Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2894

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2021
Datum publicatie
18-10-2021
Zaaknummer
200.274.532/01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:493
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2014:1339
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Verwijzing na cassatie; rente over verrekenvordering en verrekening na verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2021-0213
NJF 2021/472
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team III (familie- en jeugdrecht),

zaaknummer: 200.274.532/01

arrest van de meervoudige familiekamer van 7 september 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] BEWIND B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van

[de vrouw] ,

appellante in de procedure na verwijzing,

oorspronkelijk verweerster in cassatie en geïntimeerde in hoger beroep,

advocaat: mr. H.C. Egger-van Oppen te Vierlingsbeek, gemeente Boxmeer,

tegen

[de man] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de procedure na verwijzing,

oorspronkelijk eiser tot cassatie en appellant in hoger beroep,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te Den Haag.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

1.1.

De partijen worden hierna (ook) de vrouw of de bewindvoerder respectievelijk de man genoemd.

1.2.

Bij arrest van 25 maart 2016 heeft de Hoge Raad onder zaaknummer 14/03973 het in deze zaak tussen de man als appellant en de vrouw als geïntimeerde gewezen arrest van het gerechtshof Den Haag van 15 april 2014 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof.

1.3.

Bij exploot van 10 februari 2020 heeft de bewindvoerder de man opgeroepen te verschijnen voor dit hof. De bewindvoerder heeft in genoemd exploot primair gevorderd dat verval van instantie ex artikel 251 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) wordt uitgesproken, en subsidiair, voor het geval de man de zaak alsnog tijdig aanbrengt, de man niet-ontvankelijk te verklaren in de behandeling van de nog openstaande grieven, althans zijn vorderingen op deze punten af te wijzen, onder veroordeling van de man in de kosten van de procedure alsook in de nakosten, met bepaling dat wettelijke rente zal zijn verschuldigd over deze kosten vanaf de vijftiende dag na het wijzen van arrest.

1.4.

De man heeft een “toelichting aanbrenging van de zaak, tevens akte uitlating verval van instantie en conclusie/memorie na verwijzing)” (hierna: de memorie na verwijzing) genomen, waarin hij naar eerdere processtukken heeft verwezen en waarbij hij producties heeft overgelegd. De man heeft geconcludeerd dat het hof de bewindvoerder niet ontvankelijk zal verklaren in het verzoek tot verval van instantie en tot afwijzing van de proceskostenveroordeling. Voor zover een tussen partijen getroffen schikking waar de man zich op beroept niet in stand blijft, heeft de man gevorderd dat het hof de waarde van de woning overeenkomstig de verkoopopbrengst zal vaststellen, daarnaast het bedrag van de rentevordering van de man op de vrouw ter zake van de verrekening en verdeling zal vaststellen, alsmede het bedrag van de pensioenaanspraken van de man op de vrouw, en voorts dat het hof zal vaststellen het bedrag voortvloeiende uit de vermeerdering van eis betreffende de verrekening van huishoudkosten, alsmede dat het hof de eindberekening van de verdeling en verrekening zal vaststellen.

1.5.

Bij rolbeslissing van 25 februari 2020 heeft het hof de vordering tot verval van instantie afgewezen.

1.6.

Het hof heeft vervolgens kennis genomen van:

  1. de akte uitlating met bijgevoegde producties van de bewindvoerder;

  2. de antwoordakte naar aanleiding van akte uitlating bewindvoerder tevens akte aanvulling/wijziging van de eis voor zover vereist, met producties;

  3. de akte in het geding brengen producties tevens akte bezwaar wijziging van eis;

  4. e akte uitlating producties geïntimeerde in antwoord op de akte in het geding brengen van producties tevens akte bezwaar wijziging van eis van appellante;

  5. de akte overlegging aanvullende producties met toelichting in verband met de zitting op 11 februari 2021 met onderbouwing van de in het kader van de verwijzing nog te behandelen vorderingen;

  6. het H14 formulier van de zijde van de bewindvoerder waarbij bezwaar wordt gemaakt tegen de indiening van nadere stukken en de wijziging van eis.

1.7.

Partijen hebben de zaak ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 11 februari 2021 doen bepleiten door de in de aanhef genoemde advocaten; mr. Budhu Lall aan de hand van overgelegde pleitnotities. De man was hierbij in persoon aanwezig en namens de bewindvoerder was aanwezig [medewerker] . Het hof heeft partijen medegedeeld dat de inhoud van de akte overlegging aanvullende producties (hiervoor genoemd onder e) een niet toegestane extra uitlating is die als in strijd met de goede procesorde geen deel zal uitmaken van het procesdossier. De inhoud van de akte uitlating producties (hiervoor genoemd onder d) maakt eveneens op genoemde grond geen deel uit van het procesdossier. De producties gevoegd bij de beide akten zijn wel toegelaten. Partijen hebben ter zitting in hoger beroep desgewenst deze producties kunnen toelichten en daarop over en weer kunnen reageren.

1.8.

De mondelinge behandeling is volgens de rolbeslissing van 10 november 2020 gelast om met partijen te spreken over de toelaatbaarheid van de aanvulling/wijziging van eis als neergelegd in de akte hiervoor genoemd onder b. Partijen hebben ter mondelinge behandeling desgevraagd ingestemd met ook de behandeling van de zaak ten gronde.

1.9.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Feiten

Het hof zal bij de beoordeling van de zaak uitgaan van de feiten die de Hoge Raad in zijn arrest van 25 maart 2016 onder 3.1 heeft vermeld.

3 Beoordeling

Inleiding

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Op 4 december 1990 zijn zij een samenlevingsovereenkomst aangegaan, waarin in art. 3 onder meer het volgende is opgenomen:

“GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING

Artikel 3

(…)

2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun netto inkomsten bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

(…)

4. Indien slechts één van de partijen inkomsten heeft, komen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding geheel ten laste van die partij.

5. Indien de inkomsten niet toereikend zijn is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen.

6. Ieders bijdrage in de in dit artikel bedoelde kosten zal door partijen – met inachtneming van het vorenstaande – in onderling overleg worden vastgesteld. Het recht om vaststelling en afrekening van die bedragen te vorderen, vervalt na afloop van het jaar, volgend op dat, waarop deze vaststelling en verrekening betrekking hebben, onverminderd de bevoegdheid van partijen om in onderling overleg nog tot afrekening van voormelde kosten over het betreffende jaar of de betreffende jaren over te gaan.

(…)

PARTNERPENSIOEN

Artikel 7.

Partijen verklaren elkaar over en weer aan te wijzen als partnerpensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen ingeval de pensioenregeling(en) waaraan partijen deelnemen een partnerpensioen kent (kennen).

(…)

Indien één der partijen niet langer wenst de partner in aanmerking te laten komen voor partnerpensioen (…) zal de betreffende partner dit hetzij bij notariële akte hetzij middels aangetekend schrijven aan de notaris, bewaarder van deze akte, mededelen; in dit laatste geval geldt de datum van ontvangst van gemeld schrijven als dag van herroeping van de aanwijzing.

(…)

Artikel 10

1. Indien de overeenkomst eindigt tengevolge van opzegging (…)

2. Het overige gemeenschappelijke vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld.”

3.1.2.

In december 1990 hebben partijen een woning gekocht (hierna: de gemeenschappelijke woning). Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de gemeenschappelijke woning. Begin augustus 2009 is de vrouw uit de gemeenschappelijke woning vertrokken. Bij aangetekende brief van 15 september 2009 heeft de vrouw de samenlevingsovereenkomst met ingang van 1 november 2009 beëindigd.

3.1.3.

Zowel de man als de vrouw hebben in de procedure in eerste aanleg ten overstaan van de rechtbank Den Haag, verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen gevorderd. Daarnaast heeft de man op de voet van artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst verrekening gevorderd van de kosten van de huishouding over de periode 1991-2009.

De rechtbank heeft, na tussenvonnis van 15 juni 2011, de vrouw bij eindvonnis van 14 november 2012 veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 39.717,--, vermeerderd met wettelijke rente, en de verdeling vastgesteld van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen. De man is veroordeeld om, indien hij het aandeel van de vrouw in de gemeenschappelijke woning overneemt, wegens overbedeling aan de vrouw de overwaarde van de gemeenschappelijke woning te vergoeden onder gelijktijdige verrekening van het door de vrouw aan de man verschuldigde bedrag van € 39.717,--, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.

3.1.4.

In hoger beroep heeft de man met een beroep op de samenlevingsovereenkomst gevorderd dat zal worden vastgesteld dat hij gerechtigd zal zijn in het door de vrouw opgebouwde pensioen, respectievelijk dat de Wet Verevening Pensioenrechten na scheiding toepasselijk wordt verklaard.

Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 15 april 2014 de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2011 en 14 november 2012 (op één onderdeel na) vernietigd en de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap opnieuw vastgesteld,– onder opschortende voorwaarden – en bepaald dat na verrekening nog een vordering van de vrouw op de man resteert van € 49.365,--. De vorderingen van de man ter zake van het pensioen van de vrouw heeft het hof afgewezen, op de grond dat deze niet voor het eerst in hoger beroep konden worden ingesteld.

3.1.5.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 maart 2016 het arrest van het hof Den Haag vernietigd, omdat het hof ten onrechte had aangenomen dat de man niet bevoegd was in hoger beroep een nieuwe vordering in te stellen. Op grond van art. 353 lid 1 Rv in verbinding met art. 130 Rv komt aan een oorspronkelijk eiser de bevoegdheid toe in hoger beroep zijn eis te veranderen of te vermeerderen (HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8895, rov. 3.5). Deze bevoegdheid wordt, aldus de Hoge Raad, slechts beperkt door de in die bepalingen genoemde eisen van een goede procesorde, alsmede door de twee-conclusieregel.

De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat het hof heeft miskend dat voor de verschuldigdheid van wettelijke rente over een vordering uit hoofde van verdeling andere regels gelden dan voor een rentevordering uit hoofde van verrekening. Zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, kan een daarop gebaseerde vordering niet worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar in verzuim is. Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt dat voor het ontstaan, de opeisbaarheid en het intreden van verzuim in de nakoming daarvan dient te worden aangeknoopt bij hetgeen partijen zijn overeengekomen. In het onderhavige geval heeft de vrouw, zo oordeelt de Hoge Raad, bij brief van 15 september 2009 meegedeeld dat zij de samenlevingsovereenkomst beëindigt, zodat de vordering van de man op de vrouw uit hoofde van verrekening ingevolge de samenlevingsovereenkomst op 15 september 2009 is ontstaan en opeisbaar is geworden. Na verwijzing dient het hof na te gaan met ingang van welke datum de vrouw in verzuim is geraakt met de voldoening van die vordering.

3.1.6.

De man heeft als productie 4 bij zijn memorie na verwijzing in het geding gebracht een “Overeenkomst tussen de ondergetekenden” die zowel door de man als de vrouw is ondertekend, met als dagtekening 31 maart 2019. Het stuk bevat een regeling tussen partijen betreffende de (voormalig) gezamenlijke woning en het gevorderde bedrag van € 35.000,-- en het beding dat partijen na overdracht van de woning ter zake van de verdeling en verrekening niets meer van elkaar hebben te vorderen en alle procedures zullen staken.

ontvankelijkheid van de bewindvoerder

3.2.

Bij beschikking van 16 september 2019 is wegens lichamelijke of geestelijke toestand, onder benoeming van de bewindvoerder, bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de vrouw. De man heeft aan de orde gesteld dat de bewindvoerder niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen in deze procedure na verwijzing, nu de daartoe vereiste machtiging van de kantonrechter ontbreekt. De man heeft ook gewezen op een e-mail die afkomstig zou zijn van de vrouw, waarin zij aangeeft geen rechtszaken meer te willen voeren.

Het hof stelt vast dat het de man is, die blijkens de memorie na verwijzing in deze procedure nadere vaststelling van de verplichtingen van de man en de vrouw nastreeft. Een niet-ontvankelijkverklaring van de bewindvoerder of de vrouw ligt dan niet voor de hand, en ook de e-mail van de vrouw waar de man naar verwijst doet er niet aan af dat de bewindvoerder ervoor kan kiezen in deze procedure op te komen. Bovendien ligt het hof voor een door de bewindvoerder in het geding gebrachte machtiging van de kantonrechter gedateerd 11 maart 2020, zodat het standpunt dat de bewindvoerder zonder machtiging opkomt hoe dan ook niet kan worden gevolgd.

ontvankelijkheid van de man

3.3.1.

Deze zaak heeft na verwijzing een aanvang gekregen doordat de bewindvoerder een exploot heeft uitgebracht aan de man, waarin de bewindvoerder om verval van instantie heeft gevraagd. Dit verzoek is, zoals gezegd, door dit hof afgewezen, nu de man de zaak, voordat het hof een roldatum had bepaald waartegen verval van instantie zou kunnen worden gevorderd, - op de eerst dienende dag - had aangebracht.

De bewindvoerder heeft bij genoemd exploot tevens, met een beroep op de redelijke termijn als aan de orde in artikel 6 (lid 1) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), gevorderd de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze vorderingen vanwege het tijdsverloop af te wijzen.

3.3.2.

Voor het aanhangig maken van de zaak bij de verwijzingsrechter geldt geen termijn. Het hof volgt de man in zijn verweer dat ook geen sprake is van een zodanig tijdsverloop dat geen sprake (meer) kan zijn van een eerlijk proces. De man wijst er op dat partijen in de tussentijd gesprekken hebben gevoerd om tot een regeling te komen. In dit verband ligt correspondentie voor van bijvoorbeeld september 2018 waarin een voorstel wordt gedaan tot het treffen van een regeling en een – naar de man stelt – tussen partijen getroffen minnelijke regeling van 31 maart 2019, waarvan tussen partijen vaststaat dat deze door beiden is ondertekend. Gelet reeds op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de redelijke termijn is overschreden.

toelaatbaarheid wijziging van eis bij antwoordakte van 13 oktober 2020

3.4.

Bij antwoordakte naar aanleiding van akte uitlating bewindvoerder tevens akte aanvulling/wijziging van de eis voor zover vereist van 13 oktober 2020 heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de tussen partijen gesloten schikkingsovereenkomst van 31 maart 2019 moet worden nagekomen en dat de samenlevingsovereenkomst met inachtneming van deze schikkingsovereenkomst dient te worden afgewikkeld. Indien het hof van oordeel is dat het nakomen van die overeenkomst niet in de oorspronkelijke vordering van de man ligt besloten, vordert de man dat de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst door het hof wordt vastgesteld conform de tussen partijen gesloten schikkingsovereenkomst van 31 maart 2019 en dat de bewindvoerder wordt gelast haar medewerking aan de uitvoering van die overeenkomst te geven. Voorts vordert de man (als nog meer subsidiair) dat de vrouw wordt veroordeeld tot - kort gezegd - betaling van de helft van de kosten van het onderhoud van en de herstelwerkzaamheden aan de gemeenschappelijke woning.

De bewindvoerder heeft zich terecht verzet tegen deze eiswijziging van de zijde van de man. Het is gebruikelijk na verwijzing een akte te nemen waarbij een partij zich uitlaat omtrent de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad waarin de vernietiging is uitgesproken. Ook kan - bijvoorbeeld vanwege na de vernietiging van het arrest van het hof voorgevallen feiten - een eiswijziging aan de orde zijn; zoals hierna nog te bespreken heeft de man zijn eis bij zijn memorie na verwijzing ook aangepast. Het is echter in strijd met de goede procesorde dat de man met een opvolgende akte houdende aanvulling/wijziging van eis komt, terwijl de feiten die ten grondslag liggen aan de eiswijziging ruimschoots voor de indiening van de memorie na verwijzing zijn voorgevallen. Deze wijziging van eis zal het hof dan ook als zijnde tardief geheel buiten beschouwing laten.

toelaatbaarheid wijziging van eis bij akte van 27 oktober 2020

3.5.

Ook de wijziging van eis bij “akte in het geding brengen producties tevens akte bezwaar wijziging van eis” van de bewindvoerder van 27 oktober 2020 zal het hof als in strijd met de goede procesorde niet toestaan. De bewindvoerder vordert op grond van misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen de veroordeling van de man in de daadwerkelijk door de bewindvoerder gemaakte proceskosten. Ook deze vordering zal het hof als tardief ingesteld buiten beschouwing laten.

strekking van het geschil na verwijzing

3.6.

De man heeft bij memorie na verwijzing zijn vordering ingesteld “voor het geval de schikking tussen partijen zoals overeengekomen op 31 maart 2019 niet in stand blijft”.

Partijen hebben het hof geïnformeerd dat tussen hen een bodemprocedure aanhangig is bij de rechtbank Den Haag, waarin de bewindvoerder de rechtsgeldigheid van de door de man en de vrouw getekende schikkingsovereenkomst van 31 maart 2019 aanvecht. De bewindvoerder heeft er onder meer op gewezen dat, indien de overeenkomst tot stand is gekomen en/of indien de dagtekening van de betreffende overeenkomst juist zou zijn, deze is getekend één dag voor de mondelinge behandeling ter zake van een rechterlijke machtiging tot gedwongen opname van de vrouw, en dat de vrouw destijds niet in staat was haar wil te bepalen.

De bewindvoerder verzet zich tegen de behandeling van de rechtsgeldigheid van de schikkingsovereenkomst in deze verwijzingsprocedure. Een vordering tot nakoming of de rechtsvragen betreffende de rechtsgeldigheid van deze overeenkomst liggen in de onderhavige procedure ook niet voor en liggen, anders dan de man stelt, evenmin in de vorderingen besloten. Gelet echter op de voorwaarde waaronder de man zijn vordering thans heeft ingesteld (zie hiervoor onder 1.4), ziet het hof aanleiding in onderhavig geschil op de nog ter discussie staande onderdelen uitspraak te doen. Het hof laat daarmee de rechtsgeldigheid van de schikkingsovereenkomst in het midden, maar zal uitspraak doen onder de – ook door de man in zijn petitum aangehouden – (opschortende) voorwaarde dat tussen partijen (eerst) in rechte komt vast te staan dat de gestelde schikkingsovereenkomst tussen de man en de vrouw van 31 maart 2019 tussen hen geen werking heeft. Indien immers de genoemde overeenkomst geen werking heeft tussen partijen, dienen (ook) de vorderingen die in deze verwijzingsprocedure aan de orde zijn, tussen partijen te worden afgewikkeld. Bij deze stand van zaken bestaat ook geen grond voor inwilliging van het verzoek van de man de behandeling van de zaak aan te houden totdat, zo begrijpt het hof zijn betoog, de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst in rechte is komen vast te staan.

omvang van het geschil na verwijzing

3.7.1.

Het arrest van het gerechtshof Den Haag is vernietigd en de zaak is naar dit hof verwezen, in de eerste plaats omdat de eiswijziging die de man in hoger beroep had ingediend ten onrechte niet in behandeling is genomen. Dit hof zal alsnog de vordering van de man betreffende de pensioenaanspraak behandelen (hierna onder 3.8.).

Daarnaast is het arrest van het gerechtshof Den Haag vernietigd, omdat, kort gezegd, de rentevordering uit hoofde van de verrekening niet op één lijn mag worden gesteld met een vordering uit hoofde van de verdeling. Het hof zal de rentevordering uit hoofde van de verrekenvordering alsnog afzonderlijk beoordelen (hierna onder 3.9.).

3.7.2.

De man stelt in zijn memorie na verwijzing als eerste aan de orde dat dit hof de waarde van de gemeenschappelijke woning overeenkomstig de verkoopopbrengst dient vast te stellen. Daarmee miskent de man dat in het arrest van het gerechtshof Den Haag dit onderdeel reeds bindend is vastgesteld en dat in het kader van deze verwijzing de (afwikkeling van de) verdeling van de woning niet meer aan de orde is. Voor zover de afwikkeling van deze gezamenlijke eigendom nog discussie oplevert is dat een executiegeschil.

De man vordert tevens dat het hof het bedrag vaststelt, voortvloeiende uit de vermeerdering van eis betreffende de verrekening van de huishoudkosten. Hij verwijst daartoe naar klachten (die zien op de kosten van de huishouding) die zijn geformuleerd onder het eerste middel van het cassatieberoep en wijst erop dat die klachten onbehandeld zijn gebleven.

In het arrest van de Hoge Raad is echter opgenomen dat de overige klachten van de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, en dat dit geen nadere motivering behoeft gelet op art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Daarmee zijn de klachten vervat onder het eerste middel afgedaan en komt de door de man ingestelde vordering niet in aanmerking voor behandeling na verwijzing.

de pensioenaanspraken

3.8.1.

De man heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd en gevorderd dat (naar het hof begrijpt:) het hof vaststelt dat:

- de man naar evenredigheid van de duur van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst gerechtigd zal zijn tot het door de vrouw opgebouwde extra Partner Plus Pensioen;

- de Wet verevening pensioenrechten na scheiding (hierna: de Wet VPS) alsnog van toepassing wordt verklaard, zodat het tijdens de duur van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst opgebouwde pensioen naar evenredigheid zal worden verdeeld.

3.8.2.

Anders dan de man meent heeft de Hoge Raad de vorderingen van de man ziende op het (extra Partnerplus) pensioen van de vrouw niet toegewezen, maar geoordeeld dat de bevoegdheid een eis te veranderen of te vermeerderen slechts beperkt wordt door het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv in verbinding met artikel 130 Rv. Het hof zal dan ook eerst beoordelen of de vordering van de man valt binnen het bepaalde in voormelde artikelen. Naar het oordeel van het hof is dit het geval. Partijen twisten in verband met beëindiging van hun samenlevingsovereenkomst over de financiële afwikkeling daarvan en over de verdeling van een eenvoudige gemeenschap. De man heeft in zijn memorie van grieven een grief geformuleerd betreffende het pensioen en vervolgens verdeling daarvan gevorderd als hiervoor gemeld in vorenbedoeld kader. De man wenst daarmee een ander dictum. Dat strijd is met de goede procesorde is gesteld noch gebleken.

Het hof stelt met betrekking tot de verevening voorop dat de aanspraak van de man op het van toepassing verklaren van de Wet VPS, zoals de bewindvoerder terecht heeft aangevoerd en de man ook niet heeft bestreden, geen grondslag heeft die in deze wet kan worden gevonden. Partijen zijn niet gehuwd geweest of een geregistreerd partnerschap aangegaan. Voor het van toepassing verklaren van deze wet bestaat daarom geen grond. Dat de pensioenfondsen van partijen, zoals de man heeft gesteld, voor ongehuwd samenwonenden een partnerpensioen kennen, dat overigens in de regel een nabestaandenpensioen betreft, doet daar niet aan af.

Ook de samenlevingsovereenkomst kan de man niet baten. In deze overeenkomst is in artikel 7 onder het kopje “partnerpensioen” opgenomen dat partijen elkaar over en weer hebben aangewezen als partnerpensioengerechtigde om in aanmerking te komen voor partnerpensioen in geval de pensioenregeling waaraan de partij deelneemt een partnerpensioen kent. Aldus voorziet de samenlevingsovereenkomst slechts in de mogelijkheid dat een partner (en niet een gewezen partner) zal zijn gerechtigd tot een partnerpensioen. In de tweede alinea van artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst is verder de mogelijkheid opgenomen tot herroeping. Indien één van de partijen de partner niet langer in aanmerking wenst te laten komen voor partnerpensioen, kan herroeping plaatsvinden. De bewindvoerder heeft aangegeven dat de vrouw dit inmiddels heeft gedaan. Tevens wijst de bewindvoerder er - terecht - op dat een eventuele aanspraak van de man niet zozeer jegens de vrouw heeft te gelden, maar dat de man zich voor een aanspraak op partnerpensioen tot het pensioenfonds dient te wenden.

De man heeft voorts gesteld dat artikel 10 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst voorschrijft dat het “overige gemeenschappelijk vermogen (…) door partijen bij helfte wordt verdeeld” en dat hij op deze grond aanspraak maakt op verevening. Deze bepaling in de samenlevingsovereenkomst regelt de gevolgen van het eindigen van de samenlevingsovereenkomst als gevolg van opzegging of huwelijk. In dat geval zijn partijen verplicht eraan mee te werken dat aan iedere partij wordt toebedeeld de goederen die deze partij heeft aangebracht. Het overige gemeenschappelijk vermogen dient zo spoedig mogelijk te worden verdeeld. In het licht van het voorgaande en omdat de man geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie leiden dat (partijen zijn overeengekomen dat) ook pensioenrechten onder het ‘overige gemeenschappelijk vermogen’ moeten worden begrepen, gaat het hof er – met de bewindvoerder – vanuit dat de samenlevingsovereenkomst daarmee niet voorziet in verevening/verdeling van pensioenaanspraken, doch slechts voorziet in aanspraken met betrekking tot het partnerpensioen, dat zoals gezegd in de regel het nabestaandenpensioen betreft.

Het betoog van de man tot slot dat op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden bepaald dat hij alsnog recht heeft op het door de vrouw opgebouwde extra Partner Plus Pensioen en dat de Wet VPS op partijen van toepassing moet worden verklaard vanwege het in artikel 10 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst bepaalde en omdat de vrouw niet aan het bepaalde in artikel 7 van de samenlevingsovereenkomst heeft voldaan, slaagt evenmin, reeds omdat de man zijn beroep op de redelijkheid en billijkheid, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, niet voldoende heeft onderbouwd.

De slotsom is dat de vordering tot verevening/verdeling geen grond vindt in de samenlevingsovereenkomst of de Wet VPS en derhalve dient te worden afgewezen. Bij deze stand van zaken heeft de man geen belang bij overlegging door de vrouw van een berekening van het pensioenfonds van de (gestelde) aanspraken van de man op de vrouw, zoals door hem verzocht.

de rentevorderingen

3.9.1.

De man heeft in zijn memorie na verwijzing gesteld dat hij jegens de vrouw een renteaanspraak heeft over een bedrag van € 101.272,- en dat thans na verwijzing volgens de uitspraak van de Hoge Raad aan de orde dient te komen op welke datum de vrouw aangaande de voldoening van deze vordering in verzuim is geraakt. Het door de man gestelde bedrag van € 101.272,- betreft het totaal van het op grond van het arrest van het hof Den Haag aan de man toekomende bedrag van € 51.139,- ter zake van de door hem in de gemeenschappelijke woning gedane investeringen en het bedrag van € 50.133,- ter zake van de verdeling en verrekening.

3.9.2.

Met betrekking tot de wettelijke rente over het bedrag van € 51.139,- geldt dat deze rente niet na verwijzing aan de orde is. Het hof Den Haag heeft in het arrest van 15 juni 2014 op deze vordering beslist en deze in de verdeling van de eenvoudige gemeenschap betrokken.

Uit de overweging van de Hoge Raad onder 3.4.2. volgt dat de vordering van de man op de vrouw uit hoofde van verrekening ingevolge de samenlevingsovereenkomst op 15 september 2009 is ontstaan en opeisbaar is geworden. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat na verwijzing zal moeten worden vastgesteld met ingang van welke datum de vrouw in verzuim is geraakt met de voldoening van die vordering. De overige klachten van de man zijn op grond van artikel 81 RO afgedaan.

3.9.3.

Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente over de verrekenvordering geldt voorts als volgt.

3.9.4.

Het hof Den Haag heeft overwogen dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de wettelijke rente eerst toewijsbaar is per 28 november 2012, dat wil zeggen veertien dagen na dagtekening van het vonnis waarbij de vordering van de man op de vrouw na verrekening tussen partijen is vastgesteld op € 39.717,-. Volgens het hof Den Haag moet eerst het bedrag dat de ene partij aan de andere is verschuldigd ter zake verdeling en verrekening vast staan, alvorens daarover de wettelijke rente is verschuldigd. De vordering van de man op de vrouw ter zake van de verrekening is door het hof Den Haag in het arrest van 15 april 2014 vastgesteld op € 50.133,-, waarbij het hof de wettelijke rente heeft afgewezen, omdat aan de vrouw nog toekomt € 49.365,- na een verrekening met het aandeel in het kader van de verdeling, zijnde het aandeel in de woning van € 99.498,- minus de verrekenvordering van € 50.133,-.

3.9.5.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 15 maart 2016 heeft overwogen, heeft het hof daarmee miskend dat voor de verschuldigdheid van wettelijke rente over vorderingen uit hoofde van verdeling, respectievelijk verrekening, uiteenlopende regels gelden. Voor een vordering uit hoofde van verdeling geldt dat, zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar in verzuim is. Voor een vordering uit hoofde van verrekening geldt evenwel dat voor haar ontstaan en opeisbaarheid, alsmede voor het intreden van verzuim in de nakoming daarvan, zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij hetgeen partijen ter zake zijn overeengekomen.

3.9.6.

De man heeft in hoger beroep (sub Q) gevorderd dat “De wettelijke rente ten aanzien van de vorderingen van de man op de vrouw reeds per datum aanzegging door de man zal ingaan, te weten 24 augustus 2010”. Na verwijzing heeft de man geconcludeerd dat het hof “het bedrag van de rentevordering van de man op de vrouw ter zake de verrekening en verdeling vaststelt”.

Het hof begrijpt uit het samenstel van deze vorderingen dat de man vordert dat de vrouw in ieder geval vanaf 24 augustus 2010 de wettelijke rente is verschuldigd over de verrekenvordering, alsmede dat dit hof de omvang van de rentevordering vaststelt. Het verweer van de bewindvoerder dat de vordering te onbepaald is, treft dan ook geen doel. Ditzelfde geldt voor het verweer dat niet is gesteld over welk bedrag de man de wettelijke rente vordert. De verrekenvordering is per saldo immers vastgesteld op het door de man aangegeven-bedrag van € 50.133,-. Ook het verweer van de zijde van de vrouw in haar memorie van antwoord dat de gevorderde wettelijke rente niet eerder toewijsbaar is dan wanneer de hoogte van de vorderingen van de man vaststaan, treft geen doel. De wettelijke rente is, zoals hierna aan de orde komt, verschuldigd vanaf de dag van verzuim. Dat op dat moment de precieze hoogte van de geldsom die moet worden voldaan nog niet vaststaat, doet daar niet aan af.

3.9.7.

Ingevolge artikel 6:119 BW is de wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de betaling van een geldsom in verzuim is geweest. Van verzuim is krachtens artikel 6:81 BW sprake gedurende de tijd dat een prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 6:82 en 6:83 BW is voldaan, behalve voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of nakoming reeds blijvend onmogelijk is. Het verzuim treedt in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 BW). De ingebrekestelling is een schriftelijke verklaring van de schuldeiser aan zijn wederpartij, inhoudend een aanmaning (sommatie, aanzegging) om binnen een redelijke, in de verklaring vermelde, termijn te presteren. Of sprake is van een ingebrekestelling dient te worden bepaald door middel van uitleg. In de in artikel 6:83 BW genoemde gevallen treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in.

3.9.8.

Voor de verschuldigdheid van de wettelijke rente over de verrekenvordering is derhalve vereist dat de vrouw in verzuim is met de nakoming van de op haar rustende verplichting deze vordering aan de man te betalen. De man maakt aanspraak op wettelijke rente met ingang van 24 augustus 2010.

3.9.9.

De man heeft gesteld dat hij jegens de vrouw meermalen aanspraak op betaling van de verrekenvordering heeft gemaakt en de vrouw dienaangaande in gebreke heeft gesteld. De man heeft daarbij gewezen op de verschillende door hem in 2009 en begin 2010 aan de vrouw verzonden brieven. Deze brieven bevatten echter geen ingebrekestelling in de zin van de wet. Voorts heeft de man gewezen op zijn (in eerste aanleg als productie 10 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie overgelegde) brief van 24 augustus 2010 aan de vrouw. Met deze brief sommeert de man de vrouw binnen een week tot betaling over te gaan van haar aandeel in een door de man ten behoeve van de aankoop van de gemeenschappelijke woning betaald bedrag. Daarbij schrijft de man: “ook ten aanzien van de overige vorderingen zoals genoemd in het petitum van bijgevoegde conclusie zeg ik je de wettelijke rente aan”. De bijgevoegde conclusie betreft, zo begrijpt het hof, de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, waarin onder meer de verrekenvordering wordt gevorderd. Gelet hierop en nu de vrouw de stelling van de man dat hij de vrouw met deze brief heeft gemaand tot betaling niet heeft weersproken, gaat het hof ervan uit dat de vrouw door middel van deze brief in gebreke is gesteld. Dit brengt mee dat de vrouw vanaf (een week na 24 augustus 2010, derhalve) 1 september 2010 in verzuim is met de betaling van de verrekenvordering en dat de wettelijke rente over het uit dien hoofde verschuldigde bedrag van € 50.133,- in beginsel vanaf dat moment is verschuldigd.

3.9.10.

Geen wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf in verzuim is of voor zover de vertraging in de voldoening van de geldsom niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Door de bewindvoerder is in dit verband aangevoerd dat de vrouw op basis van het arrest van het hof Den Haag de verrekenvordering mag voldoen uit haar aandeel in de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning. Dit sluit volgens de bewindvoerder aan bij de in de samenlevingsovereenkomst neergelegde afspraak tussen partijen dat de kosten van de huishouding uit vermogen worden voldaan indien het inkomen niet toereikend is en dat het vermogen van de vrouw zich in de gemeenschappelijke woning bevindt. Doordat de man niet wil meewerken aan de verkoop van de woning, kan de vrouw niet over haar vermogen beschikken. Daarom is volgens de bewindvoerder sprake van schuldeisersverzuim en is het niet voldoen van de verrekenvordering, zo begrijpt het hof haar stellingen, niet aan de vrouw toe te rekenen. De bewindvoerder geeft voorts aan dat onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man aanspraak kan maken op vergoeding van wettelijke rente.

3.9.11

Dienaangaande geldt als volgt. De omstandigheid dat de verrekenvordering kan worden verrekend met een vordering van de vrouw op de man, laat onverlet dat tot het moment van verrekening van de verrekenvordering, waardoor deze vordering teniet gaat, de wettelijke rente is verschuldigd. De vordering van de vrouw uit hoofde van verdeling van de gemeenschappelijke woning ontstaat pas zodra de verdeling van de woning is vastgesteld. In het arrest van het hof Den Haag van 15 april 2014 is met betrekking tot de gemeenschappelijke woning bepaald dat de woning aan de man wordt toegedeeld en dat de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te vergoeden, alsmede dat wanneer de overname door de man van het aandeel van de vrouw in die woning niet binnen de gestelde termijn heeft plaatsgevonden, de woning zal worden verkocht. De toedeling aan de man heeft niet plaatsgevonden en is, gelet op de gestelde termijn in het arrest van het hof Den Haag, in beginsel niet meer aan de orde. Uitgangspunt is dan ook dat de woning aan een derde zal worden verkocht, waarna de verrekenvordering bij de verdeling van de verkoopopbrengst zal worden verrekend. De wettelijke rente over de verrekenvordering is in beginsel tot dat moment verschuldigd.

Met de bewindvoerder is het hof echter van oordeel, dat het in dezen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de vrouw na 28 juni 2016 nog wettelijke rente is verschuldigd. Daarvoor is het volgende redengevend. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende weersproken gesteld dat zij meermalen in rechte heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld het arrest van het hof Den Haag na te komen en dat de man daartoe ook is veroordeeld. Zoals ter zitting in hoger beroep na verwijzing is besproken, is de man blijkens het overgelegde kort geding vonnis van 25 augustus 2016, welk vonnis in hoger beroep is bekrachtigd, veroordeeld om binnen drie dagen na de betekening van dat vonnis zijn medewerking aan de eigendomsoverdracht van de gemeenschappelijke woning aan een (met naam) bepaalde koper te verlenen. Gelet hierop had het derhalve in elk geval sinds de inleidende dagvaarding in deze kort gedingprocedure van de zijde van de vrouw van 28 juni 2016, op de weg van de man gelegen aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning, zoals door het hof Den Haag bevolen, mee te werken. Nu de man dit heeft nagelaten kan de man worden aangerekend dat de onverdeeldheid is blijven voortduren en de verrekenvordering is blijven bestaan. Om deze reden bestaat naar het oordeel van het hof, in ieder geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voldoende grond om aan te nemen dat de vrouw de wettelijke rente over de verrekenvordering na 28 juni 2016 niet langer is verschuldigd. Het betoog van de bewindvoerder dat het op de weg van de man had gelegen de onderhavige procedure na verwijzing eerder aan te brengen en dat, zo begrijpt het hof, om die reden reeds vanaf een eerder moment geen wettelijke rente is verschuldigd, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is in de tussenliggende periode door partijen over een minnelijke regeling gesproken en, volgens de stellingen van de man, ook bereikt, zodat van nodeloos stilzitten geen sprake is geweest. Bij deze stand van zaken behoeft het beroep op schuldeisersverzuim geen bespreking.

3.9.12.

Gelet op het voorgaande is de wettelijke rente over de verrekenvordering van € 50.133,- over de periode van 1 september 2010 tot en met 28 juni 2016 verschuldigd. De som van het bedrag van € 50.133,- en de wettelijke rente zal de vrouw uit het haar toekomende deel van de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning aan de man moeten voldoen.

de slotsom

3.10.1.

De slotsom van de behandeling na verwijzing is dat de vordering van de man in hoger beroep tot vaststelling van pensioenaanspraken dient te worden afgewezen en de rentevordering dient te worden toegewezen zoals hierna te vermelden.

De vordering van de man na verwijzing, inhoudende dat het hof de eindberekening van de verdeling en de verrekening zal vaststellen, komt vanwege de beperkte omvang van de zaak na verwijzing, niet voor toewijzing in aanmerking.

3.10.2.

Het hof zal op de hiervoor genoemde onderdelen uitspraak doen, onder de (opschortende) voorwaarde dat rechtens tussen de man en de vrouw komt vast te staan dat de door hen getekende schikkingsovereenkomst van 31 maart 2019 tussen hen geen werking heeft.

3.10.3.

Het hof is van oordeel dat, nu het geschil voortvloeit uit de affectieve relatie die partijen hebben gehad, de kosten van deze procedure na verwijzing tussen partijen dienen te worden gecompenseerd.

de beslissing na verwijzing

3.11.1.

Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan de toedeling van de woning aan de man. Gelet hierop en op het tijdsverloop en gelet op het door partijen gevoerde debat, behoeft de door het hof Den Haag vastgestelde (voorwaardelijke) wijze van verdeling niet opgenomen te worden, en kan worden volstaan met een beslissing aangaande de verkoop van de woning in een dictum.

3.11.2.

Het hof Den Haag heeft in het dictum van het gecasseerde arrest verwezen naar rechtsoverweging 40 van het arrest waar de (wijze van) verdeling van de eenvoudige gemeenschap “breder” is omschreven. Deze wijze van verdeling is na cassatie in stand gebleven, zij het dat vanwege het tijdsverloop thans in beginsel de woning dient te worden verkocht.

De man zal daarom gerechtigd zijn van de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de hypotheekschuld (door het hof Den Haag vastgesteld op € 79.865,-), tot betaling van een bedrag van in beginsel € 51.139,- van de overwaarde van de woning. Ieder van partijen zal vervolgens gerechtigd zijn tot de helft van de dan resterende waarde, behoudens in het geval de man niet loyaal meewerkt aan een verkoop en levering, in welk geval de minderwaarde volledig voor rekening van de man zal zijn.

De man is gerechtigd tot het bedrag van de verrekenvordering, die is vastgesteld op € 50.133,-, verhoogd met de wettelijke rente over de periode van 1 september 2010 tot en met 28 juni 2016. De vrouw zal haar aandeel van de opbrengst van de woning kunnen aanwenden om de man deze verrekenvordering te betalen.

Het hof zal in het navolgende het deel van het dictum van het arrest van het hof Den Haag, dat ziet op de verkoop van de woning, opnieuw opnemen.

De vorderingen uit hoofde van de pensioenaanspraken en het overigens nog na verwijzing gevorderde zullen, zoals reeds is overwogen, worden afgewezen en vallen onder de algehele afwijzing van het meer of anders gevorderde.

4 Beslissing

Het hof:

onder de (opschortende) voorwaarde dat tussen partijen in rechte komt vast te staan dat de schikkingsovereenkomst tussen de man en de vrouw van 31 maart 2019 tussen hen geen werking heeft:

4.1.

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 15 juni 2011 en 14 november 2012 voor zover in dit hoger beroep aan de orde en behoudens de in laatstgenoemd vonnis onder 3.1 opgenomen verklaring voor recht,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

4.2.

gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende gemeenschap zoals hiervoor onder 3.11.2. overwogen;

4.3.

bepaalt dat de woning zal worden verkocht op de wijze als in rechtsoverweging 2.22 van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 14 november 2012 en als hierna omschreven;

4.4.

machtigt, voor het geval de man niet binnen zeven dagen meewerkt aan het verstrekken van de opdracht tot verkoop van de woning in onbewoonde staat aan makelaar Wijnstra, de vrouw deze opdracht mede namens hem te verstrekken;

4.5.

veroordeelt de man tot medewerking aan de verkoop en alle daarvoor benodigde handelingen, zoals het gelegenheid bieden tot bezichtiging, het verkopen aan de hoogste bieder, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de leveringsakte;

4.6.

bepaalt - voor het geval de man niet mocht meewerken aan de ondertekening van de koopovereenkomst en vervolgens de leveringsakte - dat dit arrest daarvoor in de plaats treedt indien de man niet binnen 8 dagen nadat hem hiertoe bij aangetekend schrijven dan wel bij deurwaardersexploot is verzocht, zijn medewerking hieraan heeft verleend.

4.7.

beveelt de man de woning uiterlijk zeven dagen voor de leveringsdatum te ontruimen en te verlaten, met machtiging van de vrouw het arrest op dit punt zo nodig ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm;

4.8.

bepaalt dat de opbrengst van de woning, indien deze minder is dan € 330.000,- gelijkelijk over partijen zal worden verdeeld met inachtneming van de aanspraken als hiervoor onder 3.11.2 weergegeven, behoudens in het geval de man niet loyaal meewerkt aan een verkoop en levering als hiervoor bedoeld, in welk geval de minderwaarde volledig voor rekening van de man zal zijn;

4.9.

bepaalt dat een eventuele meerwaarde door partijen gelijkelijk wordt gedeeld met inachtneming van de aanspraken van partijen volgens 3.11.2;

4.10.

bepaalt dat de kosten van de verkoop en levering gelijkelijk door partijen zullen worden gedragen voor zover deze niet op grond van de koop- en leveringsakte ten laste komen van de koper;

4.11.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

4.12.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.13.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.A. van den Berg, mr. C.M.J. Peters en mr. T.A.M. Tijhuis en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 september 2021.