Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2648

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
23-002440-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-002440-20

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2020 in de strafzaak onder parketnummer 96-196134-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 12 augustus 2021.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen

de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep op 12 augustus 2021 door het gerechtshof toegelaten wijziging is

aan de verdachte tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 26 augustus 2019 te Purmerend een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd

of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine-achtigen, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 387 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde;

subsidiair:

hij op of omstreeks 26 augustus 2019 te Purmerend een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd

of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine-achtigen, althans MDMA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 387 althans 350 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft gesteld dat, omdat het bloedonderzoek in deze zaak niet binnen twee weken na ontvangst is verricht, artikel 16 lid 1 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: het Besluit) is geschonden. Als gevolg daarvan is het onderzoeksresultaat onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen.

Feiten en omstandigheden

Op 26 augustus 2019 is de verdachte te Purmerend als bestuurder van een auto aangehouden naar aanleiding van een eenzijdig verkeersongeval. De verbalisant heeft een speekseltest afgenomen;

de uitslag daarvan was positief op cocaïne, amfetamine en methamfetamine.1 De verdachte is lopend aangetroffen in de berm naast een afrit van de rijksweg A7. Zijn auto stond naast de vluchtstrook in

het gras. Ten overstaan van de verbalisant heeft hij verklaard: ‘Ik zat er alleen in…ik reed gewoon

120 kilometer per uur en vloog daarna uit de bocht’. De verbalisant heeft opgetekend dat de verdachte vergrote pupillen had, dat de verbalisant soms vragen enkele malen moest herhalen en dat de verdachte sloom en wat afwezig overkwam.2 Onderzoek ter plekke heeft uitgewezen dat de maximumsnelheid 70 kilometer per uur was, dat remsporen zichtbaar waren, dat een verkeerspaal uit de grond was gereden en dat de auto was beschadigd aan de voorzijde.3

De verdachte heeft toestemming verleend voor bloedonderzoek; de bloedmonsters zijn overeenkomstig het Besluit gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld en voorzien van de SIN nummers [nummer 1] en [nummer 2] en zijn verzonden naar het laboratorium in Duitsland.4

Gezien het Rapport drugs in het verkeer van 23 september 2019 is het bloedmonster van de verdachte met SIN nummer [nummer 1] onderzocht. Daarin is onder meer 350 microgram per liter bloed van de stof MDMA aangetroffen. De aanvraag voor het bloedonderzoek bij het laboratorium in Duitsland is gedaan op 26 augustus 2019. Het onderzoeksmateriaal afkomstig van de verdachte is op 27 augustus 2019 per koerier door het laboratorium ontvangen en het bloed is voorafgaand aan de analyse en daarna bewaard bij -20 graden Celsius.5

Conclusie van het hof

In het licht van de beschreven feiten en omstandigheden is sprake van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 Wvw 1994, aangezien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek, met het oog op de betrouwbaarheid van het resultaat daarvan, heeft omringd. De bloedmonsters zijn

zo spoedig mogelijk door een opsporingsambtenaar naar een geaccrediteerd laboratorium verzonden en zijn op de in Bijlage 1, als bedoeld in artikel 7 van de Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Regeling) voorgeschreven wijze vervoerd en bewaard.

De omstandigheid dat in het rapport niet is vermeld op welke datum het bloedonderzoek feitelijk heeft plaatsgevonden is niet doorslaggevend. Het onderzoeksrapport heeft weliswaar als datum 23 september 2019, maar daarmee staat niet vast dat het bloedonderzoek is gedaan buiten de termijn van artikel 16 lid 1 van het Besluit. Gelet op de overige in het Besluit en de Regeling opgenomen waarborgen voor bloedonderzoek, die in acht zijn genomen, is het hof van oordeel dat het onderzoeksresultaat voldoende betrouwbaar is om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te komen. Het hof betrekt bij dit oordeel het resultaat van de direct door de verbalisant afgenomen speekseltest en de - hiervoor beschreven - staat waarin de verbalisant de verdachte heeft aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan,

met dien verstande dat:

subsidiair:

hij op 26 augustus 2019 te Purmerend een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten MDMA, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW 94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 350 microgram per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die hierboven zijn vervat

onder het kopje ‘feiten en omstandigheden’.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid

ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis,

waarvan€ 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk, het onvoorwaardelijke deel te betalen in zes maandelijkse termijnen van € 50,00, met een proeftijd van twee jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen

als door de rechter in eerste aanleg zijn opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht de verdachte geen geldboete op te leggen omdat hij schulden heeft en zich in een traject van schuldsanering bevindt. De raadsman is verder van mening dat er geen reden is de verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat geen sprake is van recidive met betrekking tot het rijden onder invloed van drugs. De verdachte heeft in dat verband verklaard dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om zijn zoon in het weekend op te halen en terug te brengen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd onder invloed van verdovende middelen. Hij heeft daarbij

een eenzijdig ongeval veroorzaakt. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 juli 2021 is hij eerder voor rijden onder invloed van alcohol onherroepelijk veroordeeld, tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Deze voorwaardelijk opgelegde straf heeft de verdachte er niet van weerhouden na gebruik van drugs deel te nemen aan het verkeer. Dit weegt het hof in het nadeel van de verdachte. Ook strafverzwarend is dat door het drugsgebruik sprake was van gevaarlijk en zeer onverantwoord rijgedrag, terwijl niet is gebleken dat de verdachte dat inziet. Het hof is van oordeel dat in dit geval niet meer kan worden volstaan met een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin

zitting hadden mr. E. van Die, mr. S. Clement en mr. A.P.M. van Rijn, in tegenwoordigheid van

mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

26 augustus 2021.

Mr. A.P.M. van Rijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van aanhouding met nummer PL1100-2019164939-3 van 26 augustus 2019, opgesteld door de verbalisant [verbalisant 1], dossierpagina 4 e.v.

2 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019164393-5 van 26 augustus 2019, opgesteld door de verbalisant [verbalisant 2], dossierpagina 8 e.v.

3 Een proces-verbaal van aanrijding overtreding met nummer PL1100-2019164939-2 van 13 januari 2020, opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3], dossierpagina 19 e.v.

4 Een proces-verbaal van rijden onder invloed met nummer PL1100-2019164939-1 van 7 oktober 2019 met bijlagen, opgesteld door de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], dossierpagina 13 e.v.

5 Een geschrift, te weten een Rapport drugs in het verkeer van Labor Mönchengladbach van 23 september 2019, aangevraagd door de verbalisant [verbalisant 3], opgesteld door forensisch toxicoloog [naam], dossierpagina 36 e.v.