Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2836

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
07-10-2021
Zaaknummer
200.278.267/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Greenpeace valt onder de verplichtstellingsbesluiten van het Bedrijfspensioenfonds Koopvaardij.

Uitleg werkingssfeerbepaling volgens cao-norm.

Uitleg van de uitzondering voor “pleziervaartuigen” in het verplichtstellingsbesluit van 2015.

Volgt vernietiging van het bestreden vonnis, en toewijzing van de vorderingen van BPF Koopvaardij in eerste aanleg.

Wetsartikelen: artikel 2 lid 1 Wet Bpf 2000, artikel 8:2 lid 1 BW, artikel 311 lid 4 WvK, Zeebrievenwet, Wet Zeevarenden en Schepenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.278.267/01

zaaknummer rechtbank : 7818996 CV EXPL 19-12580

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 september 2021

inzake

STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE KOOPVAARDIJ,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
appellante,
advocaat: mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,

tegen

STICHTING GREENPEACE COUNCIL,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,

advocaat: mr. A.W. Cramer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Bpf Koopvaardij en Greenpeace genoemd.

Bpf Koopvaardij is bij dagvaarding van 22 april 2020 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 3 februari 2020 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Bpf Koopvaardij als eiseres in conventie tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie en Greenpeace als gedaagde in conventie tevens eiseres in voorwaardelijke reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Op 25 juni 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht, Bpf Koopvaardij door mr. Van der Bent voornoemd en mr. K. Boele, advocaat te Rotterdam, en Greenpeace door mr. Cramer voornoemd en mr. W.P.M. Thijssen, advocaat te Amsterdam, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Bij die gelegenheid heeft Bpf Koopvaardij nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Bpf Koopvaardij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en ‒ uitvoerbaar bij voorraad ‒ alsnog haar vorderingen zal toewijzen met beslissing over de proceskosten.

Greenpeace heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met beslissing over de proceskosten en “de buitengerechtelijke kosten van het hoger beroep” en, voor het geval het hof de vorderingen van Bpf Koopvaardij in eerste aanleg alsnog zou toewijzen, haar voorwaardelijk ingestelde reconventionele vorderingen gehandhaafd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2
2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep, behoudens voor zover met grief 1 wordt opgekomen tegen hetgeen onder 1.7 is vermeld, niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

Bpf Koopvaardij is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet en de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). MN Services N.V. is de administratieve uitvoerder van de pensioenregeling voor de bedrijfstak koopvaardij. In artikel 2 lid 1 van de Wet Bpf 2000 is bepaald:
“Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.”

In de Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf is onder 2 (Reikwijdte van de verplichtstelling) het volgende bepaald:
“Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door sociale partners. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Ongeorganiseerden moeten kunnen begrijpen of zij, in geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in het verplicht gestelde bpf. (….)

De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. (…) Gedachte achter een verplichtstelling is dat deelname verplicht is voor een bepaalde bedrijfstak. Nieuwkomers in de bedrijfstak moeten “automatisch” onder de werkingssfeer vallen (…)”

2.2

De deelneming in Bpf Koopvaardij is verplicht gesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 januari 1954.

2.3

Bij besluit van 1 november 1989 is de verplichtstelling gewijzigd in, voor zover relevant:

I. het deelnemen in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Koopvaardij verplicht te stellen voor:
a. de Nederlandse zeevarenden:
b. de zeevarenden, die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en, naar de omstandigheden beoordeeld wonen:
(...)
wordende ten deze verstaan onder:
A. zeevarende:
degene, die zich bij arbeidsovereenkomst verbonden heeft om als kapitein of schepeling aan boord van een zeevaartuig dienst te doen, uitgezonderd:

A. (...)
B. zeevaartuig:
het vaartuig dat voorzien is van een geldige Nederlandse zeebrief, waaronder mede wordt begrepen een buitengewone of voorlopige Nederlandse zeebrief (...)

2.4

Op 31 juli 2014 is de verplichtstelling opnieuw gewijzigd, waarbij de onder 2.3 opgenomen tekst niet is veranderd.

2.5

Bij besluit van 23 april 2015 is de verplichtstelling voor de derde keer gewijzigd (Staatscourant 30 april 2015, nr. 12045). Dat besluit geldt thans nog. In dat besluit is bepaald, voor zover relevant:

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de aanvraag van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Koopvaardij namens de Vereniging van Werkgevers in de Handelsvaart, (…) en Nautilus International, daartoe strekkende dat de verplichtstelling (…) wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstak Koopvaardij;

(...)
Wijzigt het besluit van 27 januari 1954 (...)
De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:
“het deelnemen in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij is verplicht gesteld voor:
de zeevarenden die door scheepsbeheerders zijn tewerk gesteld aan boord van door hen beheerde zeeschepen en (...) wonen:
1. hetzij binnen het Rijk;
2. hetzij in een land dat lid is van de Europese Unie (EU); (...)
A. zeevarende:
Onder zeevarende wordt verstaan degene bedoeld in BW, boek 7, titel 10, afdeling 12, artikel 694, eerste lid. (...)
B. zeeschip:
Onder zeeschip wordt verstaan schepen als bedoeld in BW, boek 8, titel 1, artikel 2, eerste lid (...), voor zover op grond van de Nederlandse rechtsregels de vlag van het Koninkrijk wordt gevoerd, doch uitgezonderd;
a. vissersschepen,
b. schepen in openbare dienst,
c. binnenvaartschepen,
d. oorlogsschepen en marinehulpschepen,
e. pleziervaartuigen,

f. schepen speciaal ontworpen voor het opnemen en dumpen van zand en klei en de daarbij betrokken hulpschepen,
C. Scheepsbeheerder:
Onder scheepsbeheerder wordt verstaan de beheerder bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel I, van de Wet zeevarenden (...)

2.6

Greenpeace is opgericht in 1979 als ideële stichting. Zij heeft volgens haar statuten als doel het bevorderen van natuurbehoud. Greenpeace zet voor het bereiken van haar doelen (onder meer) drie schepen in voor wetenschappelijk onderzoek, publieksinformatie en geweldloze acties. Dit zijn de Rainbow Warrior, de Arctic Sunrise en de Esperanza (hierna: de schepen). Bij Greenpeace werken ongeveer 90 fte aan boord van één van de drie schepen, die elkaar elke drie maanden afwisselen. Greenpeace probeert haar statutaire doel te bereiken door wereldwijd haar strategie uit te zetten.

2.7

Greenpeace is voor haar inkomsten voornamelijk afhankelijk van particuliere donaties en van bijdragen van onafhankelijke nationale en internationale organisaties.

2.8

Voor de bemanning van haar schepen heeft Greenpeace vanaf 2006 cao’s afgesloten met (de rechtsvoorganger van) werknemersvereniging Nautilus International (hierna: Nautilus). Tientallen werknemers van Greenpeace (die op zee varen) zijn lid van Nautilus.

2.9

In de cao’s over de periode van 1 januari 2006 tot 31 december 2013 is onder meer bepaald:

3.3

Crewmembers need to arrange personal pension provisions on their own account. No pension premium shall be paid to Crewmembers.(...)
27.2 [later gewijzigd in 28.2, opmerking hof] The Crewmember shall arrange his or her own pension provisions and bears all risks, obligations and rights thereof personally and in full.

2.10

In de cao’s die liepen van 1 januari 2014 tot 31 december 2018 is artikel 3.3 ongewijzigd gebleven. In artikel 29.3 is (als opvolger van artikel 27.2 respectievelijk 28.2) bepaald:
During the duration of this CBA, SGC will investigate if a pension plan for crew members can be introduced. If so, SGC will facilitate, but not financially contribute to crew pension plans.(...)

2.11

Bij brief van 23 februari 2018 heeft Bpf Koopvaardij aan Greenpeace bericht dat Greenpeace mogelijk moest worden aangesloten bij Bpf Koopvaardij en dat Greenpeace daarom voorlopig werd aangesloten. Er zou een onderzoek volgen om te beoordelen of Greenpeace zeevarenden in dienst heeft die onder het verplichtstellingsbesluit vallen.

2.12

Greenpeace heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3 Beoordeling

3.1

Bpf Koopvaardij heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis voor recht zou verklaren dat:

I de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die vanaf 1 mei 2015 werken aan boord van de schepen en wonen in een land als genoemd in het verplichtstellings-besluit, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 23 april 2015, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 67 jaar is;
II de Nederlandse zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 30 juli 2014 en 1 mei 2015 werkten aan boord van genoemde schepen, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 25 juli 2014, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
III de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 30 juli 2014 en 1 mei 2015 werkten aan boord van genoemde schepen en woonden in een land als genoemd in het verplichtstellingsbesluit van 25 juli 2014, vallen onder de werking van dat verplichtstellingsbesluit, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
IV de Nederlandse zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 1 november 1989 en 1 augustus 2014 werkten aan boord van genoemde schepen, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 22 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
V de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 1 november 1989 en
1 augustus 2014 werkten aan boord van genoemde schepen en woonden in een land als genoemd in het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989 voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 22 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
alles met veroordeling van Greenpeace in de proceskosten.

3.2

Greenpeace heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen in conventie. Zij heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd, na wijziging van eis en voor het geval dat wordt geoordeeld dat Greenpeace onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit uit 1989, 2014 en/of 2015 zou vallen, voor recht te verklaren dat:
I. een eventuele vordering tot schadevergoeding van Bpf Koopvaardij op Greenpeace in verband met het niet aanmelden van werknemers dan wel geen premie afdragen voor hen, over de periode voor 23 mei 2014 is verjaard;
II. Greenpeace geen onrechtmatige daad jegens Bpf Koopvaardij heeft gepleegd, die aan Greenpeace kan worden toegerekend en/of geen norm heeft geschonden die strekt tot bescherming tegen de schade zoals Bpf Koopvaardij die heeft geleden, door de betreffende werknemers van Greenpeace niet bij Bpf Koopvaardij aan te melden en/of geen premie voor hen af te dragen;
alles met veroordeling van Bpf Koopvaardij in de proceskosten.

3.3

Bpf Koopvaardij heeft verweer gevoerd tegen de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering.

3.4

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van Bpf Koopvaardij afgewezen, en is (dus) niet toegekomen aan de beoordeling van de voorwaardelijk ingestelde vordering in reconventie. Tegen deze uitspraak komt Bpf Koopvaardij op onder aanvoering van elf grieven.

3.5

De hiervoor genoemde verplichtstellingsbesluiten zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk verplichtstellingsbesluit 1989, 2014 en 2015. Het hof stelt voorop dat verplichtstellingsbesluit 1989 tot stand is gekomen onder de Wet Verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds (hierna Wet Bpf). Deze wet is met ingang van 1 januari 2001 vervangen door de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Een onder de Wet Bpf tot stand gekomen verplichting tot deelname in een bedrijfstakpensioenfonds wordt op grond van artikel 39 lid 3 Wet Bpf 2000 aangemerkt als een verplichtstelling op grond van die wet.

3.6

Met grief 1 komt Bpf Koopvaardij op tegen de vaststelling van de kantonrechter onder 1.7 van het bestreden vonnis dat Greenpeace geen commerciële activiteiten uitvoert. Bpf Koopvaardij voert hiertegen aan dat bepaalde activiteiten van Greenpeace btw-plichtig zijn en dat Greenpeace ten aanzien van deze activiteiten als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968 wordt aangemerkt. Greenpeace heeft dit bestreden en gesteld dat zij voor de btw als eindgebruiker wordt beschouwd, dat zij geen commerciële activiteiten verricht en geen winstoogmerk heeft. Greenpeace is grootaandeelhouder van enkele andere vennootschappen waarin wel – beperkt – inkomsten worden gegenereerd.

3.7

Het hof ziet aanleiding om deze grief te bepreken in samenhang met het verweer van Greenpeace in eerste aanleg, inhoudende dat zij geen bedrijf is in de zin van de Wet verplichte deelneming Bedrijfstakpensioenfondsen 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) en daarom niet kan worden verplicht tot aansluiting bij Bpf Koopvaardij. De kantonrechter is aan de bespreking van dit verweer niet toegekomen.

3.8

In artikel 2 Wet Bpf en de daarop gebaseerde Beleidsregels ligt besloten dat deelname aan een bedrijfspensioenfonds verplicht gesteld kan worden voor bepaalde personen die werkzaam zijn in een bedrijfstak, en voorts dat de werkingssfeerbepaling uit het verplichtstellingsbesluit doorslaggevend is voor de vraag op wie de verplichtstelling van toepassing is. Noch in de Wet Bpf zelf, noch in de Beleidsregels is gedefinieerd wanneer sprake is van een “bedrijf” en/of een “bedrijfstak”. Het betoog van Greenpeace houdt in – zo begrijpt het hof – dat in geval van een onderneming zoals Greenpeace zonder winstoogmerk, geen sprake is van een bedrijf(stak) zodat de personen die bij haar werkzaam zijn ook niet werkzaam zijn in een bedrijfstak. Dit betoog faalt, gelet op de strekking en ratio van de Wet Bpf en de Wet Bpf 2000. De mogelijkheid tot verplichtstelling van deelname in een bedrijfs(tak)pensioenfonds dient volgens de parlementaire geschiedenis van de Wet Bpf en de Wet Bpf 2000 een economisch en een sociaal doel. Het economische doel is het voorkomen van concurrentie in de bedrijfstak met betrekking tot de arbeidsvoorwaarde pensioen. Door deelneming in een bedrijfspensioensfonds verplicht te stellen, kan worden tegengegaan dat werkgevers (en werknemers) binnen de bedrijfstak zich een concurrentievoorsprong kunnen verschaffen door geen of minder pensioen overeen te komen. Het sociale doel is het tot stand brengen van een uniforme aanvullende pensioenvoorziening voor iedereen in de bedrijfstak. Tegen deze achtergrond ‒ met name gelet op het hiervoor genoemde sociale doel ‒ ziet het hof geen aanleiding het woord “bedrijfstak” zo beperkt uit te leggen dat alleen organisaties met een winstoogmerk en/of concurrerende activiteiten hieronder vallen.

Hetgeen hiervoor is overwogen voert tot de conclusie dat dit verweer van Greenpeace faalt. Bpf Koopvaardij heeft daarom bij de bespreking van grief 1, in het licht van de navolgende overwegingen, geen zelfstandig belang meer.

3.9

De grieven 2 tot en met 9 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat – samengevat – Bpf Koopvaardij niet onder (een van de) voornoemde verplichtstellingsbesluit(en) valt. De kernvraag die in deze procedure voorligt is (i) of de schepen van Bpf Koopvaardij vallen onder het begrip “zeeschepen” in de opeenvolgende verplichtstellingsbesluiten, en (ii) of de schepen van Greenpeace vallen onder de uitzondering die in het verplichtstellingsbesluit 2015 wordt gemaakt voor “pleziervaartuigen”. Tussen partijen is immers niet in geschil dat Greenpeace kan worden aangemerkt als “scheepsbeheerder”, en dat de betrokken werknemers van Greenpeace kunnen worden aangemerkt als “zeevarenden”.

3.10

Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de werkingssfeer van een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds duidelijk dient te zijn omdat de verplichtstelling voor de daaronder vallende werkgevers van rechtswege de verplichting in het leven roept tot naleving van de statuten en reglementen van dat bedrijfstakpensioenfonds. Die duidelijkheid vereist dat werkgevers op grond van de tekst van het verplichtstellingsbesluit kunnen bepalen of zij onder de verplichtstelling vallen of niet. Voorts strekt tot uitgangspunt dat bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling in de opeenvolgende verplichtstellingsbesluiten, de zogeheten cao-norm geldt. Die norm houdt in dat bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van het verplichtstellingsbesluit en een eventuele toelichting daarop, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op een grammaticale uitleg van de tekst van de betrokken bepaling, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het verplichtstellingsbesluit, waarbij naast de taalkundige betekenis ook acht moet worden geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van het verplichtstellingsbesluit en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

3.11

Het hof is van oordeel dat Greenpeace valt onder de werkingssfeer van de opeenvolgende verplichtstellingsbesluiten ten aanzien van deelname in Bpf Koopvaardij. Het volgende is daartoe redengevend.

3.12

Een schriftelijke toelichting op de drie verplichtstellingsbesluiten ontbreekt. Het hof zal daarom aanknopen bij de tekst van de desbetreffende bepalingen en de regelgeving waarnaar in deze bepaling en in de overige tekst van de verplichtstellingsbesluiten wordt verwezen.

3.13

Ten aanzien van het begrip ‘zeeschepen’ stelt de tekst van de werkingssfeer- bepaling in de opeenvolgende verplichtstellingsbesluiten twee vereisten: het moet gaan om een zeeschip in de zin van artikel 8:2 lid 1 BW, en het schip moet de Nederlandse vlag (mogen) voeren, hetgeen impliceert dat een zogeheten zeebrief verstrekt kan worden aan het desbetreffende schip.

3.14

In artikel 8:2 lid 1 BW is het volgende bepaald:
“In dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 en de schepen die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.”

De schepen van Greenpeace vallen onder de definitie van artikel 8:2 BW, nu zij zijn geregistreerd in het Nederlandse scheepsregister.

3.15

Welke schepen de Nederlandse vlag mogen voeren, is geregeld is artikel 311 van het Wetboek van Koophandel (WvK). In artikel 311 lid 4 WvK is bepaald dat een schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt, kan worden aangemerkt als Nederlands schip indien voldaan is aan bepaalde, nader genoemde vereisten.

De Memorie van Toelichting bij artikel 311 WvK merkt hierover het volgende op:

“Zeeschepen die niet worden gebruikt voor de uitoefening van een beroep op bedrijf kunnen op aanvraag eveneens een zeebrief krijgen.

Naast plezierjachten valt daarbij te denken aan schepen van organisaties zoals Greenpeace (…)”

Tussen partijen is niet in geschil dat de schepen van Greenpeace op grond van artikel 311 WvK gedurende de gehele periode waarop de verplichtstellingsbesluiten betrekking hebben, een zeebrief hebben verkregen en de Nederlandse vlag hebben mogen voeren.

3.16

Hiermee staat vast dat gedurende de periodes waarop de verplichtstellingsbesluiten 1989 en 2014 zien, is voldaan aan de twee vereisten uit de werkingssfeer bepalingen van de desbetreffende verplichtstellingsbesluiten.

3.17

Met het verplichtstellingsbesluit 2015 werd aan de definitie van het begrip “zeeschip” een rijtje van zes uitzonderingen toegevoegd waaronder onder e: “pleziervaartuigen”. Beide partijen gaan ervan uit dat met deze wijziging in het verplichtstellingsbesluit 2015 ten opzichte van de eerdere verplichtstellingsbesluiten, niet is beoogd de reikwijdte van de verplichtstelling te wijzigen. Partijen verbinden hieraan echter verschillende conclusies: Bpf Koopvaardij stelt dat, waar de schepen van Greenpeace niet onder de werkingssfeerbepalingen van de eerdere verplichtstellingsbesluiten vielen, zij evenmin vallen onder het verplichtstellingsbesluit 2015. Greenpeace stelt dat haar schepen onder de uitzondering van “pleziervaartuigen” in het verplichtstellingsbesluit 2015 vallen, en dat dit met zich brengt dat haar schepen ook vóór 2015 al niet vielen onder de werkingssfeerbepaling van de verplichtstellingsbesluiten. Beide partijen voeren argumenten aan voor hun zienswijze. Nu een schriftelijke toelichting op het verplichtstellingsbesluit 2015 ontbreekt, kan hierin geen aanknopingspunt worden gevonden voor de juistheid van de ene dan wel de andere zienswijze. Het hof zal daarom de werkingssfeerbepaling uit het verplichtstellingsbesluit 2015 zelfstandig beoordelen. Het hof verenigt zich met het door beide partijen aanvaarde uitgangspunt dat met de toevoeging van een uitzondering voor “pleziervaartuigen” in 2015 niet is beoogd de reikwijdte van de verplichtstelling te wijzigen. Daarom zal het hof zich beperken tot een uitleg van het verplichtstellingsbesluit 2015.

3.18

Zoals hiervoor overwogen vallen de schepen van Greenpeace onder het begrip “zeeschepen” in de aanhef van B van de werkingssfeerbepaling. De vraag die resteert is of de schepen vallen onder de sub e genoemde uitzondering van “pleziervaartuigen”.

3.19

Het verplichtstellingsbesluit 2015 bevat geen definitie van het begrip “pleziervaartuigen”. De taalkundige betekenis van een “pleziervaartuig” is “een vaartuig dat men voor zijn genoegen houdt”. De Wet op pleziervaartuigen definieert een pleziervaartuig als een voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig (…) met een romplengte van 2,5 tot 24 meter. Weliswaar ziet deze wet op kleinere pleziervaartuigen, maar de omschrijving bevestigt het recreatieve element dat ook geldt volgens het algemeen spraakgebruik.

3.20

Het debat tussen partijen heeft zich onder meer uitgestrekt tot de vraag of in de omschrijving van het begrip “pleziervaartuig” in andere wetten, een aanknopingspunt

gevonden kan worden voor de uitleg van het begrip “pleziervaartuig” in de werkingssfeerbepaling van het onderhavige verplichtstellingsbesluit.

3.21

In de eerste plaats dient hierbij acht te worden geslagen op de wetsartikelen waarnaar de werkingssfeerbepaling direct dan wel indirect verwijst, zijnde artikel 8:2 BW en artikel 311 WvK. In de Memorie van Toelichting op artikel 311 lid 4 WvK heeft de wetgever vermeld – samengevat – dat een zeebrief kan worden verstrekt aan schepen die niet worden gebruikt voor de uitoefening van een beroep of bedrijf, waarbij naast (onderstreping hof) plezierjachten kan worden gedacht aan schepen van organisaties zoals Greenpeace”.

Uit deze formulering volgt dat de wetgever – in het kader van artikel 311 WvK – de schepen van Greenpeace niet beschouwt als plezierjacht.

3.22

De Zeebrievenwet, de Wet Zeevarenden en de Schepenwet worden niet genoemd in de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit 2015, zodat aan de betekenis van het begrip “pleziervaartuig” in deze wetten slechts indirect betekenis toekomt. Het hof zal hierna op de verschillende wetten ingaan.

3.23

De Zeebrievenwet verwijst in artikel 2 voor het begrip “zeeschepen” naar artikel 8:2 BW, waarop vijf uitzonderingen worden gemaakt. Pleziervaartuigen zijn niet opgenomen in deze uitzonderingen, en de Zeebrievenwet bevat geen definitie van het begrip “pleziervaartuig”. De verwijzing in rechtsoverweging 15 van het bestreden vonnis naar het zogeheten “open armen beleid” betreft enkel het feit dat sinds 1989 de Nederlandse overheid bereid was schepen van organisaties met ideële doelstellingen een zeebrief te verschaffen, zodat zij onder Nederlandse vlag konden varen.

3.24

In de Wet Zeevarenden is een zestal soorten schepen uitgezonderd van de werking van die wet, waaronder in artikel 2 lid 2 sub f “pleziervaartuigen”. In artikel 1 lid 1 sub e van de Wet Zeevarenden wordt een pleziervaartuig gedefinieerd als:

“pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt”.
In de Memorie van Toelichting op de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 2 is het volgende vermeld:
“Een aantal categorieën schepen wordt van de werkingssfeer van de wet uitgesloten. Plezierjachten die als zodanig worden gebruikt, vallen niet onder de wet.”
In artikel 2 lid 3 Wet Zeevarenden is – samengevat – bepaald dat bepaalde delen van deze wet niet van toepassing zijn op “niet commercieel gebruikte schepen”.
3.25 Het hof is met Bpf Koopvaardij van oordeel dat een logische uitleg van de Wet Zeevarenden met zich brengt dat ondanks de ruime definitie van het begrip “pleziervaartuig” in deze wet, hieronder, overeenkomstig de Memorie van Toelichting, uitsluitend begrepen dienen te worden plezierjachten die als zodanig worden ingezet. Immers, indien de letterlijke bewoordingen van de definitie leidend zouden zijn, heeft artikel 2 lid 3 waarin een verlicht regime is opgenomen voor “niet commercieel

gebruikte schepen” geen betekenis meer; deze zouden dan vallen onder pleziervaartuigen en geheel van de Wet Zeevarenden zijn uitgezonderd, hetgeen blijkens artikel 2 lid 3 nu juist niet de bedoeling is.

3.25

De Schepenwet bevat in artikel 2 lid 1 sub d een uitzondering op het toepassingsbereik van die wet voor “pleziervaartuigen welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd, voor zover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren”.
Ook deze wet lijkt het feitelijk gebruik als pleziervaartuig voorop te stellen.

3.26

Het voorgaande voert het hof tot de conclusie dat de Zeebrievenwet, de Wet Zeevarenden en de Schepenwet geen aanknopingspunt bieden voor de juistheid van de stelling van Greenpeace dat onder “pleziervaartuig” mede begrepen dienen te worden schepen als die van Greenpeace.

3.27

Greenpeace heeft voorts betoogd dat uit de naam van het Bpf Koopvaardij, alsmede uit de aanhef van het verplichtstellingsbesluit 2015, waarin is vermeld dat de verplichtstelling wordt gewijzigd “voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstak Koopvaardij”, kan worden afgeleid dat de verplichtstelling (uitsluitend) van toepassing is op de bedrijfstak Koopvaardij, waartoe Greenpeace niet behoort. Dit is volgens Greenpeace aanleiding om het begrip “pleziervaartuigen” aldus uit te leggen dat daaronder schepen vallen die niet tot de Koopvaardij behoren. Dit betoog faalt. In de eerste plaats wordt in de werkingssfeer bepaling zelf niet verwezen naar de bedrijfstak Koopvaardij, noch anderszins verwezen naar de activiteiten van de werkgever, maar aangeknoopt bij de hoedanigheid van de zeevarenden en de door hen verrichte werkzaamheden. In de tweede plaats komt in de aanhef van het verplichtstellingsbesluit 2015 het woord “pleziervaartuig” niet voor, noch bevat deze aanhef een directe aanwijzing voor de door Greenpeace bepleite uitleg van het begrip “pleziervaartuig”. De begrippen “bedrijfstak” en “koopvaardij” zijn niet nader gedefinieerd, noch in de Wet Bpf, noch in de Wet Bpf 2000, noch in een van de drie thans aan de orde zijnde verplichtstellingsbesluiten. Aldus kunnen de bewoordingen van de aanhef van dit verplichtstellingsbesluit niet bijdragen aan de door Greenpeace bepleite uitleg van het begrip “pleziervaartuig”.

3.28

Greenpeace heeft, naast de hiervoor vermelde argumenten, ten slotte het volgende aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat de door Bpf Koopvaardij bepleite uitleg van het begrip “pleziervaartuig” onaannemelijk is:

(i) Bpf Koopvaardij zou er al decennia mee bekend zijn dat de schepen van Greenpeace varen onder de Nederlandse vlag, terwijl zij eerder er niet op heeft aangedrongen dat Greenpeace zou worden aangesloten;
(ii) Nautilus, die mede de verplichtstelling 2015 heeft aangevraagd, heeft sinds 2006 cao’s met Greenpeace afgesloten waarin expliciet is opgenomen dat voor de zeevarenden van Greenpeace geen pensioenregeling van toepassing is.

Ad (i)

3.29

Indien een werkgever onder de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds komt te vallen ontstaat van rechtswege een verplichting tot deelname in het desbetreffende fonds en een verplichting tot premiebetaling. Daarvoor is geen administratieve (of andere) handeling van een pensioenfonds vereist. Werkgevers dienen zelf alert te zijn op de mogelijkheid dat voor hen een verplichting bestaat of ontstaat om deel te nemen in een bedrijfspensioenfonds. Het enkele feit dat Bpf Koopvaardij niet heeft aangedrongen op aansluiting kan in het kader van uitleg van de werkingssfeerbepaling geen rol spelen. Ter zitting is aan de orde geweest dat Bpf Koopvaardij en Greenpeace jarenlang niet bij elkaar in beeld zijn geweest, en dat sprake is geweest van een geleidelijk bewustwordingsproces bij Bpf Koopvaardij en ook bij andere pensioenfondsen, naar aanleiding van onder meer de zaak Labots in 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BT8462).

Dit gegeven kan mogelijk een rol spelen bij de – in dit geding niet aan de orde zijnde – vraag of en over welke periode de vorderingen van Bpf Koopvaardij op Greenpeace zijn verjaard maar niet bij de thans aan de orde zijnde uitlegkwestie.

Ad (ii)
3.30 Het feit dat Nautilus enerzijds partij is (geweest) bij cao’s waarin uitdrukkelijk is bepaald – samengevat – dat voor werknemers van Greenpeace geen pensioenregeling geldt, en anderzijds een van de partijen is die de aanvraag tot verplichtstelling in Bpf Koopvaardij heeft gedaan, leidt evenmin tot de conclusie dat de door Greenpeace bepleite uitleg van het begrip “pleziervaartuigen” een aannemelijk rechtsgevolg heeft, of dat de door Bpf bepleite uitleg leidt tot onaannemelijke rechtsgevolgen. De verplichting tot deelname is een uit de wet voortvloeiende verplichting, waarvan bij cao niet kan worden afgeweken. Hieruit volgt dat aan de andersluidende bepaling in de tussen Greenpeace en Nautilus gesloten cao’s voor de onderhavige uitlegkwestie geen betekenis toekomt. Bij uitleg overeenkomstig de cao-norm gaat het om de objectief kenbare betekenis van de werkingssfeerbepaling. Niet alle opvarenden van de schepen van Greenpeace zijn lid van Nautilus, zodat alleen al daarom niet kan worden aangenomen dat de kenbare bedoeling van de partijen bij de cao een rol speelt bij uitleg van de werkingssfeerbepaling van het verplichtstellingsbesluit 2015. De redenering van Greenpeace is ten aanzien van dit onderdeel gestoeld op de stelling dat de opstelling van Nautilus onbegrijpelijk is. Nog daargelaten dat Bpf Koopvaardij verschillende argumenten heeft aangevoerd op basis waarvan de handelwijze van Nautilus verklaarbaar zou (kunnen) zijn, zoals het gegeven dat een groot deel van de opvarenden van de schepen van Greenpeace vanwege hun woonland buiten de reikwijdtebepaling van de verplichtstelling valt, en het feit dat Nautilus Greenpeace in 2015 zou hebben gewezen op het feit dat de opvarenden wel onder de verplichtstelling zouden vallen, voert een eventueel onbegrijpelijke opstelling van Nautilus op dit punt niet tot de conclusie dat sprake is van een onaannemelijk rechtsgevolg.

3.31

De conclusie is dat de grieven slagen en dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking omdat dit niet tot een ander oordeel leidt. Het voorgaande betekent tevens dat grief 10 slaagt en dat Greenpeace in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep zal worden veroordeeld.

3.32

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van Greenpeace is ingesteld, in vervulling is gegaan, zodat deze hierna zullen worden besproken.

3.33

Greenpeace heeft bij (gewijzigde) eis in reconventie gevorderd zoals hiervoor onder 3.2 is weergegeven. De beide vorderingen strekken tot afgifte van een verklaring voor recht betreffende een (eventuele) vordering tot vergoeding van schade. Nu, zoals Bpf Koopvaardij zelf stelt in haar conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, van enige concrete schade en/of een ter zake gepretendeerde vordering van Bpf Koopvaardij op Greenpeace nog geen sprake is, moet worden geoordeeld dat Greenpeace thans onvoldoende belang heeft bij deze vorderingen, zodat zij reeds daarom zullen worden afgewezen.

3.34

De proceskosten in voorwaardelijke reconventie zijn door de kantonrechter terecht op nihil gesteld, zodat grief 11 faalt.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:


verklaart voor recht dat:
I de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die vanaf 1 mei 2015 werken aan boord van de schepen en wonen in een land als genoemd in het verplichtstellings-besluit, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 23 april 2015, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 67 jaar is;
II de Nederlandse zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 30 juli 2014 en 1 mei 2015 werkten aan boord van genoemde schepen, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 25 juli 2014, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
III de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 30 juli 2014 en 1 mei 2015 werkten aan boord van genoemde schepen en woonden in een land als genoemd in het verplichtstellingsbesluit van 25 juli 2014, vallen onder de werking van dat verplichtstellingsbesluit, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 21 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
IV de Nederlandse zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 1 november 1989 en 1 augustus 2014 werkten aan boord van genoemde schepen, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989, voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 22 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;
V de zeevarenden in dienst van Greenpeace, die tussen 1 november 1989 en
1 augustus 2014 werkten aan boord van genoemde schepen en woonden in een land als genoemd in het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989, vallen onder de werking van het verplichtstellingsbesluit van 1 november 1989 voor zover het schip beschikte over een Nederlandse zeebrief, waarbij de verplichtstelling aanvangt wanneer de zeevarende 22 jaar is en eindigt wanneer hij 60 jaar is;

veroordeelt Greenpeace in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg in conventie aan de zijde van Bpf Koopvaardij begroot op € 202,83 aan verschotten en € 600,00 voor salaris en in voorwaardelijke reconventie begroot op nihil, en in hoger beroep tot op heden begroot op € 860,89 aan verschotten en € 2.228,00 voor salaris;

verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.S. Pieters, G.C.C. Lewin en M.L.D. Akkaya en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021.