Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2720

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-09-2021
Datum publicatie
14-09-2021
Zaaknummer
23-003471-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld, in vereniging gepleegd. Overwegingen t.a.v het bewijs, straf en vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003471-19

datum uitspraak: 14 september 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 september 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-654067-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is -voor zover in hoger beroep nog aan de orde- tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 14 juni 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een Louis Vuitton (schouder)tas en/of een spijkerbroek en/of een zonnebril en/of een mobiele telefoon van het merk iPhone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Louis Vuitton (schouder)tas en/of een spijkerbroek en/of een zonnebril en/of een mobiele telefoon van het merk iPhone, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (onder andere) hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [benadeelde] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- meermalen (met een boksbeugel, althans een stootvoorwerp) in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of

- voornoemde [benadeelde] uit een auto heeft/hebben getrokken en/of gesleurd;

1.
subsidiair
hij op of omstreeks 14 juni 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het [adres 2] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , welk geweld (onder andere) hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde [benadeelde] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of

- meermalen (met een boksbeugel, althans een stootvoorwerp) in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [benadeelde] heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt en/of

- voornoemde [benadeelde] uit een auto heeft/hebben getrokken en/of gesleurd.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsmiddelen

1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2018119455-1 van 15 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 1-5].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 juni 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [benadeelde]:

Op 14 juni 2018, omstreeks 20.45 uur ben ik op het [adres 2] te Amsterdam

Zuidoost slachtoffer geworden van een straatroof.

14 juni 2018, omstreeks 20.30 uur, had ik een afspraak met een man die mijn zonnebril wilde kopen. Het gaat hier om een zonnebril van het merk Dita. Ik noem deze man vanaf nu [verdachte] (het hof begrijpt: dader 1). [verdachte] belde mij op en vroeg of ik naar buiten wilde komen naar de auto. Ik zag een witte bestelauto van het merk Volkswagen met daarin dader 1. Hij zei tegen mij dat ik naast hem moest zitten. Ik gaf hem vervolgens de zonnebril, die hij hierna bekeek. Ik hoorde hem zeggen dat het goed was en hij vroeg aan mij waar de pinautomaat was, want hij moest het geld nog pinnen. Ik zei tegen hem dat de pinautomaat op het winkelcentrum [winkelcentrum] te Amsterdam

Zuidoost was en dat we daarheen konden. Ik zag dat hij eerst zijn telefoon pakte en vervolgens zag ik dat hij aan het whatsappen was. Vervolgens begon hij te rijden en ik vertelde waar hij heen moest rijden. Wij kwamen aan op het [adres 2] bij de parkeerplaats en ik zei dat hij rechts in de hoek kon stoppen. Ik zag echter dat hij doorreed en twee rondjes op het [adres 2] reed. Vervolgens stopte hij naast het benzinestation.

Meteen zag en voelde ik dat mijn deur openging. Ik voelde dat de bestuurder mij direct in een nekklem zette. Ik zag in de opening van de deur dader 2 staan. Ik zag en voelde dat hij mij met tot vuistgebalde handen meerdere keren vol op mijn gezicht sloeg. Ik voelde een hevige pijn aan mijn gezicht. Vervolgens trok dader 2 mij uit de auto en trok mij op de grond. Ik zag in een flits dat er nog twee man bij stond. Ik kroop ineen en voelde dat de mannen mij meerdere keren sloegen en schopten op mijn hele lichaam. Ik voelde hierdoor heel veel pijn aan mijn lichaam.

Ik werd vervolgens omhoog getrokken en één van de mannen trok mijn tasje, welk om mijn lichaam hing, van mijn lichaam af. Dit is een Louis Vuitton tasje, zwart van kleur met blokjes.

In mijn tasje had ik o.a. mijn iPhone en de zonnebril.

2. Een proces-verbaal van bevindingen PL1300-2018119455-25 van 16 juni 2018 in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 65-66].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op 16 juni 2018 om 10.30 uur heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de camerabeelden die zijn gevorderd bij het [plek] gelegen aan het [adres 2] te Amsterdam. Eén van de camera’s heeft een klein gedeelte van de parkeerplaats van het [adres 2] in beeld. Op de beelden van 14 juni 2018 zie ik het volgende:

20.43

uur en 4 seconden

Ik zag dat er een wit voertuig vanaf de in- en uitgang van het parkeerterrein het parkeerterrein op rijdt.

20.43

uur en 16 seconden

Ik zag dat het witte voertuig leek op een witte Volkswagen Caddy. Het voertuig reed door richting het einde van het parkeerterrein.

20.43

uur en 29 seconden

Ik zag dat het witte voertuig voorbij het tankstation in de richting van de in- en uitgang van het parkeerterrein reed. Ik zag dat een persoon in lichte kleding (NN1) tegelijkertijd, vanuit rechts boven in beeld, richting het witte voertuig liep. NN1 opende het passagiersportier van het witte voertuig.

20.43

uur en 34 seconden

Ik zag dat er nog een persoon in het donker gekleed (NN2) vanaf de in- en uitgang van het parkeerterrein aan kwam lopen. NN2 ging hij NN1 staan bij het geopende bijrijdersportier van het witte voertuig.

20.43

uur en 41 seconden

Ik zag dat NN1 en NN2 nog steeds bij het geopende bijrijdersportier stonden van het witte voertuig. Ik zag dat beide personen gebukt stonden met hun gezichten in het voertuig. Ik zag dat NN1 en NN2 dicht tegen elkaar aan stonden. Ik zag dat vanaf de in- en uitgang van de parkeerplaats een 3e persoon kwam aanlopen in het donker gekleed (NN3).

20.43

uur en 43 seconden

Ik zag vervolgens dat er een persoon in het donker gekleed (slachtoffer) uit de passagierszijde van het witte voertuig was getrokken door NN1 en NN2.

20.43

uur en 53 seconden

Ik zag dat NN2 bij het slachtoffer bleef en dicht tegen hem aan ging staan. Ik zag dat NN2 een beweging maakte en dat het slachtoffer hierdoor met zijn achterhoofd tegen het metalen hek viel.

20.43

uur en 56 seconden

Ik zag dat het slachtoffer op de grond en tegen het hek beef liggen. Ik zag dat NN2 wegliep richting de in- en uitgang van het parkeerterrein.

20.44

uur en 5 seconden

Ik zag dat er een persoon lijkend op NN2 terug kwam lopen richting het slachtoffer.

20.44

uur en 16 seconden

Ik zag dat de persoon lijkend op NN2 aan het slachtoffer aan het trekken was en bij het slachtoffer bleef.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2018119455-23 van 15 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 25-26].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 juni 2018 tegenover verbalisant afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik ben gisteren, 14 juni 2018, getuige geweest van een mishandeling op het

[adres 2] te Amsterdam, ter hoogte van het tankstation. Ik zag een witte Caddy aankomen rijden en het viel mij op dat deze een rondje reed. Plots zag ik een jongen ergens achter vandaan komen en richting de witte Caddy lopen. Wat ik toen zag was dat de jongen die op de witte Caddy was afgelopen de deur aan passagierszijde opentrok en een man uit de witte Caddy trok. Ondertussen kwamen er nog twee mannen bij. Ik zag dat deze mannen uit dezelfde richting vandaan kwamen als waar de man die als eerste op de witte Caddy afliep vandaan kwam. De man die als eerste op de witte Caddy afliep en de man uit de auto trok begon als eerste op hem in te slaan. Later zag ik dat ook de andere twee aangesloten mannen op de uit de auto getrokken man insloegen. De man die ik als eerste zag trok de tas van het slachtoffer en rende hiermee naar de witte Caddy. Ik zag dat hij aan de passagierszijde in de witte Caddy stapte, waarop deze meteen wegreed. De twee mannen die later aangesloten waren bleven nog een tijdje op de man die eerder uit de witte Caddy getrokken was inslaan. Het leek wel alsof ze hem bijna doodsloegen.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2018119455-24 van 16 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina’s 95-100].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 juni 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [medeverdachte] :

Op 14 juni 2018 hadden we een plan gemaakt. Ik zou met de auto (het hof begrijpt uit de context: een witte volkswagen Caddy) naar de oplichter (het hof begrijpt: de aangever) rijden en de anderen zouden in een andere auto buiten beeld blijven totdat de oplichter hij mij was ingestapt. Dit plan hadden wij gemaakt, omdat ik er volgens mijn vrienden het meest betrouwbaarst uit zou zien.

Een van de jongens uit de andere auto kwam toen met een voorstel. Hij zei tegen mij dat we twee dingen konden doen. We konden het ter plekke doen, met het risico dat we vervolgens belaagd zouden worden door bekenden van de oplichter of we zouden kunnen zeggen dat ik moesten pinnen, waardoor we naar een veiligere locatie konden gaan. Ik heb er toen voor gekozen om tegen de oplichter te zeggen dat ik moest pinnen, omdat mij dat veiliger leek. Als de oplichter gewoon rustig was gebleven en gezegd had van: “Hier heb jij je geld.”. Dan was er waarschijnlijk niets gebeurd. Toen hij instapte had hij een telefoon in zijn hand. Het was een iPhone. Ik heb eerst een rondje gereden op het parkeerterrein omdat de oplichter op zijn telefoon zat en te laat aangaf dat we er al waren.

[verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) sprong ineens bij mij in de auto.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2018119455-10 van 15 juni 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] [doorgenummerde pagina’s 111-114].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 juni 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [verdachte] :

Ik had een berichtje gekregen van iemand of ik mee kon gaan naar Amsterdam. Ga je mee voor mijn veiligheid. We waren met z’n vieren. “We” zijn [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) en ik, wie de anderen zijn maakt niet uit. Wij gingen naar Amsterdam met twee auto’s. Ik zat bij [medeverdachte] in de auto, een witte auto (het hof begrijpt: een witte volkswagen Caddy).

In Amsterdam aangekomen wilden we afspreken met die man van die bril. Ik ben in die andere auto gestapt en [medeverdachte] die zou met die man van die bril afspreken. We zijn met zijn 3-en achter de auto van [medeverdachte] aangereden. Toen wilde [medeverdachte] die confronteren. Er vielen klappen.

[medeverdachte] en ik zijn weggereden en werden later door de politie aangehouden.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de verdachte een opgelichte kennis, aan wie een nepbril in plaats van een merkzonnebril was verkocht, wilde helpen bij het terugvragen van zijn geld. Toen de anderen van het initiële plan – om geen geweld te gebruiken – afweken, heeft de verdachte zich direct aan de situatie onttrokken door weg te rijden.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de onder feit 1 primair (als tweede cumulatief/alternatief) tenlastegelegde diefstal met geweld kan worden bewezen op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen.

De aangifte vindt voldoende ondersteuning in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaring van de getuige [getuige 1] en de beschrijving van de camerabeelden. Het hof ziet in hetgeen de raadsvouw heeft aangevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] en ook overigens geen aanleiding om aan die betrouwbaarheid te twijfelen.

Het hof merkt ten aanzien van het gestelde ‘alternatieve scenario’ op dat dit scenario betrekking heeft op hetgeen voorafgaande aan het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden, en daarmee niet relevant is voor de door het hof te beantwoorden vragen van artikel 348 en 350 Sv. Het hof zal reeds om die reden het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om [getuige 2] als getuige te horen afwijzen.

Zelfs indien wordt uitgegaan van het door de verdediging geschetste scenario maakt dit het oordeel van het hof ten aanzien van het tenlastegelegde niet anders. Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] naar Amsterdam zijn gegaan om het geld terug te halen van een vriend die naar zijn zeggen door de aangever was opgelicht. Zij hebben daartoe een plan gemaakt om de aangever te ‘confronteren’. Bij het tenuitvoerleggen van dat plan hebben zowel de verdachte, zijn medeverdachte [medeverdachte] en anderen geweld gepleegd tegen de aangever. De verdachte heeft vervolgens een schoudertas met daarin een zonnebril en een iPhone van de aangever weggenomen en daarna zijn de verdachte en [medeverdachte] samen weggereden.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen is het hof van oordeel dat het medeplegen van de diefstal met geweld kan worden bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Louis Vuitton (schouder)tas en een zonnebril en een mobiele telefoon van het merk iPhone toebehorende aan [benadeelde] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond, dat verdachte en zijn mededaders

- voornoemde [benadeelde] hebben vastgepakt en vastgehouden en

- meermalen tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [benadeelde] hebben geslagen en gestompt en getrapt en

- voornoemde [benadeelde] uit een auto hebben getrokken.

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 116 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

De raadsvrouw heeft in het geval van een bewezenverklaring bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Middels een geraffineerd plan is de aangever door de verdachte en zijn medeplegers in de val gelokt en vervolgens met geweld beroofd. Een medeverdachte deed zich voor als koper van een door de aangever op [website] te koop aangeboden zonnebril en is vervolgens met de aangever naar een parkeerterrein gereden. Aldaar heeft de medeverdachte de aangever vastgepakt, terwijl de verdachte onmiddellijk geweld heeft gebruikt tegen de aangever en hem uit de auto heeft getrokken. Daar is het slachtoffer door de verdachte en zijn medeplegers verder geslagen en geschopt en is hij van zijn tas beroofd. De aangever is compleet overdonderd door deze plotselinge explosie van geweld. Dit is een zeer ernstig strafbaar feit.

Uit zijn slachtofferverklaring volgt dat het handelen van de verdachte en de medeplegers de aangever veel angst heeft bezorgd en dat hij ook nu nog de gevolgen ondervindt in zijn dagelijks leven. Dergelijke feiten versterken ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer omdat dit feit in de openbaarheid (parkeerterrein) en in aanwezigheid van toevallige getuigen heeft plaatsgevonden.

De oriëntatiepunten van het LOVS rechtvaardigen voor een straatroof met licht geweld een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, waarbij het excessieve geweld waarvan in het onderhavige geval sprake is al snel een hogere straf rechtvaardigt. Anderzijds ziet het hof mede gelet op het tijdsverloop thans aanleiding om aan de verdachte – die zijn leven inmiddels op de rit lijkt te hebben – een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een forse taakstraf.

Alles afwegend acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen en een taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden. Hieruit spreekt dat het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straffen, onvoldoende recht vindt doen aan de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.138,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.250,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Toewijzing

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Materiële schade

Louis Vuitton tas

Ten aanzien van de Louis Vuitton tas is een factuur overgelegd waaruit blijkt dat de tas op 16 mei 2018, dus kort voor het bewezenverklaarde feit, is aangeschaft. Het hof overweegt dat vergoeding van de nieuwwaarde daarom aan de orde is en wijst het gevorderde bedrag van € 990,- toe.

Bril Dita

Ten aanzien van de bril van het merk Dita is gebleken dat de benadeelde partij voornemens was deze bril voor een bedrag van € 400,00 te verkopen. Het hof zal de betreffende schadepost tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Mobiele telefoon iPhoneX – niet ontvankelijk

Ten aanzien van de gestelde schadepost iPhone X zijn geen stukken ter onderbouwing ingediend. Hoewel naar het oordeel van het hof in voldoende mate is komen vast te staan dat er een mobiele telefoon van de benadeelde partij is weggenomen, is naar het oordeel van het hof – mede bezien in het licht van de betwisting van deze schadepost door de verdediging – onvoldoende onderbouwd wat de waarde van de betreffende telefoon zou zijn. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans niet in dit deel van de vordering worden ontvangen.

Spijkerbroek Amiri - afwijzen

Het hof acht verder niet wettig en overtuigend bewezen dat een spijkerbroek is weggenomen. Daarom is de verdachte in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering wat betreft het bedrag van € 1.009,00 zal worden afgewezen.

Immateriële schade

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst van de aantasting van de persoonlijke integriteit van de benadeelde partij, de aard van de genoemde lichamelijke en psychische klachten die deze daarbij heeft opgelopen en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend.

Het resterende deel van de gevorderde immateriële schade zal worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.390,00 (drieduizend driehonderdnegentig euro) bestaande uit € 1.390,00 (duizend driehonderdnegentig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.509,00 (duizend vijfhonderdnegen euro) bestaande uit € 1.009,00 (duizend negen euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.390,00 (drieduizend driehonderdnegentig euro) bestaande uit € 1.390,00 (duizend driehonderdnegentig euro) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 juni 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. V.M.A. Sinnige, mr. M.M.H.P. Houben en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 september 2021.

Mr. V.M.A. Sinnige is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]