Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2641

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
23-002899-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 197 Sr. Terugverwijzing HR (ECLI:NL:HR:2020:1893). OM acht voortzetting vervolging thans niet opportuun. OM niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002899-20

datum uitspraak: 19 augustus 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 1 december 2020 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-703113-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1969,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het tenlastegelegde – kort gezegd: het als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof heeft in hoger beroep bij arrest van 4 mei 2017 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 1 december 2020 het arrest van het gerechtshof vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en, na terugwijzing, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2021.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 20 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

In de Nederlandse rechtspraktijk heeft er naar aanleiding van in 2016 en in 2018 gestelde prejudiciële vragen lange tijd onzekerheid bestaan over de reikwijdte van het bepaalde in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze onzekerheid heeft ertoe geleid dat zaken waar het ging om overtreding van artikel 197 Sr lange tijd niet werden aangebracht bij het hof, en voor zover zaken wel werden aangebracht, deze voor onbepaalde tijd zijn aangehouden.

In 2018 heeft het OM gelet op de hiervoor genoemde onzekerheid besloten om (bijna) de gehele voorraad artikel 197 Sr-zaken bij het hof aan te brengen en te vorderen dat het in die zaken niet-ontvankelijk in de vervolging van de betreffende verdachten zou worden verklaard, omdat er twijfel bestond of artikel 197 Sr een basis kon vormen voor vervolging en de behandeling van de zaken - in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad - onredelijk lang zou duren.

In 2019 heeft het hof in een reeks oudere zaken het openbaar ministerie - op daartoe strekkende vordering - niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de betreffende derdelanders ter zake van overtreding van artikel 197 Sr (o.a. ECLI:NL:GHAMS:2019:1736). Ook nadien is het hof die lijn in de betreffende categorie van zaken blijven aanhouden (o.a. ECLI:NL:GHAMS:2020:780 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1768).

Hoewel de Hoge Raad met zijn (in de zaak van de verdachte) op 1 december 2020 gewezen arrest inmiddels duidelijkheid heeft geschapen, brengt het gelijkheidsbeginsel mee dat deze zaak op dezelfde wijze dient te worden afgedaan als de zaken die in 2019, 2020 en 2021 zijn behandeld, nu het niet redelijk is dat de vervolging in deze zaak wel zou worden voortgezet.

Het hof overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 29 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:515) in verband met de reikwijdte van artikel 197 Sr een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de aanvangstermijn van het inreisverbod, zoals onder meer genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van
16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PbEG 1348/98). Het HvJ EU heeft die vraag bij arrest van 26 juli 2017 (ECLI:EU:C:2017:590) beantwoord, waarna de Hoge Raad in de desbetreffende zaak op 14 november 2017 eindarrest heeft gewezen (ECLI:NL:HR:2017:2862).

In de onderhavige zaak heeft de Hoge Raad op 27 november 2018 opnieuw een prejudiciële vraag gesteld aan het HvJ EU, eveneens over (artikel 11, tweede lid, van) de Terugkeerrichtlijn in verband met de toepasselijkheid van artikel 197 Sr (ECLI:NL:HR:2018:2192). De op 27 november 2018 gestelde prejudiciële vraag heeft het HvJ EU bij arrest van 17 september 2020 beantwoord (ECLI:EU:C:2020: 724). Naar aanleiding daarvan heeft de Hoge Raad in deze zaak op 1 december 2020 eindarrest gewezen en daarin een nadere uitleg over het toepassingsbereik van artikel 197 Sr gegeven (ECLI:NL:HR:2020: 1893).

Naar het hof ambtshalve bekend is, werd de behandeling sinds eerstgenoemd arrest van de Hoge Raad in reeds bij dit hof aanhangig gemaakte zaken tegen zogeheten derdelanders – illegalen die geen burger van de Europese Unie zijn, op wie de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en die worden verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan overtreding van artikel 197 Sr – tot voor kort voor onbepaalde tijd aangehouden. Nieuwe zaken zijn in die periode over het algemeen niet bij de strafrechter aangebracht.

Op 25 mei 2019 heeft het hof in een reeks oudere zaken het openbaar ministerie – op daartoe strekkende vordering – niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de betreffende derdelanders ter zake van overtreding van artikel 197 Sr. Ook nadien is het hof die lijn in de betreffende categorie van zaken blijven aanhouden.

Artikel 197 Sr is geplaatst in het Tweede Boek, Titel VIII Sr: misdrijven tegen het openbaar gezag. Het hof constateert dat van het in dit artikel strafbaar gestelde misdrijf geen concrete personen slachtoffer (kunnen) zijn. In de voorliggende zaak tegen de verdachte – een derdelander – zijn sinds het tenlastegelegde inmiddels bijna zes jaren verstreken. Gelet op bovenstaande factoren, in onderling verband bezien, en met name in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie – naar in het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal ligt besloten – zelf van mening is dat met voortzetting van de vervolging redelijkerwijs geen enkel strafrechtelijk belang meer is gediend en voortzetting van die vervolging thans niet opportuun is, zal het hof het openbaar ministerie ten aanzien van tenlastegelegde niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. K.J. Veenstra en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

19 augustus 2021.

Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.