Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:3080

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-10-2021
Datum publicatie
03-11-2021
Zaaknummer
20/00302
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:2723, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges geheven voor de aanvraag van een omgevingsvergunning; posten bouwactiviteit wonen en afwijking bestemmingsplan; heffingsambtenaar hanteert het juiste tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 3-11-2021
V-N Vandaag 2021/2604
FutD 2021-3444
V-N 2022/3.19 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2022/57 met annotatie van R.A. Eskes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 20/00302

14 oktober 2021

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.C. Jonkman

tegen de uitspraak van 25 maart 2020 in de zaak met kenmerk HAA 19/4320 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

de heffingsambtenaar van de gemeente Zaanstad, de heffingsambtenaar,

en

belanghebbende.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij nota met dagtekening 28 februari 2019 (hierna: de aanslag) van belanghebbende een bedrag van € 2.859,96 aan leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag omgevingsvergunning.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 14 augustus 2019 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 25 maart 2020, aan partijen verzonden op 30 maart 2020, het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 mei 2020 en aangevuld bij brief van 4 juni 2020. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Het Hof neemt hetgeen de rechtbank onder 1 tot en met 3 heeft opgenomen over als feiten (belanghebbende en de heffingsambtenaar zijn in deze uitspraak aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“1. Op 19 juli 2018 heeft eiseres bij de gemeente Zaanstad (de gemeente) een aanvraag gecombineerde omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betrof de legalisatie van het bouwen of verbouwen van een schuur, een aanbouw, een dakterras en een aanlegsteiger op het adres [adres] te [Z] . De activiteit vond plaats in 2016 en kostte in totaal

€ 23.500. Per brief van 16 augustus 2018 is de aanvraag bevestigd als “Het (ver)bouwen van een bouwwerk”. Nadat daarom was gevraagd heeft eiseres op 1 september 2018 en 17 december 2018 nadere stukken bij de gemeente ingediend.

2. Bij de eerste toetsing op 8 januari 2019 ging de welstandsommissie niet met de aanvraag akkoord. Daarop paste eiseres de bouwtekeningen aan en bij de tweede toetsing op 22 januari 2019 ging de welstandscommissie wel akkoord. Op 23 januari 2019 is de vergunning verleend.

3. Met dagtekening 28 februari 2019 heeft verweerder eiseres de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag is groot € 2.859,96, welk bedrag als volgt is samengesteld:

Bouwactiviteit (wonen)

1.653,60

In behandeling nemen aanvullende gegevens

-

101,50

Legalisatie

-

165,36

Afwijken bestemmingsplan

-

683,00

Welstandscommissie (wonen)

-

128,25

Welstandscommissie (wonen)

-

128,25

Totaal aanslagbedrag

2.859,96

Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.”

2.2.

Aangezien de door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.

2.3.

In de bij de Legesverordening Zaanstad 2018 (hierna: de Verordening) behorende tarieventabel is onder meer het volgende opgenomen:

“Paragraaf 21 Omgevingsvergunning

Begripsomschrijvingen

1. a. In deze paragraaf voorkomende begrippen die in de Wabo zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als bij of krachtens de Wabo bedoeld

b. In deze paragraaf voorkomende begrippen die niet nader in de Wabo zijn omschreven en die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld

(…)

1.Tarief per vierkante meter, gebaseerd op de hoofdfunctie per bouwlaag van het gebouw of

de uitbreiding daarvan. Er wordt uitgegaan van de bruto-vloeroppervlakte in vierkante

meters, als omschreven in NEN 2580 (…).

(…)

d. Hoofdfunctie: de aard van het gebruik dat in overwegende mate plaatsvindt per bouwlaag

van het gebouw of de uitbreiding daarvan. Er is één hoofdfunctie mogelijk per bouwlaag.

(…)

- Wonen;

Bouwwerken (inclusief de eventuele op-, aan- en uitbouwen) die gebruikt worden voor

bewoning en waardoor vierkante meters aan de functie wonen worden toegevoegd.

Voorbeelden: woning, garage bij woning, berging, kelder, aan- en/of uitbouw van woning

(…). (…)

- Overige functies

-gebouwen of de uitbreiding daarvan, die niet behoren tot de hierboven genoemde functies;

(…)

-onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen;

-het veranderen of verbouwen van gebouwen zonder uitbreiding van de oppervlakte ;

(…)

8. Bouwactiviteiten

a. Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit, als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder a van de Wabo, voor nieuwbouw of het uitbreiden van een gebouw, wordt het tarief voor het in behandeling nemen bepaald op basis van de totale oppervlakte, aan de hand van onderstaande tabel, waarbij een minimum geldt van € 532,90

Hoofdfunctie per bouwlaag. Totale oppervlakte van alle bouwlagen van het gebouw of de uitbreiding daarvan

Prijs per m2

Wonen

- voor de eerste 1000 m2

31,20

- voor iedere vierkante meter meer dan 1000 m2

22,70

Maatschappelijk/economisch

- voor de eerste 1000 m2

54,55

- voor iedere vierkante meter meer dan 1000 m2

30,70

(…)

b. In afwijking van de hierboven bij sub a genoemde tarieven, geldt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder a van de Wabo, voor:

- gebouwen of de uitbreiding daarvan die niet in bovengenoemde tabel zijn genoemd.

- bouwwerken geen gebouw zijnde; (…)

- onderhoudswerkzaamheden aan gebouwen;

- het veranderen of verbouwen van gebouwen zonder uitbreiding daarvan en voor gevelwijzigingen; (…)

voor bouwkosten tot en met € 900.000 een tarief van 2,6% van de bouwkosten waarbij een minimum geldt van € 532,90.”

2.4.

Tot het dossier behoren foto’s van de aanbouw en de schuur in oude en in nieuwe staat, respectievelijk voor en na de in 2016 uitgevoerde werkzaamheden (zie onder 1. van de uitspraak van de rechtbank). Hieruit volgt dat de gevels van de schuur geheel zijn vernieuwd, dat het dak van de schuur geheel is vernieuwd en verhoogd (van schuine golfplaten naar een horizontaal dak even hoog als de aanbouw), dat het dakterras op de aanbouw is uitgebreid met het vernieuwde dak van de schuur, dat daaromheen een schutting is geplaatst, dat de schuur aan de achterzijde is voorzien van twee dubbele tuindeuren en dat de schuur aan de zijkant is voorzien van een uitgang. Belanghebbende heeft daar ter zitting aan toegevoegd dat de vloer van de schuur geheel is vernieuwd waarbij een vloerverwarming is geplaatst.

2.5.

De aanbouw en de schuur functioneerden na de bouwwerkzaamheden als atelier annex woonruimte. De oppervlakte van beide bedraagt in oude en in nieuwe staat tezamen 53 m2.

3 Geschil voor het Hof

3.1.

In geschil of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. In hoger beroep liggen ter toetsing voor de posten “Bouwactiviteit wonen” ad € 1.653,60 en “Afwijken bestemmingsplan” ad € 683.

3.2.

Niet in geschil is dat als het Hof oordeelt dat paragraaf 21.8.a. van de tarieventabel bij de Verordening van toepassing is, het tarief voor wonen geldt: € 31,20 per m2 voor de eerste 1000 m2.

4 Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:

“4. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is omdat geen sprake is geweest van het in behandeling nemen van aanvullende gegevens omdat de aanvraag tot driemaal toe als compleet was verklaard. Volgens eiseres is de post “bouwactiviteit (wonen)” ten onrechte in de aanslag opgenomen omdat geen sprake is van nieuwbouw en de aanbouw niet is vergroot. Verder stelt eiseres dat geen sprake is van afwijking van het bestemmingsplan. Volgens eiseres zijn de bedragen voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens en het afwijken van het bestemmingsplan daarom ten onrechte in de aanslag opgenomen. Naast de bedragen voor de legalisatie en de beoordelingen door de welstandscommissie kon volgens eiseres alleen nog 2,6 procent van de totale bouwsom in rekening worden gebracht. Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep en tot vermindering van de aanslag tot
€ 1.032,86 (€ 65,36 + 2 x € 128,25 + (2,6 % van € 23.500,00)).

5. Voor de standpunten van verweerder wordt verwezen naar de stukken. Verweerder concludeert uiteindelijk tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd stelt de rechtbank het volgende voorop: het belastbare feit voor de heffing van leges ter zake van een omgevingsvergunning is het in behandeling nemen van de aanvraag van de vergunning. De uitkomst van de aanvraagprocedure is daarbij niet van belang. Ook als de vergunning niet wordt verleend of als blijkt dat voor desbetreffende activiteit geen vergunning nodig is, kunnen voor het in behandeling nemen van de aanvraag leges worden geheven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat hetgeen is aangevoerd over de aanleiding tot het moeten aanvragen van de vergunning, over de wijze waarop die is behandeld en over de vraag in hoeverre voor de activiteit een vergunning nodig was, in deze procedure, die alleen kan gaan over de hoogte van de aanslag leges, niet van belang is.

7. Op grond van paragraaf 21, vijfde lid, van de Tarieventabel bij de Legesverordening Zaanstad 2018 (de tarieventabel) bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens die worden ingediend nadat de desbetreffende aanvraag in behandeling is genomen, € 101,50. Op grond van het achtste lid van deze paragraaf bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een bouwactiviteit wonen voor de eerste 1.000 m² € 31,20 per vierkante meter. Voor de aanvraag van een bouwactiviteit voor maatschappelijk of economisch gebruik is het tarief voor de eerste 1.000 m² € 54,55 per vierkante meter. In afwijking daarvan geldt voor het veranderen of verbouwen van gebouwen zonder uitbreiding van die gebouwen, een tarief van 2,6 procent van de bouwkosten, met een minimum van € 532,20. Is de aangevraagde activiteit in strijd met het bestemmingsplan dan geldt daarvoor, op grond van het veertiende lid van deze paragraaf, een (extra) tarief van
€ 683,00 of een hoger tarief al naar gelang de aard en de omvang van de activiteit.

8. Aangaande de in de aanslag begrepen post “bouwactiviteit (wonen)” heeft verweerder aangevoerd dat in de aanvraag was aangegeven dat de bouwwerken werden gebruik voor wonen. Verder stelt verweerder dat uit de tot de stukken behorende foto’s blijkt dat de aanbouw met daarop het dakterras is vergroot. Uit de stukken komt naar voren dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag is uitgegaan van een vergroting van de gebruiksoppervlakte met 53 m² en de daarvoor te heffen leges daarom heeft vastgesteld op € 1.653,60 (53 x
€ 31,20). Eiseres stelt dat geen sprake was van een bouwactiviteit wonen omdat de al bestaande aanbouw wel werd verbouwd, maar daarmee niet werd vergroot en de desbetreffende ruimte vooral zakelijk wordt gebruikt. Volgens eiseres dient deze post op de aanslag daarom te worden vastgesteld op 2,6 procent van de totale bouwkosten van € 23.500, dus op € 657,80. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres ter zitting stukken uit de archieven van de gemeente overgelegd. Daaruit blijkt dat in 1931 vergunning is verleend voor de bouw van een werkplaats met bovenwoning en de bouw daarvan in 1932 is voltooid en dat in 1924 vergunning is verleend voor de herbouw van een afgebrande schuur. Uit de bijgevoegde bouwtekeningen blijkt dat de werkplaats met bovenwoning bestaat uit drie bouwlagen en een uitbouw op de begane grond. Eiseres stelt dat uit deze stukken blijkt dat het hoofdgebouw en de schuur legaal aanwezig waren en daarom geen sprake kan zijn van nieuwbouw, maar van verbouw van bestaande bebouwing.

9. Uit de stukken, met name de door beide partijen overgelegde foto’s, maakt de rechtbank op dat het hoofdgebouw met de stenen uitbouw, zoals dat in 1932 is voltooid, aan de buitenkant niet is gewijzigd, maar dat de houten schuur zodanig is vernieuwd en veranderd dat in zoverre sprake is van nieuwbouw als bedoeld in paragraaf 21.8.a van de tarieventabel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het schuine golfplaten dak is vervangen door een horizontaal dak dat even hoog is als het dak van de stenen uitbouw van het hoofdgebouw, zodat één doorlopend dakterras over de uitbouw en de schuur kon worden gerealiseerd. Verder is de schuur aan de achterzijde voorzien van twee dubbele tuindeuren en voorzien van een uitgang aan de zijkant naar de naastgelegen parkeerplaats, en is een hekwerk op de nieuwbouw geplaatst. Dat met dit alles de constructie van de oude schuur intact zou zijn gebleven en slechts sprake zou zijn van het plaatsen van nieuwe planken op de bestaande balkenconstructie is door eiseres niet aannemelijk gemaakt, en ook in tegenspraak met de door beide partijen overgelegde foto’s van de nieuwbouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht het tarief toegepast dat geldt voor nieuwbouw of uitbreiding van bestaande bouw. Dat slechts een relatief klein gedeelte van de bestaande bebouwing is vernieuwd maakt dit niet anders. De stelling van eiseres dat de desbetreffende ruimte vooral zakelijk wordt gebruikt kan niet leiden tot vermindering van de aanslag omdat bij zakelijk gebruik het hogere tarief van € 54,55 per vierkante meter geldt.

10. Vaststaat dat eiseres na het indienen van de aanvraag aanvullende gegevens heeft ingediend. De in 7 aangehaalde bepalingen uit de tarieventabel kunnen tot geen ander oordeel leiden dan dat voor het in behandeling nemen daarvan € 101,50 leges kan worden geheven. Verweerder heeft dit bedrag dus terecht in de aanslag begrepen. Dat het bij de aanvullende gegevens ging om gegevens en tekeningen van de oude situatie en dat, naar eiseres stelt, de aanvraag eerder compleet zou zijn verklaard, maakt dit niet anders. Ook verder zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

11. Voor de vraag of sprake is van een afwijking van het bestemmingsplan heeft verweerder gewezen op de uitspraak op bezwaar waarin onder meer het volgende is vermeld:

“- De steiger is in strijd met de regels in artikel 19 lid 2 van het bestemmingsplan, deze is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding “p”;

- (…);

- De aanbouw ligt met een diepte van 7 meter achter het bouwvlak. De aanbouw achter het bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 48 m². Het erf achter het bouwvlak heeft een oppervlakte van (13 x 7) = 91 m². Er mag maximaal 50% bebouwd worden. Dat komt neer op een aanbouw van maximaal 40,5 m². De geplande aanbouw overschrijdt deze oppervlakte met 7,5 m². Daarnaast mag de achtergevel van de aanbouw niet meer dan 3 meter achter de bestaande gevel liggen. De achtergevel van de aanbouw ligt daar ruim achter.

De hoogte van de aanbouw mag niet hoger zijn dan 0,25 m boven de eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw. De aanbouw zelf voldoet aan deze voorwaarden. De schermen rondom voor het dakterras voldoen hier niet aan en zijn in strijd met het bestemmingsplan.”

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd ter betwisting van het bovenstaande betreft alleen de aanbouw. Dat met de aanlegsteiger sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik en dit gebruik met de vergunning is gelegaliseerd, is door eiseres niet betwist. Reeds hierom moet worden geoordeeld dat de aanvraag mede zag op een activiteit die voor een deel strekte tot met bestemmingsplan strijdig gebruik. Verweerder heeft daarom terecht het daarvoor geldende tarief in de aanslag begrepen. Dat, naar eiseres heeft aangevoerd, de bouw of verbouw van het hoofdgebouw en de schuur niet in strijd waren met het bestemmingsplan, wat daar ook van zij, kan niet leiden tot vermindering van de aanslag omdat van de verschillende tarieven die gelden voor met een bestemmingsplan strijdig gebruik reeds het laagste is toegepast.

12. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

Vooraf

5.1.

Het Hof stelt het volgende voorop. Het belastbare feit voor de heffing van leges inzake een omgevingsvergunning is het in behandeling nemen van de aanvraag van die vergunning. De uitkomst van de aanvraagprocedure is in beginsel niet van belang, tenzij blijkt dat voor de desbetreffende activiteit geen vergunning benodigd is vanwege een vrijstelling. Indien sprake is van een dergelijke vrijstelling, dan behoeven er na afloop van de aanvraagprocedure geen leges te worden voldaan (vgl. Hoge Raad 22 december 2017, nr. 17/03326, ECLI:NL:HR:2017:3227, r.o. 2.2.3). Hetgeen de rechtbank onder 6 van haar uitspraak heeft overwogen is in zoverre onjuist. Die situatie is in het onderhavige geval echter niet aan de orde. De rechtbank is voorts terecht tot het oordeel gekomen dat wat door belanghebbende is aangevoerd met betrekking tot de aanleiding van de aanvraag en de wijze waarop de aanvraag is behandeld, in deze procedure niet van belang is. Het Hof sluit zich hierbij aan en zal overgaan tot de behandeling van de geschilpunten.

Post “Bouwactiviteit wonen”

5.2.

Belanghebbende betoogt dat op de werkzaamheden aan de aanbouw en de schuur, zoals opgenomen onder 1 van de uitspraak van de rechtbank, aan [adres] te [Z] paragraaf 21.8.b. van de tarieventabel bij de Verordening van toepassing is. Er is, zo meent belanghebbende, sprake van ‘het veranderen of verbouwen van gebouwen zonder uitbreiding daarvan’. Met de in 2.4 vermelde werkzaamheden is geen sprake van nieuwbouw, maar van uitgevoerd onderhoud aan en een gedeeltelijke vervanging van een bestaand bouwwerk. Belanghebbende wijst erop dat de oppervlakte van aanbouw en schuur gelijk is gebleven. De inhoudsmaten acht belanghebbende niet aan de orde bij een toetsing aan paragraaf 21.8. van de tarieventabel van de Verordening. Bovendien betoogt zij dat de inhoud gelijk is gebleven nu niet alleen het dak van de schuur maar ook de vloer is opgehoogd. Voor zover er al sprake is van een inhoudstoename acht belanghebbende deze dermate marginaal dat die, ook vanuit dit oogpunt bezien, niet van (doorslaggevend) belang kan zijn voor de onderhavige toetsing.

5.3.1.

De heffingsambtenaar neemt primair het standpunt in dat met de in 2.4 vermelde bouwwerkzaamheden sprake is van nieuwbouw in de zin van paragraaf 21.8.a. van de tarieventabel bij de Verordening. Hij betoogt hiertoe dat de schuur in de oude staat muren had die bestonden uit enkelvoudige houten planken en een schuin aflopend golfplaten dak, dat de schuur in nieuwe staat een horizontaal, plat dak heeft, dat de schuur in nieuwe staat twee ramen (het Hof begrijpt dubbele tuindeuren) heeft aan de achterzijde en een deur aan de zijkant, dat de gevels van de nieuwe schuur dikker en steviger zijn, dat de draagconstructie van de nieuwe schuur zo stevig is dat het thans mogelijk is om op het dak te staan zonder er doorheen te zakken, dat het horizontale en verstevigde dak van de nieuwe schuur deel uitmaakt van het dakterras dat daarmee vergroot is met de oppervlakte van de schuur.

5.3.2.

Subsidiair betoogt de heffingsambtenaar dat met de voornoemde bouwwerkzaamheden sprake is geweest van het uitbreiden van een gebouw in de zin van paragraaf 21.8.a. van de tarieventabel bij de Verordening. Ter onderbouwing hiervan voert de heffingsambtenaar aan dat door het recht trekken van het dak van de oude schuur de inhoud van de schuur groter is geworden. Daarbij huldigt hij het standpunt dat een uitbreiding in de zin van paragraaf 21.8.a. van de tarieventabel van de Verordening ziet op de totale oppervlakte en/of de totale inhoud.

5.4.1.

Het Hof constateert dat de term ‘nieuwbouw’ niet voorkomt in de Wabo. Aan de Wabo kan derhalve geen betekenis worden ontleend voor de uitlegging van die term zoals bedoeld in paragraaf 21, lid 1, letter a, van de tarieventabel bij de Verordening (zie 2.3). Voorts is gesteld noch gebleken dat paragraaf 21, lid 1, letter b, van deze tabel van toepassing is.

Het Hof zal daarom de term ‘nieuwbouw’ uitleggen naar algemeen aanvaard spraakgebruik.

5.4.2.

Het Hof is op grond van de weergave op de foto’s en belanghebbendes verklaring ter zitting inzake de vloer van de schuur (zie voor de beide aspecten 2.4) met de rechtbank van oordeel dat met de in 2016 uitgevoerde bouwwerkzaamheden aan de aanbouw en de schuur in feite sprake is geweest van nieuwbouw. Hiervoor acht het Hof van doorslaggevend belang dat de gevels, het dak, de vloer, de ramen en deuren van de schuur geheel zijn vernieuwd en dat er een geheel nieuw dakterras met bijbehorend hekwerk is geplaatst op de aanbouw en de schuur. Ten gevolge van al deze vernieuwingen is de schuur deel gaan uitmaken van de aanbouw en is de totale woonruimte vergroot. Het Hof wijst erop dat niet alleen de uitstraling en de functie van de aanbouw en de schuur tezamen is gewijzigd maar ook de draagconstructie ervan is versterkt. Dit had tot doelstelling het uitbreiden van het dakterras met de oppervlakte van de schuur. De heffingsambtenaar heeft onbetwist gesteld dat die uitbreiding in de oude situatie niet mogelijk was. Dit was niet alleen zo vanwege het schuin aflopen van het dak van de schuur, maar ook vanwege de draagkracht.

5.5.1.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de heffingsambtenaar terecht het tarief van 21.8.a. van de tarieventabel bij de Verordening toegepast. Voorts is het Hof van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht de totale (bruto) oppervlakte van het gerealiseerde bouwwerk (van 53 m²) als heffingsgrondslag in aanmerking heeft genomen, aangezien de totale oppervlakte van dit bouwwerk (gelet op het onder 5.4.2 overwogene) als nieuwbouw moet worden gekwalificeerd als bedoeld in paragraaf 21.8.a van de tarieventabel bij Verordening en in die paragraaf 21.8.a is bepaald dat het tarief wordt bepaald op basis van de totale oppervlakte. Voor zover belanghebbende in hoger beroep nog heeft willen betogen dat de desbetreffende ruimte vooral zakelijk werd gebruikt, heeft de rechtbank onder 9. van haar uitspraak hierover terecht geoordeeld dat deze stelling (wat daarvan verder zij) niet kan leiden tot vermindering van de aanslag, omdat daarvoor het hogere tarief van € 54,55 per vierkante meter geldt.

5.5.2.

Het Hof gaat voorbij aan het door belanghebbende tijdens de zitting gedane (voorwaardelijke) bewijsaanbod om – indien het Hof van oordeel is dat de bouwwerkzaamheden hebben geresulteerd in een uitbreiding – nader bewijs bij te brengen van haar stelling dat het bouwwerk niet is uitgebreid (in inhoud of oppervlakte) ten opzichte van het vóór de werkzaamheden aanwezige bouwwerk. Ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van belanghebbendes stelling, doet dit niet af aan het hiervoor gegeven oordeel van het Hof dat de uitgevoerde werkzaamheden hebben geresulteerd in nieuwbouw als bedoeld in paragraaf 21.8.a van de tarieventabel bij de Verordening. Voor deze kwalificatie is niet vereist (gelet op de bewoordingen ‘nieuwbouw of het uitbreiden van een gebouw’ in voormeld paragraaf 21.8.a) dat de nieuwbouw heeft geresulteerd in een uitbreiding ten opzichte van de vóór de nieuwbouw aanwezige bebouwing.

Post “Afwijken bestemmingsplan”

5.6.

Belanghebbende betoogt dat er wat betreft de bouwwerkzaamheden aan de schuur niet is afgeweken van het bestemmingsplan. Belanghebbende acht hetgeen in de uitspraak op bezwaar hieromtrent is opgenomen en beslist (zoals geciteerd onder 11 van de uitspraak van de rechtbank) onjuist. Verder is belanghebbende van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de bouw van de aanlegsteiger al sprake is geweest van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik en reeds hierom moet worden geoordeeld dat de aanvraag ziet op een activiteit die afwijkt van het bestemmingsplan. Belanghebbende bestrijdt weliswaar niet de constatering dat met de bouw van de aanlegsteiger er sprake is geweest van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Wel betoogt zij dat de heffingsambtenaar de met het bestemmingsplan strijdige hoogte van het hekwerk van het dakterras als grondslag voor de legesheffing heeft genomen. Door in haar uitspraak de legalisatie van de met het bestemmingsplan strijdige bouw van de aanlegsteiger als grondslag te nemen vervangt de rechtbank de motivering van de uitspraak op bezwaar, hetgeen niet is toegestaan, aldus belanghebbende. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof nog betoogd dat er in 2012 een watervergunning voor de steiger is afgegeven door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (het HHNK).

5.7.

De heffingsambtenaar onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de watervergunning heeft hij in de beroepsfase betoogd dat het feitelijk een verklaring van geen bezwaar door het Hoogheemraadschap betreft. Voor het plaatsen van de aanlegsteiger is ook nog een omgevingsvergunning vereist, aldus de heffingsambtenaar. Ter zitting van het Hof heeft hij verder betoogd dat de omgevingsvergunning voor de aanlegsteiger pas is verleend na de afronding van de huidige aanvraagprocedure. Die aanvraagprocedure zag ook op de aanlegsteiger, aldus de heffingsambtenaar.

5.8.

Het Hof onderschrijft het oordeel in 11 van de uitspraak van de rechtbank en maakt dat tot het zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd maakt dit niet anders. Hiertoe overweegt het Hof als volgt.

5.9.

Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard acht het Hof het aannemelijk dat er ten tijde van de onderhavige aanvraag omgevingsvergunning nog niet een dergelijke vergunning voor de aanlegsteiger was verleend. De heffingsambtenaar betoogt terecht dat de door belanghebbende genoemde watervergunning van het Hoogheemraadschap niet als zodanig kan worden aangemerkt.

5.10.

De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase aan zijn standpunt dat de post “Afwijken bestemmingsplan” terecht in rekening is gebracht mede ten grondslag gelegd dat de bouw van de aanlegsteiger in strijd was met het bestemmingsplan. Dat de uitspraak op bezwaar zich toespitst op de bouwwerkzaamheden inzake de aanbouw en de schuur maakt naar het oordeel van het Hof nog niet dat dit niet is toegestaan. Het staat de heffingsambtenaar immers in beginsel vrij in de (hoger)beroepsprocedure ter ondersteuning van de door hem opgelegde aanslag, zoals die na de uitspraak op bezwaar luidt, een ander standpunt in te nemen dan hij in de bezwaarfase heeft ingenomen. Verder staat het een partij, en daarom ook de heffingsambtenaar, vrij om zich in (hoger) beroep te verweren met alle gronden die hij dienstig acht. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt onderscheidenlijk verweer ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde (vgl. Hoge Raad 24 mei 2002, nr. 37 220, ECLI:NL:HR:2002:AE3172, BNB 2002/320, en Hoge Raad 4 december 2009, nr. 08/02258, ECLI:NL:HR:2009:BG7213, BNB 2010/65). Het Hof acht hiervan geen sprake. De rechtbank heeft mogen oordelen dat met de niet in geschil zijnde strijdigheid van de aanlegsteiger met het bestemmingsplan reeds vaststond dat de aanvraag omgevingsvergunning (mede) zag op een activiteit waarvoor de post “Afwijking bestemmingsplan” in rekening kon worden gebracht. Het hoger beroep faalt ook in zoverre.

Slotsom

5.11.

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier.

De beslissing is op 14 oktober 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.

Per post procederen

Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.