Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2650

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
23-001906-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het witwassen van drie goudstaven, tot een gevangrnisstraf voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001906-17

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-702045-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

27 juni 2018, 11 juli 2018, 29 april 2021 en 12 augustus 2021 en, overeenkomstig het bepaalde

bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek

ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf van vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en het bewijsmiddel met nummer 3 in de aanvulling op het verkort vonnis, pagina 2 - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande, dat het hof naar aanleiding van het standpunt van de raadsman en daaruit voortkomende voorwaardelijke verzoeken, alsmede naar aanleiding van nader onderzoek in hoger beroep, als volgt de overwegingen van de rechtbank zal aanvullen.

Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de goudstaven die de verdachte vervoerde van enig misdrijf afkomstig zijn.

In hoger beroep heeft de verdediging, net als in eerste aanleg, in de kern gesteld dat de drie onder de verdachte in beslag genomen goudstaven afkomstig zijn uit de erfenis van de schoonvader van de verdachte, genaamd [naam 1] , alias [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

Naar aanleiding van deze stelling heeft het hof, in aanvulling op het onderzoek in eerste aanleg naar [naam 1] , zijn erfenis en de internationale familieverbanden, op de zitting van 11 juli 2018 het horen van [naam 2] en [naam 3] noodzakelijk geacht.

De weduwe van [naam 1] , [naam 2] , is op 13 november 2020 door de raadsheer-commissaris gehoord. Zij heeft verklaard dat zij getrouwd was met [naam 1] , dat zij samen een zoon en een dochter hebben en dat zij de verdachte noch zijn partner [naam 3] kent. Voorts heeft zij verklaard dat [naam 1] heel weinig geld had, een gehandicaptenuitkering ontving en dat zij alle geldzaken regelde. Het is niet waar dat haar man een erfenis heeft nagelaten (in de vorm van geld dan wel goudstaven), zo heeft zij verklaard.1 De partner van de verdachte, [naam 3] , kon niet nader gehoord worden door de Duitse autoriteiten, aangezien de opgegeven adresgegevens niet juist waren en zij niet getraceerd kon worden.2

Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen in een auto, met drie goudstaven in zijn broekband en een groot geldbedrag in biljetten van € 500 onder zich, terwijl in de auto ook een grote hoeveelheid vals geld is gevonden, is een vermoeden van witwassen zonder meer gerechtvaardigd.

Dit vermoeden wordt versterkt door de op 16 maart 2017 afgelegde verklaring van de

ex-partner van de verdachte, [naam 4] , die ten overstaan van de Duitse autoriteiten heeft verklaard dat de verdachte haar heeft verteld dat hij zogenoemde ‘cash to cash’ zaken deed; ‘dat zijn zaken waar mensen bij het inwisselen van goud vermeend echt geld, maar in werkelijkheid vals geld ontvangen’.3

Het hof is van oordeel, in aansluiting op de overwegingen van de rechtbank, dat de verklaring van de verdachte onvoldoende concreet tegenwicht biedt tegen de verdenking. Uit eerder onderzoek is geen verband gebleken tussen de overledene en de partner van de verdachte (anders dan een, zo heeft de verdachte verklaard, veel voorkomende achternaam). Verder blijkt dit verband evenmin uit de in hoger beroep afgelegde verklaring van zijn weduwe, die bovendien niet op de hoogte is van enige noemenswaardige erfenis. Het vermoeden dat sprake is van witwassen blijft zodoende bestaan, nu met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de goudstaven een legale herkomst hebben.

Al met al is het hof van oordeel, op grond van alle feiten en omstandigheden, dat een criminele herkomst van de goudstaven als enige optie resteert en dat de verdachte dat wist.

De achtergrond van de zaak - de verdachte is afkomstig uit de Roma-gemeenschap, waar volgens de raadsman familieverbanden complex zijn en officiële documenten vaak ontbreken - maakt dat niet anders, in tegendeel. Nader (internationaal) onderzoek naar de familierelatie tussen de partner van de verdachte en [naam 1] is niet noodzakelijk nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het goud heeft geërfd. Datzelfde heeft te gelden voor nader onderzoek naar het smelten van de goudstaven of de ouderdom daarvan. Het hof wijst de voorwaardelijke verzoeken van de raadsman daarom af.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld

tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de drie bij de verdachte aangetroffen goudstaven verbeurd verklaard.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden met aftrek van voorarrest, met verbeurdverklaring van de drie goudstaven.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. In dat verband heeft de raadsman gewezen op de bijkomende straf van verbeurdverklaring van het goud, de ouderdom van het feit, de overschrijding van de redelijke termijn en de omstandigheid dat de verdachte niet eerder is veroordeeld in Nederland.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft drie goudstaven, die van misdrijf afkomstig zijn en een totale waarde van

€ 105.000 vertegenwoordigen, witgewassen. Door vermogen met een dergelijke herkomst wit te wassen wordt het vertrouwen in de integriteit van het financieel-economische verkeer, van groot belang voor een goed functionerende samenleving, aangetast. Het hof acht het bewezenverklaarde een ernstig feit en neemt het de verdachte kwalijk dat hij, ten koste van de samenleving, heeft gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Gelet op de aard en de ernst van het feit en de waarde van de goudstaven is het hof van oordeel, mede gezien de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) inzake fraude in algemene zin, dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden gerechtvaardigd zou zijn.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2021 is hij in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, aangezien de verdachte is aangehouden op 29 mei 2015, het vonnis dateert van 18 mei 2017 en het hof het arrest uitspreekt op 26 augustus 2021. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond binnen ten hoogste twee jaar voor de eerste instantie en ten hoogste twee jaar in hoger beroep. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep compenseren, door de in beginsel geboden geachte gevangenisstraf van zeven maanden te matigen en alles afwegende, de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van zes maanden.

Beslag

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven goudstaven. De goudstaven zullen verbeurd worden verklaard omdat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een goudstaaf, gewicht 1 kilo, goednummer 4986675;

een goudstaaf, gewicht 1 kilo, goednummer 4986677;

een goudstaaf, gewicht 1 kilo, goednummer 4986678.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. E. van Die, mr. S. Clement en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

26 augustus 2021.

Mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van videoverhoor getuige van 13 november 2020 van de raadsheer-commissaris, los opgenomen in het dossier.

2 Proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 29 oktober 2019.

3 Een geschrift, te weten een getuigenverhoor van 16 maart 2017 met nummer 711000-001921-17/3 van District politiebureau Märkischer Kreis te Iserlohn, opgesteld door ambtenaar [naam 5] , afgelegd naar aanleiding van een rechtshulpverzoek, los opgenomen in het dossier.