Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2021:2622

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2021
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
200.288.639/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Hof acht het ontslag op staande voet wegens het onder invloed verschijnen op het werk en het (onder invloed) aanrichten van vernieling aan de auto van een leidinggevende, anders dan de kantonrechter ongeldig.

In het bedrijfsreglement is een sanctioneringsbeleid van werkgever opgenomen, waarin ten aanzien van de functie van werknemer (geen “rijdende” functie) is bepaald dat werknemer eerst een officiële waarschuwing krijgt, dat bij herhaling de mate van sanctie zal toenemen en dat in een uiterste geval ontslag op staande voet kan volgen. Vast staat in het onderhavige geval dat het de eerste keer was dat ten aanzien van werknemer alcoholgebruik op het werk werd vast gesteld.

Aan het ontslag is niet (mede) ten grondslag gelegd dat werknemer dronken in zijn eigen auto is gaan zitten en aldus op het bedrijfsterrein zichzelf en anderen in gevaar heeft kunnen brengen.

Volgt vernietiging van de bestreden beschikking, toewijzing van de loonvordering en toekenning van een billijke vergoeding.

Wetsartikelen: art. 7:677 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-1197
XpertHR.nl 2021-20006202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.288.639/01

zaaknummer rechtbank 8657661 EA VERZ 20-520

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 augustus 2021

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. T.T.H.M. Bruers te Amsterdam,

tegen

DETAILCONSULT PERSONEEL B.V.,
gevestigd te Velsen-Noord (gemeente Velsen),

verweerster,

advocaat: mr. R.J. Stoop te Leiden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [verzoeker] en Detailconsult genoemd.

[verzoeker] is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 19 januari 2021, onder aanvoering van grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 19 oktober 2020 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het beroepschrift strekt ertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat het hof de genoemde beschikking zal vernietigen en:

I. het ontslag op staande voet zal vernietigen;

II. Detailconsult zal veroordelen tot betaling van het loon vanaf 16 mei 2020 tot en met 25 juni 2020, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

III. Detailconsult zal veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 555,24 verhoogd met de wettelijke rente;

IV. Detailconsult zal veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 30.000,-;

V. Detailconsult zal veroordelen tot betaling van maaltijdvergoedingen, niet uitbetaalde uren en reiskosten, verhoogd met wettelijke rente;

VI. voor recht zal verklaren dat [verzoeker] geen betaling verschuldigd is aan Detailconsult;
VII. zal bepalen dat Detailconsult binnen veertien dagen de persoonsgegevens van [verzoeker] dient te verwijderen uit het interne waarschuwingssysteem;

VIII. zal bepalen dat Detailconsult het winkelverbod onmiddellijk dient op te heffen;
IX. een en ander met veroordeling van Detailconsult in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

Op 9 maart 2021 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van Detailconsult ingekomen, inhoudende het verzoek de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten van – naar het hof begrijpt – het hoger beroep.

De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op

18 juni 2021. Bij die gelegenheid heeft [verzoeker] door mr. Bruers en Detailconsult door mr. Stoop het woord gevoerd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. [verzoeker] heeft nog producties in het geding gebracht. Partijen hebben inlichtingen verschaft.

Detailconsult heeft bewijs aangeboden van haar stellingen.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en uitspraak bepaald.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking onder 1, 1.1 tot en met 1.6, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. [verzoeker] stelt in zijn beroepschrift onder randnummer 4 dat hij het niet eens is met de feitenvaststelling, maar richt geen grieven tegen de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Behoudens hetgeen [verzoeker] onder randnummer 5 aanvoert ten aanzien van de hoogte van het uurloon vermeldt [verzoeker] in het beroepschrift ook niet met welke door de kantonrechter vastgestelde feiten hij het niet eens is. Het hof zal dan ook van de door de kantonrechter vastgestelde feiten uitgaan, behoudens voor zover het het uurloon betreft. Die feiten behelzen, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn komen vast te staan, het volgende.

2.1

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999 en thans derhalve 22 jaar oud, is op 25 maart 2019 in dienst getreden van Detailconsult als Vulploegmedewerker. Het salaris bedroeg laatstelijk € 12,56 bruto per uur en betrof een all-in loon, tegen een arbeidsomvang van minimaal twee en maximaal twaalf uur per week. [verzoeker] voerde zijn werkzaamheden uit in het filiaal van Dirk van den Broek aan de [naam straat] te [plaats] .

2.2

Op de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] was het bedrijfsreglement van Detailconsult van toepassing (hierna: het reglement). In dit reglement is onder meer het volgende vermeld:

3.10 Alcohol en drugs

Het in het bezit hebben, het verhandelen, het gebruiken en het onder invloed zijn van alcohol en/of drugs is, in welke vorm dan ook, tijdens werktijd of pauzes ten strengste verboden. (…) Indien de medewerker ‘onder invloed’ is (…) wordt de medewerker door de leidinggevende de toegang tot het werk ontzegd voor de rest van de dag en wordt er één vakantiedag afgeschreven (…). Daarnaast kunnen disciplinaire maatregelen genomen worden, bijvoorbeeld schorsing of ontslag. Bij het opleggen van sancties met betrekking tot het gebruik van alcohol en drugs wordt een onderscheid gemaakt tussen functies waarbij invloed van alcohol en drugs ongewenst zijn en waarbij ze volledig uitgesloten moeten zijn.
Bij functies waarbij alcohol en drugs ongewenst zijn, zal de medewerker aangesproken worden op zijn gedrag middels een officiële waarschuwing. Bij herhaling zal de mate van sanctie toenemen. In een uiterste geval kan ontslag op staande voet volgen.
Bij functies waarbij alcohol en drugs volledig uitgesloten moeten zijn zal direct zwaarder worden gesanctioneerd en zal ontslag op staande voet volgen (…). Het gaat hierbij om functies waarbij onder invloed zijn van alcohol en drugs een gevaar voor betrokkene en/of zijn omgeving geeft. Voorbeelden van dergelijke functies zijn: chauffeurs, functies waarbij machines worden bediend en functies waarbij direct contact met klanten plaatsvindt. (…)”

2.3

Vaststaat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou eindigen per 25 juni 2020. Dat is ook schriftelijk aangezegd.

2.4

Op 14 mei 2020 is [verzoeker] naar aanleiding van een incident op 7 mei 2020 geschorst met behoud van loon. Deze schorsing is per brief bevestigd, waarbij ook is aangekondigd dat nader onderzoek zal worden gedaan en dat [verzoeker] voor een gesprek werd verwacht op 20 mei 2020.

2.5

Op 17 mei 2020 heeft Detailconsult onderzoeksresultaten ontvangen, waarna zij [verzoeker] op 18 mei getracht heeft uit te nodigen voor het vervolggesprek. [verzoeker] was niet bereikbaar en op het gesprek van 20 mei 2020 is [verzoeker] niet verschenen.

2.6

Op 20 mei 2020 is [verzoeker] vervolgens door Detailconsult op staande voet ontslagen. De schriftelijke bevestiging van het ontslag luidt, voor zover relevant, als volgt:
“(…) Op donderdag 7 mei 2020 was er in de avond een “Iftar” georganiseerd op het filiaal. (…) Ook jij was uitgenodigd (...). Jij komt – volgens collega’s (…) – rond 19.32 uur aan op het filiaal in een beschonken toestand en om die reden roepen zij de heer [X] erbij. In de kantine spreekt de heer [X] jou aan op jouw gedrag en stelt voor om je naar huis te brengen voor jouw eigen veiligheid. Echter geef jij geen gehoor aan dit voorstel en je vertrekt richting jouw auto. Naar eigen zeggen omdat jij je niet op je gemak voelde in het filiaal vanwege het feit dat jij niet meedoet aan de Ramadan en daarop werd aangesproken. Om 20.06 uur stap je beschonken in jouw auto om weg te gaan. Tijdens het achteruit rijden, rijd je tegen de auto aan van de heer [X] die bij het filiaal geparkeerd stond. Er ontstaat een woordenwisseling en een worsteling tussen jullie. De heer [X] geeft jou tevens een klap in je gezicht. (…) Naar aanleiding van deze gebeurtenissen nemen zij jou mee terug het filiaal in. Bij binnenkomst wordt rond 20:15 uur de politie gebeld. De politie komt aan rond 20:45 uur aan en nemen jou mee naar het politiebureau voor nader onderzoek. (…)
In het kader van het onderzoek zijn onder meer de betrokkenen gehoord. Uit de camerabeelden en verklaringen van jouw collega’s is gebleken dat jij schuldig bent bevonden aan het onder invloed van alcohol verschijnen op de werklocatie in het bijzijn van collega’s en vervolgens een vernieling hebt aangericht aan de auto van de heer [X] . (…)
Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren dan ook ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek. (…)”

3 Beoordeling

3.1

[verzoeker] heeft in eerste aanleg verzocht Detailconsult te veroordelen tot:
-betaling van het niet-genoten salaris vanaf de datum dat Detailconsult de loonbetaling heeft gestaakt tot en met 24 juni 2020,vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW;
-betaling van het niet-genoten verlof en het pro rato opgebouwde vakantieverlof tot en met 24 juni 2020;
-alle bedragen verhoogd met de wettelijke rente vanaf iedere datum van verschuldigdheid;
-onder afwijzing van de vordering ad € 308,94 die Detailconsult op [verzoeker] stelde te hebben,
-met veroordeling van Detailconsult in de kosten van de procedure.

3.2

Detailconsult heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [verzoeker] .

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter – uitvoerbaar bij voorraad – de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten. Tegen deze beslissing komt [verzoeker] op onder aanvoering van twee grieven.

Geldigheid van het ontslag op staande voet
3.4 Met grief I komt [verzoeker] op tegen het gegeven ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft daartoe aangevoerd dat hij slechts een drankje in privétijd heeft gedronken, hij niet met alcohol op heeft gereden, hij niet aan het werk was en door zijn leidinggevende werd gedwongen om naar het werk te komen. Bovendien blijkt uit het reglement dat een waarschuwing was aangewezen.

3.5

Het hof is van oordeel dat hetgeen Detailconsult op 20 mei 2020 aan het verleende ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, geen dringende reden voor ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:678 BW oplevert. Het volgende is daartoe redengevend.

3.6

Uitgangspunt bij het verlenen van een ontslag op staande voet is dat het, gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag, een ultimum remedium is dat alleen gegeven mag worden indien van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voorts fixeert de bij de ontslagverlening opgegeven reden de ontslaggrond. De ratio daarvan is dat het de werknemer, gelet op de ernstige gevolgen van een ontslag op staande voet, aanstonds duidelijk moet zijn welke gedragingen hem worden verweten. Blijkens de ontslagbrief van 20 mei 2020 is de dringende reden in het onderhavige geval gelegen in “het onder invloed verschijnen op de werkvloer in het bijzijn van collega’s” en “het aanrichten van vernieling aan de auto van de heer [X] ”. Voor zover Detailconsult stelt dat mede als dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd het door [verzoeker] dronken achter het stuur van zijn eigen auto plaatsnemen, blijkt dit onvoldoende duidelijk uit de ontslagbrief.

3.7

De functie van [verzoeker] was Vulploegmedewerker, en valt als zodanig niet onder de functies zoals omschreven in het reglement waarbij alcohol en drugs volledig uitgesloten moeten zijn. [verzoeker] vervulde bij Detailconsult een functie waarbij alcohol en drugs ongewenst zijn en op grond van het reglement zal ingeval van alcoholgebruik eerst een officiële waarschuwing worden gegeven, terwijl bij herhaling een zwaardere sanctie kan volgen. Alleen in een uiterste geval kan ontslag op staande voet volgen. Gesteld noch gebleken is dat ten aanzien van [verzoeker] sprake is (geweest) van herhaald onder invloed van alcohol op het werk verschijnen. Ten aanzien van het incident op 7 mei 2020 heeft Detailconsult in strijd met haar eigen reglement, geen schriftelijke waarschuwing gegeven maar – na onderzoek – direct ontslag op staande voet verleend. Uit de wijze waarop Detailconsult zelf in het reglement de sancties heeft beschreven, waarbij de ernst van de sanctie is gekoppeld aan het functieniveau, en voorts duidelijk is aangegeven dat bij herhaling de ernst van de sanctie toeneemt, blijkt reeds dat bij een eerste incident van een medewerker met een functie als die van [verzoeker] , ontslag op staande voet moet worden beschouwd als een te zwaar middel.

3.8

Ten aanzien van de tweede aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden, vernieling van de auto van de afdelingsmanager [X] , wordt het volgende overwogen. Op de overgelegde camerabeelden is te zien dat [verzoeker] bij het – in beschonken toestand – trachten weg te rijden van de parkeerplaats op 7 mei 2020, bij het langzaam achteruit rijden zacht de auto van [X] raakte. [verzoeker] heeft ook niet betwist dat dit is gebeurd. Ten aanzien van de aard en exacte omvang van de schade is verder niets gesteld. [verzoeker] betwist niet dat er schade is toegebracht, maar stelt dat dit onopzettelijk is gebeurd.

3.9

In de ontslagbrief wordt als dringende reden niet genoemd het toebrengen van schade aan de auto van de leidinggevende, maar “vernieling”. Ook wanneer ervan uitgegaan moet worden dat onder vernieling mede begrepen moet worden het onopzettelijk schade toebrengen, levert dit noch zelfstandig, noch in samenhang met de andere grond – het beschonken op het werk verschijnen – een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het hof weegt hierbij mee dat gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft toegebracht aan de auto van [X] zoals bedoeld in artikel 7:661 BW. De schade is toegebracht als gevolg van het feit dat [verzoeker] onder invloed van alcohol was.
Hoewel [verzoeker] een verwijt gemaakt kan worden van het feit dat hij onder invloed van alcohol is geraakt én in deze toestand achter het stuur is gaan zitten, kan niet gezegd worden dat hij de schade die daarvan het gevolg is opzettelijk en/of bewust roekeloos heeft toegebracht. Overmatig alcoholgebruik kenmerkt zich nu juist door afwezigheid van adequaat bewustzijn.

3.10

Uit het voorgaande volgt dat er geen dringende reden voor het ontslag op staande voet aanwezig was, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW. Bij deze uitkomst heeft [verzoeker] geen belang bij grief II met betrekking tot de onverwijldheid van het gegeven ontslag op staande voet. Het gevolg is dat de opzegging is gedaan in strijd met artikel 7:671 BW, en dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van de opzegging door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen. Op grond van artikel 7:683 BW kan hetzij herstel van de arbeidsovereenkomst, hetzij een billijke vergoeding worden verzocht.

3.11

Ten aanzien van het petitum in hoger beroep overweegt het hof als volgt.
Het door [verzoeker] verzochte onder I zal worden afgewezen, nu artikel 7:683 BW geen mogelijkheid biedt om in hoger beroep het ontslag op staande voet te vernietigen. In het beroepschrift kan niet gelezen worden dat [verzoeker] herstel van het dienstverband verzoekt, nog daargelaten dat dit (i) niet te rijmen zou zijn met de onder IV verzochte billijke vergoeding en (ii) [verzoeker] geen belang heeft bij een herstel na 25 juni 2020 omdat de arbeidsovereenkomst op dat moment van rechtswege zou zijn geëindigd wegens het verstrijken van de overeengekomen bepaalde duur. De slotsom is dat het dienstverband is geëindigd als gevolg van het op 20 mei 2020 gegeven ontslag op staande voet.

3.12

Voor zover [verzoeker] onder II van het beroepschrift betaling van loon vordert dient de vordering op grond van het voorgaande te worden afgewezen voor zover het de periode na het ontslag op staande voet betreft; het dienstverband is op dat moment immers geëindigd, zodat er geen loonaanspraak meer bestaat vanaf dat moment. Voor zover de aanspraak op loon de periode tussen 16 mei 2020 en 20 mei 2020 betreft, heeft de kantonrechter onder 1.4 van de bestreden beschikking vastgesteld dat [verzoeker] was geschorst met behoud van loon. Hiertegen is door geen van beide partijen gegriefd. [verzoeker] heeft echter bij beroepschrift gesteld dat vanaf 16 mei 2020 geen loon meer is betaald, hetgeen bij verweerschrift in hoger beroep niet is bestreden, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

3.13

Ten aanzien van het bij beroepschrift onder IV gedane verzoek tot betaling van de billijke vergoeding wordt het volgende overwogen. Nu vaststaat dat het ontslag op staande voet in strijd met artikel 7:671 BW is gegeven en de verzochte vernietiging in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen, is Detailconsult op grond van artikel 7:683 BW een billijke vergoeding verschuldigd.

3.14

De hoogte van de billijke vergoeding moet – naar haar aard – in relatie staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het verder aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval overeenkomstig de gezichtspunten zoals ontwikkeld in HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en later verfijnd in HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Stichting Zinzia), HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857 (Van der Wekke), HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow) en HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955 (Blue Circle). De verwachte levensduur van de arbeidsovereenkomst indien het ontslag op staande voet zich niet zou hebben voorgedaan (dit criterium wordt ook wel aangeduid als “de waarde” van de arbeidsovereenkomst) is daarbij een belangrijk gezichtspunt.

3.15

Aangezien de arbeidsovereenkomst – naar onbetwist vaststaat tussen partijen – van rechtswege zou zijn geëindigd als gevolg van het verstrijken van de overeengekomen duur op 25 juni 2020, is de inkomensschade van [verzoeker] een bedrag dat overeenkomt met het bruto loon over de periode vanaf 20 mei 2020 tot en met 25 juni 2020. Het hof ziet, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval waaronder de mate van verwijtbaarheid van werkgever en werknemer, de aard en lengte van het dienstverband van [verzoeker] , zijn leeftijd en alle overige omstandigheden van het geval, aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 1.500,00 bruto, waarbij de transitievergoeding (indien en voor zover deze al verschuldigd zou zijn, gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub b BW) is inbegrepen. Hiermee behoeft de onder III gevorderde transitievergoeding geen afzonderlijke bespreking meer.

3.16

Het verzoek onder V tot betaling van maaltijdvergoedingen, reiskosten en gewerkte uren zal, nu deze tegenover de betwisting zijdens Detailconsult onvoldoende is gespecificeerd, worden afgewezen.

3.17

Het verzoek onder VI betreft de inhouding die door Detailconsult is gedaan op de eindafrekening in verband met de gefixeerde schadeloosstelling op grond van artikel 7:677 BW. Nu hiervoor is overwogen dat het ontslag op staande voet ten onrechte is verleend, is deze inhouding onterecht geweest en zal dit verzoek worden toegewezen.

3.18

Het verzoek onder VII tot verwijdering van de persoonsgegevens van [verzoeker] uit het interne waarschuwingssysteem van Detailconsult zal worden toegewezen, nu blijkens artikel 3.21 van het Reglement opname in dit systeem (alleen) geschiedt in geval van ontslag op staande voet. Nu het ontslag op staande voet onterecht is verleend, dient deze opname in het betreffende register ongedaan te worden gemaakt.

3.19

De vordering onder VIII tot opheffing van het winkelverbod zal worden afgewezen, nu Detailconsult een discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen wie zij in haar winkel toelaat, en [verzoeker] zijn eventuele belang bij deze opheffing overigens onvoldoende heeft onderbouwd.

3.20

Detailconsult zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld. Detailconsult heeft geen concrete stellingen te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod daarom wordt gepasseerd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Detailconsult tot betaling aan [verzoeker] van het loon over de periode van 16 mei tot en met 20 mei 2020;

veroordeelt Detailconsult tot betaling aan [verzoeker] van een billijke vergoeding van

€ 1.500,- bruto;

verklaart voor recht dat [verzoeker] geen betaling verschuldigd is aan Detailconsult;

bepaalt dat Detailconsult de persoonsgegevens van [verzoeker] uit haar interne waarschuwingssysteem dient te verwijderen;

wijst de overige verzoeken af;

veroordeelt Detailconsult in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [verzoeker] gevallen in hoger beroep op € 338,- aan verschotten en € 2.228,- aan salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordeling(en) en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Haanappel-van der Burg, T.S. Pieters en M.S.A. Vegter en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.