Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2715

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
200.294.232/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

bekrachtiging ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.294.232/01

Zaaknummer rechtbank: C13/696855 / JERK 21-81

Beschikking van de meervoudige kamer van 24 augustus 2021 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Guman te Amsterdam,

en

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [kind 1] );

- de minderjarige [dochter] (hierna te noemen: [kind 2] );

- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).

Als informant is aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter) van 17 februari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 13 mei 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 17 februari 2021.

2.2

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een brief van de zijde van de moeder van 2 juni 2021 met een bijlage, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de moeder van 4 juli 2021 met een bijlage, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de raad van 8 juli 2021, ingekomen op 12 juli 2021.

2.3

Het hof heeft [kind 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 23 juli 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de advocaat van de moeder;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;

De moeder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen.

3 De feiten

Uit de relatie van de moeder en de vader (hierna samen ook: de ouders) zijn geboren:

- [kind 1] , [in] 2009 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , [in] 2011 te [geboorteplaats] .

De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind 1] en [kind 2] (hierna samen ook: de kinderen). De kinderen wonen bij de moeder. De vader heeft de kinderen niet erkend.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking zijn de kinderen, op daartoe strekkend verzoek van de raad, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 februari 2021 tot 17 februari 2022.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de raad alsnog niet te ontvangen dan wel ongegrond te verklaren of af te wijzen.

4.3

Het verweer van de raad strekt tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.

5.2

De moeder betoogt dat de kinderen ten onrechte onder toezicht zijn gesteld en stelt daartoe het volgende. Er is geen sprake (meer) van een ontwikkelingsbedreiging. Het gaat goed met de kinderen. [kind 2] heeft zich het afgelopen jaar positief ontwikkeld op school en het op tijd op school komen gaat ook goed. Bij [kind 1] is sprake van minder schoolverzuim en hij heeft een goed middelbare school advies gekregen. Het is de moeder gelukt om binnen het vrijwillig kader deze zorgen weg te nemen. Zij staat open voor hulpverlening en gedwongen hulp is dan ook niet noodzakelijk. De moeder is in staat de verzorging van de kinderen goed te reguleren, beschikt over opvoedkennis en -vaardigheden en biedt structuur. Zij is dan ook niet overbelast. Verder is er geen sprake van contact met de vader. Zij heeft juist haar advocaat gevraagd om te zorgen voor een straat- en contactverbod, aldus de moeder.

5.3

De raad is van mening dat de kinderen terecht onder toezicht zijn gesteld en voert daartoe het volgende aan. Over de kinderen en hun thuissituatie bestonden ernstige zorgen. Hoewel inmiddels een aantal positieve ontwikkelingen zijn ingezet – de kinderen komen nauwelijks meer te laat op school en de hulpverlening voor de kinderen is van start gegaan of zal op korte termijn aanvangen – is de ondertoezichtstelling nodig om deze voortgang te monitoren en ervoor te zorgen dat deze blijft bestaan. Verder bestaan nog zorgen over het achterhouden van belangrijke informatie door de moeder. Zo is de moeder op dit moment zwanger, waar zij de hulpverlening niet zelf over heeft ingelicht, en ontkent zij dat de vader in beeld is terwijl de kinderen zeggen hem af en toe te zien. Ook na de komst van de baby, die impact zal hebben op het gezin, is continuïteit van de hulpverlening noodzakelijk om te bezien of de moeder in staat is de positieve lijn die nu is ingezet, vast te blijven houden. Verder moet zicht komen op de veiligheid van de kinderen in het contact met de vader, aldus de raad.

5.4

De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het goed gaat met de kinderen en zij zich positief hebben ontwikkeld sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken. Er is nog maar weinig sprake van schoolverzuim of te laat komen. Waar [kind 2] voorheen op een negatieve manier om aandacht kon vragen, is zij nu een vrolijk kind. [kind 2] heeft wekelijks gesprekken met een orthopedagoog van school, bedoeld om haar meer in haar eigen kracht te zetten en te leren haar grenzen aan te geven. Daarnaast is zij op de wachtlijst geplaatst bij [de opvang] , naschoolse dagbehandeling, waar zij twee à drie keer per week naartoe zal gaan. [kind 1] gaat na de vakantie op vmbo-t beginnen en is gemotiveerd om zijn best te doen zodat hij naar havo kan doorstromen. De moeder is actief betrokken geweest bij de middelbare schoolkeuze. Voor [kind 1] wordt op dit moment geen hulpverlening nodig geacht, maar de GI is voor hem wel een maatje of mentor aan het regelen waarmee hij ter ondersteuning kan praten. Ook de moeder heeft stappen vooruit gezet sinds de betrokkenheid van de GI. Waar zij eerst vermijdend gedrag liet zien en onbereikbaar was, is thans sprake van een goede samenwerking tussen de moeder en de GI. De moeder krijgt twee keer per week opvoedondersteuning van Cordaan en elke zes weken is er overleg tussen de betrokken instanties, waarbij de moeder ook aanwezig is. Verder is het positief dat de twee meerderjarige dochters van de moeder alsmede de vader van de ongeboren baby, de buurman, actief betrokken zijn bij het gezin. Wel bestaan nog zorgen over de omstandigheid dat de moeder niet altijd openheid van zaken geeft. Zo weet de GI pas sinds anderhalve maand dat de moeder zwanger is, terwijl zij al in september is uitgerekend. Daarnaast blijkt uit uitlatingen van [kind 2] dat er contact is met de vader van de kinderen, maar blijft de moeder dit ontkennen. Ook zal de komst van de baby de dynamiek in het gezin veranderen en moet nog bekeken worden of de moeder de reeds ingezette vooruitgang kan doorzetten. Het is daarom van belang dat de ondertoezichtstelling in stand blijft, zodat de GI de situatie in de gaten kan houden.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De kinderen zijn, samen met hun twee oudere zussen (de thans meerderjarige dochters van de moeder uit een eerdere relatie), geconfronteerd geweest met patronen van huiselijk geweld, zowel tussen de ouders als naar de kinderen toe. Hierdoor is al jarenlang hulpverlening bij het gezin betrokken, onder andere in het gedwongen kader. De twee oudste dochters hebben beiden onder toezicht gestaan en zijn uit huis geplaatst geweest en ook [kind 1] en [kind 2] hebben eerder (eind 2011 – begin 2012) onder toezicht gestaan, waarbij [kind 2] nog enkele dagen met een spoedmachtiging uithuisplaatsing in een crisispleeggezin is geplaatst. Gedurende de betrokkenheid van verschillende hulpverlenende instanties is gebleken dat bij de vader sprake is van psychische problematiek (schizofrenie) en van een verslavingsverleden. De moeder is wisselend gebleken in de samenwerking met de hulpverlening, waarbij sprake is geweest van onbereikbaarheid, afzeggen van afspraken en het bagatelliseren en ontkennen van de zorgen. Bij de kinderen is, naast het feit dat zij te maken hebben gehad met huiselijk geweld, sprake geweest van veelvuldig schoolverzuim, waarvoor op enig moment de leerplichtambtenaar is ingeschakeld. Vanwege fysieke mishandeling van de moeder door de vader is, nadat de vader eerder al eens een huisverbod was opgelegd, de veiligheidsafspraak gemaakt dat er geen contact tussen de ouders mag zijn. Desondanks heeft de hulpverlening toch geregeld signalen gekregen dat de vader weer in beeld zou zijn. Nadat er eind 2020 opnieuw aanwijzingen waren dat er weer contact was met de vader, is spoedhulp van Family Supporters ingeschakeld om meer zicht te krijgen op de situatie bij de moeder thuis. Dit is echter nooit van de grond gekomen, omdat de moeder hieraan niet heeft willen meewerken en onbereikbaar was. Sinds de ondertoezichtstelling in februari 2021 is uitgesproken, wordt gezien dat de kinderen zich goed ontwikkelen en ook dat de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening beter verloopt. Voor de moeder, [kind 2] en [kind 1] is hulpverlening dan wel een vorm van ondersteuning ingeschakeld en is sprake van een helpend netwerk. De moeder is op dit moment zwanger, wat zij niet uit zichzelf aan de GI heeft medegedeeld. Vooralsnog zien de betrokken instanties geen aanleiding voor een ondertoezichtstelling van de ongeboren baby. Tot slot is nog onduidelijk of de vader van [kind 2] en [kind 1] in beeld is en, zo ja, of dit contact op een veilige manier kan plaatsvinden.

5.6

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. Er was en is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Hoewel een deel van de zorgen inmiddels is weggenomen – de kinderen hebben zich positief ontwikkeld, zij doen het goed op school en de samenwerking tussen de moeder en de hulpverlening is verbeterd – bestaan nog steeds zorgen die maken dat de ondertoezichtstelling nodig is. De positieve ontwikkelingen zijn nog pril en bekeken moet worden of deze blijven bestaan. Daarnaast wordt binnen enkele maanden gezinsuitbreiding verwacht. De komst van de baby zal invloed hebben op het gezin, nieuwe uitdagingen met zich brengen en de nodige aanpassingen van de moeder en de rest van het gezin vragen. Daarbij zal opnieuw moeten worden gekeken naar de draagkracht en beschikbaarheid van de moeder, nu hierover eerder zorgen zijn geweest. Het hof acht hiervoor hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk, nu gebleken is dat de moeder de zorg die in verband met het wegnemen van de voormelde ontwikkelingsbedreigingen was geboden, buiten het gedwongen kader onvoldoende accepteerde. In het verleden heeft de moeder een ambivalente houding gehad ten opzichte van de hulpverlening. Weliswaar loopt de samenwerking tussen de moeder en de GI op dit moment goed, maar het lijkt met name het dwangkader van de ondertoezichtstelling te zijn die maakt dat de moeder de hulpverlening nu accepteert. Daarbij komt dat de moeder nog niet altijd volledig open en eerlijk is richting de hulpverlening. Zo heeft zij de GI niet ingelicht over haar zwangerschap en blijft onduidelijk of de vader wel of niet in beeld is. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de rechtbank de kinderen terecht onder toezicht heeft gesteld voor de duur van een jaar. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, A. van Haeringen en M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 24 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.