Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2874

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
200.292.552/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2021:254
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

In het verleden door rechter vastgestelde omgangsregeling moet nagekomen worden. Gegeven de invloed van minderjarige op nakoming, en zijn leeftijd, is dwangsom niet gepast. Hof bepaalt opbouw om tot uitvoering van de in het verleden vastgestelde regeling te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.292.552/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/301583 / FA RK 20-1837

Beschikking van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S. Tromp te Hoorn,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Hoorn.

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie: Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 13 januari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 8 april 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 januari 2021.

2.2

De man heeft op 17 mei 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft tevens kennisgenomen van een brief van de zijde van de vrouw van 2 juli 2021 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2.4

De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met de minderjarige [zoon] (hierna: [de minderjarige] ) gesproken.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 19 juli 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk.

2.6

Bij e-mail van 10 augustus 2021 heeft de vrouw het hof bericht over de uitkomst van het overleg tussen partijen. Bij journaalbericht van dezelfde datum heeft de man verwezen naar voornoemd bericht van de vrouw.

3 De feiten

3.1

Uit het (in 2016 door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de vrouw en de man is [de minderjarige] geboren [in] 2007.

De vrouw en de man oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 2016 is de raad verzocht onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] .

De raad heeft rapport uitgebracht op 26 november 2016. Daarin heeft de raad geadviseerd een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] bij de man is op de zaterdagen nadat de man nachtdienst heeft gehad. Zodra de man een eigen woning zou vinden, diende de zorgregeling te worden uitgebreid naar een weekend per twee weken. Hoewel de man een woning vond in de buurt van de vrouw, is de regeling niet uitgebreid.

3.3

Bij beschikking van 20 september 2017 van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) is de raad verzocht aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijkheden van een zorgregeling en is een tijdelijke zorgregeling bepaald, die er kort gezegd op neerkwam dat [de minderjarige] – na een opbouw – een weekend per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verbleef. Partijen zouden zich voorts bij hun gemeente aanmelden voor hulpverlening.

3.4

In zijn rapport van 8 maart 2018 heeft de raad geadviseerd de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van negen maanden waarna de raad het verloop van Ouderschap Blijft zou evalueren en een definitief advies zou geven.

Bij proces-verbaal van 5 april 2018 heeft de rechtbank de raad verzocht advies uit te brengen na evaluatie van het verloop van Ouderschap Blijft.

3.5

Bij de stukken bevindt zich een raadsrapport van 1 maart 2019. Daaruit blijkt, kort gezegd, dat de vrouw en de man met behulp van de raad overeenstemming hebben bereikt over een zorgregeling van een weekend per veertien dagen, gefaseerd op te bouwen. Voorts is overeengekomen dat partijen vakanties en feestdagen in onderling overleg zullen verdelen.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 17 april 2019 is, overeenkomstig het advies van de raad en de verzoeken van partijen, bepaald dat de zorgregeling als volgt zal zijn:

- de eerste drie maanden verblijft [de minderjarige] om de veertien dagen op zaterdag en zondag zonder overnachting bij de man;

- de drie maanden daaropvolgend verblijft [de minderjarige] om de veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur met overnachting bij de man;

- daarna verblijft [de minderjarige] om de veertien dagen van vrijdag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur bij de man;

- op de dagen waarop [de minderjarige] bij de man verblijft zal de vrouw één keer per dag telefonisch contact met [de minderjarige] hebben op een van tevoren afgesproken tijdstip;

- de vakanties en feestdagen zullen partijen in onderling overleg regelen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het zelfstandig verzoek van de man, de vrouw veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van 17 april 2019 vastgestelde zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] in die zin dat:

- [de minderjarige] de eerste drie maanden om de veertien dagen op zaterdag en zondag zonder overnachting bij de man verblijft;

- [de minderjarige] de drie maanden daaropvolgend om de veertien dagen van zaterdagochtend 10.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur met overnachting bij de man verblijft;

- [de minderjarige] daarna om de veertien dagen van vrijdag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft;

- op de dagen waarop [de minderjarige] bij de man verblijft de vrouw één keer per dag telefonisch contact met [de minderjarige] zal hebben op een van tevoren afgesproken tijdstip;

- partijen de vakanties en feestdagen in onderling overleg zullen regelen.

Verder is bepaald dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag(deel) dat zij in gebreke blijft te voldoen aan voornoemde zorgregeling tot een maximum van € 5.000,-.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de zorgregeling op te schorten voor de duur van twaalf maanden, in afwachting van de ontwikkelingen van [de minderjarige] .

4.3

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De vrouw betoogt dat eerst het vertrouwen van [de minderjarige] in de man moet worden hersteld voordat uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling. [de minderjarige] is dertien jaar oud en laat veel weerstand en emotie zien als het gaat om het herstel van het contact met de man. Hij heeft zijn weerstand ook kenbaar gemaakt aan de kinderrechter. [de minderjarige] was dan ook zeer teleurgesteld dat kennelijk niet is geluisterd naar zijn mening. Ook in de man is hij teleurgesteld, omdat de man geen contact met hem zoekt, bijvoorbeeld via WhatsApp. Gezien zijn leeftijd kan de vrouw [de minderjarige] niet zonder meer in de auto zetten en naar de man brengen. Zij weet niet meer hoe zij haar zoon moet stimuleren. [de minderjarige] is in het verleden meermaals teleurgesteld door de man en hij vreest voor herhaling. Daarom wenst hij zich nu te richten op zijn schoolresultaten. Pas als de blokkades bij [de minderjarige] zijn weggenomen, kan de zorgregeling worden uitgevoerd. Tot die tijd is een dwangsom niet redelijk; de vrouw kan [de minderjarige] niet dwingen en zij heeft beperkte financiële middelen.

5.2

De man betwist dat zijn relatie met [de minderjarige] verstoord is. Zij hebben regelmatig telefonisch contact met elkaar. Het is de vrouw die niet wil meewerken aan de zorgregeling. Zij keurt het contact af zodat de man alleen kan bellen als [de minderjarige] op school zit. De man herhaalt zijn aanbod om [de minderjarige] bij de vrouw op te halen. De man heeft zich inmiddels genoodzaakt gezien om Veilig Thuis in te schakelen. Hij is ervan overtuigd dat de vrouw er alles aan zal doen om contact tussen hem en [de minderjarige] te voorkomen. Daarom dient ook de dwangsom te worden gehandhaafd. Ondanks meerdere beschikkingen en hulpverleningstrajecten werkt de vrouw niet mee aan de zorgregeling. Daardoor voelt [de minderjarige] zich niet vrij om contact te hebben met de man.

5.3

In zijn gesprek met de voorzitter heeft [de minderjarige] gezegd dat hij de man niet uit zijn leven wil bannen, maar dat hij geen vaste zorgregeling met hem wil. [de minderjarige] weet niet goed in welke vorm hij contact met de man wil, maar hij zou graag zien dat de man de eerste stap zet.

5.4

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man in januari 2021 met [de minderjarige] heeft gebeld naar aanleiding van de bestreden beschikking; de man wilde met hem afspreken wanneer hij hem kon komen ophalen. Op enig moment heeft de vrouw de telefoon van [de minderjarige] overgenomen, naar haar zeggen om de man duidelijk te maken dat [de minderjarige] niet met de man wilde afspreken. De man heeft dit incident dermate onaangenaam gevonden dat hij sindsdien alleen per sms of WhatsApp contact heeft gezocht met [de minderjarige] . Zij hebben gemiddeld drie keer per maand via die weg contact met elkaar. De man wil [de minderjarige] graag zien en iets met hem ondernemen. Hij wil hem echter niet dwingen tot een afspraak. De vrouw heeft voorgesteld dat de man [de minderjarige] eerst een aantal keer belt en hem toont dat hij graag contact wil; zij heeft er vertrouwen in dat [de minderjarige] dan op enig moment ook een uitje met de man zal willen ondernemen.

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geconstateerd dat [de minderjarige] knel zit tussen de man en de vrouw en dat hij belast wordt door de door hen gevoerde procedures. Met de zorgregeling zoals die in de beschikking van 17 april 2019 is vastgesteld, wordt hij overvraagd. De raad heeft voorgesteld om de wens van [de minderjarige] leidend te laten zijn. Wellicht dat met behulp van een Kindbehartiger of een bijzondere curator kan worden afgetast wat [de minderjarige] wil, en kan dan in overleg eventueel een opbouwregeling worden afgesproken.

5.6

Het hof begrijpt het door de vrouw gedane verzoek de zorgregeling op te schorten mede zo dat zij nakoming op straffe van verbeurte van een dwangsom op dit moment, gelet op de houding van [de minderjarige] , niet mogelijk en voor [de minderjarige] ook niet wenselijk acht.

5.7

Bij de beoordeling van dit hoger beroep gaat het hof uit van de bij beschikking van 17 april 2019 bepaalde zorgregeling. Tegen genoemde beslissing is immers geen hoger beroep ingesteld, en evenmin is daarvan wijziging verzocht. Vast staat dat aan de vastgestelde zorgregeling op dit moment geen uitvoering wordt gegeven. Partijen wijzen naar elkaar als het gaat om de oorzaken daarvan, maar wat daar verder ook van zij: [de minderjarige] , die inmiddels dertien jaar oud is, heeft in de uitvoering van de zorgregeling een belangrijke stem. Duidelijk is dat hij last heeft van het onvermogen van zijn ouders om de vastgestelde zorgregeling met zijn vader te organiseren en faciliteren; hij wordt daardoor (soms) gedwongen zijn eigen richting te bepalen. Een lichtpunt is dat partijen beiden lijken in te zien dat de stem van [de minderjarige] belangrijk is. De man heeft ter zitting verklaard dat hij [de minderjarige] weliswaar graag wil zien, maar dat hij hem niet wil forceren of klem wil zetten. Bij die stand van zaken acht het hof een veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom voor het geval aan de bij beschikking van 17 april 2019 bepaalde zorgregeling geen uitvoering wordt gegeven, niet passend. Derhalve zal het de bestreden beschikking op dit onderdeel vernietigen en het inleidend verzoek van de man in zoverre afwijzen.

5.8

Ter zitting is met partijen besproken dat de bij beschikking van 17 april 2019 bepaalde zorgregeling in deze procedure het uitgangspunt dient te zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat deze regeling als zodanig in het belang van [de minderjarige] is en die regeling dient in beginsel dan ook te worden nagekomen. In zoverre faalt het appel van de vrouw en zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd voor zover de vrouw is veroordeeld tot nakoming van de beschikking van 17 april 2019. Partijen hebben na afloop van de zitting getracht overeenstemming te bereiken over een (nieuwe) opbouw naar uitvoering van die regeling. In de onder 2.6 vermelde berichten hebben partijen het hof bericht dat zij hebben afgesproken dat er tweemaal per week na 18.00 uur telefonisch contact tussen de man en [de minderjarige] zal plaatsvinden, waarbij het initiatief bij de man ligt. Over een opbouw naar fysiek contact zijn partijen het niet eens kunnen worden. Op dat punt refereren zij zich aan het oordeel van het hof.

5.9

[de minderjarige] heeft zelf laten weten dat hij (enige vorm van) contact wil. Voor hem is het van groot belang dat de man het initiatief neemt en dat hij [de minderjarige] laat blijken dat hij hem graag ziet. In aansluiting op voornoemde afspraak van partijen over het telefonische contact - aan welke afspraak de man zich, naar het hof aanneemt, sinds 10 augustus 2021 heeft gehouden - zal het hof bepalen dat de man een activiteit plant voor hem en [de minderjarige] op een zaterdag of zondag. De eerste activiteit zal plaatsvinden op zaterdag 18 of zondag 19 september 2021. De tweede activiteit zal op zaterdag 2 of zondag 3 oktober 2021 plaatsvinden. Vervolgens zal [de minderjarige] , met ingang van 16 oktober 2021 gedurende drie maanden iedere veertien dagen op zaterdag of zondag van 12.00 uur tot 16.00 uur bij de man verblijven. Het hof gaat ervan uit dat, met de inzet van de man en de vrouw, [de minderjarige] vervolgens bij de man zal verblijven zoals bepaald in de beschikking van 17 april 2019, derhalve voor het eerst op zaterdag 22 januari 2022.

5.10

Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure is er geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals de man heeft verzocht. Ieder van partijen dient de eigen proceskosten te dragen.

5.11

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij een dwangsom is bepaald en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de man om een dwangsom te bepalen per dag(deel) dat de vrouw de in de beschikking van 17 april 2019 bepaalde zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man niet of niet volledig nakomt;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige met dien verstande dat de opbouw naar uitvoering van de regeling als bepaald in de beschikking van 17 april 2019 zal plaatsvinden als beschreven bij 5.9;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.N. van de Beek en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, bijgestaan door de griffier, en is op 31 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken.