundigen volgen in de door hen vastgestelde contante waarde factor van 55% voor de rentevorderingen.

wijze van berekenen

2.51 ’

’t Stockpaert c.s. heeft aangevoerd dat de door de deskundigen aangenomen contante waarde factor van 75% verkeerd berekend zou zijn. De deskundigen zijn echter anders dan ’t Stockpaert c.s. aan haar eigen berekening ten grondslag legt, niet uitgegaan van een vaste gemiddelde rente over een 10-jaars periode. De factor 75% is als gezegd door de deskundigen afgeleid van het gemiddelde van de contante waarde factor over een risicovrije rentevoet over een 10-jaars periode van 2,0% per peildatum en de contante waarde factor voor een zelfde type rentevoet van 2,5% over een 15-jaars periode (pagina 256 van het deskundigenbericht).

2.52 ’

’t Stockpaert c.s. heeft verder aangevoerd dat voor de te hanteren disconteringsvoet zou moeten worden aangesloten bij de rentetarieven zoals die gelden op de datum van uitbetaling van de schadeloosstelling. Zij miskent daarmee dat de maatstaf voor de vaststelling van de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, de prijs is die, gegeven het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief van SNS Bank en SNS Reaal, tot stand zou zijn gekomen bij een vrije verkoop van de onderscheiden effecten en vermogensbestanddelen in het economisch verkeer tussen redelijk handelende partijen. Redelijk handelende partijen zouden voor de vaststelling van een per 1 februari 2013 te betalen prijs voor een over 10 (of 15) jaar te ontvangen betaling zijn uitgegaan van een disconteringsvoet op basis van de op dat moment geldende 10 (of 15)-jaars rentetarieven, zoals de deskundigen ook hebben gedaan.

slotsom disconteringsvoet

2.53

De slotsom is dat de Ondernemingskamer hierna bij de vaststelling van de schadeloosstelling net als de deskundigen zal uitgaan van een contante waarde factor van 75% voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank, van een contante waarde factor van 65% voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Reaal en van een contante waarde factor van 55% voor de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de rentevorderingen.

De waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen op 1 februari 2013

2.54

De Ondernemingskamer stelt voorop dat de deskundigen gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en SNS Reaal terecht en op goede gronden niet telkens een tot op de euro exacte waardebepaling hebben opgesteld van elk van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen op de peildatum, maar dat zij die waarde zo goed mogelijk hebben benaderd, waarbij zij telkens zijn uitgegaan van in miljoenen euro’s uitgedrukte bedragen, afgerond op twee decimalen. De Ondernemingskamer zal die benadering bij de vaststelling van de schadeloosstelling volgen.

de Poseidon lening

2.55

Turfmij c.s. heeft aangevoerd dat uit de voorwaarden bij de Poseidon lening volgt dat, anders dan bij de overige obligaties en geldleningen, de vorderingen ter zake van de rente over de hoofdsom niet waren achtergesteld en dat SNS Bank bij niet tijdige betaling van haar rente en aflossingsverplichtingen een eveneens niet-achtergestelde boete verschuldigd was. De desbetreffende bepaling houdt, voor zover van belang, het volgende in:

“Artikel 5

Indien geldneemster het aan rente en/of aflossing verschuldigde niet op tijd (…) zal hebben voldaan, zal zij aan geldgeefster, boven de in artikel 1 genoemde rente, betalen, als boete, een bedrag gelijk aan vijf ten honderd per jaar van het achterstallige bedrag over de tijd der nalatigheid.”

2.56

Turfmij c.s. stelt zich op het standpunt dat de voorafgaand aan 1 februari 2013, en derhalve voor een eerste faillissement van SNS Bank al opgekomen rente over de Poseidon lening € 15.741,37 bedraagt. De tijdens een eerste faillissement van SNS Bank opgekomen niet-achtergestelde rente bedraagt volgens Turfmij c.s. in totaal € 285.034,34. De niet-achtergestelde boete over de niet betaalde rente bedraagt € 58.875,03 en over de niet betaalde aflossingen € 127.058,46. Deze niet-achtergestelde vorderingen zouden volgens Turfmij c.s., althans zo begrijpt de Ondernemingskamer haar betoog, alle in een eerste faillissement van SNS Bank zijn geverifieerd en uiteindelijk geheel zijn uitbetaald. Van de wel achtergestelde hoofdsom van de Poseidon lening van € 317.646,15 zou op grond van een uitkeringspercentage van – volgens Turfmij c.s. – 79,73% in totaal € 253.259,28 zijn uitbetaald. Turfmij c.s. meent dat de haar toekomende schadeloosstelling daarom € 733.968,47 zou moeten bedragen.

2.57

De deskundigen hebben zich in het nader deskundigenbericht op het standpunt gesteld dat een curator in een faillissement van SNS Bank zich met succes tegen verificatie van de boetes zou hebben verzet en dat daarop geen betaling zou hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de niet-achtergestelde rente hebben de deskundigen aangenomen dat deze alleen in een tweede faillissement van SNS Bank geverifieerd had kunnen worden en dat daarop, overeenkomstig de andere concurrente schulden, een uitkering van 35% zou hebben plaatsgevonden, hetgeen na discontering leidt tot een verhoging van de vastgestelde waarde van de Poseidon lening met € 0,06 miljoen. Uitgaande van een contante waarde factor van 75% komen de deskundigen tot een waarde van de vordering ter zake van de hoofdsom van de Poseidon lening van € 0,24 miljoen, waarmee de totale waarde van de Poseidon lening op de peildatum € 0,3 miljoen bedraagt.

2.58

De Ondernemingskamer overweegt ten aanzien van de boete als volgt. Ingevolge artikel 37a Fw kan de wederpartij bij een overeenkomst voor vorderingen die strekken tot schadevergoeding ter zake van tekortschieten in de nakoming van een vóór de faillietverklaring op de failliet verkregen vordering als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomen. In zijn arrest van 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2650 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat zulks geldt voor overeengekomen boetes die strekken ter vervanging van schadevergoeding, waaraan de Hoge Raad laatstelijk in zijn arrest van 23 maart 2018, ECLI:HR:2018:424, onder verwijzing naar eerdere arresten heeft toegevoegd dat een contractueel beding dat een partij in geval van faillissement van haar wederpartij aanspraak geeft op schadevergoeding of een boete, onder omstandigheden niet jegens de boedel kan worden ingeroepen op de grond dat het een onaanvaardbare inbreuk vormt op bepalingen of het stelsel van de Faillissementswet en dat daarnaast de curator de algemene middelen ten dienste staan die het burgerlijk recht de schuldenaar ten aanzien van dergelijke bedingen biedt, zoals een beroep op matiging van een bedongen boete (art. 6:94 lid 1 BW) of op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW).

2.59

Uit de tekst van artikel 5 van de voorwaarden van de Poseidon lening volgt dat de boete verschuldigd is “boven de in artikel 1 genoemde rente” en derhalve niet in de plaats treedt van de over de hoofdsom reeds verschuldigde rente. De boete is derhalve bedoeld als een prikkel voor tijdige nakoming en strekt niet ter vervanging van schadevergoeding. De Ondernemingskamer is tegen die achtergrond van oordeel dat er van moet worden uitgegaan dat een curator in een faillissement van SNS Bank zich met succes zou hebben kunnen verzetten tegen verificatie van de vorderingen ter zake van de op grond van artikel 5 van de voorwaarden van de Poseidon lening verbeurde boetes en dat daarop dus geen uitbetaling zou hebben plaatsgevonden. Daaraan kan in het kader van de vaststelling van de schadeloosstelling dan ook geen waarde worden toegekend.

2.60

Ten aanzien van de voorafgaand aan een eerste faillissement van SNS Bank opgekomen niet-achtergestelde rentevordering van € 15.741,37 geldt dat deze geverifieerd had kunnen worden en dat op 1 februari 2013 de verwachting bestond dat de desbetreffende vordering in een eerste faillissement van SNS Bank geheel zou worden voldaan. Dat geldt ook voor de hoofdsom van de Poseidon lening van € 317.646,15. Op basis van de voor deze vorderingen geldende contante waarde factor van 75% kan daaraan per 1 januari 2013 een waarde van, afgerond, € 0,25 miljoen worden toegekend. Met de deskundigen neemt de Ondernemingskamer aan dat de na de faillissementsdatum opgekomen rente in een eerste faillissement van SNS Bank niet geverifieerd had kunnen worden. Deze niet-achtergestelde rentevordering had wel geverifieerd kunnen worden in een tweede faillissement van SNS Bank en op grond van de 403-verklaring, in een tweede faillissement van SNS Reaal. In een tweede faillissement van SNS Bank zou daarop 35% van de nominale waarde zijn uitgekeerd en in een tweede faillissement van SNS Reaal 3,2%. Uitgaande van de door Turfmij c.s. onbetwist gestelde omvang van die rentevordering van € 285.034,34 zou daarop in totaal € 108.883,11 zijn uitgekeerd, waaraan op basis van de voor de rentevorderingen in een tweede faillissement geldende contante waarde factor van 55% per 1 januari 2013 een waarde van, afgerond € 0,06 miljoen kan worden toegekend. De slotsom is dat aan de Poseidon lening per 1 februari 2013 een waarde van in t0taal € 0,31 miljoen kan worden toegekend.

de SNS Participatie Certificaten 3

2.61

De deskundigen hebben in het nader deskundigenbericht, uitgaande van een classificatie als achtergestelde schuld, aan de participatiecertificaten een waarde toegekend van € 43,9 miljoen. De Ondernemingskamer heeft in de beschikking van 16 april 2019 (rov. 2.58-2.59) overwogen dat de participatiecertificaten in het kader van deze procedure als niet-achtergesteld moeten worden beschouwd en geoordeeld dat de waarde van de SNS Participatie Certificaten 3 op de peildatum moet worden vastgesteld op € 51,0 miljoen.

slotsom waarde van onteigende effecten en vermogensbestanddelen

2.62

De Ondernemingskamer stelt met inachtneming van al hetgeen hiervoor en in haar eerdere beschikkingen is overwogen de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal per 1 februari 2013 vast als volgt:

Effecten, uitgegeven door of met medewerking van SNS Reaal, onderscheidenlijk SNS Bank,

onteigend ten name van de Staat:

gewone aandelen SNS Reaal; € 0

aandelen B SNS Reaal; € 0

Stichting Beheer SNS Reaal Core Tier 1 securities; € 0

6.258% achtergestelde obligaties SNS Reaal; € 168.900.000

8.45% achtergestelde obligaties SNS Reaal; € 50.100.000

11.25% achtergestelde obligaties SNS Bank; € 244.900.000

5.75% achtergestelde obligaties SNS Bank; € 8.500.000

6.25% achtergestelde obligaties SNS Bank; € 204.400.000

6.625% achtergestelde obligaties SNS Bank; € 29.000.000

SNS Participatie Certificaten 3; € 51.000.000

€ 5 million 4% Floating Rate achtergestelde obligaties SNS Bank; € 3.900.000

Vermogensbestanddelen van SNS Reaal, onderscheidenlijk SNS Bank, onteigend ten name van de Stichting Afwikkeling Onderhandse Schulden SNS Reaal:

de Van Doorn lening 2000-2020 (7.13%); € 13.300.000

de Van Doorn lening 2000-2020 (7.10%); € 7.100.000

de Stichting lening 1997-2014; € 14.400.000

de Poseidon lening 1999-2019; € 310.000

de Ohra Stichting lening 1999-2024; € 9.000.000

De kosten van de deskundigen

2.63

De deskundigen hebben op verzoek van de Ondernemingskamer nadere opgaven en specificaties verstrekt van de door hen ten behoeve van het opstellen van het deskundigenbericht en het nader deskundigenbericht gemaakte kosten. De Minister heeft de juistheid daarvan niet meer betwist. De Ondernemingskamer zal de kosten van de deskundigen, overeenkomstig de door de deskundigen gedane (nadere) opgaven vaststellen op in totaal € 3.593.427,19, inclusief btw, en bepalen dat deze kosten door de Staat moeten worden gedragen.

De proceskosten

2.64

Op grond van artikel 6:11 lid 4 Wft geeft de Ondernemingskamer omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als zij meent dat behoort. In zijn beschikking van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad overwogen dat kosten van deskundigen op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft voor vergoeding in aanmerking komen als kosten van het geding. Daarbij heeft de Hoge Raad opgemerkt dat de Ondernemingskamer bij de vaststelling van een proceskostenveroordeling in zaken als de onderhavige een grote mate van vrijheid heeft en dat zij in belangrijke mate is ontheven van haar motiveringsplicht. Bij de beoordeling van de kosten van door partijen ingeschakelde deskundigen ligt het in de rede dat de Ondernemingskamer onderzoekt of de kosten waarvan vergoeding wordt verlangd, in redelijkheid zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, aldus de Hoge Raad.

2.65

In haar beschikking van 26 februari 2016 (rov. 3.85) heeft de Ondernemingskamer overwogen dat het redelijk is dat belanghebbenden eigen deskundigen hebben ingeschakeld gelet op (a) de aard van de onderhavige procedure, te weten de vaststelling van schadeloosstelling na onteigening, (b) het feit dat niet eerder toepassing is gegeven aan de Interventiewet en partijen aldus in onzekerheid verkeerden over het verloop van de procedure, (c) de gebrekkige onderbouwing door de Minister van zijn initiële aanbod, (d) de grote materiële reikwijdte van de onteigening en (e) het grote belang voor de onteigenden bij een juiste vaststelling van de schadeloosstelling.

2.66

In de beschikking van 16 april 2019 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat de door de onteigende partijen gemaakte kosten van rechtsbijstand en de kosten van de door hen ingeschakelde deskundigen in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover die kosten ook in een redelijke omvang zijn gemaakt. Op verzoek van de Ondernemingskamer heeft een deel van de onteigende partijen een (nadere) opgave en specificatie van de door hen gemaakte kosten in het geding gebracht. De Minister heeft daarop bij akte en ter zitting gereageerd.

2.67

De Ondernemingskamer stelt vast dat de opgaven van door partijen gemaakte kosten onderling sterk verschillen, dat niet alle partijen een opgave hebben verstrekt en dat niet alle partijen zich hebben voorzien van rechtsbijstand. De Minister heeft ten aanzien van een deel van door partijen overgelegde kostenopgaven concreet verweer gevoerd en zich overigens in meer algemene zin uitgelaten over de verzochte proceskostenvergoedingen (waaronder de wettelijke rente en de btw). De Ondernemingskamer zal een en ander hierna bespreken.

algemeen

2.68

De Minister heeft allereerst aangevoerd dat partijen die geen schadeloosstelling zullen ontvangen omdat de waarde van hun onteigende effecten en vermogensbestanddelen op nihil is vastgesteld, als in het ongelijk gestelde partijen geen recht hebben op een proceskostenvergoeding. De Ondernemingskamer volgt dit standpunt niet. Om tot een vaststelling van de omvang van de schadeloosstelling te kunnen komen zijn uiteindelijk twee zeer omvangrijke deskundigenberichten nodig geweest en daarover heeft telkens een zeer uitgebreid partijdebat plaatsgevonden dat zich over vele jaren heeft uitgestrekt. Onder die omstandigheden en de hierboven in 2.65 genoemde omstandigheden moet er van worden uitgegaan dat alle onteigende partijen in redelijkheid hebben kunnen besluiten om zich tegen het aanvankelijk aanbod van de Minister te verzetten en kan hen niet achteraf worden tegengeworpen dat zij uiteindelijk geen recht op schadeloosstelling blijken te hebben. Ook de door de partijen die geen schadeloosstelling zullen ontvangen in deze procedure gemaakte kosten zijn daarom in redelijkheid gemaakt en komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover zij binnen een redelijke omvang zijn gebleven.

2.69

De Minister heeft verder aangevoerd dat onder de kosten van rechtsbijstand niet de kosten kunnen worden begrepen die door de onteigende partijen zelf zijn gemaakt ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure. Blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 20 maart 2015 ligt het in de rede om ter zake de proceskostenvergoeding aan te sluiten bij de rechtspraak over de maatstaf van artikel 50 lid 4 Onteigeningswet. Dienaangaande heeft de Hoge Raad eerder overwogen dat artikel 50 lid 4 Onteigeningswet weliswaar in die zin ruim moet worden opgevat dat onder de kosten van het proces mede moeten worden begrepen de redelijke kosten van door derden verleende bijstand, maar dat voor een uitleg die daaronder mede verstaat de kosten wegens de door de onteigende zelf aan de procedure bestede tijd, in de parlementaire geschiedenis geen steun is te vinden (HR 3 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9973). Dit betekent dat de kosten ter zake van de door de onteigende partijen zelf aan de procedure bestede tijd niet voor vergoeding in aanmerking komen.

2.70

Ten aanzien van de verschuldigde btw over de kosten van rechtsbijstand en de kosten van ingeschakelde deskundigen in een onteigeningsprocedure heeft de Hoge Raad in het kader van de toepassing van artikel 50 lid 4 Onteigeningswet geoordeeld dat een ondernemer deze btw niet in aftrek kan nemen of terugvragen (HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:531). De proceskostenvergoeding zal daarom, indien verzocht, inclusief de verschuldigde btw worden toegewezen.

2.71

Ten aanzien van de partijen die bij advocaat in de procedure zijn verschenen, maar geen opgave van hun kosten hebben gedaan, zal de Ondernemingskamer een proceskostenveroordeling uitspreken op basis van twee punten tarief II van het liquidatietarief in handelszaken (hoger beroep), dat wil zeggen een bedrag van € 2.228.

2.72

Ten aanzien van de partijen die wel een opgave hebben gedaan van de gemaakte kosten is de Ondernemingskamer van oordeel dat de door een partij in redelijkheid ten behoeve van deze procedure te maken kosten van rechtsbijstand en kosten van ingeschakelde deskundigen gezamenlijk ten hoogste een bedrag van € 1.000.000, inclusief de verschuldigde btw, kunnen bedragen. De kosten die dit bedrag te boven gaan zijn naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet binnen een redelijke omvang gebleven.

2.73

De wettelijke rente over de proceskostenveroordelingen zal telkens worden toegewezen met ingang van 14 dagen na de datum van deze beschikking.

VEB c.s.

2.74

VEB c.s. heeft opgegeven dat zij aan externe kosten een bedrag van € 422.672, inclusief btw heeft voldaan en dat de interne kosten van rechtsbijstand door haar eigen juristen en economen in totaal € 650.000 bedragen. De VEB heeft terecht gesteld dat zij geen onteigende partij is maar slechts optreedt ten behoeve van onteigende partijen, zodat de door haar zelf gemaakte interne kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.000.000, inclusief btw, redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van de VEB een proceskostenveroordeling uitspreken van € 1.000.000, inclusief btw.

Stichting Beheer

2.75

Stichting Beheer c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen een bedrag van € 662.115, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Stichting Beheer een proceskostenveroordeling uitspreken van € 662.115, inclusief btw.

BNP c.s.

2.76

BNP c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen een bedrag van € 220.182,70 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van BNP c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 220.182,704.

Maatschap Convertentie c.s.

2.77

Van Maatschap Convertentie c.s. is geen opgave van de proceskosten ontvangen. Nu zij wel bij advocaat is verschenen zal de Ondernemingskamer ten behoeve van Maatschap Convertentie c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken op basis van twee punten, tarief II van het liquidatietarief in handelszaken (hoger beroep), dat wil zeggen een bedrag van € 2.228.

FNV

2.78

FNV heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 562.568,98, inclusief btw, heeft voldaan en aan kosten van deskundigen € 54.992,61, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van FNV een proceskostenveroordeling uitspreken van € 617.561,59, inclusief btw.

Aviva c.s.

2.79

Aviva c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 1.211.659,56 heeft voldaan en aan kosten van deskundigen € 12.247,26 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.000.000 redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van de Aviva c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 1.000.000.

Brigade Fund c.s.

2.80

Brigade Fund c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en aan kosten van deskundigen een bedrag van USD 7.325.998,96 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.000.000 redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Brigade Fund c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 1.000.000.

Alpha Value c.s.

2.81

Alpha Value c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 256.207,50 heeft voldaan en aan kosten van deskundigen een bedrag van € 12.339,88 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Alpha Value c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 268.547,38.

Unipol c.s.

2.82

Van Unipol c.s. is geen opgave van de proceskosten ontvangen. Nu zij wel bij advocaat is verschenen zal de Ondernemingskamer ten behoeve van Unipol c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken op basis van twee punten, tarief II van het liquidatietarief in handelszaken (hoger beroep), dat wil zeggen een bedrag van € 2.228.

Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas

2.83

Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 120.412,70 heeft voldaan en aan kosten van deskundigen een bedrag van € 9.519,99 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Intégrale Gemeenschappelijke Verzekeringskas een proceskostenveroordeling uitspreken van € 129.932,69.

Turfmij c.s.

2.84

Turfmij c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 196.122,20, inclusief btw, heeft voldaan en aan kosten van deskundigen een bedrag van € 14.819,19, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Turfmij c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 210.941,39, inclusief btw.

Andalusian Global

2.85

Andalusian Global heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand € 321.331,40 heeft voldaan en aan kosten van deskundigen een bedrag van € 24.428,15 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Andalusian Global een proceskostenveroordeling uitspreken van € 345.759,55.

CCP c.s.

2.86

CCP c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen een bedrag van € 166.829,03 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van CCP c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 166.829,03.

’t Stockpaert c.s.

2.87 ’

’t Stockpaert c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen, inclusief btw, € 20.378,69 (Vereniging Beleggingsclub ’t Stockpaert), € 79.689,84 (Stichting Value Partners Family Office) en € 21.606 (Ophorst Van Marwijk Kooy Vermogensbeheer N.V.) heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van ’t Stockpaert c.s. proceskostenveroordelingen uitspreken van € 20.378,69 voor Vereniging Beleggingsclub ’t Stockpaert, € 79.689,84 voor Stichting Value Partners Family Office en € 21.606, voor Ophorst Van Marwijk Kooy Vermogensbeheer N.V., in totaal € 121.674,53, telkens inclusief btw.

Hof Hoorneman Bankiers

2.88

Hof Hoorneman Bankiers heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen een bedrag van € 83.302,47, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Hof Hoorneman Bankiers een proceskostenveroordeling uitspreken van € 83.302,47, inclusief btw.

UBI Pramerica c.s.

2.89

UBI Pramerica c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen € 73.168,27 (UBI Pramerica SGR S.p.A.) en € 56.495,13 (Intesa San Paolo Vita S.p.A) heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van UBI Pramerica c.s. proceskostenveroordelingen uitspreken van € 73.168,27 voor UBI Pramerica SGR S.p.A. en € 56.495,13 voor Intesa San Paolo Vita S.p.A, in totaal € 129.663,40.

Stichting Compensatie

2.90

Stichting Compensatie heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en kosten van deskundigen een bedrag van € 53.118,36, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Stichting Compensatie een proceskostenveroordeling uitspreken van € 53.118,36, inclusief btw.

[R]

2.91

heeft opgegeven dat aan kosten van rechtsbijstand in totaal een bedrag van € 45.050,18, inclusief btw, is voldaan. Uit de toelichting bij de daarvan verstrekte specificaties blijkt dat de desbetreffende declaraties niet door [R] , maar door rechtsbijstandsverzekeraar ARAG SE Nederland zijn voldaan. Nu [R] zelf geen proceskosten heeft gemaakt zal de Ondernemingskamer ten behoeve van [R] geen proceskostenveroordeling uitspreken.

[S]

2.92

heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 12.100 inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificatie voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van [S] een proceskostenveroordeling uitspreken van € 12.100, inclusief btw.

[T] , Stichting Meldpunt c.s. en [U]

2.93

Van [T] , Stichting Meldpunt c.s. en [U] is geen opgave van de proceskosten ontvangen. Nu zij allen wel bij advocaat zijn verschenen zal de Ondernemingskamer ten behoeve van elk van [T] , Stichting Meldpunt c.s. en [U] een proceskostenveroordeling uitspreken op basis van twee punten, tarief II van het liquidatietarief in handelszaken (hoger beroep), dat wil zeggen telkens een bedrag van € 2.228.

[V] c.s.

2.94

[V] c.s. heeft opgegeven dat aan kosten van rechtsbijstand in totaal een bedrag van € 47.403,27, inclusief btw, is voldaan. Uit de toelichting bij de daarvan verstrekte specificaties blijkt dat de desbetreffende declaraties niet door [V] c.s., maar door rechtsbijstandsverzekeraar ARAG SE Nederland zijn voldaan. Nu [V] c.s. zelf geen proceskosten heeft gemaakt zal de Ondernemingskamer ten behoeve van [V] c.s. geen proceskostenveroordeling uitspreken.

[X]

2.95

heeft opgegeven dat aan kosten van rechtsbijstand in totaal een bedrag van € 59.940,22, inclusief btw, is voldaan. Uit de toelichting bij de daarvan verstrekte specificaties blijkt dat de desbetreffende declaraties niet door [X] , maar door rechtsbijstandsverzekeraar ARAG SE Nederland zijn voldaan. Nu [X] zelf geen proceskosten heeft gemaakt zal de Ondernemingskamer ten behoeve van [X] geen proceskostenveroordeling uitspreken.

[UU]

2.96

heeft opgegeven dat hij aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 4.556,01, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van [UU] een proceskostenveroordeling uitspreken van € 4.556,01, inclusief btw.

[Y] c.s., [BB] , [CC] , [DD] , [EE] en [FF]

2.97

Van [Y] c.s., [BB] , [CC] , [DD] , [EE] en [FF] is geen opgave van de proceskosten ontvangen. Nu zij geen van allen bij advocaat zijn verschenen, zal de Ondernemingskamer ten behoeve van [Y] c.s., [BB] , [CC] , [DD] , [EE] en [FF] geen proceskostenveroordeling uitspreken.

[GG]

2.98

heeft opgegeven dat zijn kosten in totaal € 1.777 hebben bedragen. Het betreft onder meer reiskosten voor het bijwonen van de zittingen, lidmaatschap VEB en € 800 aan opgenomen verlofdagen. Die laatste post betreft de kosten van de door [GG] als onteigende partij zelf aan de procedure bestede tijd en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De Ondernemingskamer zal ter zake van de overige posten ten behoeve van [GG] een proceskostenveroordeling uitspreken van € 977.

[HH]

2.99

Van [HH] is geen opgave van de proceskosten ontvangen. Nu hij niet bij advocaat is verschenen, zal de Ondernemingskamer ten behoeve van [HH] geen proceskostenveroordeling uitspreken.

[II]

2.100 [II] heeft opgegeven dat hij aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 83.667,76, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van [II] een proceskostenveroordeling uitspreken van € 83.667,76.

[JJ]

2.101 [JJ] heeft opgegeven dat hij aan kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 34.738, inclusief btw, heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van [JJ] een proceskostenveroordeling uitspreken van € 34.738, inclusief btw.

[KK] c.s.

2.102 [KK] c.s. heeft opgegeven dat hij aan kosten van rechtsbijstand, inclusief griffierecht, een bedrag van € 6.250, heeft voldaan en nog zal moeten voldoen. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van [KK] c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 6.250.

Conclusie

2.103 De Ondernemingskamer is gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het aanbod van de Minister geen volledige vergoeding vormt voor de door onteigende partijen geleden schade. Het gewijzigde verzoek van de Minister om de schadeloosstelling ten aanzien van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank vast te stellen op € 10 miljoen, althans € 129,55 miljoen, althans € 249,1 miljoen, en ten aanzien van de participatiecertificaten op € 45,19 miljoen, althans € 48,05 miljoen, althans € 50,9 miljoen en ten aanzien van de achtergestelde effecten en vermogensbestanddelen van SNS Reaal op nihil, zal daarom worden afgewezen.

2.104 De Ondernemingskamer zal de schadeloosstelling voor de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal gelet op het bepaalde in artikel 6:8 lid 2 Wft en artikel 6:9 lid 1 Wft vaststellen overeenkomstig de hiervoor onder 2.62 vastgestelde waarde van de desbetreffende effecten en vermogensbestanddelen per 1 februari 2013, ad in totaal € 804.810.000.

2.105 Aan de Ondernemingskamer is niet bekend wie alle rechthebbenden op een schadeloosstelling zijn en welk deel van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen door elk van de rechthebbenden werd gehouden. De Ondernemingskamer zal om die reden de aan de rechthebbenden toekomende schadeloosstelling ter zake van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal vaststellen op het bedrag van de waarde per 1 februari 2013 van het door elk van de rechthebbenden gehouden deel van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. De schadeloosstelling zal op grond van artikel 6:12 lid 3 Wft worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de datum van de betaling. De Ondernemingskamer gaat er daarbij vanuit dat de Minister, gelet op het bepaalde in artikel 6:12 lid 4 Wft, zal zorgdragen voor uitbetaling van de vastgestelde schadeloosstellingen aan degenen die aantonen rechthebbende te zijn.

2.106 De Staat dient de kosten van de deskundigen te dragen en zal worden veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbenden, zoals hiervoor overwogen.

2.107 Het door de Minister en de belanghebbenden meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

3.1

wijst het verzoek van de Minister af;

3.2

stelt de aan de rechthebbenden toekomende schadeloosstelling ter zake van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank en SNS Reaal, overeenkomstig de hiervoor onder 2.62 vastgestelde waarde vast op het bedrag van de waarde per 1 februari 2013 van het door elk van de rechthebbenden gehouden deel van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2013 tot aan de datum van de betaling;

3.3

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding

- aan de zijde van VEB c.s. begroot op: € 1.000.000;

- aan de zijde van Stichting Beheer begroot op: € 662.115;

- aan de zijde van BNP c.s. begroot op: € 220.182,70;

- aan de zijde van Maatschap Convertentie c.s. begroot op: € 2.228;

- aan de zijde van FNV begroot op: € 617.561,59;

- aan de zijde van Aviva c.s. begroot op: € 1.000.000;

- aan de zijde van Brigade Fund c.s. begroot op: € 1.000.000;

- aan de zijde van Alpha Value c.s. begroot op: € 268.547,38;

- aan de zijde van Unipol c.s. begroot op: € 2.228;

- aan de zijde van Intégrale Gemeenschappelijke

Verzekeringskas begroot op: € 129.932,691;

- aan de zijde van Turfmij c.s. begroot op: € 210.941,39;

- aan de zijde van Andalusian Global begroot op: € 345.759,55;

- aan de zijde van CCP c.s. begroot op: € 166.829,03;

- aan de zijde van Vereniging Beleggingsclub

t’ Stockpaert begroot op: € 20.378,69;

- aan de zijde van Stichting Value Partners

Family Office begroot op: € 79.689,84;

- aan de zijde van Ophorst Van Marwijk Kooy

Vermogensbeheer N.V. begroot op: € 21.606;

- aan de zijde van Hof Hoorneman Bankiers begroot op: € 83.302,47;

- aan de zijde van UBI Pramerica SGR S.p.A. begroot op: € 73.168,27;

- aan de zijde van Intesa San Paolo Vita S.p.A, begroot op: € 56.495,13;

- aan de zijde van Stichting Compensatie begroot op: € 53.118,36;

- aan de zijde van [S] begroot op: € 12.100;

- aan de zijde van [T] begroot op: € 2.228;

- aan de zijde van Stichting Meldpunt c.s. begroot op: € 2.228;

- aan de zijde van [U] begroot op: € 2.228;

- aan de zijde van [UU] begroot op: € 4.556,01;

- aan de zijde van [GG] begroot op: € 977;

- aan de zijde van [II] begroot op: € 83.667,76;

- aan de zijde van [JJ] begroot op: € 34.738;

- aan de zijde van [KK] c.s. begroot op: € 6.250;

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de betaling;

3.4

stelt de kosten van de deskundigen vast op € 3.593.427,19, inclusief btw, en bepaalt dat deze kosten door de Staat moeten worden gedragen;

3.5

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.6

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.J. Wolfs en mr. A.W.H. Vink, raadsheren, drs. J.S.T. Tiemstra RA en mr. D.E.M. Aleman MBA, raden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Sterk en mr. F.L.A. Straathof, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 februari 2021.