Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2707

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
28-09-2021
Zaaknummer
200.286.784/01, 200.290.027/01 en 200.291.994/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gronden voor onderbewindstelling en mentorschap waren en zijn aanwezig, terwijl met minder verstrekkende maatregelen niet kan worden volstaan. Beschikkingen kantonrechter bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.286.784/01, 200.290.027/01 en 200.291.994/01

zaaknummers rechtbank: 8702359 EB VERZ 20-11160, 8702852 EB VERZ 20-11173, 8834091 EB VERZ 20-13712 en 8834103 EB VERZ 20-13714

beschikking van de meervoudige kamer van 24 augustus 2021 inzake

[de betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. C.M.E. Schreinemacher te Amsterdam.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

- [de bewindvoerder] h.o.d.n. [X] bewindvoering, (hierna: de bewindvoerder), bijgestaan door mr. S.A.C. Verzaal, advocaat te Utrecht;

- Stichting Cordaan t.a.v. de heer [Y] (hierna te noemen: Cordaan).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierna onder 2.1 te noemen beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Betrokkene is op 4 december 2020 met één beroepschrift in hoger beroep gekomen van:

- de beschikking van 9 september 2020, met zaaknummer 8702359 EB VERZ 20-11160 (zaaknummer in hoger beroep: 200.286.784/01);

- de beschikking van 9 september 2020, met zaaknummer 8702852 EB VERZ 20-11173 (zaaknummer in hoger beroep: 200.290.027/01);

- de beschikking van 4 november 2020 met zaaknummers 8834091 EB VERZ 20-13712 en 8834103 EB VERZ 20-13714 (zaaknummer in hoger beroep: 200.291.994/01).

2.2

De bewindvoerder heeft op 3 februari 2021 een verweerschrift in alle drie de zaken ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen op 24 juni 2021, een journaalbericht van de zijde van de bewindvoerder van 23 juni 2021 met bijlagen.

2.4

De mondelinge behandeling van de drie zaken heeft gelijktijdig op 8 juli 2021 plaatsgevonden. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook zijn verschenen de bewindvoerder en, namens Cordaan, mevrouw A. de Bruijn en de heer J. van Zijp, beiden specialist Ouderengeneeskunde, bijgestaan door mr. S.A.C. Verzaal voornoemd.

2.5.

Gezien de onderlinge samenhang, wordt met deze beschikking in alle drie de zaken beslist.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1946 te [geboorteplaats] .

Hij verblijft thans in een instelling van Cordaan, Woonzorgcentrum [het woonzorgcentrum] te [plaats A] .

3.2

Bij beschikking van 21 april 2021 heeft de kantonrechter een verzoek van de bewindvoerder tot omzetting van de huidige maatregelen in curatele afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 9 september 2020, met zaaknummer 8702359 EB VERZ 20-11160, heeft de kantonrechter op verzoek van Cordaan de goederen die betrokkene toebehoren of zullen toebehoren onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [de bewindvoerder] h.o.d.n. [X] bewindvoering te [plaats B] , tot bewindvoerder.

Bij de bestreden beschikking van 9 september 2020, met zaaknummer 8702852 EB VERZ 20-11173, heeft de kantonrechter op verzoek van Cordaan ten behoeve van betrokkene tevens een mentorschap ingesteld, met benoeming van voornoemde bewindvoerder tot mentor.

Bij de bestreden beschikking van 4 november 2020 heeft de kantonrechter de verzoeken van betrokkene tot opheffing van de onderbewindstelling respectievelijk het mentorschap en tot ontslag van de bewindvoerder en mentor, afgewezen.

4.2

Betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, primair zijn verzoeken tot opheffing van de onderbewindstelling respectievelijk het mentorschap en tot ontslag van de bewindvoerder en mentor alsnog toe te wijzen. Subsidiair verzoekt betrokkene een familielid van betrokkene (een nicht) als mentor te benoemen.

4.3

De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:431 lid 1, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden.

5.2

Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen, indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

5.3

Ter beoordeling ligt voor de vraag of betrokkene in staat is ten volle zijn belangen van zowel vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand.

5.4

Ter zitting in hoger beroep heeft betrokkene zijn subsidiaire verzoek ingetrokken. omdat zijn nicht niet bereid bleek het bewindvoerder- en/of mentorschap op zich te nemen.

5.5

Betrokkene voert aan dat niet gezegd kan worden dat hij door zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Zijn doel is terugkeer naar zijn eigen woning. Betrokkene voelt zich erg beperkt door de bewindvoering en het mentorschap en wil niet zijn levenseinde doorbrengen in een instelling van Cordaan. Hij heeft daar last van depressieve gevoelens en is ongelukkig. Daarnaast heeft hij thans dubbele woonlasten doordat de kosten voor zijn eigen woning ook doorlopen. Hij heeft geen schulden en voldoende inkomsten, te weten € 3.706,12 per maand en een buffer van € 40.000,-, om zijn uitgaven te financieren.

De kantonrechter heeft voorts ten onrechte overwogen dat betrokkene bekend zou zijn geweest met zelfverwaarlozing. Dit is niet het geval. Hij heeft evenmin zorgmijdend gedrag laten zien. Voordien kon betrokkene ook zelfstandig in zijn woning verblijven en kreeg hij hulp van Cordaan en de thuiszorg. Zij zorgden voor zijn persoonlijke verzorging en de schoonmaak van zijn huis. Tevens regelden zij praktische zaken voor hem. Betrokkene had ook een noodknop voor directe hulp. De cognitieve vermogens van betrokkene zijn nooit onderzocht. Hij kan veel zelfstandig. Na twee door hem zelf geïnitieerde oogoperaties kon hij weer lezen en via zijn telefoon berichten sturen. Ook heeft betrokkene altijd zelf zijn administratie gedaan en beschikt hij over een ondersteunend netwerk met een nicht en een goede vriend, de heer [Z] . Betrokkene wenst dan ook de mogelijkheden tot terugkeer naar zijn woning in de toekomst te onderzoeken en een aanvraag te doen in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze aanvraag heeft nooit plaatsgevonden omdat volgens de bewindvoerder betrokkene eerst thuis moet wonen alvorens een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden, hetgeen onjuist is. Het resultaat is dat er niets gebeurt. Daarnaast dient een onderzoek te komen naar de intensiteit van de benodigde zorg. De bewindvoerder staat ook hieraan in de weg. Zij handelt niet in het belang van betrokkene.

5.6

Door Cordaan is ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat betrokkene door zijn beperkingen en aandoeningen een kwetsbare man is op zowel cognitief als lichamelijk vlak. Als gevolg van zijn problemen is het niet mogelijk om bij hem een neurologisch onderzoek uit te voeren. Wel valt indirect af te leiden dat hij een beperkt ziekte-inzicht heeft, gelet op de beslissingen die hij neemt. Er is sprake van een aanzienlijk valrisico en een risico op medicatieweigering. Daarnaast heeft betrokkene slik- en spraakproblemen. Dit alles bij elkaar genomen acht Cordaan het te complex voor betrokkene om zelf de regie te voeren. In maart 2020 was betrokkene opgenomen bij Cordaan en in september 2020 is hij weer naar huis gegaan. Vervolgens is betrokkene weer opgenomen omdat het thuis niet ging. Bij Cordaan is de gezondheidssituatie van betrokkene stabiel. Hij is daar medicatietrouw. Zijn wens om naar huis terug te keren, is invoelbaar, maar het moet wel veilig en haalbaar zijn, aldus Cordaan.

5.7

Door de bewindvoerder is naar voren gebracht dat Cordaan en de bewindvoerder het beste voor hebben met betrokkene en dat zij met hem meedenken ten aanzien van mogelijkheden om zijn wensen in te willigen. Betrokkene dient dan echter wel open te staan voor hulp en inzicht te geven in zijn situatie. Hij is afhankelijk van permanente somatische zorg vanwege diverse chronische medische aandoeningen. De bewindvoerder acht betrokkene als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand niet in staat om ten volle zijn (al dan niet vermogensrechtelijke) belangen waar te nemen. Betrokkene heeft geen schulden gemaakt en ook zijn administratie was op orde, maar volgens de bewindvoerder zijn bewind en mentorschap vereist om hem te kunnen voorzien van noodzakelijke verzorgingsmiddelen opdat hij de zorg kan genieten die hij behoeft. Tevens kunnen daardoor de noodzakelijke dingen voor betrokkene geregeld worden, temeer nu hij zich niet verstaanbaar kan maken en beschikt over een beperkt ziekte-inzicht. Er zullen binnenkort ook beslissingen genomen moeten worden omtrent de woning van betrokkene. Een professionele bewindvoerder heeft kennis en deskundigheid met betrekking tot de beschikbare financiële voorzieningen evenals de mogelijkheden in dat kader, waardoor handhaving van het huidige bewind de meest passende oplossing lijkt. Terugkeer naar zijn eigen woning kan uitsluitend geschieden als aannemelijk is dat hij daar veilig kan wonen. Deze wens van betrokkene wordt door de hulp- en zorgverleners serieus genomen. Er is echter, mede gezien de juridische procedures, weinig ruimte geweest om een algeheel onderzoek te doen naar de mogelijkheden.

Er is reeds gekeken naar wat haalbaar is. Er zijn meerdere contacten geweest, ook met de buren. De buren hebben de mantelzorg voor betrokkene als zwaar ervaren, dus dat is geen mogelijkheid meer. Een grote renovatie van de woning, waarbij de badkamer beneden geplaatst wordt, zou een optie zijn, maar dan is een goede communicatie tussen alle betrokken partijen noodzakelijk en deze ontbreekt tot op heden. Er moet tevens een concreet beeld komen van de mogelijkheden van alle zorg die betrokkene thuis nodig zal hebben.

Betrokkene wil een onderzoek in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Als betrokkene akkoord gaat met een onafhankelijk medisch onderzoek, kan dat geregeld worden op basis van de CIZ-indicatie, die betrokkene reeds heeft gekregen. Vervolgens kan dan een Persoonsgebonden budget (PGB) worden aangevraagd waarmee zorg ingekocht kan worden. Dit betreft een specialistisch traject dat de bewindvoerder in gang kan en wil zetten voor de rechthebbende, mits hij open staat voor deze hulp en zijn medewerking hieraan verleent.

5.8

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene als gevolg van een hersenstaminfarct in 2014 lijdt aan een spraak-, taal- en slikstoornis waardoor hij niet kan praten en genoodzaakt is tot sondevoeding. Daarnaast is hij gediagnosticeerd met diabetes mellitus 2, heeft hij een verblijfskatheter en is hij rolstoelafhankelijk. Dientengevolge is betrokkene chronisch afhankelijk van permanente somatische zorg.

Na een ziekenhuisopname in februari 2019 is betrokkene opgenomen in de Wijkkliniek Eben Haëzer van Cordaan, waarna hij is ontslagen onder de voorwaarde dat hij driemaal per dag thuiszorg zou accepteren. Echter, er was sprake van een kwetsbare thuissituatie, zorgmijdend gedrag en zelfverwaarlozing, waardoor betrokkene in maart 2020 opnieuw is opgenomen in genoemde Wijkkliniek. Vervolgens is hij, na een korte terugkeer naar zijn eigen woning in september 2020, overgeplaatst naar locatie [het woonzorgcentrum] van Cordaan, alwaar hij tot op heden verblijft. De Wijkkliniek heeft destijds voor betrokkene een indicatie verpleeghuiszorg aangevraagd en geadviseerd tot de aanvraag van het mentorschap en bewindvoering ten behoeve van een deugdelijke zorgverlening aan betrokkene.

De wens van betrokkene om terug te keren naar zijn eigen woning is invoelbaar. Door alle betrokken partijen wordt met hem meegedacht om te kijken wat de mogelijkheden hiertoe zijn in de nabije toekomst. De hulpverlening acht een stap naar meer zelfstandigheid echter thans nog prematuur. Volgens een emailbericht van 29 september 2020 van betrokkenes geriatriefysiotherapeut van Cordaan, kan betrokkene met behulp van een rollator kleine afstanden afleggen onder begeleiding van twee personen. Hij heeft hierbij altijd veel steun, sturing en instructies nodig. Gezien het feit dat betrokkene in de chronische fase van een Cerebro Vasculair Accident (CVA) zit, is de verwachte vooruitgang op dit gebied beperkt. Daarnaast heeft betrokkene een heel beperkt ziekte-inzicht en lijkt hij zijn mogelijkheden niet goed in te kunnen schatten. Deze bevindingen van de geriatriefysiotherapeut zijn ter zitting in hoger beroep onderschreven door de beide specialisten ouderengeneeskunde.

Tijdens een Multidisciplinair Client Overleg (MDCO) is in november 2020 geoordeeld dat het valrisico als gevolg van de huidige cognitieve en fysieke status van betrokkene erg groot is in de thuissituatie, waardoor een behoefte zou ontstaan aan onplanbare zorg, omdat zich 24 uur per dag incidenten kunnen voordoen. De verwachting is ook dat de cognitieve functie van betrokkene verder achteruit zal gaan in plaats van zal verbeteren.

Op grond van hetgeen ter zitting in hoger beroep door de specialisten ouderengeneeskunde naar voren is gebracht, staat voor het hof vast dat betrokkene weinig ziekte-inzicht heeft. Daardoor heeft hij geen realistisch beeld van zijn precaire gezondheidssituatie en ontstaat zelfoverschatting. Tegen deze achtergrond is voldoende komen vast te staan dat betrokkene thans een veilige en gestructureerde omgeving nodig heeft waar hij de benodigde medicatie en passende intensieve en gespecialiseerde begeleiding krijgt, zoals in zijn huidige woonvorm bij Cordaan. Door de bewindvoerder is ter zitting in hoger beroep toegezegd vanuit die situatie het door betrokkene gewenste onafhankelijke medisch onderzoek in gang te zetten. Het is hiernaast ook van belang dat de financiën van betrokkene op orde zijn en blijven. Hoewel is gebleken dat betrokkene zijn administratie op orde had en hij geen schulden had, acht het hof hem door zijn beperkte ziekte-inzicht en gebrekkige communicatiemogelijkheden onvoldoende in staat om de juiste beslissingen te nemen en daarover te communiceren, en de (financiële) consequenties daarvan te overzien. Dit terwijl er in de nabije toekomst complexe en belangrijke beslissingen genomen dienen te worden genomen aangaande zijn zorg- en woonsituatie met mogelijk aanzienlijke (financiële) gevolgen.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof betrokkene als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand duurzaam niet in staat ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen en zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. De gronden voor onderbewindstelling en mentorschap waren en zijn daarom aanwezig, terwijl met minder verstrekkende maatregelen niet kan worden volstaan. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter dan ook bekrachtigen.

5.9

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier, en is op 24 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.