Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2737

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
22-09-2021
Zaaknummer
19/01565
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; box 3, jaar 2017; geen sprake van een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-9-2021
V-N Vandaag 2021/2210
FutD 2021-2978
NLF 2021/1856
V-N 2021/43.23.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/01565

27 mei 2021

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 10 september 2019 in de zaak met kenmerk HAA 19/886 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 18 mei 2018 voor het jaar 2017 aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 205.385 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.654 (hierna: de aanslag).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 2 januari 2019 het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

1.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank op 14 oktober 2019 hoger beroep bij het Hof ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2021. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak – waarin belanghebbende en de inspecteur zijn aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’ – onder meer de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiser is ongehuwd en woont samen met [Z].

2. De bezittingen van eiser bestonden op 1 januari 2017 uitsluitend uit bank- en spaartegoeden. Op die tegoeden is in 2017 € 1.384,92 aan rente bijgeschreven.

3. Eiser heeft op 24 maart 2018 aangifte ib/pvv voor het jaar 2017 gedaan. Het inkomen van eiser over 2017 is als volgt samengesteld:

Inkomen in box 1

Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 205.178

Resultaat uit overige werkzaamheden € 207

Inkomen in box 1 € 205.385

Inkomen in box 3

Bank- en spaartegoeden in Nederland € 284.823

Heffingvrij vermogen € 25.000

Rendementsgrondslag € 259.823

Aandeel eiser € 259.823

€ 75.000 x 67% x 1,63% = € 819

€ 75.000 x 33% x 5,39% = € 1.334

€ 184.823 x 21% x 1,63% = € 632

€ 184.823 x 79% x 5,39% = € 7.869

Inkomen in box 3 € 10.654

Verzamelinkomen € 216.039

4. Aan eiser is voor het jaar 2017 een aanslag ib/pvv opgelegd conform de door hem ingediende aangifte. De inkomstenbelasting met betrekking tot het inkomen in box 3 bedraagt € 3.196.

5. Eiser heeft hiertegen op 9 juli 2018 bezwaar gemaakt. In dit bezwaarschrift heeft eiser aangegeven het niet eens te zijn met het feit dat bij de berekening van het rendement in box 3 de forfaitaire percentages worden gehanteerd en dat er naar zijn mening sprake is van een individuele buitensporige last.

6. Een deel van het bezwaar betreft de rechtsvraag of de vermogensrendementsheffing in 2017, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, op regelniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 van het EP), zonder dat de schending van de fair balance op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld, of met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Verweerder heeft bij brief van 6 oktober 2018 aan eiser meegedeeld dat zijn bezwaar zal worden gesplitst. Het deel met betrekking tot de voornoemde rechtsvragen wordt aangewezen als massaal bezwaar in de zin van artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), overeenkomstig het Besluit aanwijzing bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017 als massaal bezwaar van de Staa[t]ssecretaris van Financiën van 7 juli 2018, nr. 2018-12775. Het andere deel wordt behandeld als individueel bezwaar. Bij de uitspraak op bezwaar is het individuele bezwaar afgewezen.”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn betwist, zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of zich ten aanzien van belanghebbende als gevolg van de vermogensrendementsheffing over 2017 een individuele en buitensporige last voordoet als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP).

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1.1.

De rechtbank heeft omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar van belanghebbende als volgt overwogen en beslist:

“10. Partijen zijn het erover eens dat verweerder het bezwaar van eiser terecht ontvankelijk heeft verklaard ondanks dat deze na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes weken is ingediend, waarbij zij verwijzen naar een nieuwsbericht van de Rijksoverheid van 31 mei 2018, waarin is meegedeeld dat bezwaarschriften die worden ingediend vóór 15 juli 2018 en die zijn gericht tegen de berekening van de box 3-heffing, worden behandeld als een tijdig ingediend bezwaarschrift. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen, mede gelet op de verklaring van eiser ter zitting (vergelijk Hoge Raad 11 november 2000, RCLI:NL:HR:2000:8419).”

4.1.2.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en maakt de ervoor gebezigde gronden tot de zijne. Het Hof acht het, evenals (impliciet) de rechtbank, aannemelijk dat belanghebbende binnen de zeswekentermijn voor het indienen van het bezwaarschrift (die eindigde op 29 juni 2018) kennis heeft genomen van het nieuwsbericht van 31 mei 2018, waardoor bij hem binnen de bezwaartermijn het vertrouwen is gewekt dat een vóór 15 juli 2018 ingediend bezwaarschrift nog ontvankelijk zou zijn. Aangezien belanghebbende zijn bezwaarschrift (bij brief van 6 juli 2018) op 9 juli 2018 heeft ingediend, onder verwijzing naar het genoemde nieuwsbericht, is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Inhoudelijk

4.2.

De rechtbank heeft omtrent het inhoudelijke geschil als volgt overwogen en beslist:

“11. Ter beoordeling ligt de vraag voor of eiser in strijd met artikel 1 van het EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing van inkomstenbelasting in box 3 over 2017. De vraag of op stelselniveau sprake is van een buitensporige last in strijd met artikel 1 van het EP dan wel met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM kan in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde komen gelet op de aanwijzing van het daarop betrekking hebbende deel van het bezwaar van eiser als massaal bezwaar als bedoeld in artikel 25c van de Awr en het hiervoor onder 6 aangehaalde besluit. Voor zover de klachten in beroep daarop betrekking hebben, behoeven zij daarom geen behandeling.

12. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven. Een inbreuk is slechts toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding ("fair balance") tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vergelijk Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511). Bij de beoordeling van de vraag of een individuele en buitensporige last in strijd met artikel 1 van het EP zich voordoet, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vergelijk Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816).

13. Eiser stelt dat hij in strijd met artikel 1 van het EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de box 3-heffing over 2017 omdat zijn gehele vermogen enkel uit bank- en spaartegoeden bestaat en het rendement dat hij daarover geniet lager is dan het bedrag aan belasting dat hij hierover moet betalen.

14. Vaststaat dat de effectieve belastingdruk in het onderhavige geval extreem hoog is afgezet tegen het werkelijke rendement op het vermogen van eiser. Dit klemt temeer omdat bij een belastingdruk van meer dan 100% feitelijk sprake is van intering op het vermogen. Een en ander betekent echter nog niet dat sprake is van een individuele buitensporige last. De rechtbank ziet in de verwijzing door eiser naar de uitspraak van het EHRM van 14 mei 2013, nr. 66529/11, ECLI:NL:XX:2013:367, geen aanleiding om anders te oordelen nu de specifieke omstandigheden in het onderhavige geval te weinig raakvlakken vertonen met de casus die in die zaak voorlag. Het enkele feit dat in dat geval een deel van een ontslagvergoeding werd belast tegen 98%, hetgeen per saldo resulteerde in een heffing van ongeveer 52% over de gehele ontslagvergoeding en als een individuele buitensporige last werd gekwalificeerd, is onvoldoende om te oordelen dat reeds daarom ook in het geval van eiser sprake is van een individuele buitensporige last.

15. Zoals in het hiervoor onder 12 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019 is overwogen dienen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een individuele en buitensporige last de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Uit de feiten leidt de rechtbank af dat eiser in 2017 een (netto-)inkomen had van circa € 100.000. Daarnaast heeft hij een niet-onaanzienlijk vermogen tot zijn beschikking. De omstreden heffing over eisers box 3-inkomen is in het licht van het inkomen en vermogen bezien niet van een dergelijk grote omvang dat die heffing kwalificeert als een individuele buitensporige last. Feiten en omstandigheden die in het specifieke geval van eiser tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken. Dat de inkomsten op het vermogen van eiser gedurende een langere periode mogelijk lager zijn geweest dan de vermogensrendementsheffing, is niet voldoende. Dit maakt namelijk niet dat op eiser een buitensporig zware last drukt, ook niet ten opzichte van andere belastingplichtigen. De rechtbank verwijst opnieuw naar de relatief ruime financiële situatie van eiser. Het is aan eiser om te onderbouwen dat desalniettemin sprake is van een buitensporige zware last voor hem, in die zin dat zijn inkomen onder de armoedegrens is komen te liggen dan wel daar naar op korte termijn tendeert. Eiser heeft nagelaten dit te doen.

16. Voor zover eiser stelt dat de wet onredelijk is, overweegt de rechtbank in aanvulling op het in 11 overwogene als volgt. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen staat het de rechter niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De rechter kan een wet in formele zin slechts (gedeeltelijk) buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het gemeenschapsrecht of met een ieder verbindende bepalingen van een verdrag.

17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

Omvang geschil in hoger beroep

4.3.1.

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het Hof aan belanghebbende voorgehouden dat het Hof in zijn uitspraak van 22 september 2020, nr. 20/00121 (ECLI:NL:GHAMS:2020: 2541), evenals de rechtbank in de onderhavige procedure, heeft beslist dat de door de inspecteur toegepaste splitsing van het bezwaarschrift is toegestaan. Dat betekent dat het bezwaar is gesplitst in een bezwaar over de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP op stelselniveau, dat via de massaalbezwaarprocedure als bedoeld in artikel 25c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zal worden afgehandeld, en een bezwaar dat door de inspecteur door middel van een individuele uitspraak op bezwaar zelf is afgehandeld, namelijk over het geschilpunt of de vermogensrendementsheffing een individuele en buitensporige last oplevert in de zin van artikel 1 EP. Voorts is met partijen tijdens de zitting besproken dat gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een uitspraak van 30 september 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:7854) prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad over de kwestie welke beslissing de (feiten)rechter dient te geven in gevallen als het onderhavige, waarin de aanwijzing massaal bezwaar een rechtsvraag betreft, terwijl een daarmee verband houdende individuele vraag niet als zodanig is aangewezen. Hierop heeft belanghebbende het Hof verzocht om, evenals in zijn uitspraak van 22 september 2020, uitsluitend te oordelen over de vraag of zich als gevolg van de vermogensrendementsheffing over het jaar 2017 ten aanzien van hem een individuele en buitensporige last heeft voorgedaan. De inspecteur heeft verklaard dat het juist is dat door de splitsing van het bezwaar de eventuele strijdigheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP op stelselniveau aan de orde zal komen in de massaalbezwaarprocedure.

4.3.2.

Het Hof is van oordeel, op de in zijn uitspraak van 22 september 2020 (r.o. 5.5.1- 5.5.4) weergegeven gronden, dat de vraag of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau een schending inhoudt van artikel 1 EP, exclusief aan de orde komt in de massaalbezwaarprocedure voor het jaar 2017 (Besluit staatssecretaris van Financiën van 7 juli 2018, nr. 2018-12775, Stcrt. 2018, 39781). Het Hof komt in de onderhavige procedure derhalve niet toe aan een beoordeling van het standpunt van belanghebbende dat de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2017 op stelselniveau strijdig is met artikel 1 EP (vgl. conclusie A-G Wattel van 25 maart 2021, nr. 20/03092, ECLI:NL:PHR:2021:292).

Individuele en buitensporige last

4.4.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat de tot op heden door de Nederlandse belastingrechter gewezen jurisprudentie over de vraag of de vermogensrendementsheffing in box 3 op individueel niveau resulteert in een individuele en buitensporige last, berust op een denkfout. Het uitgangspunt in die jurisprudentie lijkt namelijk te zijn dat de wettelijke bepalingen voor ieder die in dezelfde omstandigheden verkeert op dezelfde manier uitwerken en dat dit betekent dat de daaruit resulterende belastingheffing bij de natuurlijke personen die daarmee geconfronteerd worden niet leidt tot een individuele en buitensporige last. Op die manier legitimeert een wet als zodanig in alle gevallen zichzelf in die zin dat deze nooit kan leiden tot een individuele en buitensporige last. Dit uitgangspunt is volgens belanghebbende rechtens onjuist; belanghebbende heeft in dit verband onder andere gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak N.K.M./Hungary (EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, ECLI:NL:XX:2013:367). Dit betekent tevens dat alle bezwaren die hij heeft aangevoerd in het kader van de vraag of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau strijdig is met artikel 1 EP, eveneens relevant zijn bij de toets of in zijn geval gesproken moet worden van een individuele en buitensporige last, zo stelt belanghebbende.

4.4.2.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank volgens belanghebbende eveneens een onjuist toetsingskader toegepast. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de gevolgen van de vermogensrendementsheffing moeten worden bezien in samenhang met zijn gehele financiële positie; deze gevolgen dienen uitsluitend te worden getoetst ten aanzien van zijn bezittingen en schulden in box 3. In dat geval dient de conclusie te zijn dat de verschuldigde belasting in box 3 hoger is dan het behaalde rendement op de door hem aangehouden bank- en spaartegoeden. Een dergelijke excessieve belastingheffing dient te worden aangemerkt als een individuele en buitensporige last, aldus belanghebbende. Ook het oordeel dat zich slechts dan een individuele en buitensporige last kan voordoen indien deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen is onjuist, aangezien het volgens belanghebbende berust op de hiervoor door hem gestelde denkfout. Belanghebbende vindt het in onderdeel 15 van de rechtbankuitspraak opgenomen oordeel dat pas sprake kan zijn van een individuele en buitensporige last indien zijn inkomen onder de armoedegrens komt te liggen dan wel op korte termijn daarnaar tendeert, zorgelijk en onbegrijpelijk.

4.4.3.

De inspecteur heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Naar zijn mening is de rechtbank uitgegaan van de juiste juridische uitgangspunten en heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensrendementsheffing 2017 in zijn geval resulteert in een individuele en buitensporige last.

4.4.4.

Naar het oordeel van het Hof is de rechtbank in onderdeel 12 van haar uitspraak uitgegaan van het juiste toetsingskader. Het Hof voegt hier aan toe dat het oordeel van de rechtbank bevestiging vindt in het arrest HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:994, waarin - in lijn met eerdere arresten - is geoordeeld dat bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een individuele en buitensporige last de gehele financiële situatie van de belanghebbende dient te worden betrokken, waarbij het inkomen uit werk en woning van de belanghebbende een belangrijk aanknopingspunt vormt. Ook het oordeel van de rechtbank dat de vermogensrendementsheffing ten aanzien van belanghebbende alleen dan kan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen, is in overeenstemming met de vaste jurisprudentie hierover van de Hoge Raad. In deze jurisprudentie van de Hoge Raad is – anders dan belanghebbende stelt – ook acht geslagen op de relevante jurisprudentie van het EHRM.

4.4.5.

Voorts is het Hof van oordeel dat de rechtbank in de onderdelen 14 tot en met 16 van haar uitspraak terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende niet de feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat de vermogensrendementsheffing voor het belastingjaar 2017 voor hem heeft geresulteerd in een individuele en buitensporige last. Het Hof onderschrijft dat oordeel van de rechtbank en maakt de ervoor gebezigde gronden tot de zijne, behoudens de in onderdeel 15 opgenomen overweging dat zich slechts een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP kan voordoen indien het inkomen van de belanghebbende onder de armoedegrens komt te liggen dan wel daar op korte termijn naar tendeert. Een dergelijk absoluut geformuleerd criterium valt naar het oordeel van het Hof niet af te leiden uit het (voor het overige op de juiste wijze door de rechtbank in aanmerking genomen) toetsingskader. Ook met weglating van dit criterium heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de vermogensrendementsheffing voor het belastingjaar 2017 voor hem heeft geresulteerd in een individuele en buitensporige last.

4.4.6.

Het Hof passeert het door belanghebbende in zijn hoger beroepschrift gedane bewijsaanbod om nader te onderbouwen dat op stelselniveau sprake is van strijdigheid met artikel 1 EP. Zoals hiervoor onder 4.3.2 is overwogen, kan dit geschilpunt in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Het door belanghebbende aangeboden bewijs (gegevens omtrent de ontwikkeling sinds 2014 van de voor de toetsing op stelselniveau relevante rentestanden) kan in de onderhavige zaak niet bijdragen aan de bewijslevering van de door belanghebbende gestelde individuele en buitensporige last.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, C.J. Hummel en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 27 mei 2021 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie injstellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.


Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.

Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.