Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2826

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
01-10-2021
Zaaknummer
200.035.548/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Oneerlijk beding (Richtlijn 93/13/EG). Beroep op vernietiging verjaard?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.035.548/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 777148 DX EXPL 06-895

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 september 2021

inzake

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Dexia is bij dagvaarding van 18 december 2008 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 1 oktober 2008, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, en Dexia als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte tot wijziging van eis;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met producties;

- akte ( [geïntimeerde] );

- antwoordakte (Dexia), met productie.

Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 Dexia-zaken waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is, waaronder de onderhavige zaak. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden en daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

Na de comparitie heeft het hof bepaald dat in de Dexia-zaken waarin geen tussenpersoon (cliëntenremisier of anderszins) betrokken was, waaronder de onderhavige zaak, zal worden voortgeprocedeerd in de stand waarin deze zaken zich bevonden voordat deze werden aangehouden.

Het hof heeft partijen ambtshalve in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68) voor de onderhavige zaak. Dexia heeft daarop een akte uitlating jurisprudentie, tevens akte vermindering van eis genomen en [geïntimeerde] een akte uitlaten arrest, met productie.

Dexia heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest – uitvoerbaar bij voorraad –

de door Dexia in eerste aanleg ingestelde (en in dit hoger beroep verminderde) vordering in reconventie ten bedrage van € 2.436,29 alsnog zal toewijzen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen Dexia ter voldoening aan het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, te weten € 6.552,78, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft in het principaal hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van Dexia dan wel verwerping van het principaal hoger beroep, met veroordeling van Dexia in de kosten van het principaal hoger beroep.

In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof bij arrest

– uitvoerbaar bij voorraad – het bestreden vonnis behoudens ten aanzien van de daarbij uitgesproken kostenveroordeling zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,

primair: zal verklaren voor recht dat het beroep op dwaling c.q. bedrog met betrekking tot de leaseovereenkomst gegrond is,

subsidiair: zal verklaren voor recht dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld zoals in zijn memorie is vermeld,

meer subsidiair: zal verklaren voor recht dat [geïntimeerde] terecht de leaseovereenkomst wegens wanprestatie van Dexia ontbonden heeft; en

zowel primair als subsidiair als meer subsidiair: i) Dexia zal veroordelen om aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen hij aan Dexia heeft betaald onder de leaseovereenkomst en ii) Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding, ook in incidenteel hoger beroep.

In het incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel verwerping van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[geïntimeerde] heeft als lessee met Dexia de volgende leaseovereenkomst gesloten:

Contractnr.

Ingangsdatum

Naam contract

Leasesom

Looptijd

[nummer]

6-9-2000

Korting Kado

€ 49.447,20

120 mnd

2.2

De leaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de volgende eindafrekening heeft opgesteld:

Datum eindafrekening

Resultaat

Nog niet voldaan aan Dexia

10-1-2006

-/- € 15.094,02

€ 14.800,79

2.3

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een WCAM-overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van die WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3 Beoordeling

3.1

De onderhavige zaak betreft een effectenleasezaak. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 5 juni 2009 (De T./Dexia (ECLI:NL:HR:2009:BH2815), Levob/B. c.s. (ECLI:NL:HR:2009:BH2811) en Stichting GeSp/Aegon (ECLI:NL:HR:2009:BH2822)) algemene maatstaven en beoordelingskaders aanvaard met betrekking tot de behandeling en beslissing van effectenleasezaken waarop de WCAM-overeenkomst niet van toepassing is. Vervolgens heeft dit hof op 1 december 2009 vier zogenoemde richtinggevende arresten gewezen (Dexia/Van der H. (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978), Dexia/B. (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981), Dexia/M. (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982) en Dexia/W. (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983)), waarbij is voortgebouwd op de uitgangspunten en het beoordelingskader blijkend uit de overwegingen en de beslissingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009. Aan de arresten van het hof is een breed gevoerd debat vooraf gegaan, waarin Dexia en belangenbehartigers van groepen van afnemers uitvoerig hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tegen twee arresten van
1 december 2009 is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Deze heeft bij arresten van 29 april 2011 (Van der H./Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) en B./Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4012)) het cassatieberoep tegen die arresten verworpen.

3.2

Vervolgens heeft dit hof in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 en 1136) ten aanzien van onder meer (i) beleggingstechnische gebreken, (ii) dwaling, (iii) bedrog, (iv) misbruik van omstandigheden en (v) eigen schuld onvoldoende redenen aanwezig geacht om terug te komen van eerdere jurisprudentie. Met die eerdere jurisprudentie doelt het hof in het bijzonder op de hiervoor genoemde richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009. Tegen de arresten van 1 april 2014 is geen cassatieberoep ingesteld.

3.3

In de hiervoor onder 2.3 genoemde WCAM-beschikking heeft dit hof op basis van het door de AFM op 9 november 2006 uitgebrachte deskundigenrapport geoordeeld dat er onvoldoende reden is om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken. In onder andere de arresten van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en ECLI:NL:GHAMS:2014:1533), die zien op opt out-gevallen, is dit hof tot eenzelfde oordeel gekomen. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822).

3.4

Verder geldt op grond van (onder meer) de hiervoor bedoelde rechtspraak als vaste jurisprudentie dat:

- leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop);

- rechterlijke uitspraken die zien op overeenkomsten van effectenlease van overeenkomstige toepassing zijn op overeenkomsten die zien op de lease van certificaten;

- de in het rapport van prof. dr. Damm aangehaalde beleggingstechnische gebreken afdoende kenbaar zijn uit de leaseovereenkomsten en de Bijzondere voorwaarden. De afnemer had deze gebreken bij raadpleging daarvan kunnen kennen in geval hij, zoals hij ook gehouden was te doen, de moeite had gedaan de hem verstrekte informatie met de vereiste oplettendheid en zorg te lezen en zich redelijke inspanning had getroost om de leaseovereenkomsten te begrijpen, en in geval van onduidelijkheid vragen te stellen;

- het beroep op dwaling en bedrog van een afnemer van de producten van Dexia moet worden afgewezen;

- de door Dexia ter hand gestelde informatie voor de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument niet misleidend was;

- op Dexia een tweeledige zorgplicht heeft gerust: een verplichting om degene met wie zij een leaseovereenkomst aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasde effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de leaseovereenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de leaseovereenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wederpartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de leaseovereenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen;

- Dexia wegens schending van de zorgplicht twee derde deel van de restschuld als schade aan de afnemer dient te vergoeden. Een derde deel van de restschuld blijft op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Als de leaseovereenkomst bij het aangaan daarvan naar redelijke verwachting leidde tot een onaanvaardbaar zware financiële last, worden rente, aflossing en kosten volgens dezelfde maatstaf tussen de afnemer en Dexia verdeeld; en

- voor de beoordeling van de vraag of leaseovereenkomsten op afnemers mogelijk een onaanvaardbaar zware financiële last legden is door dit hof de hofformule ontwikkeld. Aan de hand daarvan mag de financiële ruimte van de afnemer worden getoetst, mits die formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden.

Voor zover Dexia en [geïntimeerde] omtrent de hierboven genoemde onderwerpen andersluidende stellingen hebben ingenomen, ziet het hof daarin geen aanleiding om in het voorliggende geval anders te oordelen. De daarop gebaseerde vorderingen van Dexia en/of [geïntimeerde] zullen daarom worden afgewezen.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de verplichtingen op grond van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last vormden voor [geïntimeerde] .

3.6

In hoger beroep is nog aan de orde of Dexia toepassing heeft gegeven aan een beding dat oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), of dat beding in dit geval vernietigd dient te worden en wat daarvan de gevolgen zijn.

Oneerlijk beding

3.7

In andere vergelijkbare effectenleasezaken heeft Dexia toepassing gegeven aan artikel 6 en 15 van de op de betreffende leaseovereenkomsten toepasselijke Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease (hierna: de Bijzondere voorwaarden). Het hof Den Haag en dit hof hebben naar aanleiding daarvan prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Dat heeft geleid tot het arrest van het HvJEU van 27 januari 2021 (ECLI:EU:C:2021:68). In de onderhavige zaak heeft het hof ambtshalve vastgesteld dat de Bijzondere voorwaarden ook op de leaseovereenkomst van toepassing zijn verklaard en heeft Dexia en [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de gevolgen van de genoemde uitspraak van het HvJEU voor de onderhavige zaak. Van die mogelijkheid hebben partijen gebruik gemaakt.

3.8

Uit de akte van Dexia volgt dat zij bij het opstellen van de eindafrekening van de leaseovereenkomst zoals die door haar in eerste aanleg in het geding is gebracht, toepassing heeft gegeven aan artikel 6 en 15 van de Bijzondere voorwaarden.

3.9

Indien de afnemer in gebreke blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen, is Dexia op grond van artikel 6 van de Bijzondere voorwaarden gerechtigd het onbetaalde restant van de overeengekomen leasesom, bestaande uit de (resterende) hoofdsom en de resterende rentetermijnen, op te eisen. Het nog verschuldigde deel van de leasesom wordt daarbij op grond van artikel 15 van de Bijzondere voorwaarden overeenkomstig artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW verminderd, door de resterende termijnen contant te maken tegen een rente van 5%. Deze wetsbepaling is met ingang van 25 mei 2011 komen te vervallen, maar is nog van toepassing op leaseovereenkomsten die voor die datum zijn aangegaan, zoals de onderhavige leaseovereenkomst. Artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW geldt voor de situatie dat een koper een nog verschuldigd bedrag vervroegd aflost. Met artikel 15 van de Bijzondere voorwaarden is deze bepaling door Dexia van overeenkomstige toepassing verklaard op gevallen waarin zij als aanbieder na wanbetaling van de afnemer overgaat tot tussentijdse beëindiging van een leaseovereenkomst.

3.10

Dexia heeft zich in de laatste door haar genomen akte voor het eerst op het standpunt gesteld dat zij niet degene is geweest die de leaseovereenkomst heeft beëindigd, maar dat [geïntimeerde] dat zelf heeft gedaan met de namens hem door Leaseproces verzonden brief van 27 mei 2005. In een dergelijk geval wordt artikel 2 van de leaseovereenkomst toegepast, waarmee volgens Dexia de afnemer gunstiger wordt behandeld dan volgt uit de wettelijke regeling van artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW. Dexia heeft een nieuwe eindafrekening opgesteld uitgaande van een opzegging door [geïntimeerde] per 27 mei 2005. De berekening van de restschuld is volgens Dexia daarmee gebaseerd op artikel 2 van de leaseovereenkomst en niet op artikel 6 en 15 van de Bijzondere voorwaarden, zodat de jurisprudentie van het HvJEU volgens haar niet van toepassing is. [geïntimeerde] blijft volgens Dexia aldus gehouden het restant van de (herberekende) leasesom te voldoen, zij het met een vermindering van 50%.

3.11

Het hof overweegt als volgt. Dexia heeft voor het eerst in hoger beroep bij akte uitlating jurisprudentie het standpunt ingenomen dat niet zij, maar [geïntimeerde] de leaseovereenkomst heeft beëindigd. Partijen zijn echter allebei tot dan toe ervan uitgegaan dat Dexia degene is die de leaseovereenkomst heeft beëindigd. In haar processtukken heeft Dexia dat standpunt ook expliciet ingenomen. De kantonrechter is uitgegaan van de door Dexia in eerste aanleg overgelegde eindafrekening en daartegen is geen grief gericht. Dit nieuwe standpunt is te laat door Dexia ingenomen, want in strijd met de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde twee-conclusieregel. Dat in dit geval een uitzondering op deze regel kan worden aanvaard, is niet gemotiveerd door Dexia aangevoerd en overigens niet gebleken. Weliswaar heeft het hof Dexia in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de gevolgen van het arrest van het HvJEU en was het Dexia daarom ook toegestaan haar stellingen in het licht daarvan aan te passen, maar dat gaat niet zo ver dat Dexia in dit stadium van het geding alsnog deze feitelijke stelling mag innemen die onverenigbaar is met haar eerder ingenomen stellingen. Dit betekent dat het hof uitgaat van een beëindiging van de leaseovereenkomst door Dexia en ook van de oorspronkelijke eindafrekening.

3.12

In haar akte heeft Dexia het standpunt ingenomen dat gelet op de antwoorden die het HvJEU heeft gegeven uitgangspunt kan zijn dat (i) het beding op grond waarvan Dexia bij de beëindiging van de leaseovereenkomst vanwege wanbetaling door de afnemer aanspraak op maken op betaling van een gedeelte van de op dat moment nog toekomstige rentetermijnen oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, en (ii) dat Dexia niet in plaats daarvan aanspraak kan maken op schadevergoeding volgens de wet. Het gevolg van de vernietiging van de betreffende bedingen is volgens Dexia dat zij geen aanspraak kan maken op de post “resterende termijnen” zoals vermeld op de eindafrekening. [geïntimeerde] neemt hetzelfde standpunt in: het bedrag aan in rekening gebrachte resterende termijnen moet geschrapt worden op de eindafrekening. Dit is daarmee uitgangspunt voor de verdere beoordeling.

3.13

Dexia meent dat het vervallen van de post contant gemaakte resterende rentetermijnen ook meebrengt dat de toegepaste korting bij de post restant hoofdsom moet komen te vervallen, omdat deze korting dezelfde basis heeft als de korting op de toekomstige rentetermijnen. Het hof volgt Dexia daarin niet. De vernietiging en de gevolgen daarvan strekken zich slechts uit tot het gedeelte van de overeenkomst dat oneerlijk is en zien daarmee alleen op de nog verschuldigde rentetermijnen. De overeenkomst moet voor het overige zonder wijzigingen voortbestaan (ECLI:EU:C:2021:68, punt 62). Voor zover Dexia op grond van de Bijzondere voorwaarden bij de beëindiging van de leaseovereenkomst de nog verschuldigde hoofdsom contant dient te maken, is zij ten gunste van de afnemer van de wettelijke regeling afweken. Dexia heeft niet toereikend toegelicht dat de overeenkomst in zoverre niet in stand kan blijven als het gedeelte daarvan dat oneerlijk is wordt vernietigd. Anders gezegd: Dexia maakt niet gemotiveerd duidelijk waarom de bedingen niet partieel vernietigd kunnen worden.

3.14

Dexia stelt zich verder op het standpunt dat de mogelijkheid om een beroep te doen op de vernietigbaarheid van het oneerlijk beding reeds is verjaard. De verjaringstermijn bedroeg volgens Dexia drie jaar vanaf het moment dat zij jegens [geïntimeerde] een beroep deed op de Bijzondere voorwaarden (artikel 6:235 lid 4 BW). Dat heeft Dexia gedaan bij het opstellen van de eindafrekening, derhalve op 10 januari 2006.

3.15

Het hof verwerpt deze stelling. Dexia heeft met artikel 6 en 15 van de Bijzondere voorwaarden bedongen dat zij bij wanbetaling door de afnemer de leaseovereenkomst kan beëindigen en op de vordering van de afnemer die dan ontstaat is artikel 7A:1576e lid 2 (oud) BW van overeenkomstige toepassing verklaard. Het opstellen van een eindafrekening waarbij aan deze contractuele regeling uitvoering wordt gegeven, is niet hetzelfde als het tegenover de afnemer een beroep doen op de hier bedoelde bedingen. Niet gebleken is dat [geïntimeerde] door het contant maken van de resterende leasetermijnen zich van de inhoud van de bedingen en de implicaties ervan bewust is geworden, terwijl ook niet kan worden gezegd dat die bewustheid er daardoor redelijkerwijs in voldoende mate had moeten zijn. Het beroep op verjaring faalt reeds om deze reden. Daarbij komt dat uit de rechtspraak van het HvJEU volgt (vgl. HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167 en HvJEU 22 april 2021 ECLI:EU:C:2021:313) dat een effectieve consumentenbescherming niet kan worden bereikt als de rechter niet ambtshalve verplicht is te onderzoeken of bepaalde bepalingen van het Unierecht inzake consumentenbescherming, zoals die van de Richtlijn, door de verkoper zijn geschonden. De rechter moet, wanneer hij ambtshalve een schending van een verplichting heeft vastgesteld, daaraan alle consequenties verbinden die naar nationaal recht uit die schending voortvloeien, met dien verstande dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich tegen de voorwaarde dat de sanctie van nietigheid van de bedingen moet worden ingeroepen door de consument en binnen een verjaringstermijn van drie jaar, zodat ook om die reden het beroep van Dexia op verjaring faalt.

3.16

Het voorgaande betekent concreet dat in de eindafrekening van de leaseovereenkomst de post die ziet op de contant gemaakte resterende termijnen (€ 11.400,56) komt te vervallen.

Vergoedingsplicht Dexia

3.17

Dexia is jegens [geïntimeerde] gehouden om ten aanzien van de leaseovereenkomst twee derde deel van de restschuld te vergoeden. Volgens de eindafrekening bedraagt de restschuld € 15.094,02. Hierop wordt een bedrag van € 11.400,56 (zie 3.16) in mindering gebracht. Dat leidt tot een restschuld van € 3.693,46. Een derde deel blijft voor rekening van [geïntimeerde] , derhalve € 1.231,15. [geïntimeerde] heeft reeds een bedrag van € 293,23 voldaan, zodat hij nog gehouden is tot betaling van € 937,92. Over dit bedrag is [geïntimeerde] wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van de eindafrekening tot aan de dag van de algehele voldoening.

Slotsom

3.18

Gelet op de uitkomst van de zaak slaagt grief I van Dexia. Grief II behoeft geen behandeling, aangezien [geïntimeerde] niet heeft betoogd dat het aangaan van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last voor hem vormde. Grief III faalt. De grieven van [geïntimeerde] in het incidenteel hoger beroep falen eveneens.

3.19

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het hiervoor genoemde bedrag zal worden toegewezen. De door Dexia ingestelde restitutievordering van € 6.552,78 met 23 oktober 2008 als ingangsdatum van de wettelijke rente is door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat deze zal worden toegewezen.

3.20

Het hof ziet in deze uitkomst in het licht van het partijdebat in eerste aanleg toereikende grond om de kosten in eerste aanleg tussen partijen te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt. [geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om ter zake van de restschuld van de leaseovereenkomst aan Dexia te betalen een bedrag van € 937,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Dexia (terug) te betalen een bedrag van € 6.552,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 333,80 aan verschotten, € 1.180,50 voor salaris in het principaal hoger beroep en € 557,- voor salaris in het incidenteel hoger beroep, en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot in het geval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, G.C.C. Lewin en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 september 2021.