Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2661

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
11-09-2021
Zaaknummer
200.287.951/01 en 200.287.958/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen en familierecht, meerderjarigenbescherming. In hoger beroep alsnog afwijzing verzoeken tot bewind en mentorschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.287.951/01 en 200.287.958/01

Zaaknummer rechtbank: 8773866 BM VERZ 20-2697 TP en 8773867 MB VERZ 20-471 TP

Beschikking van de meervoudige kamer van 17 augustus 2021 inzake

[de betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. L.M. van Rooij-Houweling te Zeist.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

- [de dochter] , de dochter van de betrokkene (hierna te noemen: de dochter);

- [medewerker zorginstelling] , namens de zorginstelling Evean (hierna te noemen: Evean);

- [de bewindvoerder] , vennoot van [X] Bewindvoering te Amsterdam (hierna: [de bewindvoerder] ), advocaat: aanvankelijk mr. B.M.A. Kersten te Amsterdam, thans zonder advocaat.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad (hierna: de kantonrechter), van 5 oktober 2020 respectievelijk 7 oktober 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Betrokkene is op 4 januari 2021 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen.

2.2

[de bewindvoerder] heeft op 15 maart 2021 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 8 juli 2021 plaatsgevonden. In de zittingzaal zijn toen verschenen:

- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

- [de waarnemend bewindvoerder] als waarnemer van de bewindvoerder.

De dochter heeft aan de mondelinge behandeling deelgenomen door middel van een videoverbinding.

Evean en de waarnemend mentor van betrokkene, [de waarnemend mentor] , zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De feiten

3.1

Betrokkene is geboren [in] 1926 te [geboorteplaats] , Nederlands-Indië.

3.2

Nadat betrokkene in zorgelijke toestand was aangetroffen in haar woning, is zij opgenomen geweest in het ziekenhuis en vervolgens overgeplaatst naar [woonzorglocatie 1] van Evean in [plaats A] . Sinds 2 november 2020 verblijft betrokkene in [woonzorglocatie 2] van Evean in [plaats B] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 5 oktober 2020 heeft de kantonrechter op verzoek van Evean de goederen die de betrokkene (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand, met benoeming van [de bewindvoerder] voornoemd tot bewindvoerder.

Bij de bestreden beschikking van 7 oktober 2020 heeft de kantonrechter op verzoek van Evean ten behoeve van betrokkene een mentorschap ingesteld, met benoeming van [de bewindvoerder] voornoemd tot mentor.

4.2

Betrokkene verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling en instelling van mentorschap alsnog af te wijzen.

4.3

[de bewindvoerder] verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking van 5 oktober 2020 te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ter beoordeling is de vraag voor of ten tijde van de bestreden beschikking van 5 oktober 2020 gronden aanwezig waren voor de onderbewindstelling van de goederen die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn. Daarnaast ligt ter beoordeling voor of ten tijde van de bestreden beschikking van 7 oktober 2020 gronden aanwezig waren voor het instellen van een mentorschap ten behoeve van betrokkene en of deze gronden thans (nog) aanwezig zijn.

5.2

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden.

Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW kan de rechter ten behoeve van een meerderjarige een mentorschap instellen, indien de meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

5.3

Betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte de onderbewindstelling heeft uitgesproken. Zij betwist dat zij niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Zij heeft haar bankzaken altijd zelf geregeld en wil dit blijven doen. Zij begrijpt dat zij in een zorgwekkende toestand is aangetroffen in haar woning en dat derden de indruk kregen dat zij niet meer in staat zou zijn haar vermogensbelangen behoorlijk waar te nemen. Deze indruk is echter onjuist; een korte periode van een lichamelijk verslechterde situatie kan niet leiden tot onderbewindstelling. Een deskundigenverklaring die dit ondersteunt, ontbreekt. Betrokkene is na revalidatie weer geheel hersteld en zij is helder van geest. Er is geen sprake van een lichamelijke of geestelijke handicap. Uit de brief van de behandelend arts van betrokkene van 29 december 2020 blijkt dat deze haar wilsbekwaam acht in het zelfstandig nemen van medische beslissingen.

Daarnaast stelt betrokkene dat de kantonrechter het verzoek tot mentorschap ten onrechte heeft toegewezen. Uit voornoemde brief van haar behandelend arts blijkt dat mentorschap tegen de wil van betrokkene niet noodzakelijk is.

5.4

[de bewindvoerder] stelt dat de kantonrechter op goede gronden de onderbewindstelling en het mentorschap ten behoeve van betrokkene heeft uitgesproken en dat deze gronden voor wat betreft de onderbewindstelling nog steeds aanwezig zijn. Hij voert daartoe het volgende aan. Betrokkene heeft in de laatste periode voor de onderbewindstelling haar bankzaken niet zelfstandig gedaan. Zij had haar bankpas aan haar buurman gegeven, zodat deze geld voor haar kon pinnen. Toen deze buurman was verhuisd, heeft zij haar bankpas aan de heer [Y] (hierna: [Y] ) gegeven. Gebleken is dat [Y] drie keer een bedrag van € 1.000,- heeft opgenomen van de rekening van betrokkene. In eerste instantie was [Y] niet open over de geldbedragen die hij van de rekening had gehaald en kon hij ook geen bonnen tonen met betrekking tot de besteding van het bedrag. [de bewindvoerder] stelt voor een leefgeldrekening voor betrokkene te openen, waarvan de pinpas door [Y] kan worden beheerd. [Y] kan dan het leefgeld pinnen en aan betrokkene geven of aankopen doen ten behoeve van betrokkene. [de bewindvoerder] acht voorts het mentorschap ten behoeve van betrokkene niet meer nodig.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De onderbewindstelling en instelling van het mentorschap zijn op verzoek van de zorginstelling Evean uitgesproken nadat betrokkene in zorgelijke toestand (uitgedroogd en verwaarloosd) was aangetroffen in haar woning. Zij was op dat moment niet in staat haar belangen waar te nemen. De kinderen van betrokkene wonen in het buitenland. Ook overigens was er op dat moment niemand die haar belangen kon of wilde waarnemen. Tegen deze achtergrond acht het hof voldoende aannemelijk dat de gronden voor onderbewindstelling en mentorschap ten tijde van de bestreden beschikkingen aanwezig waren.

5.6

Na haar verblijf in het ziekenhuis is betrokkene met een verpleeghuisindicatie opgenomen op de somatische afdeling van [woonzorglocatie 1] van Evean in [plaats A] en vervolgens met ingang van 2 november 2020 overgeplaatst naar [woonzorglocatie 2] van Evean in [plaats B] . Sindsdien is betrokkene volgens haar behandelend arts cognitief en lichamelijk verbeterd. Betrokkene is – aldus de behandelend arts in haar brief van 29 december 2020 - grotendeels zelfstandig in het doen van algehele dagelijkse levensverrichtingen zoals wassen en aankleden, kent goed de weg in het verpleeghuis en zoekt actief sociëteit op. Daarnaast ziet de behandelend arts weinig aanwijzingen voor korte of lange termijn geheugenstoornissen. Betrokkene onthoudt afspraken en nodigt ook actief derden uit om aanwezig te zijn bij deze afspraken. Het meervoudig handelen en plannen verlopen goed, zij kan argumenten benoemen waarom zij het eens of niet eens is met het medisch beleid en heeft inzicht in de gevolgen van haar beslissingen. De behandelend arts acht betrokkene wilsbekwaam in het zelfstandig nemen van medische beslissingen en is van mening dat mentorschap niet langer noodzakelijk is. Ook [de bewindvoerder] is die mening toegedaan, zo blijkt uit zijn verweerschrift en het besprokene ter zitting in hoger beroep.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de gronden voor mentorschap niet langer aanwezig zijn. Het hof zal daarom het inleidend verzoek tot instelling van het mentorschap ten behoeve van betrokkene met ingang van heden afwijzen, met vernietiging van de bestreden beschikking van 7 oktober 2020 in zoverre.

5.7

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene een sterke wens heeft om zelf verantwoordelijk voor haar financiën te zijn. Zo heeft zij aangegeven dat zij zelf wil beslissen waaraan zij haar geld uitgeeft en dat zij niet om haar geld wil hoeven vragen. Zij vraagt [Y] soms geld voor haar te pinnen of haar naar het ziekenhuis te brengen. Hij is een grote steun voor haar. De dochter van betrokkene heeft het hof ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat haar moeder heel goed en precies weet om te gaan met haar financiën en dat [Y] en leden van haar kerkgemeenschap haar daarbij helpen.

De waarnemend bewindvoerder heeft in reactie daarop aangegeven dat duidelijk is dat [Y] veel voor betrokkene doet, maar dat hij in oktober 2020 grote bedragen van de bankrekening van betrokkene heeft opgenomen. Hoewel te goeder trouw, heeft hij dit niet in overleg met betrokkene of de bewindvoerder gedaan. Daarbij komt dat het beheren van financiën meer omvat dan pinnen. Betrokkene verblijft in een verpleeghuis en moet daarvoor een eigen bijdrage betalen aan het Centraal Administratie Kantoor AWBZ. Het is de vraag of betrokkene dat allemaal kan overzien, aldus de waarnemend bewindvoerder.

De advocaat van betrokkene heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zich kan voorstellen dat de bewindvoerder zorgen heeft over grote geldopnames. In het onderhavige geval was er echter een goede verklaring voor de door [Y] opgenomen bedragen. Nadat betrokkene was opgenomen in het verpleeghuis, diende haar huurwoning te worden leeggehaald en in oude staat te worden teruggebracht. [Y] heeft daarvoor gezorgd en de opgenomen bedragen daarvoor aangewend. Hij heeft dit gedeeltelijk besproken met betrokkene, maar heeft ook gedeeltelijk op eigen initiatief gehandeld. Een en ander is wel gebeurd conform de wil van betrokkene, aldus haar advocaat.

Naar het oordeel van het hof is erin de gegeven omstandigheden onvoldoende grond voor de conclusie dat betrokkene thans nog in een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand verkeert, dat zij niet in staat is om haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook verder zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die voortzetting van het bewind rechtvaardigen. Desgevraagd heeft de waarnemend bewindvoerder ter zitting in hoger beroep verklaard dat betrokkene schuldenvrij is en nog enige reserve heeft. Het argument dat betrokkene wellicht niet de financiële gevolgen van haar verblijf in een verpleeghuis overziet, is onvoldoende zwaarwegend, gezien de steun die betrokkene ontvangt van [Y] , de kerk en het verpleeghuis. Voor de geldopnames door [Y] is een voldoende plausibele verklaring gegeven. Of betrokkene overweg zal kunnen met internetbankieren – waarop de bewindvoerder inmiddels is overstapt – zal moeten blijken, maar doet evenmin aan het voorgaande af. Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor onderbewindstelling niet langer aanwezig zijn. Het hof zal het verzoek tot onderbewindstelling van de goederen die betrokkene (zullen) toebehoren dan ook met ingang van heden afwijzen, met vernietiging van de bestreden beschikking van 5 oktober 2020 in zoverre.

5.8

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

wijst de inleidende verzoeken tot onderbewindstelling van de goederen die betrokkene (zullen) toebehoren en tot instelling van mentorschap ten behoeve van betrokkene met ingang van heden af en vernietigt de beschikkingen waarvan beroep in zoverre ;

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep voor het overige;

bepaalt dat [de bewindvoerder] binnen twee maanden na de datum van deze beschikking eindrekening en -verantwoording aflegt aan de betrokkene onder overlegging van een - zo mogelijk door de betrokkene voor akkoord ondertekend - exemplaar daarvan aan het Bewindbureau van de rechtbank Noord-Holland;

gelast de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, sectie kanton, in verband met aantekening in het centraal curatele- en bewindregister.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A. van Haeringen en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 17 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.