Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2709

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
200.286.918/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen ouderverstoting. Omgangsregeling vastleggen, gezinsvoogd krijgt mogelijkheid deze regeling uit te breiden.

Begrip belanghebbende. Artikel 1:4 BW. Voornaamswijziging. De niet met gezag beklede ouder is geen belanghebbende en daarom volgt niet-ontvankelijkverklaring in het hoger beroep. Geen misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3.13 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.286.918/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/285735 / FA RK 19-1283

Beschikking van de meervoudige kamer van 24 augustus 2021 inzake

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. N. Veenendaal te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

en [de man],

wonende te [woonplaats] ,

verweerders in hoger beroep,

verder te noemen: respectievelijk de moeder, [de man] dan wel gezamenlijk de moeder c.s.;

advocaat: mr. W.I. Feenstra te Haarlem.

Als belanghebbende zijn in deze zaak aangemerkt:

- de minderjarige [zoon] (hierna te noemen: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;

- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna te noemen: de GI).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem,

gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 9 september 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 8 december 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking met als bijlage producties A, B en C.

2.2

De moeder c.s. hebben op 3 maart 2021 een verweerschrift ingediend met als bijlage producties 1 tot en met 20.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 21 december 2020 met bijlagen B1 tot en met B42, ingekomen op 22 december 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vader van 28 mei 2021 met bijlagen D tot en met W, ingekomen op dezelfde dag;

- een journaalbericht van de zijde van de moeder c.s. van 10 juni 2021, met productie 21 ingekomen op 11 juni 2021.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 28 juni 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vader die in verband met Coronamaatregelen via videoverbinding is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder en [de man] , bijgestaan door hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw L. Kok;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer V. Aelbers.

Beide advocaten hebben pleitnotities overgelegd, waarbij mr. Feenstra, anders dan mr. Veenendaal, alleen een deel van de pleitnotitie heeft voorgedragen, waarvan de griffier aantekening heeft gemaakt.

3 De feiten

3.1

[in] 2017 heeft de vader een oproep geplaatst op de website van de stichting “ [de stichting] ”. De moeder heeft per mail van 4 april 2017 op de oproep van hem gereageerd. Op 6 augustus 2017 hebben zij het co-ouderschapsplan ondertekend. De zwangerschap is tot stand gekomen en op [geboortedatum] 2018 is [de minderjarige] geboren. Op 5 augustus 2019 heeft Verilabs een rapport uitgebracht waarin staat dat de waarschijnlijkheid van het ouderschap van de vader met betrekking tot [de minderjarige] 99,9999999982% bedraagt.

3.2

In afwijking van het ouderschapsplan heeft de moeder geen toestemming tot erkenning gegeven aan de vader, maar [de man] [de minderjarige] laten erkennen. [in] 2019 zijn de vrouw en [de man] met elkaar gehuwd. Door de erkenning en het aansluitende huwelijk is [de man] van rechtswege belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 11 september 2019 is aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [de minderjarige] , onder gelijktijdige doorhaling van de door [de man] gedane erkenning, en de moeder veroordeeld in de kosten van het DNA onderzoek.

Voorts heeft de rechtbank een tijdelijke onbegeleide omgangsregeling vastgesteld: [de minderjarige] verblijft tweemaal per week op de maandag en de woensdag van 9.00 tot 13.00 uur bij de vader, waarbij hij [de minderjarige] ophaalt en brengt; en bepaald dat de beslissing over het gezag, de definitieve omgangsregeling, de informatie- en consultatieregeling, de voornaamswijziging en de kostenveroordeling – met uitzondering van de kosten van het DNA-onderzoek- werd aangehouden tot 8 januari 2020. De raad is bij die beschikking verzocht ten aanzien van de omgangsregeling een onderzoek te verrichten.

3.4

Na een tussenbeschikking van 7 april 2020 heeft het hof bij beschikking van 14 juli 2020 in de zaak met zaaknummer 200.270.390/01 de bestreden beschikking van de rechtbank van 11 september 2019 bekrachtigd voor zover daarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend tot erkenning van [de minderjarige] onder gelijktijdige doorhaling van de door [de man] gedane erkenning, en de veroordeling van de moeder in de kosten van het DNA-onderzoek.

Voorts heeft het hof afgewezen het verzoek van de vader om hem samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten, en het verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten.

Voorts heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd met betrekking tot de tijdelijke omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] en heeft de navolgende tijdelijke regeling vastgesteld, totdat anders wordt beslist:

- in week I (30 juli 2020) en week 3 verblijft [de minderjarige] op donderdag van 9.00 uur tot 13.00 uur bij de vader en op vrijdag van 9.00 uur tot 17.00 uur;

- in week 2 en week 4 verblijft [de minderjarige] op zaterdag van 9.00 uur tot 13.00 uur bij de vader en op zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur;

- in week 5 en week 7 verblijft [de minderjarige] van donderdag 9.00 uur tot de volgende ochtend 11.00 uur bij de vader; - in week 6 en week 8 verblijft [de minderjarige] van zaterdag 9.00 uur tot de volgende ochtend 11.00 uur bij de vader;

- vanaf week 9 verblijft [de minderjarige] bij de vader de ene week van donderdag 9.00 uur tot de volgende dag 17.00 uur en de andere week van zaterdag 9.00 uur tot de volgende dag 17.00 uur.

Het hof heeft een informatieregeling vastgesteld, inhoudende dat de moeder iedere twee weken per mail aan de vader feitelijke informatie geeft over hoe het gaat met [de minderjarige] , waarbij een korte samenvatting zal worden gegeven van eventuele bezoeken aan bijvoorbeeld artsen of het consultatiebureau. Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een consultatieregeling heeft het hof afgewezen.

Tot slot heeft het hof het verzoek van de vader tot het aanhechten van het ouderschapsplan aan de beschikking afgewezen en mr. L. Scheffer ontslagen van haar taak als bijzondere curator.

3.5

Bij beschikking van de rechtbank van 2 september 2020 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, - voor de duur van een jaar – aansluitend aan de uitvoering van de door het hof op 14 juli 2020 bepaalde opbouwregeling, een omgangsregeling vastgesteld inhoudende dat [de minderjarige] bij de vader verblijft in de oneven weken van donderdag 9:00 uur tot vrijdag 17:00 uur (vanaf 24 september 2020), in de even weken van zaterdag 9:00 uur tot zondag 17:00 uur;

alsmede

voor zover [de minderjarige] op deze dag niet bij deze ouder verblijft op grond van de reguliere omgangsregeling een dagdeel van minimaal 13:00 uur tot 16:00 uur:

- op de verjaardag van de vader en op Vaderdag bij de vader en,

- op de verjaardag van de moeder en op Moederdag bij de moeder;

De vader haalt en brengt.

De moeder is gerechtigd om maximaal drie weken in totaal met [de minderjarige] op vakantie te gaan, waarbij zij de data van een eventuele vakantie minimaal zes weken van te voren aan de vader kenbaar dient te maken.

De door bedoelde vakantie van de moeder gemiste omgangsdagen bij de vader dienen na deze vakantie voor de vader te worden gecompenseerd aansluitend aan de gangbare omgangsmomenten, met dien verstande dat [de minderjarige] nooit langer dan drie dagen aaneengesloten dagen bij de vader verblijft.

Met deze omgangsregeling dient rekening te worden gehouden bij de keuze van een peuterspeelzaal of crèche in die zin dat het niet aan de moeder is om [de minderjarige] aldaar in te schrijven op dagen dat [de minderjarige] bij de vader is, tenzij de vader daarmee instemt. Hetzelfde geldt voor andere activiteiten, daaronder begrepen hulpverlening en doktersbezoek.

Het is aan de gezinsvoogd om met inachtneming van het belang van [de minderjarige] de omgangsregeling na afloop van het jaar in te vullen en vorm te geven.

De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot voornaamswijziging van [de minderjarige] . Zijn verzoek dwangsommen op te leggen is afgewezen. Ten slotte heeft de rechtbank, anders dan de vader had verzocht, overwogen dat de proceskosten tussen partijen dienen te worden gecompenseerd.

4.2

De vader verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), onder I primair om een gelijke (50/50) omgangsregeling vast te stellen, uitgaande van één van de volgende twee opties:

Optie 1: [de minderjarige] verblijft in week 1 en 3 bij de vader van maandag 9:00 uur tot woensdag 9:00 uur en van vrijdag 9:00 uur tot maandag 9:00 uur en in week 2 en 4 van woensdag 9:00 uur tot vrijdag 9:00 uur

Optie 2: [de minderjarige] verblijft na elke vier achtereenvolgende dagen bij de moeder, vier achtereenvolgende dagen bij de vader.

Subsidiair heeft de vader verzocht om een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [de minderjarige] 70% van de tijd bij de vader verblijft en 30% bij de moeder, waarbij [de minderjarige] wekelijks bij de moeder verblijft van maandag 9:00 uur tot woensdag 12:00 uur.

Tevens is verzocht een dwangsom vast te stellen van € 1.000,- voor ieder dagdeel dat de moeder nalaat uitvoering te geven aan de regeling, met een maximum van € 25.000,-.

Voorts heeft de vader onder II verzocht de volgende vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen, althans een vakantie- en feestdagenregeling die het hof juist acht, met oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor ieder dagdeel dat de moeder nalaat uitvoering te geven aan de regeling, met een maximum van € 25.000,-.:

  • -

    totdat [de minderjarige] 3 jaar is, de vakantieduur te beperken tot 7 aaneengesloten dagen, zodat [de minderjarige] vanaf de 8e dag weer omgang heeft met de andere ouder;

  • -

    waarbij met betrekking tot de zomervakantie geldt dat de vader de eerste keus heeft in de even jaren en de moeder de eerste keus in de oneven jaren;

  • -

    waarbij de ouders uiterlijk zes maanden voor de betreffende vakantie hierover met elkaar communiceren;

  • -

    waarbij de moeder ID/paspoort van [de minderjarige] alsmede een schriftelijke toestemming aan de vader geeft om met [de minderjarige] vakantie in het buitenland door te brengen en in het bijzonder zijn familie in Duitsland te bezoeken;

  • -

    waarbij de verjaardag van [de minderjarige] in de even jaren gevierd wordt bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder en [de minderjarige] de avond voor zijn verjaardag bij de betreffende ouder zal zijn vanaf 18:00 uur tot de dag van zijn verjaardag 20:00 uur; de andere ouder, diens partner en vriendjes van [de minderjarige] met één ouder van die vriendjes hebben het recht [de minderjarige] op deze dag te bezoeken;

  • -

    voor zover [de minderjarige] op de verjaardag van een ouder niet bij deze ouder verblijft op grond van de reguliere omgangsregeling, zal [de minderjarige] bij deze ouder verblijven van 9:00 uur tot 18:00 uur.

Vakanties

Bij vader

Bij moeder

Voorjaarsvakantie

Oneven jaren

Even jaren

Meivakantie (2 weken bij basisscholen)

50% van de vakantie

50% van de vakantie

Zomervakantie

50% van de vakantie

Even jaren: keus aan vader of hij de eerste of de laatste drie weken vakantie wil

50% van de vakantie

Oneven jaren: keus aan moeder of zij de eerste of de laatste drie weken vakantie wil

Herfstvakantie

Even jaren

Oneven jaren

Kerstvakantie

50% van de vakantie

50% van de vakantie

Feestdagen

Goede Vrijdag

Even jaren

Oneven jaren

1e en 2e Paasdag

1e bij vader

2e bij moeder

Koningsnacht, - dag

Oneven jaren

Even jaren

Moederdag

[de minderjarige] is op de dag voor Moederdag vanaf 18:00 uur tot 20:00 uur op Moederdag bij zijn moeder

Vaderdag

[de minderjarige] is op de dag voor Vaderdag vanaf 18:00 uur tot 20:00 uur op Vaderdag bij zijn vader

Hemelvaart

Even jaren

Oneven jaren

Pinksterweekeinde

Oneven jaren

Even jaren

Sinterklaas NL

Even jaren

Oneven jaren

Kerstavond 24/12

Even jaren vanaf 8:00 uur tot 1e Kerstdag 20:00 uur

Oneven jaren vanaf 8:00 uur tot 1e Kerstdag 20:00 uur

1e Kerstdag

2e Kerstdag

Oneven jaren vanaf 1e Kerstdag 20:00 uur tot 27/12 8:00 uur

Even jaren vanaf 1e Kerstdag 20:00 uur tot 27/12 8:00 uur

Oud en Nieuw

12-12 Even

12-12 Oneven

Onder III verzoekt de vader te bepalen dat de ouders in gelijke mate zorgdragen voor het halen en brengen van [de minderjarige] in de uitvoering van de omgang, waarbij wanneer er gewisseld moet worden, de ouder [de minderjarige] ophaalt bij de ouder waarbij [de minderjarige] het laatst verbleven heeft.

De vader verzoekt onder IV de voornaam van [zoon] te wijzigen in [één voornaam] .

Ten slotte verzoekt de vader onder V de moeder te veroordelen:

primair in al de daadwerkelijk door de vader gemaakte kosten waaronder de kosten van de procedure in eerste aanleg en de procedures daarna en de kosten van het hoger beroep, te weten een bedrag van € 38.025,32, nog te vermeerderen met de kosten van dit beroep; en subsidiair in al de daadwerkelijk door de vader gemaakte kosten van de procedure in eerste aanleg, te weten een bedrag van € 26.681,19 nog te vermeerderen met de kosten van dit beroep; en meer subsidiair in de kosten van de procedure en in eerste aanleg voor een bedrag dat het hof juist acht.

4.3

De moeder c.s. verzoeken de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep (in het bijzonder wat betreft de voornaamswijziging, en schadeclaim jegens de moeder c.q. kostenveroordeling), althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht. Kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In geschil zijn de omgang, dwangsommen, voornaamswijziging en de kostenveroordeling. Hierna volgt eerst een samenvatting van de standpunten zoals aangevoerd in de grieven en verweren en bij de mondelinge behandeling.

5.2

De vader heeft aangevoerd dat het, conform de raad naar voren brengt in de eerdere rapportages, in deze levensfase van [de minderjarige] cruciaal is dat hij veilig gehecht raakt aan beide ouders. De moeder kan [de minderjarige] hierin echter niet ondersteunen en ook het netwerk van de moeder lukt het niet hierin een neutrale rol te spelen. Oma insinueert seksueel misbruik en samen met de moeder plaatste zij afluisterapparatuur. De moeder vindt het contact met de vader traumatisch en schadelijk voor [de minderjarige] . Als deze houding niet wordt gestopt, zal [de minderjarige] niet in staat worden gesteld een evenwichtig beeld van de vader te krijgen. Van belang is daarom dat [de minderjarige] meer tijd met de vader doorbrengt om de hechting te verdiepen. De vader wil dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij hem komt en dat de huidige voor [de minderjarige] schadelijke situatie niet langer voortduurt. De beperkte omgang zoals nu vastgelegd, is onvoldoende om de negatieve gevolgen hiervan ongedaan te maken.

Er is bovendien sprake van een steeds verdergaande ouderverstoting. De moeder heeft eerst fysieke afstand gecreëerd en laat [de man] nu de rol van vader in het leven van [de minderjarige] innemen. Voorts is de vader van mening dat de moeder en haar netwerk, vanwege hun ontbrekende leerbaarheid in combinatie met hun ontbrekende inzicht in de ontwikkelingsstadia van [de minderjarige] , niet beschikken over voldoende opvoedvaardigheden. Er zijn daarentegen geen zorgen over de opvoedsituatie bij de vader, zoals de raad en de GI hebben geconstateerd, en het hoofdverblijf had direct kunnen worden gewijzigd. De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit niet mogelijk zou kunnen zijn. Ook volgens de NJI-richtlijn is het van belang dat [de minderjarige] meer tijd met de vader doorbrengt. [de minderjarige] overnacht nu ook bij de vader en er is geen reden dit niet verder uit te breiden. Ook andere recente wetenschappelijke rapporten tonen aan dat verblijfsco-ouderschap juist een positief effect heeft op de ontwikkeling van kinderen. Het argument van de raad dat, gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] en het feit dat hij alleen de moeder als hoofdopvoeder kent, uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader schadelijker zou zijn dan [de minderjarige] in de onveilige opvoedomgeving bij de moeder te laten, kan niet gehandhaafd en gevolgd worden, mede gezien de wetenschappelijke rapporten.

De moeder heeft er nu belang bij om niet mee te werken. Ook bij Kinderen uit de Knel volhardt de moeder in haar visie dat de vader een donor is en [de man] een vader. De moeder wil de omgang juist terugbrengen en bedreigt [de minderjarige] op die manier verder in zijn ontwikkeling.

De vader verzoekt een vakantieregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te leggen. Door de erkenning door de vader heeft [de minderjarige] zowel de Nederlandse als de Duitse nationaliteit. De moeder kan als gezaghebbende ouder een Duits paspoort voor [de minderjarige] aanvragen. De vader heeft door de beperkte omgangsregeling geen mogelijkheid zijn familie in Duitsland met [de minderjarige] te bezoeken. In de huidige regeling kan [de minderjarige] maximaal drie aaneengesloten dagen en nachten bij de vader verblijven en dat is te weinig.

De vader acht het opleggen van een dwangsom noodzakelijk, omdat de moeder bijna 20 procent van de omgang niet heeft nageleefd.

De vader vindt het ontoelaatbaar dat de beoordeling van zijn verzoek tot voornaamswijziging wordt beperkt tot de wettelijke regeling aangaande de voornaamswijziging. Van belang is volgens hem ook wat partijen contractueel zijn overeengekomen. Contractueel zou [de minderjarige] maar één voornaam krijgen. Een bevoegdheid kan niet worden ingeroepen als deze wordt misbruikt (3:13 BW) zoals de moeder heeft gedaan. Er zijn dus bijzondere omstandigheden die maken dat de vader alsnog ontvankelijk is.

De vader wijst op de kwalijke rol van de moeder in het diskwalificeren van hem en in het licht hiervan vindt hij het onbegrijpelijk dat zonder nadere motivering de proceskosten zijn gecompenseerd. De moeder wijkt volgens hem al twee jaar af van de gemaakte afspraken, heeft haar bevoegdheid als moeder misbruikt, en de vader heeft sindsdien kosten moeten maken. Een kostenveroordeling is daarom op zijn plaats.

Volgens de vader is voldoende aangetoond dat de kort geding procedure, het niet slagen van de mediation, alsmede het initiëren van de bodemprocedure uitsluitend te wijten is aan de opstelling van de moeder c.s. en dienen de kosten die door de vader zijn gemaakt, te worden terugbetaald. Bovendien hebben de moeder c.s. onrechtmatig gehandeld door met schending van artikel 21 Rv het verweer te baseren op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden dan wel behoorden te kennen en op onjuiste stellingen waarvan zij op voorhand konden begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Er is sprake van misbruik van procesrecht en zodanig handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid dat de vader verzoekt af te wijken van het liquidatietarief en de moeder te veroordelen in de werkelijke kosten.

5.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verslag gedaan van de bespreking van ‘het Kabouterhuis’. Het positieve nieuws was dat [de minderjarige] aan beide ouders goed gehecht is en dat een liefdevolle relatie tussen vader en zoon te zien was. Helaas ervaart de vader niet dat hem het ouderschap wordt gegund door de moeder en dat zij het vertrouwen heeft dat [de minderjarige] het goed bij hem heeft. De ideale situatie is volgens hem dat er gelijkwaardig ouderschap zal zijn vanuit een intrinsiek gevoel van beide ouders. Dan is er geen sprake meer van ‘moeten’. [de minderjarige] heeft twee rijke werelden en zou zonder spanningen moeten kunnen leven. De afstand tussen de woonplaatsen van de ouders is slechts 15 minuten autorijden en de vader zou hem dus naar school kunnen brengen, voetbal of de peuterspeelzaal. Dat er spanningen zouden zijn voor [de minderjarige] is overigens niet door de gezinsvoogd zelf geconstateerd. De vader staat open voor alles, maar is uitgeput en weet niet meer te bedenken wat hij nog meer zou kunnen doen.

5.4

De moeder cs. verweren zich en voeren aan dat diverse hulpinstellingen betrokken zijn. Zo is er nu een ondertoezichtstelling en is het Kabouterhuis ingeschakeld. De moeder heeft mevrouw [X] benaderd om de communicatie tussen partijen te verbeteren en hen te begeleiden voorafgaand aan het traject Kinderen uit de Knel. Diverse hulpverleners, zoals de KNO-arts van [de minderjarige] , het consultatiebureau en de leidsters van de peuterspeelzaal worden echter door de vader onder druk gezet en meegetrokken in de strijd. De moeder doet, ondanks haar PTSS, haar best een positieve situatie voor [de minderjarige] te creëren en spanningen tussen de ouders uit de weg te gaan. Desondanks verbetert het gedrag van de vader niet. Hij blijft hangen in een negatieve houding en levert op iedereen kritiek. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] en de moeder verzoekt de vader hiermee te stoppen.

De moeder c.s.. zijn het ook niet eens met de door de vader verzochte veroordeling in de kosten, die zij aanmerken als een schadeclaim. De vader levert geen enkele bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Beide ouders geven nu veel geld uit aan rechtszaken, terwijl dit geld aan [de minderjarige] besteed had kunnen worden. De vader stelt bovendien geen nieuwe feiten of omstandigheden. Hij blijft zijn belang herhalen, zoals met betrekking tot het gezag en co-ouderschap, ondanks dat ook het hof in de beschikking van 14 juli 2020 hierover al geoordeeld heeft.

De vader lijkt niet te begrijpen dat er eerst een pas op de plaats gemaakt moet worden, de GI is aan het werk, de intake voor Kinderen uit de Knel is geweest en het Kabouterhuis doet onderzoek. De vader maant iedereen tot spoed, terwijl hij zelf niet aan de slag gaat om met hulp van mevrouw [X] te werken aan de communicatie.

In de aanvullende raadsrapportage van 27 augustus 2020 is er meer begrip voor de moeder gekomen en zijn eerdere standpunten van de raad genuanceerd. De vader blijft echter wijzen naar het verleden. Ook de GI heeft in het gezinsplan geen bijzonderheden vermeld, afgezien van het wantrouwen tussen de ouders.

De moeder heeft de gerechtelijke beslissingen gerespecteerd en werkt mee aan de uitvoering van de omgangsregeling. Zij snapt dan ook niet waarom de vader een verzoek tot het opleggen van dwangsommen indient.

De rechtbank heeft de vader terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot voornaamswijziging van [de minderjarige] .

De moeder c.s. betwisten dat er sprake zou zijn van redelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en wijzen naar de proceshouding van de vader. De moeder heeft zich actief ingezet om hulp te krijgen, waaronder het Kabouterhuis en het voortraject voor Kinderen uit de Knel. Het is niet meer dan terecht dat de rechtbank in de bestreden beschikking ook naar de vader wijst.

5.5

De moeder brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat zij wel erkent dat de vader zijn rol als vader heeft. Zelf heeft zij het afgelopen half jaar met hulpverlening gewerkt aan herstel van haar trauma. De moeder vindt het moeilijk steeds te horen dat zij een slechte moeder is en dat [de minderjarige] uit huis zou moeten. Toch wil zij positief zijn en hoopt erop in rustiger vaarwater te komen. De ouders wachten op deelname aan ‘Kinderen uit de Knel’. Zij gunt [de minderjarige] een regeling die bij hem past. Hij gaat in september twee keer per week naar de peuterspeelzaal. De moeder merkt dat [de minderjarige] wel twee dagen nodig heeft om bij te komen van de omgang. Zij zou het op den duur haalbaar vinden dat [de minderjarige] een weekend per veertien dagen bij zijn vader is, dus niet een 50/50 regeling.

De moeder vindt het belangrijk dat er geen procedures meer worden gevoerd en dat het vertrouwen wordt opgebouwd dat [de minderjarige] op nummer één staat. Zij heeft met behulp van een coach geleerd om zich minder zorgen te maken over de tijd dat [de minderjarige] bij zijn vader is.

[de man] geeft aan dat het noemen van een wijziging van de verblijfplaats van [de minderjarige] een enorme dreiging is. Volgens hem is de moeder al wel veranderd en wel in staat om de vader zijn vaderschap te gunnen. Volgens hem zou er eerst goed onderzoek moeten komen over wat [de minderjarige] aankan en dat beide ouders naar aanleiding van die bevindingen aan het werk gaan.

5.6

De gezinsvoogd bevestigt dat beide ouders goed aansluiten bij [de minderjarige] en [de minderjarige] ook bij hen goed aansluit. Zij zorgen goed voor hem. [de minderjarige] maakt stappen in zijn taalontwikkeling, maar hij lijkt wel wat behoedzaam om spanning te reguleren. In het komende hulpverleningstraject in september van ‘Kinderen uit de Knel’ zal onderzocht kunnen worden of dat een karakterkwestie is of voortkomt door de spanning bij ouders. Zij heeft vanuit het Kabouterhuis gehoord dat de wisselingen voor [de minderjarige] lastig zijn. Na de hulpverleningstrajecten zal het duidelijker zijn wat de ideale regeling voor [de minderjarige] is. Als de overdracht zoveel spanning oplevert is het wellicht niet goed om twee keer per week te wisselen, maar een week op week af regeling te realiseren. Dit laatste is wel afhankelijk van de intrinsieke voorwaarde dat een ouder de andere ouder accepteert.

De gezinsvoogd heeft recent met ouders gesproken over een mogelijke uitbreiding van de omgangsregeling met één nacht en een evaluatiemoment na vier keer om te kijken hoe het gaat met [de minderjarige] . Ook als een kind nooit door ouders in gezinsverband is opgevoed, kan hij met de andere ouder een band opbouwen en twee nachten per week bij hem overnachten. Het Kabouterhuis zal handvatten geven hoe om te gaan met de spanning van het overdrachtsmoment.

5.7

De vertegenwoordiger van de raad vraagt ouders bij zichzelf te rade te gaan en te bedenken wat zij zelf kunnen doen om tegemoet te komen aan de behoeften van [de minderjarige] en om zijn situatie beter te maken.

De vertegenwoordiger van de raad signaleert de angst van de moeder dat het aandeel in de verzorging en opvoeding van de vader veel groter gaat worden en bij de vader de angst dat zijn aandeel veel te klein wordt gehouden. De ouders hebben een compleet ander beeld wat het beste voor [de minderjarige] is. Voor co-ouderschap is nodig dat er aansluiting is tussen de twee werelden van de ouders en dat een kind zich daar niet verantwoordelijk voor gaat voelen. Ouders hebben misschien wel binnen hun mogelijkheden alles ingezet, maar de vraag is of dat voldoende is voor een zeer uitgebreide omgangsregeling. Er moet zorgvuldig worden gekeken naar de reden waarom [de minderjarige] het ‘super’ bij de vader heeft, maar bij de moeder twee dagen hersteltijd nodig zou hebben. Hierover bestaat nog geen volledig beeld. Voor een regeling waarbij [de minderjarige] 70 procent van de tijd bij zijn vader is en 30 procent bij zijn moeder, geldt hetzelfde. De moeder is tot nu toe de primaire opvoeder en de vraag is of [de minderjarige] , die moeite heeft met veranderingen, dit aan zou kunnen. De eerdere opmerking in de raadsrapportage met betrekking tot een uithuisplaatsing was in de situatie dat de moeder de vader geen rol gaf in het leven [de minderjarige] en dat ligt nu anders.

[de minderjarige] gaat binnenkort ook naar school en krijgt daar vriendjes. In een regeling moet daarmee rekening worden gehouden.

Het hof zou voor de toekomst kaders voor de omgangsregeling kunnen geven, zodat daarover niet meer gepraat hoeft te worden en ouders weten waar ze aan toe zijn.

De omgangsregeling

5.8

Voor ligt de vraag of het in het belang van [de minderjarige] en zijn ouders is om voor de komende tijd een duidelijke omgangsregeling vast te leggen of een stappenplan waarin toegewerkt kan worden naar een vast te stellen stip op de horizon. De termijn van de omgangsregeling in de bestreden beschikking is bijna voorbij en in een nieuwe procedure bij de rechtbank zal de verlenging van de ondertoezichtstelling worden behandeld en wellicht een voorstel voor een nieuwe omgangsregeling. De vader heeft in zijn beroepschrift twee opties genoemd om een co-ouderschap in te vullen en een subsidiair verzoek waarin hij voor 70 procent van de tijd voor [de minderjarige] kan zorgen. De moeder c.s.. staan een veel beperktere omgangsregeling voor.

Om hierin een beslissing te kunnen nemen is het van belang om eerst de belangrijke elementen te benoemen die naar het oordeel van het hof een rol spelen.

5.9

[de minderjarige] is ontstaan vanuit een bewuste wens van ouders om een kind te krijgen en het is duidelijk zichtbaar dat hij een zeer gewenst kind is. Hoewel deze gezamenlijke wens de ouders verbonden heeft, is ook zichtbaar geworden dat door het ontbreken van een gezamenlijk verleden zij elkaar als persoon nog moeten leren kennen. Omdat zij ervoor hebben gekozen niet vanuit een relationele band te starten als ouders van [de minderjarige] , is het leren kennen van elkaar voornamelijk beperkt gebleven tot het ervaren van reacties van [de minderjarige] en de wijze waarop zij zich profileren in hun ouderrol. Voor beide ouders is [de minderjarige] het eerste kind en zij moeten daarbij zelf ook ontdekken wie zij als ouder zijn. Al voor de geboorte van [de minderjarige] bleek daarbij dat het beeld dat ouders van elkaar hadden bij het opstellen van het ouderschapsplan, anders was dan de ervaren realiteit. De vader was genoodzaakt om een juridische procedure te starten om zijn vaderschap te kunnen formaliseren en ondanks verzet van de moeder is hij nu de juridische vader van [de minderjarige] . Ook was de vader genoodzaakt om een omgangsregeling af te dwingen middels een kort geding en in de bodemprocedure waarvan beroep. Ouders beleven al bijna drie jaar lang de spanning van de juridische procedures en brengen hiervoor financiële offers.

Om een ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] af te wenden is op 2 september 2020 een ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van jaar met als doel om te komen tot twee stabiele ouders die elkaar het ouderschap gunnen.

5.10

Het positieve nieuws is dat [de minderjarige] nu een hechte band met beide ouders heeft en dat hij het goed bij ieder van hen heeft. De ouders kunnen goed aansluiten bij [de minderjarige] in hun eigen opvoedsituatie. De verbinding tussen deze twee werelden is echter nog onvoldoende. De angst regeert nog teveel bij ouders. Dit komt omdat zij ieder een ander idee hebben over de stip op de horizon en omdat zij in de wijze van reageren op elkaar, het wederzijdse negatieve beeld van elkaar bevestigen. De vader wil minimaal een gelijke verdeling van de zorgtijd en indien de moeder daar niet achter kan staan is hij bang voor ‘ouderverstoting’. In het licht daarvan doet hij zijn subsidiaire verzoek en ook verzoekt hij dwangsommen op te leggen en een volledige schadeloosstelling van de kosten om zijn vaderschap erkend te krijgen. De moeder reageert daar met angst op en heeft voor zichzelf een beeld gekregen van een vader die teveel wil en dit met alle middelen wil bereiken. Daardoor heeft zij moeite om het contact met de vader aan te gaan en houdt zij rechtstreekse communicatie af. Beide ouders lijden onder de negatieve spiraal waarin zij zijn terecht gekomen.

5.11

Toch is uit de recente stukken en de mondelinge behandeling gebleken dat de vastgestelde omgangsregeling in het algemeen naar behoren is uitgevoerd is en dat er voor zowel [de minderjarige] als de ouders hulpverleningstrajecten zijn uitgezet. De moeder is voor zichzelf een hulpverleningstraject aangegaan om haar PTSS te verwerken en een omslag in haar gevoel van onveiligheid ten aanzien van de vader te bewerkstellingen. Er is echter nog geen eindsituatie bereikt. De gezinsvoogd gaat binnenkort met ouders in overleg over een uitbreiding van de omgangsregeling met een extra overnachting. Ouders zijn bereid om verder te werken aan gezamenlijk ouderschap en bij de moeder is meer intrinsieke motivatie aanwezig dan voorheen. Het hof deelt daarom niet de angst van de vader dat sprake zou zijn van een proces van ouderverstoting. Dit staat haaks op de ontwikkelingen van het laatste jaar. Het traject ‘Kinderen uit de Knel’ kan ouders helpen te groeien in hun verplichting om [de minderjarige] zonder spanning de band met de andere ouder te laten behouden en de andere ouder diens opvoedersrol te gunnen. Het Kabouterhuis kan specifieke aanwijzingen geven aan ouders, zolang [de minderjarige] nog moeite ervaart met de wisselingen. Het Kabouterhuis kan ook kijken waardoor de behoedzaamheid van [de minderjarige] nu wordt veroorzaakt.

5.12

In deze situatie kan het hof, evenmin als de raad, een goed onderbouwd oordeel geven over de stip op de horizon. Dit is immers afhankelijk van de ontwikkeling van het gezamenlijk ouderschap van de ouders en de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] . Wel kan geoordeeld worden dat de huidige omgangsregeling minimaal gecontinueerd dient te worden en dat, indien de GI het verantwoord acht in het belang van [de minderjarige] , een uitbreiding gerealiseerd dient te worden. De geringe fysieke afstand tussen ouders vormt immers geen belemmering om de vader ook een rol te geven bij allerlei activiteiten die in de komende fase van het leven van [de minderjarige] op de agenda staan, zoals de peuterspeelzaal. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat de GI een leidende rol heeft bij de verdere invulling en uitbreiding van de omgangsregeling.

Het hof is dan ook van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de omgangsregeling heeft vastgesteld met inachtneming van het advies van de raad.

Gelet op de ontwikkelingen sindsdien kan echter ook geoordeeld worden dat deze regeling voor nu als minimumregeling vastgelegd kan worden en daarom niet beperkt hoeft te zijn in duur tot 2 september 2021. De gezinsvoogd dient daarbij de mogelijkheid te krijgen om deze uit te breiden. Het hof zal dit vastleggen.

Het halen en brengen van [de minderjarige]

5.13

In de rapportage van de raad van 1 april 2020 is opgenomen dat het voor een kind belangrijk is dat beide ouders goedkeuring geven voor het verblijf bij de andere ouder. Ouders kunnen dit onder andere tot uiting brengen door [de minderjarige] te halen of te brengen. De vader verzoekt om dit raadsadvies te volgen. De moeder heeft naar voren gebracht dat het vanwege de wens van de vader zelf is geweest dat is bepaald dat hij [de minderjarige] zou halen en brengen. Wat daar verder ook van zij, nu de vader zich achter het raadsadvies schaart, dient hierover een nieuwe beoordeling te worden gegeven. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] dat ieder der ouders een evenredig deel op zich neemt en zal dit aldus bepalen.

De feestdagen en vakantieregeling

5.14

De vader heeft de regeling tussen de ouders van de feestdagen en vakanties aan de orde gesteld. Het hof stelt voorop dat het voor [de minderjarige] in de huidige situatie nog van groot belang wordt geacht om in een zoveel mogelijk voorspelbaar omgangsritme te blijven. Het accent dient te liggen op het onderzoeken wat haalbaar is in de normale weken. Om onder deze omstandigheden al een uitgebreide schoolvakantieregeling vast te leggen is voorbarig en houdt het risico in zich dat hiermee het wankele evenwicht wordt verstoord. De rechtbank heeft daarom naar het oordeel van het hof terecht een vakantiebeperking van de moeder opgenomen en geen vakantieregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader. Een familiebezoek in Duitsland zal wellicht in de toekomst wel te realiseren zijn, maar heeft voor nu geen prioriteit. Het is belangrijk dat de gezaghebbende moeder voor een specifieke voorgenomen reis naar het buitenland toestemming kan verlenen, zo nodig met bemiddeling door de GI. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank op het punt van de vakantieregeling bekrachtigen.

In de bestreden beschikking is in de geest van het raadsadvies van 1 april 2020 vastgelegd dat [de minderjarige] op de verjaardag van zijn vader en op die van zijn moeder aanwezig kan zijn, ook als dat buiten het omgangsmoment valt. De door de vader genoemde verdeling leidt ertoe dat één ouder hem niet kan zien op zijn verjaardag. Dat lijkt het hof niet in het belang van [de minderjarige] . De bestreden beschikking zal daarom ook op dit punt worden bekrachtigd.

Wel zal nog worden toegewezen dat de ouders de feestdagen bij helfte te verdelen, waarbij de gezinsvoogd een bindend voorstel kan doen bij gebreke aan overeenstemming tussen de ouders.

Sanctionering middels dwangsommen

5.15

De vraag is of de moeder door middel van dwangsommen aangespoord dient te worden om de vastgestelde omgangsregeling en andere omgangsmomenten na te komen. Het hof acht dit geen recht doen aan de stappen die de moeder heeft gezet. Ondanks haar grote weerstand is zij de omgangsregeling in het algemeen nagekomen en heeft zij aan zichzelf gewerkt. Het door de ouders samen volgen van ‘Kinderen uit de Knel’ is eveneens een positieve ontwikkeling. De moeder stelt zich begeleidbaar op tijdens de ondertoezichtstelling. Een dwangsom is niet nodig en niet passend, omdat het wantrouwen tussen de ouders hierdoor gevoed zal worden en de onderlinge verhouding weer verder op scherp zal stellen. Dit alles maakt dat het hof geen dwangsom zal opleggen.

De voornaamswijziging

5.16

Volgens artikel 1:4 lid 4 BW kan een voornaam worden gewijzigd op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Vast staat dat de vader geen wettelijke vertegenwoordiger is van [de minderjarige] . Hij vindt het ontoelaatbaar dat de beoordeling wordt beperkt tot het wettelijk kader en wijst op het belang van de tussen de ouders gesloten overeenkomst in het ouderschapsplan. Hij brengt naar voren dat sprake is van misbruik van recht door de gezaghebbende moeder vanwege het feit dat zij tegen de afspraak van het ouderschapsplan in, aan [de minderjarige] een tweede voornaam heeft gegeven. Daarbij komt dat volgens de vader ‘ [tweede voornaam] ’ een christelijke naam is, terwijl de ouders hebben afgesproken dat het geloof geen rol zou spelen in de opvoeding.

De moeder werpt tegen dat de vader geen gezag heeft en hem dus geen enkele bevoegdheid toekomt op dit punt.

5.17

Het hof stelt voorop dat de wettelijke bepaling de bevoegdheid om een voornaamswijziging van een kind te verzoeken koppelt aan degene die hem juridisch vertegenwoordigt. Met de rechtbank oordeelt het hof dat nu de vader geen ouderlijk gezag heeft, hij niet ontvankelijk is in zijn verzoek. De uitleg van de vader zou er toe leiden dat een contractuele afspraak tussen ouders de wettelijk bepaalde toegang tot een rechterlijke toetsing van de voornaamswijziging zou kunnen verruimen. Het is niet aan partijen maar aan de wetgever om het wettelijk kader te bepalen.

Het hof overweegt verder dat het enkele schenden van contractuele afspraken nog geen misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3.13 BW oplevert.

Artikel 3:13 BW lid 1 bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Hoewel tegen de afspraken in, is van een gedraging van de vrouw als in genoemd artikel niet gebleken. Daarvoor heeft de man onvoldoende gesteld.

De kostenveroordeling

5.18

De vader heeft de kostenveroordeling van de moeder verzocht met betrekking tot zijn werkelijke kosten bestaande uit alle advocaatrekeningen die hij heeft gekregen in verband met zijn klacht- en gerechtelijke procedures en rekeningen van de systeemtherapie en mediation. Het hof wijst het verzoek van de vader af voor zover het de kosten betreft die zien op zijn therapie en mediation, omdat het geen kosten zijn die deze procedure betreffen. Voor zover het verzoek van de vader in dit verband strekt tot schadevergoeding is daarvoor in deze procedure geen plaats.

De andere kosten zien op de werkelijke advocaatkosten van de huidige procedure en het eerder ingestelde hoger beroep met betrekking tot het juridisch vaderschap. In het huidige hoger beroep kan voor die eerdere procedure niet een proceskostenveroordeling worden verzocht. En mocht de vader het verzoek in zoverre als schadevergoedingsvordering bedoelen, dan is ook daarvoor in deze procedure geen plaats. Voor de facturen van de advocaat die mogelijk de kosten van het kort geding van 10 oktober 2018 zouden betreffen, geldt dat in die procedure een compensatie van de kosten is uitgesproken waartegen geen hoger beroep is ingesteld.

Voor de overige kosten dient allereerst beoordeeld te worden of er reden is om af te wijken van de hoofdregel dat bij de beoordeling van de proceskosten in familierechtelijke procedures een compensatie van de kosten volgt. Pas indien het hof de moeder in de proceskosten van de vader zou veroordelen, volgt een beoordeling van de vraag of de werkelijke advocaatkosten vergoed dienen te worden.

Uit de feiten blijkt dat de moeder is afgeweken van de afspraken die in het ouderschapsplan zijn gemaakt, waardoor de vader zich genoodzaakt heeft gezien om de procedure met betrekking tot (onder meer) de omgang en voornaamswijziging te starten. Ook heeft zij aanvankelijk geprobeerd de positie van de vader te minimaliseren onder andere door hem zelfs te verhinderen [de minderjarige] te erkennen en [de man] wel te laten erkennen. De verstandhouding tussen de moeder en de vader is al in een vroeg stadium ernstig verstoord geraakt en zoals het hof in de beschikking van 14 juli 2020, r.o. 3.15 al overwoog heeft de moeder een groot aandeel gehad in deze verstoring van de verstandhouding. Zij heeft in dit verband echter inmiddels positieve stappen weten te zetten. Bovendien kan niet ontkend worden dat ook de vader zijn aandeel heeft in de verstoorde verstandhouding en dat sprake is van een negatieve spiraal waar de ouders al heel snel in terecht zijn gekomen. In deze zaak is bijvoorbeeld illustratief dat de vader de kosten van zijn klacht tegen de kraamzorg op de moeder wil verhalen. Gebleken is dat [de minderjarige] ouders heeft die qua persoonlijkheid moeilijk matchen en daardoor hulp nodig hebben om zich wel als ouders met elkaar te leren verhouden.

Een proceskostenveroordeling zal de fragiele relatie tussen beide ouders sterk negatief beïnvloeden en ook het niet eenvoudige leerproces voor de ouders negatief beïnvloeden.

Het hof ziet daarom onvoldoende aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van een compensatie van de proceskosten en komt dan niet toe aan de beoordeling van de door de vader verzochte werkelijke kosten.

5.19

Bovenstaande leidt tot de volgende beslissingen.

6 De beslissing

Het hof, in het principaal hoger beroep:

De omgangsregeling

bekrachtigt de bestreden beschikking behalve wat betreft de duur van een jaar en het halen en brengen van [de minderjarige] en in zoverre met vernietiging van de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat als minimale omgangsregeling heeft te gelden, dat [de minderjarige] verblijft bij de vader:

  • -

    in de oneven weken van donderdag 9.00 uur tot vrijdag 17.00 uur;

  • -

    in de even weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;

waarbij de gezinsvoogd met inachtneming van het belang van [de minderjarige] de uitbreiding kan bepalen;

en bepaalt dat de vader en de moeder ieder de helft van het halen en brengen voor hun rekening nemen, waarbij wanneer er gewisseld moet worden de ouder [de minderjarige] ophaalt bij de ouder bij wie [de minderjarige] het laatst verbleven is;

De feestdagen en vakanties

bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft de vakantieregeling en verjaardagen en

opnieuw rechtdoende, bepaalt dat [de minderjarige] de helft van de feestdagen bij de vader is en de helft van de feestdagen bij de moeder, waarbij de gezinsvoogd een bindende regeling kan bepalen bij gebreke aan overeenstemming tussen de ouders;

bepaalt deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

De voornaamswijziging

Bekrachtigt de bestreden beschikking waarin de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek is verklaard;

compenseert de proceskosten tussen de ouders in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, mr. J. Kloosterhuis en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Baauw als griffier en is op 24 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.