Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2670

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
200.293.026/01 en 200.293.026/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummers: 200.293.026/01 en 200.293.026/02

Zaaknummer rechtbank: C/13/695031 / FA RK 20-8608 (HE/PS)

Beschikking van de meervoudige kamer van 17 augustus 2021 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep en in het incident,

verweerster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep en in het incident,

verzoeker in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Dickhoff te Diemen.

Als belanghebbenden zijn mede aangemerkt, de minderjarigen:

- [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] );

- [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] );

- [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3] ).

Hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

Als informant is aangemerkt:

- Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank), van 24 februari 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 16 april 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 februari 2021 (zaaknummer 200.293.026/01). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van die beschikking (zaaknummer 200.293.026/02).

2.2

De man heeft op 21 mei 2021 een verweerschrift ingediend in het hoger beroep en in het incident. Het verweerschrift bevat tevens een incidenteel appel.

2.3

De vrouw heeft op 30 juni 2021 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken in beide zaken ingekomen:

- een brief van de zijde van de man van 6 juli 2021, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de man met bijlagen van 7 juli 2021, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 8 juli 2021, ingekomen op dezelfde datum.

- een brief van de zijde van de vrouw van 9 juli 2021, ingekomen per faxbericht op dezelfde datum.

2.5

Bij voornoemde brief van de zijde van de man van 6 juli 2021 is bezwaar gemaakt tegen het door de vrouw ingediende verweerschrift in het incidenteel hoger beroep. Bij e-mailbericht van 9 juli 2021 heeft het hof aan partijen medegedeeld dat het geen acht zal slaan op het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de vrouw van 30 juni 2021, nu de inhoud hiervan verder strekt dan alleen een reactie op het verzoek van de man in het incidenteel hoger beroep. Wel zal het hof de producties behorend bij het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, producties IX t/m XIII, in beschouwing nemen. Het hof heeft mr. Brouwer in de gelegenheid gesteld om opnieuw een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep in te dienen.

2.6

De vrouw heeft op 12 juli 2021 een nieuw verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.7

Het hof heeft [kind 1] en [kind 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [kind 1] en [kind 2] hebben hun mening per brief kenbaar gemaakt. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van deze brieven zakelijk weergegeven. Partijen hebben gelegenheid gehad daarop te reageren.

2.8

De mondelinge behandeling in het hoger beroep en in het incident heeft op 15 juli 2021 gelijktijdig plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- JBRA, vertegenwoordigd door de gezinsmanager.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard geen bezwaar te hebben tegen de mondelinge behandeling van de zaak zonder de aanwezigheid van de raad.

De advocaat van de man heeft pleitnotities overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit het (inmiddels door echtscheiding ontbonden) huwelijk van de vrouw en de man zijn geboren:

- [kind 1] , [in] 2009 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , [in] 2009 te [geboorteplaats] ;

- [kind 3] , [in] 2014 te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk: de kinderen).

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.2

Bij de echtscheidingsbeschikking van 17 oktober 2018 van de rechtbank Amsterdam is bepaald dat het door partijen getekende ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In dit ouderschapsplan is – kort gezegd – de volgende zorgregeling vastgelegd: de kinderen zijn eenmaal per twee weken een weekend bij de man van vrijdagmiddag tussen 17:30 uur en 18:00 uur tot maandagochtend tussen 08:30 uur en 09:00 uur (naar school). Tevens zijn de kinderen eenmaal in de vier weken (tien keer per jaar) van maandagavond van 17:30 uur tot de daaropvolgende vrijdagochtend tussen 08:30 uur en 09:00 uur (naar school) bij de man. De vakantie- en feestdagen en studiedagen worden bij helfte gedeeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op verzoek van de man de volgende zorgregeling met ingang van 23 augustus 2021 bepaald:

- de man heeft de kinderen de oneven weken bij zich en de vrouw de even weken. De wisselmomenten zullen plaatsvinden op maandag om 18:00 uur. De ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, brengt de kinderen naar de andere ouder;

- de ouders hebben ieder de helft van de zomervakantie de kinderen bij zich gedurende drie aaneengesloten weken. De man zal in de oneven jaren de eerste keus hebben en de vrouw in de even jaren. De keus zal door de betreffende ouder uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaand aan de betreffende zomervakantie worden gemaakt. De aanvang van de vakantie begint en eindigt op een wisselmoment;

- de overige vakanties (voorjaars-, mei-, herfst- en kerstvakantie), feestdagen en bijzondere dagen (o.a. Sinterklaas) zullen aansluiten bij de week waarin de kinderen bij de betreffende ouder verblijven;

- de verjaardag van [kind 3] zal in de oneven jaren bij de vrouw worden gevierd en in de even jaren bij de man. De verjaardagen van [kind 1] en [kind 2] zullen in de even jaren bij de vrouw worden gevierd en in de oneven jaren bij de man. De verjaardagen van de ouders zullen worden gevierd op de dag van hun verjaardag, waarbij de kinderen op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw zullen verblijven en op de verjaardag van de man bij de man. De kinderen zullen, wanneer zij niet bij de betreffende ouder verblijven, de dag voor hun verjaardag vanaf 18:00 uur bij de ouder verblijven waar de verjaardag zal worden gevierd tot de dag volgend op de verjaardag 10:00 uur, dan wel tot het tijdstip dat de kinderen naar school gaan. Dat geldt voor alle kinderen. De ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen terug naar de andere ouder en de ouder waar de verjaardag wordt gevierd, brengt de kinderen terug naar de andere ouder;

- Moederdag en de verjaardag van de vrouw worden bij de vrouw gevierd en Vaderdag en de verjaardag van de man bij de man, volgens het schema als hiervoor bij de verjaardagen van de kinderen is bepaald.

De zorgregeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De hoofdzaak (200.293.026/01)

In principaal hoger beroep

4.2

De vrouw verzoekt de bestreden beschikking deels te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans de inleidende verzoeken van de man alsnog af te wijzen;

- te bepalen dat partijen het zorgschema uit productie 5 van het verweerschrift in eerste aanleg dienen uit te voeren, althans een zodanige regeling te treffen als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4.3

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, met uitzondering van de beslissing van de rechtbank over de overige vakanties, feestdagen en bijzondere dagen, althans de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel als ongegrond af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep

4.4

De man verzoekt de bestreden beschikking deels te vernietigen voor zover de beschikking betrekking heeft op de overige vakanties (voorjaars-, mei-, herfst- en kerstvakantie), feestdagen en bijzondere dagen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

- ten aanzien van de kerstvakantie de ouders om het jaar de kinderen voor de duur van de gehele kerstvakantie bij zich zullen hebben, waarbij de vrouw de kinderen de even jaren bij zich zal hebben en de man de oneven jaren;

- de kinderen die week van de meivakantie bij de vrouw doorbrengen, waarin Moederdag en de verjaardag van de vrouw valt en de andere week bij de man. Indien geen van beide dagen in de meivakantie vallen alsdan te bepalen dat de man de eerste week heeft in de even jaren en de tweede week in de oneven jaren;

- de man de kinderen in de even jaren zal hebben in de herfstvakantie en de vrouw in de oneven jaren;

- de man de kinderen in de oneven jaren zal hebben in de voorjaarsvakantie en de vrouw in de even jaren;

- Pasen en Hemelvaart worden gezien als vakanties inclusief weekenden waarbij de kinderen ten aanzien van Goede Vrijdag en Pasen de oneven jaren bij de man zullen verblijven en de even jaren bij de vrouw en ten aanzien van Hemelvaart de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de vrouw;

- alle vakanties, inclusief de zomervakantie, aanvangen op de dag voorafgaand aan de vakantie, zodat de weekenden direct aansluiten op de vakantie en ook volledig behoren tot die vakantie. Het wisselmoment is de avond ervoor om 18:00 uur, inclusief de hiervoor genoemde paasvakantie met dien verstande dat de Hemelvaartvakantie op de woensdagavond voor Hemelvaart aanvangt;

- ten aanzien van Pinksteren, Koningsdag en Sinterklaas alsook alle door de school vast te stellen overige lesvrije dagen, te bepalen dat de kinderen dan bij de ouder zullen zijn bij wie zij conform het even/oneven week schema zullen verblijven.

4.5

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen.

Het incident (200.293.026/02)

4.6

De vrouw verzoekt de werking van de bestreden beschikking te schorsen.

4.7

De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Gelet op de samenhang van de grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep ziet het hof aanleiding deze gezamenlijk te behandelen.

5.2

De zaak draagt een internationaal karakter nu de man de Nieuw-Zeelandse nationaliteit heeft en Brits burger is. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van het verzoek met betrekking tot wijziging van de zorgregeling. De rechtbank heeft voorts Nederlands recht toegepast op het verzoek. Nu daartegen geen grief is gericht, zal ook het hof daarvan uitgaan.

De hoofdzaak (200.293.026/01)

Ontvankelijkheid

5.3

De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

5.4

De vrouw stelt dat het verzoek van de man moet worden gezien als een verzoek tot wijziging van de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan. Derhalve is artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e BW van toepassing. Nu geen sprake is van gewijzigde omstandigheden en bij het nemen van de beslissing niet van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, heeft de rechtbank het verzoek van de man ten onrechte toegewezen.

5.5

De man is van mening dat de rechtbank hem in zijn verzoek, gestoeld op artikel 1:253a BW, terecht ontvankelijk heeft geoordeeld. Partijen waren sinds de echtscheiding blijvend in discussie over de zorgregeling en de planning van de vakanties.

5.6

Het hof overweegt als volgt. In het door partijen ondertekende ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking is vastgelegd dat de zorgregeling geldt voor de jaren 2018 en 2019. Partijen zijn overeengekomen tijdig met elkaar in overleg te treden over de zorgregeling voor de jaren na 2019. Uit de overgelegde e-mailwisselingen blijkt dat partijen wel in overleg met elkaar zijn getreden, maar dat zij er niet in zijn geslaagd een zorgregeling overeen te komen voor de jaren na 2019. Partijen moeten onder deze omstandigheden de mogelijkheid hebben zich tot de rechter te wenden met het verzoek een zorgregeling vast te stellen. De man is dus ontvankelijk in zijn verzoek om een zorgregeling vast te stellen.

Reguliere zorgregeling

5.7

De vrouw stelt dat wijziging van de huidige zorgregeling niet in het belang van de kinderen is en dat deze zou zorgen voor een inconsistente verdeling van de vakantiedagen. Uit de schoolrapporten van de kinderen blijkt dat zij het goed doen met de huidige zorgregeling.

De kinderen willen geen wijziging in de zorgregeling. Een wijziging zal grote impact hebben op het welzijn van de kinderen. Daarnaast is onduidelijk of de kinderen dezelfde welstand genieten bij de man als bij de vrouw, nu de man heeft aangegeven minder mogelijkheden te hebben om de kosten van de kinderen te dekken. De kosten van de man zullen stijgen als de kinderen 50% van de tijd bij hem verblijven. Daarnaast gaat de huidige echtgenote van de man voor de kinderen zorgen als zij na schooltijd bij de man verblijven, zij heeft echter ook nog twee kleine kinderen. Bovendien komen de kinderen alsnog bij de vrouw spelen wanneer zij formeel bij de man verblijven. De vrouw stelt voorts dat partijen in het verleden duidelijke afspraken hebben gemaakt en dat partijen deze afspraken nakomen. Zij komen er altijd samen uit. Voorts stelt de vrouw dat de veganistische leefstijl van de man van invloed is op het welzijn van de kinderen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aanvullend verklaard dat er op dit moment geen ruimte is voor wijziging van de huidige zorgregeling omdat een belangrijke periode aanbreekt voor de kinderen. [kind 2] en [kind 1] gaan naar groep acht. De kinderen moeten zich focussen op een goed eindadvies en het goed doorlopen van de brugklas. Bovendien is [kind 3] heel erg gehecht aan de vrouw. Vanaf 2025 zou de zorgregeling eventueel gewijzigd kunnen worden. De regeling uit het ouderschapsplan moet worden gehandhaafd. Wanneer de kinderen langere perioden bij de man verblijven, worden zij onrustig en emotioneel. Partijen stellen nu ieder jaar een jaarschema op. Er is enkel discussie aan het begin van het jaar, daarna zijn er geen discussies meer. De vrouw geeft voorts aan dat [kind 2] en [kind 1] een kamer moeten delen bij de man. Het is belangrijk dat zij een aparte kamer hebben omdat [kind 2] rust nodig heeft. Daarbij hebben de kinderen veel naschoolse activiteiten, de man is niet in staat de kinderen te brengen en te halen. De vrouw geeft over de veganistische leefstijl van de man aan dat de kinderen hongerig terugkomen wanneer zij bij de man hebben verbleven.

5.8

De man is van mening dat een 50-50% verdeling met één wisselmoment op maandag helder en duidelijk is voor de kinderen. Zijn huidige echtgenote is onderdeel van het gezin en het ligt daarom voor de hand dat zij voor de kinderen zal zorgen als de man er niet is. De kinderen hebben een goede band met haar. De man stelt voor de door de vrouw genoemde ISO 8601-methode te gebruiken waarbij de eerste oneven week van het jaar de eerste week van januari is waarbij de meerderheid van de dagen in januari vallen zodat daarover geen discussie meer is. Een wijziging in de zorgregeling zorgt juist voor meer rust en duidelijkheid. Partijen wonen dicht bij elkaar en de kinderen kunnen, wanneer zij bij de man zijn, met vriendjes spelen. De man voert aan dat hij het veganisme niet radicaal doorvoert. Hij verbiedt de kinderen niet om dierlijke producten te eten. De gezondheid van de kinderen staat voorop.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man aanvullend verklaard dat het belangrijk is dat een duidelijke regeling wordt vastgesteld zonder ruimte voor eigen interpretatie. Het ouderschapsplan laat teveel ruimte voor eigen interpretatie en dat zorgt voor veel discussies. Een duidelijke regeling zorgt ervoor dat partijen meer samen kunnen werken in het belang van de kinderen en niet continu discussiëren over onder andere de zorgregeling. De informatie-uitwisseling tussen partijen is prima en deze staat een week-op-week-afregeling niet in de weg. Ook is de man in staat de kinderen naar hun naschoolse activiteiten te brengen.

5.9

JBRA heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat zij betrokken is in het vrijwillig kader omdat hulpverlening via Altra tweemaal voortijdig is gestaakt. Er zit geen schot in deze hulpverlening. Een onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel is echter niet nodig omdat partijen wel meewerken. JBRA is van mening dat het voor de kinderen niet uitmaakt hoe de zorgregeling eruit ziet. Het is van belang dát er een duidelijke zorgregeling is, zodat de kinderen weten waar zij aan toe zijn. Vanuit JBRA zijn er geen zorgen over hoe de kinderen het bij beide ouders thuis hebben. JBRA geeft voorts aan dat de kinderen goed zijn in adapteren en in het voor zichzelf kunnen kiezen.

5.10

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is - onder meer - het volgende gebleken. In 2017 hebben partijen hun samenleving verbroken en in 2018 zijn zij formeel gescheiden. In de periode na het feitelijk uiteengaan tot de echtscheidingsbeschikking hebben partijen de zorg voor de kinderen enige tijd gelijkelijk verdeeld. Partijen hebben vervolgens afspraken over de kinderen vastgelegd in een ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking. Na de echtscheiding hebben partijen de zorgregeling uitgevoerd conform het ouderschapsplan. De regeling in het ouderschapsplan gold voor de jaren 2018 en 2019. In september 2019 heeft de man een melding bij Veilig Thuis gedaan wegens een oplopend conflict waar het gebruik van gebarentaal de oorzaak van was. Veilig Thuis heeft partijen doorverwezen naar JBRA. Het traject Ouderschap Blijft werd vervolgens via Altra gestart. Dit traject is voortijdig gestaakt omdat het partijen niet lukte om constructief te overleggen over zaken met betrekking tot de kinderen. Het advies van Altra luidde: partijen moeten zo min mogelijk contact met elkaar hebben omdat dit spanningen oplevert en dit kan effect hebben op de kinderen. In 2021 zijn partijen opnieuw doorverwezen naar Ouderschap Blijft via Altra. Ook dit traject is voortijdig gestaakt. JBRA is nog altijd betrokken. JBRA praat met de kinderen en met partijen waarbij het speerpunt is dat de kinderen in vrijheid kunnen praten tegenover de ene ouder over hun ervaringen bij de andere ouder. Partijen hebben veel via e-mail gediscussieerd over de invulling van het jaarschema over 2020 en 2021. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen nog altijd discussies hebben over de zorgregeling, de vakantieverdeling en de veganistische leefstijl van de man.

5.11

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een wijziging van de zorgregeling in het belang van de kinderen is. De regeling uit het ouderschapsplan houdt in dat partijen ieder jaar moeten bepalen in welke 10 weken van dat jaar de kinderen doordeweeks bij de man zullen verblijven. Dit vereist overleg, maar partijen zijn hiertoe niet in staat gebleken. Daarbij hebben partijen discussies als het jaarschema moet worden opgesteld. Een week-op-week-af-regeling zorgt voor minder wisselingen voor de kinderen en met die regeling wordt voorkomen dat partijen over de zorgregeling telkens weer in discussie treden, wat in het belang van de kinderen moet worden vermeden. JBRA heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat het belangrijk is dat de regeling duidelijk is, zodat de kinderen weten wanneer zij bij welke ouder verblijven. De week-op-week-af-regeling biedt die benodigde duidelijkheid. Partijen wonen dicht bij elkaar en de school waar de kinderen naartoe gaan is dichtbij beide woonadressen, zodat reistijd en continuïteit in sociale activiteiten aan een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet in de weg hoeven te staan. De veganistische leefstijl van de man staat aan een gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken evenmin in de weg. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kinderen niet op een adequate wijze worden verzorgd wanneer zij bij de man verblijven. Daarbij zijn er vanuit JBRA geen zorgen geuit over de thuissituatie van de man en zijn manier van opvoeden en is volgens JBRA gebleken dat de kinderen zich goed kunnen aanpassen in de verschillende thuissituaties. De financiële situatie van de man vormt evenmin aanleiding anders te beslissen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de echtgenote van de man in de praktijk ook een deel van de zorg voor de kinderen op zich zal nemen, indien de man niet beschikbaar is.

Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de zorgregeling daarom bekrachtigen. Dit houdt in dat partijen de zorg gelijkelijk zullen verdelen in een week-op-week-afregeling, waarbij de man de kinderen in de oneven weken bij zich zal hebben en de vrouw in de even weken. Voor het bepalen van de weeknummers is de ISO 8601-methode het uitgangspunt, waarbij geldt dat week 1 van een jaar de week is waarin vier of meer dagen van dat kalenderjaar vallen. Op basis van deze methode wordt vastgesteld of een week even of oneven is. Voor wat betreft de wisselmomenten zal het hof aansluiten bij de bestreden beschikking.

Dit wil zeggen dat de wisselmomenten zullen plaatsvinden op maandag om 18:00 uur. De ouder bij wie de kinderen op dat moment verblijven, brengt de kinderen naar de andere ouder.

Ingangsdatum zorgregeling

5.12

De vrouw is van mening dat de rechtbank de zorgregeling ten onrechte met ingang van het nieuwe schooljaar laat ingaan. Thans gaan [kind 2] en [kind 1] naar dezelfde school maar dit verandert als zij naar de middelbare school gaan. [kind 3] zal dan nog een aantal jaar naar de basisschool gaan. Het is onduidelijk van welke schoolvakanties vanaf 2022 wordt uitgegaan en de duur van de vakanties per school kan verschillen. Het hanteren van een jaarplanning aan de hand van de kalender is duidelijker en zal niet tot discussies leiden. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aanvullend verklaard dat de man de kinderen bijna alle vakanties van 2021 bij zich heeft als de gewijzigde zorgregeling ingaat per 23 augustus 2021.

5.13

De man stelt zich op het standpunt dat de zorgregeling terecht ingaat met ingang van het nieuwe schooljaar. De start van het schooljaar is een duidelijk moment en dit voorkomt dat partijen discussiëren over de invulling van de regeling. Daarbij is de invulling van de schoolvakanties aan de hand van de schooljaren een betere manier dan een jaarplanning zoals de vrouw wenst.

5.14

Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal voor wat betreft de ingangsdatum van de zorgregeling aansluiten bij de bestreden beschikking. De zorgregeling zal derhalve ingaan per 23 augustus 2021. Niet is gebleken dat de kinderen een langere tijd nodig zouden hebben om zich voor te bereiden op een nieuwe regeling. Gelet op de discussie tussen partijen over welke weken oneven en welke weken even zijn, merkt het hof ter voorlichting van partijen op dat de weeknummering volgens de ISO 8601-methode in de gebruikelijke agenda’s vermeld staat en dat een week aanvangt op de maandag en eindigt op de zondag. De week van 23 augustus 2021, de datum waarop de zorgregeling ingaat, is een even week, het weeknummer is immers nummer 34, vastgesteld conform de ISO 8601-methode. Dit betekent dat de vrouw de kinderen die week, te weten de week na de zomervakantie van 2021, bij zich heeft.

Vakanties

5.15

De vrouw stelt dat de vakantieverdeling zoals de rechtbank heeft vastgesteld niet rijmt met de reguliere zorgregeling in de bestreden beschikking. De vakanties en weekenden zijn niet gelijk verdeeld tussen partijen. Dit is niet in het belang van de kinderen en dit is nooit de bedoeling van partijen geweest. Bovendien kunnen de vakanties van de kinderen verschillen wanneer zij naar een andere school gaan. Voorts is het van belang dat de kinderen in de kerstvakantie niet slechts bij één ouder verblijven. Wanneer de kinderen in de zomervakantie gedurende drie weken aaneengesloten bij één ouder moeten verblijven gaan de kinderen de andere ouder missen. De man geeft de kinderen daarnaast onvoldoende gevarieerd eten. Ook vraagt de vrouw zich af of familiebezoek in Nieuw-Zeeland zin heeft voor [kind 1] en [kind 2] , zij zijn namelijk maar een paar keer in Nieuw-Zeeland geweest. Het huidige schema is flexibeler en in het belang van de kinderen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aanvullend verklaard dat het belangrijk is dat de kinderen tijdens de kerst bij haar zijn en heeft zij nogmaals benadrukt dat de kinderen volgens haar in de kerstvakantie niet twee weken aaneengesloten bij één ouder kunnen verblijven. Wanneer de nieuwe zorgregeling ingaat per 23 augustus 2021 en de vakantieverdeling uit de bestreden beschikking wordt gevolgd, dan heeft de man de kinderen bijna alle vakanties van 2021 bij zich.

5.16

De man is het evenmin eens met de vakantieverdeling en heeft op dit punt incidenteel appel ingesteld. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de kinderen in de zomervakantie gedurende drie aaneengesloten weken bij één ouder verblijven. Op deze manier kan de man, samen met de kinderen, zijn familie in Nieuw-Zeeland bezoeken of de familie van zijn huidige echtgenote in de Verenigde Staten. De vrouw is daarnaast ook gedurende de drie weken in de zomervakantie in staat om haar familie in Bulgarije te bezoeken. Voor het overige is de man het niet eens met de vakantieverdeling zoals vastgelegd in de bestreden beschikking. De man wenst de kinderen om het jaar twee weken aaneengesloten bij zich te hebben in de kerstvakantie zodat hij ook dan op familiebezoek kan gaan met de kinderen of kan wintersporten. Als de kerstvakantie volledig bij één ouder wordt gespendeerd, is sprake van een bijna gelijke verdeling in vakanties. Voor wat betreft de meivakantie is de man van mening dat de week waarin de verjaardag van de vrouw valt en Moederdag de kinderen bij de vrouw verblijven. Als deze dagen niet in de meivakantie vallen, wenst de man de kinderen in de even jaren de eerste week bij zich te hebben en de oneven jaren de tweede week. Voorts is de man van mening dat het onhandig is dat de vakanties ingaan vanaf het wisselmoment op de maandag, het is beter om de avond voorafgaand aan de vakantie als wisselmoment te bepalen. Hierdoor kan optimaal gebruik worden gemaakt van de vakantieperiode, zeker wanneer een lange reis gemaakt gaat worden. Daarnaast wil de man dat wordt vastgelegd dat de weekenden die direct aansluiten op een vakantie, bij die vakantie horen en niet bij de zorgregeling.

5.17

Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de vakantieverdeling gedeeltelijk vernietigen en een nieuwe vakantieverdeling vaststellen. Het hof is van oordeel dat de vakanties op een andere manier moeten worden verdeeld dan in de bestreden beschikking is vastgelegd, omdat de vakanties anders niet op een zo gelijk mogelijke manier worden verdeeld in de komende jaren. Tevens is het hof van oordeel dat het weekend voorafgaand aan de zomervakantie meetelt met de vakantieregeling zodat partijen allebei in de gelegenheid worden gesteld om tijdens de zomervakantie drie weken op vakantie te gaan met de kinderen. Het hof zal de regeling hieronder per vakantie uitwerken.

zomervakantie

5.18

Voor wat betreft de zomervakantie overweegt het hof dat de ouders ieder de helft van de zomervakantie de kinderen bij zich hebben gedurende drie aaneengesloten weken. Dit maakt familiebezoek in het buitenland mogelijk. De stelling van de vrouw dat de kinderen hongerig terugkomen na een langer verblijf bij de man is geen reden om de zomervakantie op een andere manier te verdelen, nu er over de wijze van opvoeden van de kinderen door de man, daaronder begrepen zijn veganistische levensstijl, geen zorgen bestaan. Bovendien leent de leeftijd van de kinderen zich voor een dergelijke verdeling van de zomervakantie. De man zal in de oneven jaren de eerste keus hebben en de vrouw in de even jaren. De keus zal door de betreffende ouder uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van de betreffende zomervakantie worden gemaakt. Het jaar 2022 is een even jaar. Dit betekent dat de vrouw de eerste keus heeft. Uiterlijk op 1 december 2021 moet de vrouw aangeven of zij de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij zich wenst te hebben of de laatste drie weken van de zomervakantie. Het hof zal de aanvang van de vakantieverdeling voor de zomervakantie, conform het verzoek van de man, vaststellen op de vrijdag voorafgaand aan het weekend dat de vakantie begint, om 18:00 uur. Dit betekent dat de kinderen op de vrijdag voorafgaand aan de zomervakantie om 18:00 uur bij de ouder worden gebracht die de kinderen vervolgens drie weken aaneengesloten bij zich heeft. Het wisselmoment in de zomervakantie zal het hof bepalen op zaterdag 10:00 uur.

Dit betekent dat, na de drie weken vakantie die ingaan op de vrijdag voorafgaand aan de vakantie om 18:00 uur, de kinderen op zaterdag 10:00 uur worden teruggebracht naar de andere ouder die de kinderen vervolgens drie weken bij zich heeft. Het eind van de zomervakantie is bepaald op zaterdag 10:00 uur zodat de kinderen tussendoor een weekend bij de andere ouder verblijven alvorens zij op maandag mogelijk terug gaan naar de ouder waar zij de drie weken daaraan voorafgaand hebben gespendeerd. Dit voorkomt bovendien dat de kinderen vier weken onafgebroken bij de ene ouder verblijven zonder de andere ouder te zien.

herfstvakantie

5.19

Voor wat betreft de herfstvakantie bepaalt het hof dat de kinderen in de even jaren bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw. Voor 2021 betekent dit dat de kinderen de herfstvakantie bij de vrouw zullen verblijven. In 2022 zullen de kinderen gedurende de herfstvakantie bij de man verblijven. Het ingangsmoment van de herfstvakantie is de vrijdag voorafgaand aan het weekend waarin de vakantie begint om 18:00 uur. Het eind van de herfstvakantie is gelijk aan het wisselmoment van de reguliere zorgregeling, dit wil zeggen maandag 18:00 uur.

kerstvakantie

5.20

Voor wat betreft de kerstvakantie bepaalt het hof dat de vakantie gelijkelijk wordt verdeeld. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat het efficiënter is de kinderen om het jaar twee weken aaneengesloten bij zich te hebben gedurende de kerstvakantie. Wintersport is doorgaans een vakantie van niet langer dan een week en de kinderen verblijven in de zomervakantie reeds drie aaneengesloten weken bij de man, zodat familiebezoek dan mogelijk is. Het hof zal de kerstvakantie als volgt verdelen. De kinderen zijn in de kerstvakantie in de oneven jaren de eerste week, inclusief beide kerstdagen, bij de vrouw, en de tweede week, inclusief oud en nieuw bij de man en in de even jaren omgekeerd. Het jaar 2021 is een oneven jaar. Dit betekent dat voor 2021 geldt dat de kinderen de eerste week van de kerstvakantie, inclusief beide kerstdagen, bij de vrouw verblijven. De tweede week van de kerstvakantie, inclusief oud en nieuw, zullen de kinderen bij de man verblijven. Op deze manier heeft een ouder de kinderen bij zich of tijdens kerst of tijdens oud en nieuw. Het ingangsmoment van de kerstvakantie is de vrijdag voorafgaand aan het weekend waarin de vakantie begint om 18:00 uur. Het wisselmoment in de kerstvakantie is gelijk aan de reguliere zorgregeling, dit wil zeggen maandag 18:00 uur. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 wordt hierop een uitzondering gemaakt nu kerst en/of oud en nieuw in deze jaren in het weekend vallen en de kinderen anders zowel kerst en oud en nieuw bij dezelfde ouder verblijven. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 geldt als wisselmoment in de kerstvakantie 31 december van het betreffende jaar om 10:00 uur.

voorjaarsvakantie

5.21

Voor wat betreft de voorjaarsvakantie bepaalt het hof dat de kinderen in de even jaren bij de vrouw verblijven en in de oneven jaren bij de man. Het ingangsmoment van de voorjaarsvakantie is de vrijdag voorafgaand aan het weekend waarin de vakantie begint, om 18:00 uur. Het eind van de voorjaarsvakantie is gelijk aan het wisselmoment van de reguliere zorgregeling, dit wil zeggen maandag 18:00 uur.

meivakantie

5.22

Voor wat betreft de meivakantie zal het hof het volgende bepalen. Wanneer de meivakantie één week duurt zullen de kinderen in de even jaren bij de man verblijven en in de oneven jaren bij de vrouw. Als de meivakantie twee weken duurt verblijven de kinderen een week bij ieder van de ouders.

De ouder waar de kinderen zouden verblijven op basis van de verdeling wanneer de meivakantie een week zou bedragen mag kiezen welke week de kinderen bij hem of haar verblijven. De keuze moet uiterlijk op 1 december in het voorafgaande jaar kenbaar worden gemaakt. Voor 2022 betekent dit dat wanneer de meivakantie één week bedraagt de kinderen gedurende de meivakantie bij de man zullen verblijven omdat 2022 een even jaar is. Als de meivakantie twee weken bedraagt moet de man uiterlijk 1 december 2021 aangeven welke week van de meivakantie hij de kinderen bij zich wil hebben. Het ingangsmoment van de meivakantie is de vrijdag voorafgaand aan het weekend waarin de vakantie begint, om 18:00 uur. Het eind van de voorjaarsvakantie is gelijk aan het wisselmoment van de reguliere zorgregeling, dit wil zeggen maandag 18:00 uur.

5.23

Het hof zal het verzoek van de man om Pasen en Hemelvaart in het kader van de zorgregeling als vakantie te beschouwen afwijzen. Pasen en Hemelvaart zijn feestdagen en de man heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze dagen als vierdaagse vakantie moeten worden beschouwd.

Verjaardagen

5.24

De vrouw stelt dat de verdeling met betrekking tot de verjaardagen door de rechtbank niet juist is vastgelegd. Deze verdeling levert onnodige overdrachtsmomenten op. Het schema uit het ouderschapsplan is flexibeler en bovendien in het belang van de kinderen. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw aanvullend verklaard dat de kinderen in de regeling uit het ouderschapsplan geen specifiek wisselmoment hebben met hun verjaardagen en dat de verjaardagen meelopen in de reguliere regeling.

5.25

De man is van mening dat de rechtbank de regeling voor de verjaardagen terecht heeft vastgesteld. De vastgestelde regeling is hetzelfde als de regeling uit het ouderschapsplan, met uitzondering van het wisselmoment.

5.26

Het hof overweegt als volgt.

In het ouderschapsplan is een regeling opgenomen waarbij de verjaardagen van de kinderen worden verdeeld over de ouders. De regeling uit de bestreden beschikking is nagenoeg hetzelfde, met uitzondering van het wisselmoment. Het hof zal de bestreden beschikking op het punt van de verjaardagen van de kinderen en van partijen bekrachtigen. Op deze manier hebben de kinderen de gelegenheid de gehele verjaardag bij de betreffende ouder te vieren.

Feestdagen en bijzondere dagen

5.27

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij het belangrijk vindt dat de kinderen tijdens Pasen bij haar zijn.

5.28

De man is het eens met de regeling in de bestreden beschikking waarbij de feestdagen de reguliere zorgregeling volgen. De man heeft incidenteel appel ingesteld met betrekking tot Pasen en Hemelvaart en wil dat deze dagen worden gezien aangemerkt als een vierdaagse vakantie. Gelet op het overwogene in r.o. 5.23 zal het hof dit hier verder niet bespreken.

5.29

Het hof overweegt als volgt.

In het ouderschapsplan is bepaald dat Goede Vrijdag en Pasen in de even jaren bij de vrouw worden besteed en in de oneven jaren bij de man. De andere feestdagen zouden in overleg worden verdeeld. Gelet op het overwogene in r.o. 5.10 staat vast dat partijen lang discussiëren over een zorgschema en onvoldoende tot overleg in staat zijn.

Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de feestdagen en bijzondere dagen bekrachtigen, zodat vaststaat op welke feestdag de kinderen bij welke ouder verblijven en partijen hierover niet hoeven te discussiëren. Dit betekent dat de feestdagen en bijzondere dagen (o.a. Sinterklaas) aansluiten bij de reguliere zorgregeling. Deze regeling geeft structuur en biedt duidelijkheid. Het hof zal de bestreden beschikking met betrekking tot de verdeling voor Moederdag en Vaderdag bekrachtigen. Dit betekent dat Moederdag bij de vrouw wordt gevierd en Vaderdag bij de man, waarbij dezelfde wisselmomenten gelden als bij de verjaardagen.

Het incident (200.293.026/02)

5.30

Nu bij deze beschikking een einduitspraak in de hoofdzaak wordt gegeven, is daarmee het belang van de vrouw bij een beslissing op het schorsingsverzoek komen te vervallen. Het schorsingsverzoek zal dus worden afgewezen.

5.31

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.293.026/01

In principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover de beschikking betreft de verdeling van de reguliere zorg- en opvoedingstaken per 23 augustus 2021, de verdeling van de verjaardagen van de kinderen en van de ouders, Vader- en Moederdag en de verdeling van de feestdagen en bijzondere dagen;

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover de beschikking betreft de verdeling van de vakanties en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de volgende verdeling met betrekking tot de vakanties vast:

  • -

    voor alle vakanties geldt dat de ingangsdatum de vrijdag voorafgaand aan de vakantie om 18:00 uur is. Voor alle vakanties, met uitzondering van de zomervakantie en met uitzondering van de kerstvakantie in de jaren 2021, 2022 en 2023, geldt dat het wisselmoment tijdens de vakantie gelijk is aan het wisselmoment van de reguliere zorgregeling, dat wil zeggen maandag om 18:00 uur;

  • -

    gedurende de zomervakantie verblijven de kinderen drie aaneengesloten weken bij een ouder. De man zal in de oneven jaren de eerste keus hebben en de vrouw in de even jaren. De keus zal door de betreffende ouder uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaand aan de betreffende zomer kenbaar worden gemaakt. Tijdens de zomervakantie is het wisselmoment op zaterdag om 10:00 uur. Het wisselmoment na de laatste drie weken zomervakantie is eveneens op zaterdag om 10:00 uur;

  • -

    gedurende de herfstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

  • -

    gedurende de kerstvakantie verblijven de kinderen een week bij de man en een week bij de vrouw. De kinderen zullen in de oneven jaren de eerste week, inclusief beide kerstdagen, bij de vrouw verblijven en in de tweede week, inclusief oud en nieuw bij de man en in de even jaren omgekeerd. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 wordt hierop een uitzondering gemaakt en geldt als wisselmoment tijdens de kerstvakantie 31 december van het betreffende jaar om 10:00 uur;

  • -

    gedurende de voorjaarsvakantie verblijven de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

  • -

    gedurende de meivakantie verblijven de kinderen de even jaren bij de man en de oneven jaren bij de vrouw als de meivakantie één week duurt. Wanneer de meivakantie twee weken duurt zal de vakantie gelijkelijk worden verdeeld. De ouder waar de kinderen zouden verblijven op basis van de verdeling wanneer de meivakantie een week zou bedragen mag kiezen welke week de kinderen bij hem of haar verblijven. De keuze zal door de betreffende ouder uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaand aan de betreffende meivakantie aan de andere ouder kenbaar worden gemaakt.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.293.026/02

wijst het schorsingsverzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, C.E. Buitendijk en J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier en is op 17 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.