Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2639

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-09-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
23-003219-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 3 onder C van de Opiumwet . Verwerping verweer 359a Sv. Bewijsoverweging. Beslag. Onttrekking aan het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003219-18

datum uitspraak: 2 september 2021

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-127357-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [adres] 1994,

zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

19 augustus 2021.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 29 juni 2018 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5370 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat kort na het binnentreden van de hotelkamer aan de verdachte de cautie gegeven had moeten worden, omdat de verbalisanten voorwerpen zagen liggen met een link naar strafbare feiten. Op dat moment was onduidelijk jegens wie het strafrechtelijk onderzoek zich richtte, terwijl er allerlei vragen aan de verdachte werden gesteld. Het niet voldoen aan de cautieplicht levert een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv op. Volgens de raadsman dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting van zowel de antwoorden die de verdachte in de hotelkamer op vragen van de verbalisanten heeft gegeven als de henneptoppen die vervolgens bij de doorzoeking zijn aangetroffen; de verbalisanten zijn immers door de beantwoording van de vragen bij de hennep terechtgekomen. Dit heeft de aanhouding van de verdachte en een verblijf op het politiebureau tot gevolg gehad.

Het hof stelt voorop dat indien de verdediging een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd, aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren, wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De daarbij in acht te nemen factoren zijn: i) het belang dat het geschonden voorschrift dient, ii) de ernst van het verzuim en iii) het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Alleen op een zodanig verweer is het hof gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

De raadsman heeft weliswaar bewijsuitsluiting bepleit, maar heeft zijn betoog niet, althans onvoldoende gemotiveerd aan de hand van voornoemde factoren. Meer in het bijzonder heeft de raadsman nagelaten te benoemen welk nadeel door het (vermeende) vormverzuim voor de verdachte is veroorzaakt, waarbij opmerking verdient dat de aanhouding als gevolg van de ontdekking van de in de door de verdachte bewoonde hotelkamer aangetroffen henneptoppen niet als een rechtens te respecteren belang kan worden aangemerkt en die aanhouding derhalve niet een nadeel als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv oplevert. Voorts heeft de raadsman bij zijn verzoek tot bewijsuitsluiting nagelaten zich uitdrukkelijk rekenschap te geven van de gevallen waarin dit verstrekkende rechtsgevolg in aanmerking kan komen (vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL: HR:2013:BY5322). Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van het aantreffen van de henneptoppen, nu naar het oordeel van het hof niet zonder meer valt in te zien wat het directe verband is tussen de – inhoudelijk weinig betekenisvolle – antwoorden van de verdachte en de henneptoppen die zijn aangetroffen bij de latere doorzoeking van de hotelkamer, waarvoor de verdachte overigens toestemming had gegeven.

Nu hetgeen de raadsman omtrent het verzuim van opgenoemde vormen heeft aangevoerd niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, zal het hof het verweer reeds om die reden passeren.

Bewijsoverweging

Uit de door de verdachte afgelegde verklaring blijkt dat hij al bijna vier weken in de desbetreffende hotelkamer verbleef. Dat er eerder ook andere personen in de hotelkamer zijn geweest, doet niet af aan het feit dat de verdachte degene is die in de hotelkamer is aangetroffen, hij daar naar eigen zeggen al een week alleen verbleef en dat er onder meer een zak met ongeveer een kilo hennep is aangetroffen in een rolkoffer met het naamlabel van de verdachte daaraan. In dezelfde ruimte werden in een doos nog vier zakken henneptoppen, met nagenoeg een identiek gewicht als de zak in de rolkoffer, aangetroffen.

De hiervoor genoemde omstandigheden zijn voor de verdachte in hoge mate belastend en redengevend voor het bewijs dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de henneptoppen in de hotelkamer en dat hij daarover de beschikkingsmacht had. Ruimte voor een andere conclusie is er naar het oordeel van het hof niet, nu de verdachte geen voor deze omstandigheden redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft kunnen of willen geven.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de henneptoppen in de hotelkamer en dat hij daarover de beschikkingsmacht had. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte die hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals ten laste gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 juni 2018 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5370 gram hennep.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een grote hoeveelheid aan henneptoppen aanwezig gehad. Softdrugs kunnen, zeker bij intensief gebruik, schadelijk zijn voor de gezondheid. Gezien de hoeveelheid aangetroffen hennep kan het niet anders dan dat deze bestemd was voor de handel. Naast gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van hennep, leidt de handel daarin veelal tot negatieve maatschappelijke effecten, nu dit niet zelden gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Het hof is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf.

Het hof zal bij het opleggen van de gevangenisstraf rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure in hoger beroep. De verdachte heeft op 17 september 2018 hoger beroep ingesteld. Het heeft 21 maanden geduurd voordat het dossier bij het hof is binnengekomen. Het hof doet uitspraak op 2 september 2021. De redelijke termijn voor de behandeling in hoger beroep is met ongeveer een jaar overschreden. Deze overschrijding wordt verdisconteerd in de op te leggen straf. Het hof zal daarom in plaats van de passend en geboden geachte gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden een gevangenisstraf opleggen van 10 weken.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot onttrekking aan het verkeer van alle voorwerpen op de beslaglijst en heeft het hof verzocht om deze te bezien in gezamenlijk verband met de onder de verdachte aangetroffen hennep. De raadsman heeft wat de inbeslaggenomen notebook betreft bepleit dat deze aan de verdachte wordt teruggegeven en heeft zich overigens gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het overweegt als volgt.

Onttrekking aan het verkeer

Henneptoppen

Het hof beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven henneptoppen. Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de henneptoppen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Personenauto Volvo C30

Op 23 juni 2018 was de verdachte ten tijde van een staandehouding door de politie de bestuurder van de Volvo C30. Op 29 juni 2018 heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat hij zich in Nederland verplaatste met de Volvo en hij was op dat moment in het bezit van de sleutel van deze auto.

Bij onderzoek aan de auto werd zowel aan de bestuurders- als de passagierszijde van de auto op de plek van de luidsprekers een verborgen ruimte aangetroffen. Er werd gezien dat er geen luidsprekers waren geplaatst achter de afdekplaten, waardoor een ruimte ontstond tot in de wielkast van het voertuig. Onderin de ruimte was purschuim aangebracht. Ook werd er gezien dat er schroeven op het afdekplaatje bevestigd waren om zo de toegang tot deze ruimten te vergemakkelijken. Eerder was in de kleding van de verdachte een magneet aangetroffen die gebruikt zou kunnen worden om verborgen ruimtes in voertuigen te kunnen openen.

De aangetroffen verborgen ruimte betreft geen standaardvoorziening en is dus achteraf ingebouwd.

Uit artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht volgt dat vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer de aan de verdachte toebehorende voorwerpen, die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte gepleegde feit zijn aangetroffen, indien deze kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, danwel de belemmering van de opsporing daarvan.

Nu, gelet op genoemde feiten en omstandigheden, is voldaan aan genoemd criterium, zal de personenauto worden onttrokken aan het verkeer.

Bewaren ten behoeve van de rechthebbende

Het hof is van oordeel dat van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op basis van het voorliggende dossier niet kan worden vastgesteld dat het ongecontroleerde bezit daarvan strijdig is met wet of het algemeen belang. Het hof zal van deze goederen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1) 4 KG Henneptoppen (902703);

2) 1 KG Henneptoppen (902704);

16) 1 STK Personenauto (900204) 16XXHS (omschrijving: grijs, merk: Volvo C30, bouwjaar 2008).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3) 2 STK Papier (902705);

4) 2 STK Portofoon (902706);

5) 1 STK Telefoontoestel (902712) (omschrijving: Alcatel);

6) 1 STK Telefoontoestel (902710) (omschrijving: Kazam, chassisnr: [nummer]);

7) 1 STK Telefoontoestel (902709 (omschrijving: Nokia Ta-1010);

8) 1 STK Notebook (902707) (omschrijving: Apple macbook);

9) 1 STK Administratie (902711);

10) 1 STK USB-stick (memorykaart) (902713);

11) 1 DS Doos (902715);

12) 1 STK Administratie (902716);

13) 1 STK Telefoontoestel (902717) (omschrijving: Bq Aquarius-X);

14) 1 STK Telefoontoestel (902719) (omschrijving: Alcatel);

15) 1 STK Telefoontoestel (902720) (omschrijving: Alcatel Onetouch);

17) 1 STK Huurcontract (902718) (omschrijving: Avis).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S.M.M. Bordenga, mr. K.J. Veenstra en mr. H. Sytema, in tegenwoordigheid van

mr. S.M. Schouten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

2 september 2021.

Mr. H. Sytema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]