Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2934

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
23-000504-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI. De inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. De verdachte heeft met zijn handelen de concurrentieverhoudingen tussen verkeersscholen geweld willen aandoen en daarbij ook andere mensen gebruikt om zijn persoonlijk geldelijk gewin te kunnen bereiken. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie. De verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het witwassen van bijna € 100.000,00. Bewijsmotivering en strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000504-17

Datum uitspraak: 9 juni 2021

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702842-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres: [adres 1] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de appelschriftuur van het openbaar ministerie en de mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 6 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk - tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd CBR (met behulp van een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of - een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) en/of openbaar gemaakt tijdens die theorieles(sen) van de rijschool van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of - voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;


2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 03 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk - tijdens een of meerdere theorie-examen(s) van voornoemd IBKI (met behulp van een spybril) een of meerdere opname(s) gemaakt van een of meerdere examenvra(a)g(en) en/of - een of meerdere van voornoemde opname(s) van die examenvra(a)g(en) (vervolgens) gebruikt voor de theorieles(sen) van de rijschool van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of - voornoemde opname(s) van examenvra(a)g(en) ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en/of uit winstbejag bewaard, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend;


4.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam en/of Zwolle en/of Zaandam en/of Best en/of Nieuwegein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meerdere examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het IBKI, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5.
hij op of omstreeks 9 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer examenvra(a)g(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het CBR (Centraal bureau Rijvaardigheidsbewijzen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen met zijn mededader(s), althans alleen, met een spybril naar een theorie-examen van het CBR is toegegaan en/of (vervolgens) heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) - die spybril opgezet en/of - deel genomen aan dat theorie-examen van het CBR en/of bij voornoemd theorie-examen een of meerdere opname(s) gemaakt van de examenvra(a)g(en);

7.
hij op of omstreeks 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool (kaliber .22), en/of munitie van categorie III, te weten 10, in elk geval een of meer patro(o)n(en) (kaliber .22), voorhanden heeft gehad; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

8.
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks 25 september 2014 tot en met 16 oktober 2015 te Amsterdam en/of te Schiphol, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en), te weten een gelbedrag van (in totaal) ongeveer 95786,35 euro heeft overgedragen en/of van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten, voornoemd geldbedrag was en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van feiten 1 en 3

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het volgende standpunt gesteld. Uit de Aanwijzing Auteursrecht van het openbaar ministerie volgt dat als niet alleen het intellectuele eigendom maar ook het algemeen belang in het geding is, strafrechtelijke vervolging kan volgen. In onderhavige zaak is niet gebleken dat het algemeen belang in het geding is. De verdachte toetst de theorie examens niet, dat doet het CBR, en met een theorie examen heb je nog geen rijbewijs op zak. De verkeersveiligheid is door het handelen van verdachte aldus niet in het geding gekomen. Er is dus geen reden af te wijken van de in de Aanwijzing tot uitgangspunt genomen civielrechtelijke handhaving. Het Openbaar ministerie kon niet in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing komen. Nu toch is overgegaan tot strafrechtelijke handhaving zijn daarmee de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.

Beoordeling hof

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de beginselen van behoorlijke procesorde. De Aanwijzing Auteursrecht is recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Uit de Aanwijzing volgt dat strafrechtelijke vervolging mogelijk is wanneer het algemeen belang in het geding komt. Het hof stelt vast dat het systeem van theorie-examinering voor het behalen van het rijbewijs en/of van een certificaat tot rijinstructeur, is ontworpen ten behoeve van de verkeersveiligheid op de openbare weg. Hiermee wordt een algemeen belang gediend. Nu de verdenking het beroepsmatig inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI betreft, is het hof van oordeel dat het reeds beschreven algemeen belang van de verkeersveiligheid in het geding is. Beide instellingen dragen met de examinering van de theorie-onderdelen immers bij aan het waarborgen van de verkeersveiligheid. Met behulp van de ten laste gelegde auteursrechtschending zou de verdachte zich in staat hebben gesteld de examenvragen van zijn studenten (beter) te voorspellen om zo een hogere slagingskans voor zijn studenten te creëren die niet was gebaseerd op kennis. Daarbij is het niet van belang of al dan niet komt vast te staan dat het handelen van verdachte gevaar voor de verkeersveiligheid zou hebben opgeleverd. Er is dus geen sprake van schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De officier is ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak feiten 2, 4 en 5

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat het CBR en het IBKI niet de beschikkingsmacht over de theorie examens hebben verloren door het kopiëren van de gegevens met een spybril. Het CBR en het IBKI zijn op geen enkel moment de feitelijke heerschappij kwijt geraakt over de examenvragen en daarmee is niet voldaan aan de vereisten voor diefstal.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder
2, 4 en 5 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsmotivering feiten 1 en 3

Standpunt openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het volgende standpunt gesteld. De inbreuken op het auteursrecht van het CBR en het IBKI, ten laste gelegd onder feiten 1 en 3 zijn evident. Verdachte heeft opzettelijk verschillende personen opdracht gegeven om met een spybril examenvragen op te nemen bij het CBR en daar vervolgens gebruik van gemaakt, door het beeldmateriaal te gebruiken bij de theorielessen van zijn verkeersschool [verkeersschool] . Op een bij de verdachte aangetroffen laptop zijn meerdere video’s en PowerPointpresentaties aangetroffen waar de met de spybril openomen beelden in zijn verwerkt. Een bewezenverklaring kan volgen.

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feiten 1 en 3 geen sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en het IBKI. Het enkel filmen levert nog geen inbreuk van het auteursrecht op, nu daarmee nog geen informatie is verspreid, verveelvoudigd of geopenbaard. De verdachte heeft de informatie ten behoeve van zichzelf gebruikt teneinde een lesmethode te creëren. Er is niet gebleken dat de opgenomen vragen zijn verspreid onder de leerlingen van de rijschool of zijn getoond tijdens een theorieles. Wat resteert is dat er een paar keer opnames zijn gemaakt in strijd met de huisregels van het CBR en het IBKI, hetgeen geen inbreuk op het auteursrecht oplevert. Vrijspraak dient te volgen.

Beoordeling hof

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 neemt het hof de navolgende motivering van de rechtbank over, zij het met een aanvulling.

Naar vaste rechtspraak geldt dat, wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in art. 1 in verbinding met art. 10 Auteurswet (Aw), vereist is dat het een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Om van een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken moet dat werk door zijn maker als coherente creatie zijn geconcipieerd. Het werk moet het resultaat zijn van enige, hoe gering dan ook, scheppende activiteit van de maker. Met de rechtbank stelt het hof deze maatstaf ook voorop en is het hof van oordeel dat hiervan sprake is bij het creëren van examenvragen met bijhorende foto's van verkeerssituaties, gemaakt ten behoeve van het theorie-examen voor het behalen van een rijbewijs dan wel certificaat tot rijinstructeur.

Bij een werk in de zin van de Auteurswet geldt dat de maker (of diens rechtverkrijgende)

– en dat kan ook de werkgever zijn van degene die het werk feitelijk heeft vervaardigd (artikel 7 Aw) of de rechtspersoon onder wier naam het werk wordt openbaargemaakt (artikel 8 Aw) – op grond van artikel 1 Aw "het uitsluitend recht heeft dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld". Met de rechtbank stelt het hof vast dat het met een spybril opnemen van examenvragen van het CBR en IBKI, en deze beelden vervolgens verwerken in een theorie-cursus, zonder meer is aan te merken als een verveelvoudiging in de zin van de Auteurswet. De bij de wet gestelde beperkingen van het uitsluitend recht op verveelvoudiging zijn onder andere neergelegd in de artikelen 16b en 16c Aw. Van de in die artikelen omschreven beperkingen is naar het oordeel van het hof geen sprake. De in de artikelen 16b en 16c Aw omschreven beperkingen gelden niet indien de verveelvoudiging direct dan wel indirect een commercieel oogmerk bevat. Met de rechtbank stelt het hof vast dat van commercieel gebruik in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is, nu de verveelvoudiging was gericht op het verbeteren van de concurrentiepositie van de rijschool, teneinde meer klanten te kunnen aantrekken die tegen betaling de theorielessen zouden gaan volgen. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van een inbreuk op het auteursrecht van het CBR en IBKI.

Voorts overweegt het hof dat een verveelvoudiging iedere vastlegging van een werk of een gedeelte daarvan op een informatiedrager is, de eerste vastlegging daaronder begrepen. Vormen van reproduceren zijn onder meer het vastleggen in een computergeheugen (USB-stick, harde schijf, cd-rom). Het verweer wordt verworpen en een bewezenverklaring kan volgen.

Bewijsmotivering feit 8

Standpunt openbaar ministerie

Ten aanzien van feit 8 stelt de advocaat-generaal dat eveneens een bewezenverklaring kan volgen. Op basis van tapgesprekken waarin versluierend taalgebruik wordt gebruikt, zijn de verdachte en negen mannen aangehouden op luchthavens in Nederland, respectievelijk Frankrijk. De verdachte en andere betrokkenen blijken allemaal ongeveer € 9.500,00 aan contant geld bij zich te hebben. De verdachte heeft in eerste aanleg ter terechtzitting verklaard dat het geld afkomstig is uit zijn rijschool, dat het legale inkomsten betreft en dat hij een rekening in Libanon wilde openen, vanwege het hogere rentepercentage in Libanon. De verdachte heeft geen stukken overgelegd waaruit de volledige administratie van de rijschool volgt en zijn verklaring is dus niet te beoordelen. Ervan uitgaande dat het geldbedrag inderdaad uit inkomsten van de rijschool afkomstig is, dan hebben deze voor een zeer groot deel verbinding met het schenden van het auteursrecht van het CBR en het IBKI. Immers maakte verdachte gebruik van een spybril om aan de theorie examenvragen te komen. Door aldus te handelen moet worden geconcludeerd dat klanten zijn afgekomen op dienstverlening door de rijschool van de verdachte, welke dienstverlening het product is van het plegen van strafbare feiten. Op grond hiervan kan een bewezenverklaring volgen.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van feit 8 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen bewezenverklaring kan volgen. De kern is of de verdachte over contante gelden ter hoogte van het aangetroffen geldbedrag kon beschikken uit zijn rijschool en of dat verifieerbaar is. Uit een uitvoerige analyse van de heer [naam 1] volgt dat het wel degelijk verifieerbaar is dat de verdachte over dat geldbedrag kon beschikken vanuit zijn rijschool. Het rapport van de heer [naam 2] komt tot een andere conclusie, maar [naam 2] is zijn opdracht te buiten gegaan en de conclusies in zijn rapport en zijn contact met de advocaat-generaal doen twijfelen aan de onafhankelijkheid van de heer [naam 2] , zodat zijn conclusies buiten beschouwing moeten worden gelaten.

De verdachte heeft dus een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd over de herkomst van het geld, waartegenover geen feiten of omstandigheden door het openbaar ministerie zijn gesteld waaruit blijkt dat het geld geen legale herkomst heeft. Subsidiair wordt gesteld dat er geen sprake was van verbergen of verhullen. Verdachte was immers van plan om het geld vanwege hogere rentes op een bankrekening in Libanon te storten. Nu het geld daar nooit is aangekomen is er geen sprake van verbergen of verhullen. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken.

Beoordeling hof

Voorop wordt gesteld dat uit de aangevoerde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het inbeslaggenomen contante geldbedrag onmiddellijk of middellijk is verkregen uit de door de verdachte gepleegde strafbare feiten onder 1 en 3. In zoverre volgt het hof het standpunt van het openbaar ministerie niet. Dit betekent dat anderszins zal moeten worden beoordeeld of de inbeslaggenomen gelden - middellijk of onmiddellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp uit enig misdrijf' afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Vlak na zijn vrijlating door de rechter-commissaris is er op 25 september 2014 een tap geplaatst op het telefoonnummer van de verdachte. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken is gebleken dat de verdachte het initiatief heeft genomen om geld te verplaatsen uit Nederland naar Libanon. Uit een telefoongesprek met zijn contactpersoon in Libanon volgt dat de verdachte wilde dat het openen van de rekening geheim zou blijven voor de Nederlandse autoriteiten. Uit andere telefoongesprekken volgt dat de verdachte meerdere personen heeft gevraagd om met hem mee op reis te gaan en een geldbedrag van € 9.500,00 voor hem mee te nemen – een bedrag dat net onder de grens van het verplicht aan te geven bedrag van

€ 10.000,00 valt. De verdachte heeft daarbij gezegd dat ze moesten doen alsof ze alleen reisden.

Op 25 en 26 september 2014 heeft de verdachte driemaal telefonisch contact met een telefoonnummer dat vermoedelijk afkomstig is uit Libanon. Hierin zegt verdachte: “Als ik kom, dan neem ik eh elke keer negen ehh negen en een half en ehh met [naam 3] ook negen en een half met me mee… Dus ik neem dan ook geld met me mee als ik nou naar Libanon ga.” En “Maar ehh… nog een vraag: ehh kan Holland zien eh eh de bank dat ik in Libanon(ntv) of niet?” waarop de gesprekspartner antwoordt dat dat niet kan en de verdachte aangeeft dat dat voor hem erg belangrijk is. De gesprekspartner antwoordt: “Neeneenee, absoluut niet. Er is een geheimhoudingsplicht van de bank.”

Tussen 30 september en 7 oktober 2014 heeft de verdachte telefonisch contact met meerdere mensen. In één van de gesprekken met zijn broer zegt hij: “verzamel/ronsel een paar mannen voor mij om euhh.. dat ze mee p vakantie met ons gaan. […] Alles is van mij. Zeg tegen iedereen dat ze voor twee dagen mee zullen gaan. Op de 28ste van de maand, maar zij gaan de 30ste terug.” Hierop geeft de verdachte aan dat hij tien mensen nodig heeft, dat zij met het vliegtuig zullen gaan en dat hij alles betaalt. In een ander gesprek zegt de verdachte: “Dus ik zal met zakgeld in mijn hand gaan dus euhh… zakgeld voor zoveel ik mee kan nemen… jij gaat dan ook zakgeld voor jezelf meebrengen.. met dat doel. Zo dus.”

Verder zegt de verdachte tegen de mensen die hij benadert om mee te gaan dat zij elkaar niet mogen benaderen. Verdachte zegt onder meer: “Jij kent niemand he! Totdat je in Istanbul bent heh! […] Dus als jullie elkaar zien, als je [naam 3] mijn broertje ziet, niet… niet groeten. Gewoon doen alsof je hem niet kent.”

Op 28 oktober 2014 worden negen personen aangehouden op de luchthaven Schiphol. Bij hen worden contante geldbedragen aangetroffen. Op 2 november 2014 wordt de verdachte aangehouden, hij had ook een geldbedrag bij zich. In totaal wordt er een geldbedrag van € 95.786,35 aangetroffen. Iedereen heeft ongeveer € 9.500,00 bij zich. Een deel van de medeverdachten heeft verklaard dat het geld door de verdachte aan hen is gegeven, teneinde het geld naar Libanon te brengen en daar aan verdachte terug te geven.

Gelet op vorengaande redengevende feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, nu de handelingen onmiskenbaar wijzen op het verhullen van de herkomst van het geld, en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet zijn. Naar het oordeel van het hof is de verdachte daarin niet geslaagd.

De verdachte heeft weliswaar verklaard dat het geld is verkregen uit de inkomsten van zijn rijschool, maar het hof acht deze verklaring hoogst onwaarschijnlijk, en ook is deze verklaring niet verifieerbaar gebleken Daartoe overweegt het hof het volgende.

De omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen – namelijk onder de verdachte en negen anderen op weg naar Libanon – maken het op voorhand niet waarschijnlijk dat het hier gaat om opbrengsten uit de rijschool. Voorts heeft de verdachte deze verklaring pas in een later stadium naar voren gebracht, namelijk pas ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft gesteld dat hij gedurende een aantal jaren inkomsten uit de rijschool contant heeft gespaard, en deze inkomsten vervolgens in zijn woning heeft bewaard. Op maandag 22 september 2014 is de verdachte in zijn verkeersschool aangehouden als verdachte van onder andere overtreding van de auteurswet (onderhavige feiten 1 en 3). Diezelfde dag heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan het [adres 2] te Amsterdam, waar verdachte en zijn vrouw woonden. Tijdens deze doorzoeking is het geld dat later onder de verdachte en de negen medeverdachten is aangetroffen niet in de woning aangetroffen. Indien, zoals de verdachte stelt, hij de winst uit zijn bedrijf jarenlang contant thuis zou hebben bewaard zou dit geldbedrag onvermijdelijk in zijn woning zijn gevonden. Daarnaar gevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte ook slechts gesteld dat het geld bij hem thuis moet hebben gelegen, maar daarover verder geen gegevens verschaft, waarmee het hof dit onderdeel van de verklaring als ongeloofwaardig beoordeelt.

Verder volgt uit het politieonderzoek dat de administratie van de rijschool ondeugdelijk is gebleken, dat sprake was van een contante geldstroom, waarbij betalingen door cursisten niet per pinautomaat werden afgerekend, wat voor de bank van de verdachte – onder meer – reden was de bankrelatie op te zeggen.

Uit het schriftelijk verslag van de partij-deskundige [naam 1] van 10 juli 2019 is voorts gebleken dat hij zijn bevindingen heeft gegrond op de aangiften Inkomstenbelasting 2012 tot en met 2014, de jaarstukken over die jaren en de grootboekrekening van 2014. Het zijn aldus stukken die zijn gebaseerd op een ondeugdelijke administratie. De conclusie die [naam 1] uit deze gebrekkige administratie afleidt – namelijk dat het mogelijk is dat de geldbedragen afkomstig zijn uit de opbrengsten van de rijschool is ook geen onderbouwing van de lezing van de verdachte. Deze conclusie wijst slechts op de mogelijkheid daarvan, uitgaande van diverse niet nader onderbouwde en niet te verifiëren aannames.

Waarmee het hof overigens geen afbreuk wenst te doen aan de deskundigheid van deskundige [naam 1] die, zoals hijzelf ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, gebonden was aan de door hem gegeven opdracht en slechts de aan hem gepresenteerde stukken heeft beoordeeld.

Het hof stel op basis van het voorgaande vast dat sprake is van een ongeloofwaardige en niet te verifiëren verklaring voor het bezit van bijna honderdduizend euro, zodat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof zal het ten laste gelegde witwassen dan ook bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 3 april 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen), immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk tijdens meerdere theorie-examens van voornoemd CBR met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen, en voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en uit winstbejag bewaard, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.


3.
hij in de periode van 19 maart 2013 tot en met 22 september 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van het IBKI, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk tijdens theorie-examens van voornoemd IBKI met behulp van een spybril opnames gemaakt van examenvragen en voornoemde opnames van die examenvragen vervolgens gebruikt voor de theorielessen van de rijschool van hem, verdachte, en/of zijn mededader en voornoemde opnames van examenvragen ter verveelvoudiging en/of verspreiding voorhanden gehad en/of gehouden en uit winstbejag bewaard, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader van het plegen van voornoemd misdrijf zijn/hun beroep heeft/hebben gemaakt en/of bovengenoemd misdrijf als bedrijf heeft/hebben uitgeoefend.


7.
hij op 22 september 2014 te Amsterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool, kaliber .22, en munitie van categorie III, te weten 10 patronen, kaliber .22, voorhanden heeft gehad.


8.
hij in de periode van 25 september 2014 tot en met 16 oktober 2015 te in Nederland in totaal ongeveer 95.786,35 euro heeft overgedragen en voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1, 3, 7 en 8 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 3, 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van het als beroep of bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd.

Het onder 7 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 8 bewezenverklaarde levert op:

witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 3, 7 en 8 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het 1, 3, 7 en 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De advocaat-generaal acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend, gelet op de ernst van de feiten, maar zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van het voorarrest vorderen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het inbreuk maken op het auteursrecht van het CBR en IBKI. De inbreuk op het auteursrecht is gepleegd met een commercieel oogmerk en daarmee gepaard gaand geldelijk gewin. De verdachte heeft met zijn handelen de concurrentieverhoudingen tussen verkeersscholen geweld willen aandoen en daarbij ook andere mensen gebruikt om zijn persoonlijk geldelijk gewin te kunnen bereiken. Voorts heeft het handelen van verdachte bijgedragen aan het ondermijnen van het stelsel van examinering. Zowel voor het behalen van een rijbewijs, alsmede voor een certificaat tot rijinstructeur, is toetsing van kennis met betrekking tot regels en verkeerssituaties vereist. Het behalen van deze rechten door het leren van antwoorden op de examenvragen en niet door het opdoen van kennis omtrent verkeersregels, is onwenselijk. Met de inbreuk op het auteursrecht kan immers aan de toetsing van kennis en vaardigheden worden ontkomen. Dit kan risico's met betrekking tot de verkeersveiligheid opleveren.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Het voorhanden hebben daarvan maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

De verdachte heeft zich ten slotte schuldig gemaakt aan het witwassen van bijna € 100.000,00. Witwassen vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving.

Er is geen specifiek LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen. Wel is het oriëntatiepunt Fraude van toepassing op witwassen, indien dit in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Daar is in onderhavige zaak sprake van. Witwassen wordt, net als fraudedelicten, ernstiger en stafwaardiger naarmate de bedragen waar het om gaat hoger worden. Het hof gaat uit van het bewezen verklaarde geldbedrag. Op grond daarvan is het van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Er zijn ook LOVS-oriëntatiepunten voor WWM-overtredingen, waarop het hof ook acht zal slaan.

Bij de strafoplegging heeft het hof bovendien rekening gehouden met de rol van de verdachte bij de bewezen strafbare feiten. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier is gebleken dat verdachte binnen zijn vennootschap een bepalende rol heeft vervuld bij de examenfraude. Zowel met betrekking tot de inbreuken op het auteursrecht alsmede het witwassen, heeft verdachte een leidende en delegerende rol vervuld, waarbij hij er zoals eerder overwogen - niet voor is teruggedeinsd om andere personen, voor eigen gewin, te gebruiken.

Het hof heeft acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 mei 2021, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof houdt ten slotte rekening met de gevangenisstraf van vijf jaren, die de Duitse rechter aan de verdachte heeft opgelegd. Deze wordt in Nederland ten uitvoer gelegd en de verdachte is thans doende te resocialiseren. Hij is, samen met zijn vader een bedrijf begonnen en neemt, onder begeleiding, weer deel aan het maatschappelijk leven. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit proces van resocialisatie doorkruisen. Mede gelet op de ouderdom van de feiten zal het hof niet de onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die past bij de ernst van de feiten. Het hof acht in plaats daarvan, naast een gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest van 17 dagen, een taakstraf voor de maximaal toegestane duur van 240 uren passend en geboden.

Overschrijding redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gewaarborgd het recht van iedere betrokkene om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) dient een berechting te zijn afgerond binnen een redelijke termijn vanaf het moment waarop sprake is van een 'criminal charge'.

Het hof stelt de aanvang van de redelijke termijn in dit geval op 22 september 2014, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 25 januari 2017, zodat in eerste aanleg de redelijke termijn van twee jaren met vier maanden is overschreden. Gelet op de datum van onderhavig arrest beloopt de procedure in hoger beroep een periode van vier jaren en vier maanden, en betreft dus een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaren en vier maanden.

Gelet hierop zal het hof een korting op de voormelde taakstraf toepassen van 20 uren, zodat het zal opleggen een taakstraf van 220 uren, bij niet of niet behoorlijke vervulling te vervangen door 110 dagen hechtenis.

Verbeurverklaring

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien zij geheel of grotendeels door middel van het onder 1, 3, 7, 8 tenlastegelegde en bewezenverklaarde zijn verkregen.

Onttrekking aan het verkeer

Het hierna te noemen in beslag genomen voorwerp, dat nog niet is teruggegeven, behoort aan de dader toe. Het is bij gelegenheid van het onderzoek naar het onder 7 begane misdrijf aangetroffen. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen belang en de wet en het kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 31a en artikel 31b van de Auteurswet.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 6 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 7 en 8 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 220 (tweehonderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. 1.00 STK TK Bril Kl:zwart FC RCHC 4620732; bril met lens en usb aansluiting

7. Geld Euro 9.500,50 4858330 2x500; 4x200; 40x100; 74x50; 1x0,50

8. Geld Euro 7.500,00 4858460 15x500 handbagage [naam 4]

10. Geld Euro 2.000,00 4858367 5x200; 10x100 fouillering [naam 5]

11. Geld Euro 7.500.00 4858370 30x100; 90x50 handbagage [naam 5]

12. Geld Euro 5.000,00 4858400 10x500 handbagage [naam 6]

14. Geld Euro 7.500,00 4858497 25x100; 100x50 handbagage [naam 7]

15. Geld Euro 2.000,00 4858508 20x100 in fouillering [naam 7]

17. Geld Euro 7.500.00 4858505 4x500; 5x200; 25x100; 40x50 rugtas [naam 8]

18. Geld Euro 2.000,00 4858504 40x50 fouillering [naam 8]

19. Geld Euro 5.000,00 4858492 10x500 rolkoffer [naam 9]

21. Geld Euro 7.450,00 4858498 10x500; 49;50 koffer [naam 10]

23. Geld Euro 9.510,00 4868609 19x500; 1x10 fouillering [verdachte]

29. Geld Euro 2.000,00 4858470 4x500 fouillering [naam 4]

30. Geld Euro 4.500,00 4858403 9x500 fouillering [naam 6]

31. Geld Euro 9.500,00 4858493 3x500; 5x100; 150x50 rugzak [naam 11]

32. Geld Euro 4.500,00 4825484 8x500; 5x100 in fouillering [naam 9]

33. Geld Euro 2.050,00 4858500 4x500; 1x50 fouillering [naam 10]

36. 1.00 STK computer kastje met sd krt beh. bij spybri; 4834998

37. 1.00 STK Computer ASUS notebook 4834993

39. 1.00 STK Videocamera SPY BRIL 4834996

42. 1.00 STK Papier antwoord theorie examen 4834988

48. 1.00 STK Papier 4835001 examenvragen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00

Stk Pistool Walther p22 4835097.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Geld Euro 200,00 EURO 200 4835051

2. Geld Euro 1.100,00 EUR 1.100 4835053

3. Geld Euro 9.800 EUR 9.800 4835054

5. 1.00 STK vorderingen ING rekening [rekeningnummer] 4834980

35. 1.00 STK Computer HP notebook 4834994

38. 1.00 STK Computer ASUS notebook 4834992

40. 1.00 STK Niet te definieren goederen scan disk micro 2gb 4862735

41. 1.00 STK harddisk harddisk Lacie [verkeersschool] drive 4835008

43. 1.00 STK harddisk harde schijf lacie [verkeersschool] backup 4835006

44. Geld Buitenlands 4,09 4858512 15 Turkse Lir

45. 1.00 STK creditcard MASTERCARD 4835818

46. 1.00 STK boek 4835013

47. 1.00 STK papier 4835004; telefoonscript

49. 1.00 STK Papier 4835003; administratie contante inkomsten

50. 1.00 STK Verpakkingsmateriaal Kl:wit 4835869.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. M. Jurgens en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2021.