Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2933

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
12-10-2021
Zaaknummer
23-001167-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001167-19

Datum uitspraak: 9 juni 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-871622-15 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1980,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 485.581,19.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 maart 2019 veroordeeld ter zake van – onder meer – gewoontewitwassen.

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 19 maart 2019 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 485.581,19 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2021 veroordeeld ter zake van gewoontewitwassen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de betrokkene en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Grondslag van de ontneming

De grondslag voor de ontneming is artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud). Hierin is bepaald dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Bij arrest van 9 juni 2021 van dit hof is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Betrokkene is veroordeeld wegens gewoontewitwassen.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de staat van € 485.581,19 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het ontnemingsbedrag op een te hoog bedrag geschat is. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de kosten die gemoeid waren met de aankoop van de kavel in Curaçao voor een deel zijn betaald uit een legale gokwinst en de rest van geld dat hij van zijn moeder heeft gekregen. Met betrekking tot de kosten gemaakt voor de bouw van het huis op Curaçao heeft de betrokkene een legale geldlening afgesloten bij de getuige [getuige]. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de in hoger beroep overgelegde stukken, te weten een verstekvonnis in kort geding van 3 mei 2019 waarin betrokkene veroordeeld wordt om aan eiser – te weten de getuige [getuige] – te betalen de hoofdsom uit hoofde van geldlening van € 130.000. Deze stukken onderbouwen, naar mening van de verdediging, dat er een legale geldlening is geweest van de getuige [getuige] aan de betrokkene. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het onduidelijk is hoe de schatting van de bouwkosten van de woning tot stand is gekomen en wat de kwalificaties zijn van de twee getuigen die zich hebben uitgelaten over de bouwkosten, casu quo de herbouwwaarde. Verder is er een verschil tussen de hoogte van het bedrag dat de verdachte aan de bouw van de woning heeft besteed en wat de herbouwwaarde nu zou zijn. De raadsman heeft betoogd dat voor de bouw van de woning op Curaçao uitgegaan moet worden van een bedrag van € 31.843,90, zijnde de werkelijk vast te stellen uitgaven, in plaats van het in de vordering opgenomen bedrag van € 301.855.

Oordeel van het hof

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

Wat betreft het verweer dat de kavel door betrokkene is betaald met een legale gokwinst en geld van zijn moeder, overweegt het hof dat het aannemelijk is dat de gokwinst legaal is en dat hiermee rekening zal worden gehouden in de beoordeling van de kasopstelling. Ten aanzien van het verweer dat de betrokkene geld van zijn moeder heeft gekregen voor de aankoop van de kavel verwijst het hof naar hetgeen het daarover in het arrest in de strafzaak heeft overwogen. Het is niet aannemelijk dat de betrokkene geld heeft gekregen van zijn moeder.

Ook de stelling dat de betrokkene de aanbouw van het huis en het zwembad op Curaçao heeft betaald uit een legale lening, afgesloten bij de getuige [getuige], is niet aannemelijk geworden. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen daarover in het arrest in de strafzaak is overwogen.

De stelling van de raadsman dat de betrokkene € 31.843,90 heeft uitgegeven aan de bouw van de woning is eveneens niet aannemelijk, gelet op de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep dat hij minimaal € 100.000,00 aan het huis heeft uitgegeven.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van hetgeen is opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 juni 2018 opgemaakt door [verbalisant]. Dit betreft een berekening op basis van de zogenoemde (eenvoudige) kasopstelling. Dit is een berekening waarin de contante geldstromen inzichtelijk zijn gemaakt.

Uit de belastinggegevens komt naar voren dat de betrokkene over de jaren 2013 en 2014 geen inkomsten heeft gehad. In de periode van 23 april 2015 tot en met 21 juli 2016 had de betrokkene de eenmanszaak [eenmanszaak] te Breda. Hij heeft geen aangifte inkomstenbelasting gedaan over de jaren 2015 en 20161. Om inzicht te verkrijgen in de inkomsten die de betrokkene uit [eenmanszaak] heeft verkregen is de administratie gevorderd en in beslag genomen. Uit de analyse van de administratie is onder andere gebleken dat over de periode vanaf 23 april 2015 tot en met 21 juli 2016 een negatief bedrijfsresultaat is behaald2. De betrokkene heeft op zijn bankrekening salaris ontvangen van [eenmanszaak].

Beschikbaar voor het doen van uitgaven

Beginsaldo

Na analyse van de bankgegevens van de betrokkene en [medeverdachte] blijkt dat er op 22 december 2012 een contant geldbedrag van € 100,00 is opgenomen. Uit informatie van de belastingdienst komt naar voren dat de betrokkene en [medeverdachte] geen vermogen hebben over de jaren 2012 en 2013. Op basis van deze gegevens wordt het beginsaldo voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op
€ 100,00 gesteld3.

Eindsaldo

Bij de doorzoeking op 12 juli 2016 in de woning van de betrokkene is een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal € 3.206,06. Het eindsaldo wordt dan ook op € 3.206,06 gesteld4.

Contante opnamen

Uit analyse van de bankrekeningen van de betrokkene is gebleken dat in de onderzoeksperiode in totaal 26 contante geldopnamen zijn gedaan tot een totaal bedrag van € 3.970,00. Derhalve wordt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel € 3.970,00 als legale contante inkomsten meegenomen5.

Contante ontvangsten

Vanuit de belastinggegevens is niet naar voren gekomen dat de betrokkene en [medeverdachte] contante legale inkomsten genieten. De betrokkene en [medeverdachte] hebben verklaard contante inkomsten te hebben ontvangen uit gokken, zwart werken, verjaardagsgeld, de lening bij de getuige [getuige] en geld van de moeder van betrokkene. Gelet op het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de betrokkene geld heeft ontvangen uit gokken, zwart werken, de lening met getuige [getuige] en van zijn moeder, zal enkel rekening worden gehouden met contant ontvangen verjaardagsgeld door de betrokkene van in totaal € 4.200,006.

Legale ontvangsten van € 3.970 + € 4.200 = € 8.170

-/- eindsaldo contant geld € 3.206
Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 4.9647

Werkelijke contante uitgaven

Contante stortingen

Uit analyse van de bankrekeningen is gebleken dat [medeverdachte] € 18.100,00 heeft gestort op haar rekening8.

Contante uitgaven
In het ontnemingsrapport is een tabel opgenomen met een overzicht van de contante uitgaven die naar voren zijn gekomen in het financieel onderzoek9. Het hof neemt deze tabel over, behalve ten aanzien van post 21 betreffende de contante uitgaven woning en grond op Curaçao ter hoogte van
€ 301.855,00.

Ten aanzien van deze post overweegt het hof als volgt.

Bij de doorzoeking op Curaçao is onder andere een afrekening van notariskantoor [notaris] aangetroffen. Daaruit blijkt dat de betrokkene op 2 mei 2014 in totaal 117.927,27 Antilliaanse gulden heeft betaald voor de aankoop van de grond10. Dit bedrag bestaat uit 110.000 Antilliaanse gulden voor de grond en het overige bedrag voor de kosten. Met de wisselkoers van 2 mei 2014 komt de waarde van 110.000 Antilliaanse gulden overeen met € 44.049,00. Gelet op het verweer dat de betrokkene een deel van de aankoop van de kavel heeft betaald met € 29.000,00 afkomstig uit gokwinst van [plek] – hetgeen het hof aannemelijk acht – komt het bedrag dat de betrokkene overigens contant heeft uitgegeven aan de aankoop van de kavel op € 44.049,00 - € 29.000,00 = € 15.049,00.

Het hof wil ervan uitgaan dat de betrokkene zelf veel aan de bouw van het huis heeft gedaan en dat de officiële (her)bouwwaarde (veel) hoger is dan de daadwerkelijk door de betrokkene uitgegeven bedragen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de voorzitter aan de betrokkene gevraagd hoeveel geld de betrokkene aan de bouw van het huis heeft uitgegeven. Hierop heeft de betrokkene geantwoord: “Meer dan een ton, sowieso. Dat kan ik garanderen.” Het hof schat derhalve dat de betrokkene € 100.000,00 heeft uitgegeven aan de bouw van het huis en het zwembad.

Het hof schat de waarde van post 21 in de tabel op € 15.049,00 + € 100.000,00 = € 115.049,00.

Totale contante uitgaven

Het totaal van de tabel contante uitgaven komt daarmee op afgerond € 285.629,00.

De werkelijke contante uitgaven van de betrokkene komen daarmee op:

€ 18.100,00 + € 285.629,00 = € 303.729,00.

Als het contante geldbedrag dat daadwerkelijk is uitgegeven door de betrokkene wordt afgetrokken van het bedrag dat beschikbaar was voor het doen van uitgaven, te weten:

€ 303.729,00 - € 4.963,00 = - € 298.766,00. Dit bedrag moet dus een criminele herkomst hebben.

Het hof schat het wederrechtelijk verkregen voordeel aldus op € 298.766,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Overschrijding redelijke termijn

In de strafzaak in hoger beroep is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Die overschrijding heeft matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 298.766,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 298.766,00 (tweehonderdachtennegentigduizend zevenhonderdzesenzestig euro).

Legt de betrokkene de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 298.766,00 (tweehonderdachtennegentigduizend zevenhonderdzesenzestig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de mededader [medeverdachte] heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. M. Jurgens en mr. M. Lolkema, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Riel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2021.

1 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 5 juni 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (hierna: het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel), p. 7.

2 Idem, p. 9.

3 Idem, p. 20.

4 Idem, p. 22.

5 Idem, p. 22.

6 Idem, p. 21.

7 Idem, p. 21.

8 Idem, p. 21.

9 Idem, p. 24.

10 Idem, p. 37.